Pagina's

woensdag, juni 18, 2008

Man of stof
Le voyageur chargé de pensées


Met het voorgaande gedicht zal ‘Whisperings of the Soul’ tijdelijk zijn gesloten, omdat mijn fysieke conditie het mij soms te moeilijk maakt, omdat er anders van het voorgenomen boek niets terechtkomt en ten slotte om heel persoonlijke redenen waarover ik meer vertel wanneer ik verderop in de tijd weer terugkeer. En dit laatste gebeurt zonder twijfel - tenzij de natuur het voorgoed onmogelijk heeft gemaakt – maar, tevens, in de hoop dat ook de wederkerigheid weer volop mogelijk zal zijn. Het is een pauze met moeite, maar ook met een wat gelukkige lach over de tijd die ik zal hebben, want ik ga voorbij, de tijd niet.

[“Het gesprek”. Foto gemaakt door Chrisje, 6 april 2008.]

maandag, juni 16, 2008


Vriendschap is als vuur en maneschijn
Of is het mijn goud?


In wezen blijkt vriendschap
een lang elastisch koord dat de tijd
verdraagt, het blijft in hart en geest nabij.

Er verdort of verdroogt niets en tijd is een begrip
van geen gewicht, het enige dat telt, is dat je
je ooit in de adem van sympathie verbonden hebt, ik

wikkelde me in de plooi van de nacht en voelde
dat ons leven te kort is om niet een sociaal weefsel
te scheppen van genereus geven en ontvankelijk zijn.

[© MN, in “Maak me menselijker". Goud oxideert niet. Afbeelding: "The Union" by Mihail Aleksandrov.]

zaterdag, juni 14, 2008

Wie zijn we als we wel kijken, maar niet zien?*

Eerst dacht de man, ‘k ben in verval,
Maar wie goed kijkt, ziet dat hij heel is,
hij is heel van hart en geest.

De man loopt met een stok en
beschikt over een Leonardo di Cabrio.**
Wat je niet ziet, kan er wel zijn. Z’n hoofd,

zegt hij, rust als een container op zijn schouders.
Men denkt, die heeft het voor zijn kiezen gekregen,
maar kijk, zie je dat? Die man leeft in zijn geluk.

Zie je dat? Hij is héél. De tranen wellen in zijn ogen,
terwijl het ook nog eens regent en alle loof zwaar neerhangt,
evenals zijn hoofd maar niet zijn leven.

[© MN, in “De man en zijn ziel”. *Titel ontleent aan “Specht en zoon” van Willem Jan Otten. **‘di Cabrio’ is zijn lichtgewicht rolstoel. Afbeelding: “Becoming human” by John Jude Palencar.]

donderdag, juni 12, 2008

Doeken zijn de dragers van beelden
Over “Specht en zoon”


