Pagina's

zondag, augustus 31, 2008

Een mens z’n zin, een mens z’n leven*
De monnik en de heiligheid van het leven

Je moet er niet tegen vechten, maar loslaten als iets onbelangrijks, laten vallen dat grote ongemak van de pijn en de met zich meebrengende beperkingen, dat is “de faam van de heiligheid”, hoorde ik de 78-jarige trappist-kluizenaar André Loef een tijd geleden ‘mij’ zeggen in zijn fraaie, wat wanordelijke voormalige ezelsschuur, gelegen in een (toen) zonovergoten verlaten vallei ergens in Frankrijk, natuurlijk een landschap van schoonheid en stilte.
De boodschap is mijns inziens niet slechts het (voor velen ondenkbare misschien wel absurde) verlangen naar eenzaamheid om ‘al lerende’ zo klein te worden als iemand met een verbrijzeld hart en jezelf zodoende te kunnen offeren, nee, de boodschap heb ik begrepen als een oproep tot bescheidenheid en minder te tillen aan je ego dat belangrijk en voortreffelijk wil zijn, dat wil opvallen en vaak naar méér verlangt dan er is of dat mogelijk is en als dat niet lukt, vervalt in ontevredenheid en frustratie, in boosheid of andere uitingen van onbehagen.
Dat laten vallen van jezelf zal de opgave zijn aan de eenzame monnik, anders kan hij ook onmogelijk bidden en leven, gelukkig zijn met zijn gekozen lot, maar de les naar ons zou kunnen zijn – hoe ondoorgrondelijk en vreemd of veraf zijn bestaan voor velen ook vaak is – de betrekkelijkheid in te zien van wat ons overkomt, niet zo hoog van de toren te blazen of onszelf niet in het centrum te zetten. Hij noemt dat zo mooi “de faam van de heiligheid”, dat ook is op te vatten als de kunst ons bestaan, ons persoonlijke leven, zo licht mogelijk te maken. Dan wordt het minder van belang, dan wordt het draaglijk en komen we het dichtst bij die we eigenlijk zijn – en in de kern is dat ook ons grote verlangen want dan leef je rustiger, niet zelfgenoegzaam, maar eenvoudig en ontdaan van al dat je jezelf oplegt maar mogelijk onbereikbaar (b)lijkt.
Lees niet dat het mij lukt zo te leven, het is een in stilte nadenken over die zinsnede “de faam van de heiligheid”, een gedachte die me plots, ik weet ook niet waarom die opborrelde uit de duisternis van mijn ziel, deed afvragen wat het toch betekent of zeggen wil, “in elk geval niet struikelen over dat woord ‘heiligheid’ want als we het daarom meteen verwerpen, gooien we het belangrijkste weg”, dat althans dacht ik in de eerste plaats. Het is een direct begrijpelijk begrip in de context van het mon­ni­kenleven, een leven dat uit respect voor de mensheid ons iets zeggen kan over de essentie van het bur­gerleven, niét het leven van ‘de leek’ want dat suggereert dat die niets begrijpt van wat leven is. Het is de monnik die iets zegt over de heiligheid van het leven.

[© MN, in ‘Maak me menselijker’. De titel ‘Een mens z’n zin, een mens z’n leven’ is van een mij dierbare vriendin toen we spraken over ‘respect voor ieders eigenheid’. Afbeelding: “Somewhere in the world” by Elena K.]

dinsdag, augustus 26, 2008


De dichter, de indringer. Soms zwijgt hij liever

De dichter logeert bij haar met wie hij
moeizaam tegelijkertijd ter wereld kwam,
hij was de teerste van de twee, wonend
in een huid, verkreukeld als een velletje

papier dat hij levenslang bij de hand hield.
Het eiland heeft hij achter zich gelaten, hoewel
hij hetzelfde leven hier zou kunnen voortzetten,
maar liever verschanst hij zich niet want het voelt,

zo vertelde hij, als een thuiskomst, en nachtboeken,
waar trouwens geen letter in staat, heeft hij genoeg.
Hij stelt zich na zonsondergang bloot aan de duisternis
van zijn ziel en kent nu eenmaal de drijfveer alles wat daar

opborrelt, nog vóór het is gestold in de vergetelheid
te veranderen in woorden, maar wie,
wie wil het weten, kan het niet beter onderhuids blijven?
Er blijft genoeg onbekend of verzwegen

van al dat in onze ziel wordt geschapen, zo schrijft hij
zelf uiteindelijk toch ook maar enkele regels, dat heet wel
openhartigheid maar is daarom nog niet een open boek.
Hij is geen indringer, maar, zo blijkt, een vriend des huizes.


