Pagina's

dinsdag, juli 26, 2011


Ik wil niet verschimmen
of dichtbij de wolken zitten wachten

Alle dagen achter het raam
van het oosten, tot daarginder
het meer waar eens per week

een oude postboot pruttelend arriveert
en alle dromen, ware post en verlangens
meeneemt op weg de wereld in.

Alle dagen achter het raam
alsof ik in brons gegoten ben en
alleen het eenzame zieltje nog spreken kan

over wat eertijds was maar tot zinken
is gebracht, tot daarginder in het meer,
vandaar al die lege stoelen hier.

Alle dagen achter het raam, un homme immobile
et attendant. Waarop? Ik lijk wel een idioot
in het landschap van Edward Hopper.

Kom, trek je al die bitterheid niet aan,
verschoon jezelf, hoor nog wat Elise je zei,
ook dit is mijn leven, al is het honderdmaal anders.

Geen zuchtje wind daarginder, o eenzame eend,
haal mij op en wij keuvelen tot later,
in de nevel onder de maan.

http://www.youtube.com/watch?v=e2G8EWy-plM

[© MN. De kleine aanmoediging. Foto van het meertje Overstege tijdens de eerste wandeling op 21 mei jl., met Marieke die ervan genoot met mij naar buiten te kunnen, dát plezier verzachtte het enigszins maar fysiek bleek het ondoenlijk wat me pijnlijk confronteerde met opnieuw een ‘voorbij’.]

donderdag, juli 21, 2011

Gesneuveld vaderschap

Het beeld dat Adri van zijn vaderschap had, is terstond, abrupter kan niet, in mei 2010 faliekant omgeslagen en als een niet te repareren roeiboot in een van die troebele Amsterdamse grachten gezonken. Elk motief om van een geslaagd vaderschap te spreken, werd als een oude door de iepenziekte aangetaste boom omgehakt. Hij had definitief en volledig gefaald, dat vind ik de meest drieste en dramatische betekenisgeving aan Tonio’s trieste en fatale fietsongeluk. Zijn verongelukken in de vroege ochtend van eerste Pinksterdag vorig jaar, op weg naar zijn kamer in de Baarsjes, had hij met welke kunstgreep dan ook moeten weten te voorkomen – al was hij maar tussen zijn zoon en dat achterlijke karretje, een Suzuki Swift, ingedoken. Had hem een dag eerder gevraagd zijn vaderschap te duiden, dan had hij zich verlegen gevoeld, maar met onverholen trots uitgelaten over de band met zijn zoon . Drié dagen voor die Zwarte Pinksterdag hadden ze bij toeval gedrieën een kostelijke avond gehad. En nu ging hij vernietigend aan de haal met wat zich vanwege Tonio zo degelijk had ontwikkeld: zijn gevoel van eigenwaarde.

‘Het is toch een roman.’ ‘Ja, maar geen effectbejag, niks en nergens. Dit is op en top authentiek.’ De gedachte dat het mettertijd wel slijt? Adri moet er niets van hebben, al bespeurt hij drie, vier maanden later al wel wat andere kleuren op zijn palet.

Gisteravond dacht ik, dat deze hele schuldkwestie een sublieme, (ir)rationele vorm of strategie is om het immense verdriet te kunnen inpakken om een andere weg van rouw mogelijk te maken. Mirjam heeft verschrikkelijke huilbuien, Adrie hooguit natte ogen. Hij eist van zichzelf het hoogste, het meest onmogelijke – hij is niet gevoelloos, integendeel zelfs. Het laten gaan van de tranen zou het ‘begrijpen’ blokkeren, en dat is ontoelaatbaar. Brul het er maar uit, “nee, ik wil het minutieus onderzoeken, jij toch ook Minchen?” Het is de kracht van hun verbond, nergens meer voor beducht. Dit is het ware ouderschap, de liefde van een drie-eenheid.

[© MN, ‘De kern’, nog eenmaal over Tonio. Literatuur van hemels beslag, met een boekomslag van ook zo’n literaire kathedraal die in 2003 bij de Arbeiderspers verscheen.]

maandag, juli 18, 2011

Autobiografie van de verscheurdheid II - Der Lauf der Dinge

Na publicatie van deel I, vrijdag jl., zei ik naar bed te gaan, maar ik tikte eerst nog bij enkele weblogs op de deur. Toen las ik ergens wat zich hier, in mijn woonkamer, had afgespeeld en waarover ik had gezwegen, behalve dan de opmerking dat het in mijn hart een rumoerige, verdrietige dag was geweest. Dat vond ik genoeg. (Ik blijf altijd ‘dicht bij mijn leven’, maar waak over het prijsgeven van hetgeen tot de intimiteit behoort, zeker waar het gaat om iemands waardigheid.) De taal van de verscheurdheid verbaasde me niet, maar wel hoe ernstig de werkelijkheid naar haar hand was geschreven en hoeveel onwaarheden het bevat. Een volstrekt zinloze, grove schending van de integriteit. Geëmotioneerd en slordig op papier gekwakt, uit pure getroffenheid, en zo van zeshoog de wereld in geschopt. Ik nam me voor er niet op te reageren want het een lokt het andere en zo zou alles naar de bodem van waardigheid zinken, en zelfs er doorheen. Zaterdag een absolute nuldag. In de staart van de avond nog tachtig bladzijden gelezen.