Het kan natuurlijk ook een foto zijn of ansichtkaart, maar in dit boek is het schilderslinnen, dat in allerlei kwaliteiten en maten bestaat, dat de drager wordt van een beeld, een beeld dat zichzelf niet zal kunnen zien maar dat z’n bestemming is als het eenmaal in winkel wordt opgehaald nadat het op de gewenste maat is gesneden en met spieën van drie punt zes stevig in een raamwerk is vastgezet.
Even is het curieus, maar al gauw wordt het spannend hoe Willem Jan Otten, die ik tot nu alleen maar ken als schrijver van het essay “Denken is een lust”, zijn roman laat ontstaan vanuit het ogenschijnlijk dode schilderslinnen, een doek van groot formaat dat de kunstschilder gadeslaat en benieuwd ook naar wat hij met hem van plan is. Welk schilderij zal ik worden? En als het iets met mij wordt, waar zal ik terechtkomen? Begrijpt schepper, zo noemt het doek de schilder, wat of wie hij van mij wil maken? Hij ving eens op, een Piëta, maar wat is dat? Er gaan maanden waarin de ikfiguur, een prachtig gekozen gezichtspunt, als doek van 2 bij 1.20 alles, voor zover zijn oog reikt en niet verkeerd om tegen de muur staat, observeert en nog van weinig begrijpt. Totdat hij weet wie hij worden zal, nadat hij getuige is geweest van de geheimzinnige opdrachtgever en schepper: “(…) ik raakte volledig begoocheld door scheppers geconcentreerde blik wanneer hij soms voor me kwam staan, zonder mij met een vinger aan te raken.” En dan, als de scheppingsperiode begint: “(…) ik vond het een hersenloze periode, hoe zinnelijk en zinderend het soms ook kon zijn de verf te voelen opdrogen op mijn huid.” Maar goed, door allerlei verrassende en driftige gebeurtenissen heen, werd hij geschilderd, 'op een schoot van het groenste satijn'. "Ik ben een mens geworden”. In het schilderij, zoals schepper het heeft voltooid, ligt diens herinnering aan een plotseling gedoofde hechte vriendschap met een klasgenoot van vroeger en de gestorven zoon van de opdrachtgever, een steenrijke baggerkoning, die enkele keren fluisterend had gezegd, ‘Je redt er een leven mee’, maar de diepere betekenis was schepper ontgaan. Het is een jongen van twaalf. Schepper en Lidewij zijn ontroerd door het kwetsbare naakt, maar het blijkt een bizar ‘beeld’ wanneer het door Minke, een journaliste die de schilder al lange tijd kent, tijdens een heftig verlopend atelierbezoek onmiddellijk wordt ontmaskerd als een vertoning uit de rauwe realiteit van de gefortuneerde Valéry Specht, die op dat moment op sterven ligt. Maar had Minke alleen geloofd wat ze met eigen ogen had gezien? Had ze haar oordelen niet beter kunnen opschorten? “Wie zijn we als we wel kijken maar niet zien?” Een drama is onontkoombaar en intussen ligt Lidewij in het ziekenhuis en baart een zoon. De ikfiguur is bang dat de hand die hem heeft gemaakt ook de hand is die hem zal doden.
Willem Jan Otten (1951) wist zich te verplaatsen in de eenzelvige, impulsieve, driftige vaak ondoorgrondelijke aard van een kunstschilder, vermaard en tot in zijn tenen beducht om zijn reputatie, en schreef een tot het laatst spannende en fascinerende roman, poëtisch naar het leven en de dood. “Hoe houden ze het met zichzelf uit, de mensen?”

[© MN, over “Specht en zoon” van Willem Jan Otten, 142 pag., uitg. G.A. van Oorschot. Afbeelding: foto door Klaas Koppe.]

maandag, juni 09, 2008

Te weten wat leven is
Een roos kent geen waarom, ze bloeit omdat ze bloeit

Het lichaam is ontvankelijk voor het leven en daarom ook voor de dood. Toen ik deze tekening zag, trof mij vooral de rust, de vredigheid, de instemming, wellicht vreemd in vergelijking met hoe ik tot nu toe over dood en doodsangst schreef. Maar dat beeld kantelt, niet naar een werkelijkheid die nabij is maar naar een die realistisch is en nimmer te ontwijken. Het realisme van een bevrijdende gebeurtenis. Ik betwijfel of ik in het algemeen nog zal zeggen: ‘het loopt tragisch met ons af.’ Daarom noemde ik zo-even ook het woord instemming, ofschoon het ook vaak niet gezegd zal kunnen worden, maar hier toont het zich in het zwijgen, in de onherroepelijkheid, in de ontspannenheid van het lichaam dat zonder herinneringen en verlangens kortstondig een lijk is geworden, in het volkomen loslaten in plaats van het vastklampen aan alles dat we uiteindelijk toch moeten afgeven, zoals Miek Pot dat ongeveer schreef - omdat we alleen het léven kennen, en niet de dood, straks slechts twee handen vol stof. En het leven biedt het ontzaglijk veel waaraan we gehecht zijn, dat beminnenswaardig is, dat lonkt of begerenswaardig blijft, als een geheel dat altoos van waarde is en van ons is. Maar altijd, dat is een onvervulbare wens, het is steeds maar even. Niet ik ben gekozen dood te gaan, maar wij allemaal, hoevelen langer leven dan ik. De tijd gaat verder, maar niet voor het ontzielde lichaam, dat rest een troostdoek. Ik ben het, hoewel alle huid en botten al winterskoud zijn en het doodstil is, ben ik het die daarin gewikkeld wordt. Als het tijd is.