[© MN, in “De aandacht is daar waar je bent”; De ziel schenkt je het licht dat je wilt zien. Afbeelding: “Sleep” by Armand Santos.]

woensdag, augustus 20, 2008


Onder hypnose van een dreumes

Zonder enige weifeling of moment van gewenning
word je begroet als een oom van ver, maar
meteen dichtbij getroffen door onbevangenheid.

Er is geen grens in tijd of genegenheid, hij
herkende vermoedelijk het natuurgetrouwe en
ratelde honderduit. Ik nam hem in de armen, keek

de dreumes in de ogen en was betoverd, voor
even was hij mijn meester en ik de leerling
in energie, plezier en levenskunst.

Waarheen je vakantie je ook voert, de ogenblikken
van verwondering vormen een reis naar de herinnering
van je kindschap en verbazing over de verstreken tijd.


[© MN, in “De aandacht is daar waar je bent”. Behalve dit ogenblik, komt de dichter niet op Internet – dat is het weldadige van vakantie, hij vermoedt tot 1 september. Afbeelding: samen met zijn eerste neefje Casper.]

woensdag, augustus 13, 2008


Une scène dans la vie d’un poète

Die oude gevoelige, nog krasse dichter,
pardoes verlaat hij zijn rijke, gevierde eiland,
hij veegt een traan van vreugde nu

hij eindelijk zijn koffer pakt en logeren
gaat want hij weet het wel, alleen
op de wereld is hij nimmer geweest.

Twee boeken van de indringer Grossman en
al wat hij niet missen kan, heimwee zal
bij de dichter wel niet aankloppen

want het ravijn in zijn hoofd is van negen maanden
geleden, hartje zomer leek het, warempel in november
alsof het wit van het ei gescheiden werd.


[© MN, in ‘De man en zijn ziel’. (13/11-13/8.) Beeld van binnen, beeld van buiten,
– dat tekent Ludo van den Heuvel in zijnen hof in Tisselt.]

maandag, augustus 11, 2008


Zowaar drie kraaien op de rand van mijn dak
Het leven zo mooi en dreigend


Op het middaguur breekt de zon mijn venster,
een wolk verbergt hem weer, ik zie
dat de weinige kersen al zijn verschalkt,
maar ik ben weer rein en gekleed.

Alsof zon en wolken tikkertje spelen zonder
dat iemand het tevoren bedacht, hoewel het augustus
is en niet de wolken, maar de zon behoort te winnen,
hij geeft zoveel zacht gepoetste glans aan mijn dag.

Het eiland is elk seizoen bekend, waakzaam zodat
de vloedlijn niet plots over mijn drempel komt,
leef ik met de rug naar de wereld?
Ik dacht het niet, maar mijn wereld verandert wel.

[© MN, in ‘Mijn leven als schets’ (dat ik inpak in een almaar dikker wordend boek). Afbeelding: Sculpture “Green book” by Jacqueline Rush Lee.]

vrijdag, augustus 08, 2008


Norwegian wood
Wat gebeurt er als je je hart opent?