Zondag wederom. Alleen op de wereld, daar lijkt het op, met een cabrio, een bed en voldoende proviand. Ik schrijf wat kaarten en maak aantekeningen voor deel II. Ik voel me verraden en bespuwd. Het gaat om ‘zijn’, gezien en erkend worden, lees Avishai Margalit er maar op na. “Je hebt altijd haar nog, je nummer 1, je grote liefde”, zei ze vrijdagmiddag op cynische toon. “Ik héb haar niet, wat we hebben, is een goed contact samen, wat voor jou een plaag is maar mij zeer dierbaar.” Zondag, wat een rouwdag. Ik blijf in pyjama, staar naar de gerimpelde cirkels in het meer, hoor de wind door de bomen klappen, drink vele glazen Spa. “Wanneer ga je eens iets doen?”, fluistert een prof van vroeger. “Je schrijft het meest, maar haalt de minste punten.” In zijn ogen zag ik verontwaardiging en minachting. Ik vervolg mijn aantekeningen over schuld – ben zo eigenwijs per se te willen schrijven, terwijl mijn pen zo onvast in de hand ligt, als een goudvis.

Tonio is het boek van de verscheurdheid, maar gelukkig zijn er ook veel sprankelende herinneringen. Wanneer ze weer bij het graf van Tonio staan als de steen is geplaatst en opa Natan, die 75 jaar ouder is dan Tonio, diens uitgestorven achternaam als illegale tussennaam ziet staan, Rotenstreich, vraagt Adri zich af wat de stille naar voren gebogen man wel niet zal denken. Natan Rotenstreich, een Jood met drie nationaliteiten als geschiedenis. Het doet me denken aan het verhaal van Irvin Yalom over de oude uit Hongarije afkomstige Bob Berger in “Ik waarschuw de politie”.

Nu kom ik op dat moeilijke, ingewikkelde thema: het schuldgevoel, de schaamte, het zelfverwijt, de definitieve mislukking. Het is de volle, overtuigde klank van het boek. Karrenvrachten vol invoelbare emoties, overpeinzingen en scenario’s, maar ook eentje afgeladen met overtuigde, bikkelharde en niet wegneembare of mettertijd te slijten schuldgevoelens. En alle tijd na Tonio’s dood was voorgoed waardeloos, incluis het requiem. Het grote zelfverwijt omvat niet een of twee alinea’s, maar loopt, vanaf het moment dat er twee agenten aan de voordeur staan met het bericht van hun zoon’s kritieke toestand, als een rode draad door het boek, als ware het een vast leeslint. Ik vind het moeilijk, omdat ik allereerst met de vraag worstel of ik wel iets mag bekritiseren, iets van het rouwbeklag in twijfel mag trekken, - en mijn antwoord is ontkennend. ‘Nee, ik heb het serieus te nemen en te respecteren.’ Ook als ik dat iets, dat zo allesomvattend is, mij persoonlijk aantrek? Twijfel, ik baseer me immers op dit boek!

Eénmaal, in een denkbeeldig gesprek tussen vader en zoon, zeggen beiden dat ze moeten ophouden met die zelfverwijten, maar Adri komt daar dan toch weer van terug en volhardt. Ik vind het een verregaande uiting van zelfbestraffing. Een masochisme dat zo irrationeel is, dat het me pijnlijk steekt en niet te bevatten is, wel als een aanvankelijk reële emotie, maar niet als beslissende houding, laat staan bij wijze van acteren. Tonio zou het niet dulden van zijn vader, dit uitgesproken destructieve. Hij zou naar zijn kamer gaan en een uurtje of wat later zacht naar de eerste verdieping terugsluipen, nog minder merkbaar de kamer binnenkomen en zijn verrast opkijkende vader hebben gezegd: “En, ben je er een beetje uitgekomen Adri?”

“Het verlies zal er, met garantiebewijs, voor altijd zijn.” Denkend aan zijn graf, met de beeltenis van Tonio als Oscar Wilde in het Belgische hardsteen, word ik stiller dan de vrees die er in mij huist.