[© MN, in “Man of stof”. De ‘algemeenheid’ moet ik misschien nog eens benadrukken. Ik weet, ook uit eigen ervaringen, hoe moeilijk, moeizaam en tragisch een leven kan eindigen, hoe zwaar het te torsen afscheid. Iedereen kent er voorbeelden teveel van. Afbeelding: ‘Untitled’, voor mij “The last day”, drawing by Robert Armetta.]

zondag, juni 08, 2008

Bij twijfel maar laten voor wat het is

Zelden of nooit zal ik over een boek schrijven dat ik slecht vind of waarin ik zoveel hiaten aantref dat het me zwaar irriteert en me niets anders rest dan de auteur in welgekozen woorden maar goed ‘verstaanbaar’ erop te wijzen dat het werk niet deugt of slechts als schets even kan bestaan. Soms kwam ik er niet onderuit omdat er bijvoorbeeld tevoren beloftevol over was gesproken of gecorrespondeerd of doordat het om een proefschrift ging van vakgenotes wier werk je onmogelijk kon negeren. Er waren meestal genoeg redenen om het in grote lijn te prijzen, maar de kritische kanttekeningen niet achterwege te laten. ‘Hoe is het mogelijk dat hier, in dit forse boek waaraan zo energiek is gewerkt, juist dit element niet aan de orde komt of verzwegen wordt?’, terwijl ik ‘wist’ dat dit gebeurde omdat het niet paste in haar geheel van waarnemingen over wie thuislozen ‘zijn’. Ik vond dat ze koud over hen schreef, te koud soms zodat er een bevroren beeld ontstond. Maar, zo bleek dan, de (vak)relatie bekoelde in het licht van hoe ze zichzelf noemde: een (charmante) expert. Dit laatste was eveneens en onvermijdelijk het geval bij een promovenda, een ‘groentje’, die vanuit de narrativiteitstheorie de voor het onderwerp zeer belangrijke facetten onbesproken of ‘ongezien’ liet en de literatuurlijst bracht ook meteen aan het licht dat ze vooral niet te rade was gegaan bij Gerard Nijhof over ‘Levensverhalen. Over de methoden van autobiografisch onderzoek’. Nu was dat misschien nog niet het allerergste, maar wel een van haar zogenaamd belangrijkste conclusies, namelijk dat er eigenlijk alleen voor thuislozen met een coherent verhaal perspectief was te verwachten, een conclusie die impliceerde dat de grote meerderheid het wel kan schudden. Zet ze in een rij van lotgenoten en elke individualiteit is verdwenen.
Eén van de typische en begrijpelijke eigenschappen van (de meeste) thuisloze mensen is, dat hun levensverhaal is verbrokkeld, scheuren en gaten toont die overeenstemmen met de zichtbare realiteit of dat delen ervan zo ver in het verleden liggen dat ze in hun huidige werkelijkheid niet meer zijn op te roepen of in de loop der jaren zijn verpulverd tot iets onbeduidends en waarover dus voorgoed gezwegen kan worden. Vaak zijn talrijke feiten ook oncontroleerbaar of worden ze terloops, zó handig of geroutineerd, verdraaid zodat de nuances in het eigen voordeel liggen; het is zó invoelbaar dat veel thuisloze mensen, zeker wanneer die toestand al enige tijd bestaat, nauwelijks of niet in staat zijn een samenhangend verhaal over hun levensloop te vertellen. De eenheid in henzelf is verloren of minstens ernstig verstoord – het moet angstaanjagend zijn niet meer thuis te zijn bij jezelf.
Nee, ik heb een boek niet altijd maar doodgezwegen, maar stukgeschreven of aan spaanders geslagen, nooit. Het staat misschien interessant of je wordt beschouwd als gezaghebbend, maar er is niemand mee gediend. Ik vind het veelal slechts machtsvertoon, dat in de eerste alinea al als zodanig herkend kan worden en ook niet meer verandert. Niet één zin die doet blozen. Het is net alsof je ergens naakt wordt neergezet. Schaamte heet het, koude schaamte waarvan de rillingen je over het lijf gaan. In de bellettrie? Ja, daar kunnen ze er ook wat van, aan weerszijden, schrijvers en critici.
Opeens moet ik denken aan een auteur naar wiens werk, ook een dissertatie, ik al vele jaren uitkijk, maar het is nooit verschenen, wat ik betreur omdat ik vermoed dat het zoveel belangrijke dimensies zou laten zien van het leven van thuislozen omdat het werk zou ontstaan uit een soort van undercoverjournalistiek waardoor er naar mijn overtuiging minder leugens en meer waarheid op tafel komt, of liever gezegd: realisme.