Wanneer je lyrisch bent over een eerste boek dat je van een schrijver hebt gelezen, in dit geval “Ten zuiden van de grens” van Haruki Murakami, dan waag je je met gemak aan het tweede, maar in dat gemak heb ik me vergist. “Norwegian wood” kreeg mij maar niet te pakken. Het lag me ook niet lekker in de hand, dit is een raar groot formaat paperback, een irritante blad­spie­gel – en dat ligt niet aan het aantal bladzijden want de boeken van Mercier bijvoorbeeld tellen er dik honderd meer. Nog iets? Ja, die vormgevers bij Atlas lijken over weinig verbeel­ding te beschikken, want dit, het boek waar hij in Japan in 1987 mee doorbrak, is al even fantasieloos als het omslag van “Ten zuiden van de grens”.
Maar het wonderlijke van boeken is ook vaak, dat als je het boek na een aantal dagen weer oppakt en eens een flink stuk doorleest, je je realiseert niet uit verveling te lezen of om de tijd stuk te slaan, maar omdat de mist is opgetrokken en de mensen die je leert kennen, je gaan fascineren, de doodgewone, sympa­thieke en schuchtere Watanabe, de briljante rokkenjager Nagasawa met zijn wonderlijke ambi­tie, la tristesse Naoko of de meer weelderige en vrijzinnige Midori, allemaal mensen op de drempel van hun volwassenheid, mensen met herkenbare gewoonten en grillen maar met op hun huid reeds het karakter dat ze almaar sterker uitbeelden terwijl een paar neergestreken kraaien de gebeurtenissen gadeslaan.
Veel voltrekt zich in het midden van het boek, in het diep in de bossen gelegen Villa Ami, een soort herstellingsoord waar arts en patiënt afwisselend elkaars leerling en leraar zijn, op welk vlak dan ook. Waar je in dit onherbergzame oord ook wandelt, blaast de wind de geur van het landschap over je heen, van talrijke soorten bloemen tot vers gras. Het gaat over Watanabe en Naoko met haar ravenzwarte lange haar, een vrouw met schoonheid en huiveringwekkendheid, maar tussen hen in zit hun wederzijdse vriend Kizuki die jaren eerder, op zeventienjarige leeftijd, onver­wacht zelfmoord pleegde, maar met wie ze wel verder moeten. Ook het zusje van Naoko had op die leeftijd zonder enig voorteken ervan zelfmoord gepleegd. Het gaat (ook) over Reiko die het trauma over de onvervulde levensdroom als het ware inkapselt in een huwelijk, maar verstrikt raakt in ‘de slangentong’ van een beeldschoon meisje en het verhaal dat dan volgt, is zo zwaar bewolkt dat de maan zich nachtenlang niet meer laat zien.
Dan vertrekt Watanabe, diep zuchtend van verwondering en verwarring, weer naar Tokio, de keizerlijke metropool, de stad met het meest grillige stratenpatroon en zijn immense uitgaansleven, de supermoderne stad waar meer dan een miljard mensen wonen. Ergens in die beangstigende massa woont de onweerstaanbare Midori, een vrije geest met een gouden hart, een duizendpoot. De trotse egotistische Nagasawa verschijnt ook weer op het toneel.
Naoko wordt niet vergeten, maar elke zondag geschreven. Het boek gaat nu langzaam naar het einde en dat lees ik zelf, zonder ook nog maar één enkele rimpel over Naoko, Reiko, Midori en de man die me het meest heeft geboeid, Watanabe.
Haruki Murakami. Misschien lag het vooral aan mezelf dat ik er in het begin bijna te weinig door werd gegrepen, maar het is een prachtige, weemoedige roman over volwassenwording en hoe je daarin wint en verliest. Ik zal het straks met heimwee in de kast zetten, maar ook met nieuw geluk.

[© MN, over “Norwegian wood” van Haruki Murakami. (“Norwegian wood (this bird has flown)” is een song uit 1965 van The Beatles, opgenomen in het album “Rubber Soul”.) Photo by Mikio Watanabe.]

dinsdag, augustus 05, 2008


Geborgen in afhankelijkheid
Tranen als bloed gestold


De man die zegt ongelukkig te zijn, neigt
zijn hoofd naar het hare, zoals een veulen de kop
tegen de ranke hals van zijn moeder, maar dat is anders.

De man zegt niet bij haar te willen zijn, “maar
dat toch liever dan zielsalleen” want alle stilte wordt
hem te machtig, niet zijn ongeluk, dat koestert hij,

niet zoals het veulen de moeder, maar als een man die
zichzelf uit de weg gaat en niet kijkt naar wat hij ziet, 'hoe
treurig is niet ons verbond'. Zullen we maar verder gaan?