Het is veel korter uitgevallen dan ik in gedachten had. Een groot deel van mijn aantekeningen over de tragedie van schuld van afgelopen zondag is door de pijn onleesbaar en door de morfine wreekt zich het korte geheugen. De nacht heeft als een deleteknop alles uitgewist. Hoe stom dat ik mezelf niet tijdig afvroeg of ik het ’s anderendaags nog wel zou kunnen lezen!

Adri en Mirjam verzetten zich tegen slijtage of verzachting van de levenspijn, hoe bewuster zij zich daarvan blijven, des te sterker het levende verbond tussen het elkaar betoverende driemanschap. Het is een gouden hommage aan Tonio, hun enige kind, hun ambitieuze zoon die veel in zijn mars had maar er niets van heeft mogen verzilveren. Boven de boomkruinen drijven niets dan grijze wolken, ze slepen een lint met zich mee, het lint waarop Lucebert in 1974 schreef: “Alles van waarde is weerloos.”

“Denk daar maar eens over na”, zei Tonio.

[© MN, met een foto van Mirjam Rotenstreich. Haar romandebuut dateert van 2002, “Salierisstraat nr. 100, Prometheus. Slotdeel over Tonio. Een requiemroman, A.F.Th. van der Heijden, Bezig Bij 2011.]

vrijdag, juli 15, 2011

Autobiografie van de verscheurdheid

Aanvankelijk wilde ik volstaan met dat veelzeggende citaat over ‘de schoot van de vrouw, het moederschap’ waarmee ik de requiemroman Tonio van A.F.Th. van der Heijden in het licht zette, maar ik voel me gedwongen erop terug te komen. (Vandaag, 15 juli, is het alweer een maand later dan zijn geboortedag en Tonio 23 zou zijn geworden. Een nuldag in het kwadraat.)

Beste Adri en Mirjam, ik wil jullie uit het stilste landschap van mijn wezen condoleren met het grootst denkbare leed dat ouders kan treffen, de dood van hun kind, de dood van jullie talentrijke Tonio, - die nog maar net de onzekerheden van zijn volwassenheid aan het overwinnen was, maar in elk geval al zeker was van de weg die hij wilde gaan maar die het noodlot hem genadeloos onthield en daarmee alles, ook voor jullie, als een hinderlijke vlieg van tafel veegde. Het verdriet haalt letterlijk alles onderuit.

Het noodlot is het leven niet, maakt geen overwegingen, selecteert niet, is niet te voorzien laat staan tijdig een halt toe te roepen of ongedaan te maken, maar slaat toe. In een vingerknip is alles anders. Het lafhartige, brute noodlot.

Volgens de etiquette zal het wel ongepast zijn zó laat nog een condoleancepassage te schrijven, maar dat er intussen al veel tijd is verstreken, maakt het hooguit wat ongewoon, niet ongepast. In dit alles ondergravend lijden speelt tijd, alle gezegdes erover ten spijt, nauwelijks een rol – het is een gebeurtenis die je levenslang tekent. Dit specifieke nieuws is mij toentertijd ontgaan, zoals zoveel sinds ik in pijntijd leef.

Een roman is meestal een lang verhaal van overwegend fictionele aard. Daarom keek ik wat vreemd op tegen de term requiemroman, - waarschijnlijk door Adri toch gekozen omdat het dikke boek zoveel figuranten kent. Want niets, geen woord is fictie. Al staan er vanuit literair oogpunt bezien vele kostelijke zinnen in dit boek, geen woord, geen alinea is verzonnen, - dat het óók van grote literaire waarde is, zegt iets over het meesterschap van de auteur, waarvan hij nooit meer zal vervreemden. Dat ben je geworden Adri, zoals Tonio het al vroeg in zich had om zo uitstekend te fotograferen. Zo mooi als het was dat hij vóór de schoolreis naar Griekenland al een fotografiethema had – niet de erfenis, de oudheid, maar de moderniteit – zo dramatisch was het dat uitgerekend zijn apparatuur werd gestolen. Hij liet zijn vakantie er echter niet door verknallen, maar onderzocht zijn thema door het derde oog, dat befaamde rechthoek tussen duim en wijsvinger.

Tonio is een adembenemend, aangrijpend boek. Een schitterend monument, “opdat hij niet in de vergetelheid zal raken zoals hij in de aarde is weggezakt.” Het heeft me vele keren diep geraakt, ontroerd, zoals jullie beider leven, naar Pavese, een leven als ambacht werd. Alles werd schier onvermoeibaar blootgelegd om nader te onderzoeken hoe en of het ‘iets’ vertelde over de ware toedracht van dat fatale ongeluk. Een eigenschap van tragiek is, is dat er ook veel onoplosbaar blijkt.