Als de boeken van Miek Pot of, onvergelijkbaar, van Stella Braam me niet zouden raken waar het hoort – niet alleen in het hoofd – of als het op het oog zo weinig belovende maar zo fraaie boekje van Antoine Bodar me niet zou bekoren of ontroeren, dan zou ik er niet over schrijven. Evenmin als zou blijken dat de boeken van Pascal Mercier niet om doorheen te komen zouden zijn. Ik vroeg me zo-even af of droefenis kan glanzen? Op een heel bepaalde wijze wél, meen ik. Lees “De pianostemmer” maar.

[© MN, “Een avondmijmering”. Ja, ‘De pianostemmer’ heb ik uit. Helaas. Het is een juweel in de literatuur, dramatisch tot in detail door ieder personage verteld, dát op zich al is maar weinigen gegeven. Opnieuw wil ik erbij opmerken dat de rijkdom aan taalnuances voortreffelijk is overgebracht door de vertaalster, Gerda Meijerink. Afbeelding: “The art of the doubt” by Marisa D. L.]

vrijdag, juni 06, 2008

Op de zetel van mijn gedachten

Ik moet mezelf mijn steiger zijn, het vermoeiendste van het alledaagse, maar ik wil ook schrijven. Is liefde vlucht of vrucht? Het rood in de nacht is mijn vurigheid, maar ik laat het gordijn open want dan is het minder donker en is er uitzicht naar de duistere hemel, al eeuwenlang dezelfde kosmos waarnaar door miljoenen ogen is gestaard.
Ik oefen in de gedachte dat ik er ben, de wind omhult mij fris en warm. Het getjilp van de vogel – want ik schrijf in morgenlicht - herhaalt zich duizendmaal, het is een onnavolgbaar woord. Ik ben al maanden reizend onderweg. Ik noteer het. “Eens komt de dichter dichterbij het rood van de nacht, om stil te zijn in een zee van tijd, om de tederheid te raken die nu slechts geschreven wordt.” (Terwijl het nacht is, trekt mijn pen me de grens over. Soms kom ik in vreemde streken terecht.) Ik kan niet anders dan schrijven in overgebleven beelden, ze stellen me gerust, ze brengen me in mezelf naar de stilte, daar laat ik ze los en ik blijf achter. Alleen. Gelukkig is het nog nacht, dan vormt het kussen zich als een onbeweeglijke kom, zoals handen dat kunnen, een kom waarin ik rust. “De tederheid is verborgen in de gedaanten van rust en behaaglijke stilte. Het is de tegenwoordigheid van de nacht waarin alles mogelijk is.” Ook de illusie. Ook de vrede. Het thuis zijn bij mezelf.
Vaak ben ik op de vlucht, op reis in mijn gedachten, een vlucht voor de alledaags geworden pijn die me ontmantelt, maar daarover geen woord. Ik maak van de pijn een mantel, doe hem uit en hang hem bij de andere aan de kapstok.
Vanmiddag ben ik naar het dorp gebracht en alleen verder gegaan. Het was zonnig en de wind ging niet dwars tegen mij in, maar kwam steeds van opzij alsof ze me vergezelde. (Ja, ik weet het, ‘de wind’ is mannelijk, maar niemand weet waarom.) Ik was de enige in een rolstoel, wat mij niet hindert want ik heb er geen enkele moeite mee en kan er behendig mee overweg. Het is mijn “Leonardo di Cabrio”. Je ziet de wereld ter hoogte van een joch van acht of negen dus voor de pinautomaat ben je dan net te klein. Ik spoedde me naar de Emmastraat, de boekhandel, waar ik zoveel zag dat me aanstaat, dat ik alles liet liggen. Onlangs kreeg ik het boek van Miek Pot nog, “De grote stilte” en Stella Braam stuurde me het boek over haar moeder, “Ik wil mijn huis niet uit”.
De langste tijd bracht ik door op het terras van De Jonge Enkelingh en daar schetste ik dit verhaal, ja, met driemaal een cappuccino en nog altijd vergezeld van een zachte zijwind. Kennelijk kan ik haar niet missen, ze helpt me het hoofd wat in balans te houden want toen ik om me heen keek, noteerde ik deze laatste regels: “Wat me nog het meest opvalt, is de vanzelfsprekendheid van ieders beweeglijkheid. Houd het hoofd dus koel want het is de zetel van je gedachten, nobel of niet.”