[In “Lijdenslust” (zo luidt ook de titel van een essay van Marcel Möring). Niét autobiografisch. Naar “Elegie”, een beeld van Tjikkie Kreuger.]

vrijdag, augustus 01, 2008

‘Hoe’ word ik oud?

Ouder worden is een onoverwinnelijk iets in je leven, precies zoals de vraag naar het ‘hoe’ niet of moeilijk is te beantwoorden. We hebben eigenlijk alleen twee typisch menselijke wensen: we hopen oud te worden of nog lang te mogen leven en ten aanzien van het ‘hoe’ hebben we een schoonheidswens. Niet in een pijnlijk aftakelend lichaam, niet in verlatenheid en niet meer weten hoe alles reilt en zeilt. Maar hoe ouder je wordt, des te meer word je geconfronteerd, en geraakt, met een enorme variatie aan lijden en machteloosheid en onstilbaar verdriet.
We lezen over de tragedies van de woedende moord of het geketend zijn aan geweld, over de talrijke fatale ongelukken of ongevallen die als het ware stagneren in ernstige invaliditeit. We ‘weten dat ons moeder ongeneeslijk ziek is maar ondanks de toenemende pijn nog helder van geest is’ en dat een nicht chronisch ziek is, onophoudelijk gekweld door fysieke pijnen en ongemakken, zich desondanks kranig houdt maar door anderen ook vaak gemeden omdat veel anderen daar niet tegen kunnen of ‘het wel gehad hebben’, iets dat weer een heel ander lijden veroorzaakt en dat niet wordt gekend. Ware het te doen, dan zou er een meer dan vuistdikke catalogus zijn te maken over het lijden van mensen, maar waartoe zou het kunnen dienen en kennen we de variatie al niet? Van veel wordt nooit gehoord, of van weggevlucht.
‘Hoe’ word ik oud? Het van dichtbij zien en voelen wat de menselijke slijtage met de ander en met jezelf doet, plaatst de vraag aan het einde van het leven. In veel vroegere levensstadia wordt de vraag wellicht anders gesteld: ‘hoe’ kan ik gezond leven?, dat zet je indirect op het spoor van hoe je ouder hoopt te worden, namelijk door je bewust te zijn van je keuzes en verantwoordelijkheden en daarin trouw te zijn, zo standvastig mogelijk. Zou dat niet een soort van ‘maximaal’ antwoord kunnen zijn?
Aan het einde nabij zijn, is intens verdrietig, enerverend en tegelijk vaak weldadig. Elk gefluister is van belang, elk gebaar van ‘er zijn’ verzachtend. Troost en tederheid zijn als een deken in de nacht, het is als het geluk van de sterren te voelen dat je niet alleen bent, dat gezien wordt wat misschien nodig is en begrepen welk woord nog over de lip rolt. Het kan een langdurig, ontredderend vechten zijn, maar, als de pijn te hevig is geworden, ook een lange, stille slaaptocht met diepe zuchten uit de verten van het leven. “Het ergste is dat je niets kunt doen”, wordt vaak gezegd, maar met werkelijke nabijheid en compassie doe je alles.
‘Hoe’ word ik oud? De vraag biedt me een ander gezichtspunt op de morfinepleisters die ik al vele weken ongebruikt laat liggen, eerder schreef ik al waarom. Maar in mijn innerlijke tijd lees ik nu dat afwijzing een soort van domme ijdelheid is, alsof die morfine een pil van Drion is. Misschien is het wel de best denkbare pijnbestrijding, deze transparante postzegel, en kan het mijn dagelijks leven veraangenamen. ‘Ik wil ouder worden dan ik ben. Pak dan wat nodig is om niet harder te slijten.’ Hoe vaker je rond de akkers van je geest dwaalt, hoe meer sporen je ontdekt die je eerder niet zag.

[© MN, in “Reflecties”. Foto van Hildegarde, zie Links.]