Ik ken het uit de talrijke dagboeken die ik heb gelezen: het ononderbroken persoonlijke van het verhaal drukt je als het ware met de neus op de navel van de betrokkenen. Je wordt zo indringend binnengelaten, je komt zo dichtbij alle stemmingen, sferen en overwegingen dat je mee-ademt in dit razend onderzoeken, in de woede, in de gesprekken, in de tederheid, in de herinneringen, in de verontwaardiging, in de wanhoop en allerlei ander onstuitbaars als achteloos rondslingerende kleding, dat je je de mensen gaat toe-eigenen, alsof het nu geoorloofd is zelf ook dichtbij te komen in plaats van op respectvolle afstand, als een gewone lezer van een bijzonder boek. Dat gebeurt met je, denk ik, als het je werkelijk raakt. Mij zijn Adri, Tonio en Mirjam o zo sympathiek geworden, dat mag, maar wanneer ik me inbeeld Adri en Mirjam feitelijk te ontmoeten, zal ik verlegen zijn en tegen Mirjam geen Minchen zeggen, al vind ik het nog zo’n vertrouwde en lieve koosnaam.

Het is laat voor mijn doen, bijna 22:00 uur, ben ontzettend moe en woon nog in hetzelfde wrakke lichaam. Na de herfst van de laatste dagen is het zo opgeklaard, dat ik buiten weer mensen hoor praten, in de behaaglijkheid van de avond en de beschutting van het lommerrijke park. De tekst is al zo lang, dat ik het maar op mijn weblog zet; in het weekend en daarna tracht ik verder te gaan want er ligt nog één ingewikkeld onderwerp op mijn tong, - vanaf morgen in het nieuwe daglicht. Dadelijk naar mijn altijd eenzame bed. Het was trouwens een rumoerige, trieste dag in mijn hart, voorafgegaan door evenzovele verdrietige dagen de laatste weken.

[© MN, met een foto die Tonio van zijn vader maakte.]

zaterdag, juli 09, 2011


In een ijskoude hel van verdriet en verlies. Ik ben een gevallen berg

Al wekenlang geen wind in de zeilen en geen enkele vooruitgang geboekt. Een helderziende, Keimpe Zwart, stelde dat ook vast toen hij zijn druk bewegende hand over een foto van mij liet gaan zonder ook maat de geringste achtergrondkennis. “maar het is wel een man met pijl en boog, hij volgt trefzeker zijn gevoel.” Dan sprong hij weer naar prullaria met een ander nummer (alleen het nummer verwees naar een persoon in de zaal en K. wist niet wie dat was.) Daarna, als toegift of plotselinge ingeving, terug naar ‘mijn’ nummer. “O ja, ik zie veel boeken en ook een vuur, niet een verzengend de hemel vervend vuur, maar een kampvuur, dat verwijst naar intimiteit. Hij ziet nu geen vooruitgang, maar hem wachten nog heel mooie jaren.” Wil ik nog wel een toekomst?

Tonio kreeg geen toekomst. Na de vuistdikke Nolens verdwaalde ik nog een etmaal in zijn gedichten, verzameld in de dundrukuitgave Hart tegen hart, prachtige pure poëzie als levende kwestie. Ik ben W.N.P. Barbellion’s Laatste dagboek gaan lezen, getroffen door schoonheid en veel herkenning. Dacht herhaaldelijk aan het verwante dagboek van William Soutar. Ofschoon andere keus genoeg, ben ik vervolgens de briljante requiemroman ‘Tonio’ gaan lezen, even onontkoombaar als toen Adri van der Heijden het na die zwarte pinksterdag vorig jaar terstond moest gaan schrijven.

Op de ochtend van 15 juni 1988 had ik hem, geholpen door de geschoeide handen van een verloskundige, uit zijn moeder zien komen. Hij scheurde haar open om zich toegang te verschaffen tot de wereld. Zij stond hem met een langgerekte kreet van overgave toe haar bilnaad los te tornen om zich een weg te banen. Krap tweeëntwintig jaar later was ik er getuige van hoe hij weer in zijn moeder verdween – niet in de gedaante van een dode, maar in de vorm van een donkere wolk verdriet, die onafbreekbaar in haar opgeslagen werd.” (blz.162)

Ik ben een gevallen berg. Soms weet ik niet meer hoe ik me moet wapenen en verder kan. Ik lig zwijgend en eenzaam kermend van pijn onder een laag breekbare schors, happend naar adem die stoffig is en bitter. Ik moet als de donder zien op te krabbelen, want als ik me laat wegglijden in een depressie zal ik die als een doodsdeken over me heen trekken.

http://www.youtube.com/watch?v=rblk4FNsUdg&feature=related

[© MN. Een foto van Tonio, verkleed als Oscar Wilde toen hij een jaar aan de Foto-academie studeerde. A. F. Th. van der Heijden, Tonio. Een requiemroman. Bezige Bij, 2011.]