[© MN, in “Een gelukszoeker ben ik niet”. De logs verschijnen niet steeds, meestal wel, op het tijdstip dat ze zijn geschreven; deze is van bijna twee weken geleden. Doordat ik gelukkig weer kan lezen, kon ik iets over die boeken vertellen en zodoende ook voor meer afwisseling zorgen. Zo gaat dat. Afbeelding: “Bewegungsfreiheit” von Brita Seifert.]

dinsdag, juni 03, 2008

Stella Braam

is al sinds jaren gefascineerd door zorg voor mensen die het nodig hebben maar niet of onvoldoende krijgen, goedbedoeld maar onzorgvuldig of opgedrongen terwijl het overbodig is, zoals ik me herinner uit het boek over haar vader. Het gaat niet zozeer om het individuele falen van zorgverleners, hoewel je je soms verbazen kunt over de onbekwaamheid of naïviteit, maar om de denksystemen erachter en de soms wanstaltige vormen van bureaucratie, zoals scherp is beschreven in “Tussen gekken en gajes”. Stella Braam is een geëngageerd journaliste – werkte soms undercover zoals haar Duitse collega Günter Wallraf -, informeert zich grondig over de feiten en schrijft direct en helder.
“Ik blijf thuis!” gaat over haar moeder, die twaalf jaar na een ernstig herseninfarct niet naar een verpleegtehuis wil. “Over my dead body!” Het wordt een tour de force voor Stella en haar broer Camille om dat te voorkomen. Na het CVA is ze erg en aangrijpend hulpeloos verward. Ze is er beroerd aan toe. Ze heeft nare hallucinaties, maar opeens is ze ook helder. “Camille, wat zou je denken, zou het nog lukken weer in het spoor te komen?” Het is 1994, Marijke Braam is 69, geestig en rijk aan taal; als de meest recente, échte verpleeghuiskwestie speelt, is ze 81.
1994. Ze heeft een krachteloze linkerarm en linkertrombosebeen, is ongeduldig en herhaalt almaar zinnen of vragen zonder het te beseffen. Wel zegt ze: “Ik kan niet meer rekenen op mezelf.” Ze wacht op een plaats in het revalidatiecentrum, maar er moet veel overbrugd worden: procedures, wachtlijsten, indicatiecommissie. En waar? Maanden later wordt het de Maartenskliniek in Nijmegen, terwijl ze woont in Someren, bij Eindhoven. Het is ronduit schokkend te lezen hoe”St. Maarten”acht maanden lang zijn arrogantie en vernedering toont, als een modern gesticht. Een staaltje bizarre zorgkunst. Marijke’s dagboek getuigt van een prachtige, beeldende schrijfstijl, óók als ze vervolgens tijdelijk in een verpleeghuis in Eindhoven verblijft tot haar huis in S. is aangepast, wat nog veel voeten in de aarde heeft maar ’t lukt.
Het boek volgt de jaren in Someren. Waarnemingen en nabijheid van Camille en Stella, maar tevens veelzeggende dagboeknotities van Marijke over de prestaties die het vraagt om los te laten wat voorheen allemaal mogelijk was, waarvan je bent losgescheurd, over wilskracht en schrijnend, invoelbaar leed. Wanhoop en humor. Heimwee. Een broos evenwicht, desondanks in het klein gelukkig. (Veel pijnlijke herkenning.) Het verloop doet me bij momenten denken aan ‘Moeder of kind’ van Bodar, maar toch, een moeder met twee kinderen die respectvol waakzaam blijven. Marijke vergist zich vaker in van alles en er is toenemende thuiszorg. In limericks en ontroerende gedichten, haar grote talent, blijft ze verbazen, zelfs over het pijnlijkste uit haar leven, de dood van haar dochtertje Edmée dat aan leukemie leed en nog geen twee jaar werd. Ze schreef een gedicht van vijf strofes en zo uit haar hoofd draagt ze het voor. “(..) Maar er gleed, toen we wisten hoe broos je was, een schaduw over de uren.”
Het is 2006. Er wordt gedacht aan Alzheimer; heel bevreemdend lijkt het niet, maar het maakt Marijke aandoenlijk radeloos, en uit haar eigen aantekeningen is precies op te maken wat er wél aan de hand is!
Tot slot lees ik me een lange weg door het labyrint van zorg, met in vrijwel elke hoek weer een andere functionaris, beleidsregel, geheimtaal, onwetendheid of ander natte vingerwerk. Talloos was mijn gedachte aan een zin van Antoine Bodar: “De qualiteit van een samenleving toont haar hoogte van beschaving waarmee zij over zieken en ouden denkt en met zieken en ouden omgaat.” (Geen mens die van trots zal blozen.) De inzet blijft ongewijzigd, maar hóe, als ze zorgbehoevend is geworden? Lees het, en probeer dóór die nodige zorg heen te kijken. Het slot is moeilijk, het is een haast ondoordringbaar woud van hard jargon, rijk aan protocollen, denkbeelden en om de tuin leidende voorschriften, maar ook juist daar moeten we doorheen lezen om te zien waar het om gaat: een kwetsbare oudere die veel zorg nodig heeft, maar dan wél thuis.

