
Je moet je ziel laten groeien
Ik was, zoals gewoonlijk, alleen. Met niemand gekeuteld want er kwam geen mens en zelf kan ik er niet op uit. Oh ja, wel even gesproken met m’n lief want ik had een paar dagen geleden Patricia gebeld, het bloemenmeisje daar, en met haar geregeld dat er een mooi boeket bezorgd zou worden. (Wat allemaal niet mogelijk is in onze elektronische samenleving. Zo heb ik van de week ook een portret van Dante gekocht, getekend door Toorop.) “Wat prachtig!”, ze was er heel blij mee en we keuvelden nog even. Ik heb veel gedaan en intussen genoten van muziek, van Arvo Pärt tot Bryan Ferry. Stel je voor dat er geen muziek bestond. Brieven geschreven, niet op een typemachine zoals vroeger en dan later met de hand correcties aanbrengen, en al helemaal niet meer met de vulpen want mijn handschrift is niet om te lezen, zó bar, maar op de laptop, met mooie illustraties, dan printen, een paar enveloppen schrijven en voorzien van een postzegel. Chrisje brengt die een dezer dagen wel naar de brievenbus. Via een vriendin is er voor Erna een heuse Lindeboom geplant in Dronten. Die staat daar in de beschutting van een zacht ruisende wind. De Lindeboom, met sterke takken en een hartvormig blad, dat teer, dun en doorschijnend is, ruist en wiegelt in de wind. Weer eens opnieuw fragmenten gelezen in dat schitterende boek van Terzani, “Het einde als begin”, van een uitgever, Primavera Pers, die helaas niet aan de weg timmert waardoor het mijn boekverkoper was ontgaan. (Toen hij een paar weken geleden hier was, had ik hem er enthousiast over verteld, zodoende weet ik dat en Walter is niet de eerste de beste. Gisteravond kwam hij onverwacht weer en vertelde dat hij er meteen twee had besteld en intussen al vier nabesteld.)
Het liep tegen zes uur, mijn maag rammelde en ik zette het eenpansgerecht in de magnetron, nam intussen mijn medicatie en maakte het dessert vast klaar – Almhof yoghurt met maracuja perziken – , en ook de koffie gereed en zette een cd van Beethoven aan, het ‘Allegro moderato’. Ik at in de eetkamer mijn hutspot, goed van temperatuur maar ‘zo zo’ van smaak natuurlijk, genoot van het toetje met slagroom, rookte een sigaret en las, even kijken, 68 bladzijden van Kurt Vonnegut’s “Man zonder land”.
Nu zit ik weer op het eiland, koffie op, weer een sigaretje. “Man Zonder Land” kun je het beste lezen als een telkens weer korte kennismaking met de persoonlijkheid van Vonnegut, inmiddels 87 jaar. Wat een mooie humor, steeds in dezelfde 'lijn'. In zijn onnadrukkelijke schrijfstijl en op zijn vaste en eigen laconieke toon kondigt hij voortdurend het Einde der Tijden aan: "Zet geen domper op het feest, maar houd dit voor ogen: we hebben de hulpbronnen van onze planeet verkwist, inclusief lucht en water, alsof er geen dag van morgen bestaat, en daarom komt die er ook niet meer." Dat is Kurt Vonnegut ten voeten uit. Ook dat hij tussen al die onheilsprofetieën door ongedwongen rept over een bezoekje aan de kiosk tegenover zijn huis aan 48th Street in New York, of terloops de literatuurdocent uithangt. Van Kurt Vonnegut mag je van de hak op de tak springen.
"A nice glass of champagne at the end of a life." Zo karakteriseerde Vonnegut naar verluidt het Amerikaanse verkoopsucces van dit verrukkelijke boek, “Man Zonder Land”. De bubbels in die champagne zijn de cursiefjes in dit boek, dat echter niet geheel zonder kwade dronk is. Op Vonneguts onheilsprofetieën is het misschien goed proosten, maar de dag van morgen brengt vast de kater. Hij is op een donkere manier grappig, voortdurend verontwaardigd over corruptie en hebzucht, en vol deernis voor de zwakkeren.
[© MN, in ‘Een dag met licht’. Kurt Vonnegut, ‘Man zonder land’, Meulenhoff, 2006 (143 bldz.). Op p. 69: “Mocht ik ooit sterven, wat God verhoede, laat dit dan mijn grafschrift zijn: Het enige bewijs dat hij ooit nodig had voor het bestaan van God was de muziek.” (Het is bijna volle maan.) Afbeelding: “Een boeket”, schilderij van Basher.]