[© Marius Nuy, over Stella Braam, “Ik blijf thuis! Het verhaal van mijn moeder”, 120 pag., Van Nijgh & Van Ditmar, 2008.]

zondag, juni 01, 2008


Postvogel VI
De eensluidendheid is dun gezaaid

Toen ik het hem had aanbevolen, bekende hij met spijt al lang geen romans meer te lezen. Dat verbaasde me niet; hij is een geoefend snellezer van stapels vakliteratuur. (Nee, geen ‘vakidioot’! Hij is begaafd, heeft een sterk empatisch vermogen, is rijk aan verbeelding en heeft een meer dan grondige kennis van de zorg.) Het schokte me toen hij me onlangs schreef de Nachttrein naar Lissabon met toenemende tegenzin en ergernis te hebben gelezen. “Ik vond het vreselijk, gezwollen, quasi-diepzinnig en uitermate hooghartig: alles zit in het hoofd, in het superieure, vlijmscherpe, lucide intellect en nergens anders is er enig leven van waarde. Leven is leven in gesloten soevereiniteit. Zelfs de passies zijn platoons ingespannen. De filosoof (vermomd als fourniturenhandelaar) heeft zijn wijsgerige obsessies tot dode karakters gemaakt en ze hebben niets met het leven zoals jij dat nu leeft: het is hun te laag. Het boek is mij te Duits, zo gezegd, te veel een Ideengeschichte.”
De verschillen in zienswijze, het oordeel of de smaak zijn groot en vormen niets opzienbarends, hoewel we het vaak betreuren of onbegrijpelijk vinden als de eensgezindheid ontbreekt. Gaat het over een boek of schilderij of welke andere stoffelijkheid ook, dan heeft dat verschil niets om het lijf, is onbeduidend. Toch? Het ‘schokte’ me, omdat de vloer werd aangeveegd met wat ik zo geprezen had. Ik trek me er niets van aan, de ‘Nachttrein’ blijft een schitterende roman. Komt Gregorius niet als een levensechte man tevoorschijn? De vrienden, de liefdes? Amadeo de Prado? Hij is wat minder een personage, maar dat is inherent aan de reconstructie, hij leefde tijdens de dictatuur van Salazar. Nee, het is nergens een ‘dood’ boek. Het is een briljant boek dat ik binnenkort opnieuw zal lezen. (We hebben er één antwoord op dat te allen tijden opgaat: over smaak valt niet te redetwisten. Over kwesties die er werkelijk toe doen gelukkig wel, maar je vraagt je soms af – met het oog op beschaving – wat het allemaal oplevert. Dat pijnlijk schrille contrast tussen waartoe we in staat zijn en wat we er van maken.)
Tegenover de briefschrijver zweeg ik maar over die andere boeken van Mercier. Maar toen ik gisteravond een flink stuk verder las in “De pianostemmer”, schoot mij plots zijn mening te binnen, ontdekte ik opnieuw de verbazingwekkend knappe, boeiende compositie van het boek en wie de personages in werkelijkheid blijken te zijn. Het gaat over de intimiteit van een familie, over vier begaafde mensen met in elk een even diepgaande levensbeleving als eenzaamheid. Alsof met het fijnste potlood tot in detail geschetst, krijgen de portretten een karakter dat je je kunt voorstellen en soms samenvalt met je intuïtie. Een web met zoveel tragiek erin geweven als het leven zelf, ik zal het ontwarren en uitlezen tot de laatste punt. Wat een geluk dat ik pas op pagina 265 ben.

[© MN, ‘Persoonlijke invulling is van alle tijden’. Over de romans van Pascal Mercier, ‘Nachttrein naar Lissabon’ en ‘De pianostemmer’, beide van de Wereldbibliotheek. Afbeelding: “Brieftaube” von Gerhard Glück.]