Pagina's

zondag, januari 16, 2011

Voor wie wil weten wie ik ben

…voorlopig een uitgerangeerd dichter. Vorig weekend hebben de plasproblemen zich herhaald, nog midden in de daling van de medicatie en dus nog niet geland om de nieuwe te beginnen, was deze complicatie even onverwacht als ongewenst, er volgde een bloederig catheterdrama, dat de volgende dag per ambulance bij urologie effectief werd verholpen. De kwade genius is waarschijnlijk een vergrote prostaat. Lág ik al veel te bed, nu ben ik vrijwel volledig geveld. De laptop zit al tien dagen dicht.
Zoals ik ben, zo zal ik niet blijven. Zicht op de tijd heeft niemand, maar tegen de lente zal ik zeker weer boven jan zijn, tot die tijd wens ik iedereen een volle bloei van het leven.


[© MN, ‘Laverend door de tijd’, photo 'Acrobats' by Dariusz Klimczak. Marieke, aan wie innig veel denk, had de titel al gescheven en dat is goed, al dacht ik aan het toepasselijke 'De indringer', naar het gelijknamig essay van Jean-Luc Nancy.]

vrijdag, januari 07, 2011


De ziel van de taal is vrijheid

Er waait taal door mijn hoofd, omdat ik via David Grossman opeens moet denken aan die onvergetelijke romanfiguur Amadeu de Prado van Pascal Mercier, naar wie Gregorius Mundus vastbesloten op zoek ging in Lissabon. Weet u nog, de docent klassieke talen die abrupt zijn leven aan het Zwitserse gymnasium in Bern afbrak, wat goed bij elkaar griste en de nachttrein nam. Het was geen vlucht van Gregorius.

Ik lig aldoor in bed en dicteer Marieke de taal die door mijn hoofd waait. Het dooit. Aan de balkonrand hangen grote druppels, die zich eenmaal vol en zwaar, laten vallen en weer vernieuwen. Op het meer vormt zich een laag water, dat zag ik daarnet aan een hele groep hoenders die tot hun verenbuikje over het meer wandelden. Langzaam verwarmt het water zich en vermeerdert het zich aan de laag ijs die zich heeft gevormd.
Het is een misschien roekeloze niet te doorgronden daad (van moed) waarmee Gregorius zich in één klap bevrijdde van het sociale beeld, - hij was een meest zachtmoedige grijze muis, plots scheurde hij dit imago doormidden, alsof een engel hem was verschenen om zonder verdere vragen en twijfels, zonder enig dralen, zijn biezen te pakken. De engel verscheen in de vorm van taal, slechts een vodje tekst, aangewaaid langs de kade waar hij liep en dat hem verbijsterend in zijn macht kreeg. Gregorius was tot in het diepst van zijn ziel getroffen, werd bij z’n kraag gegrepen en wist zich beslist om de verdere samenhang van dit vodje tekst te gaan onderzoeken. Er woei taal door zijn hoofd.

Amadeu de Prado was arts, een man met een hoge morele levenstandaard, een standvastige, stille man. Hij wilde een andere taal ontwikkelen want de bestaande was tot op de draad versleten. Dat kon je opmerken uit de eigengereidheid van mensen. De woorden waren hun betekenis kwijt. Zijn fascinerende cursieve teksten in de roman van Pascal Mercier vormen een boekje op zich en kan ik onmogelijk navertellen.

David Grossman en Andries Baart tonen dat de betekenisgeving weer kan terugkeren naar z’n oorspronkelijkheid wanneer je de taal in nieuwe verhalen brengt. Andries doet dit door de verschijningsvorm van aandacht op z’n merites te onderzoeken en zo te verhelderen dat wat verachtelijk, misleidend, opportunistisch, of een dief van aandacht is, toch soms aandacht heet te zijn. David Grossman – in de context van het Israëlisch-Palestijns rampgebied – laat zien dat er een totaal ander verhaal ontstaat wanneer je het “officiële en enig toegestane verhaal” naast je neerlegt en de ander, dus ook “de vijand”, van binnenuit probeert te begrijpen, “zijn drijfveren, zijn innerlijke logica, zijn wereldbeschouwing en het verhaal dat hij zichzelf vertelt”. Grossman’s punt is dat een volk vaak generaties lang verstrikt zit in een “officieel verhaal” en daardoor zo gespannen verwikkeld blijft in een langdurige strijd. De omkering van een gezichtspunt kan laten zien waarvan we onszelf kunnen bevrijden en hoe cruciaal het voor onszelf is om de toestand in het rampgebied radicaal te veranderen.

Dáárover wilde ik het eigenlijk hebben, over de bevrijdende noodzaak de ander van binnenuit te leren begrijpen en, in essentie identiek, de grote onmisbaarheid van de exposure-periode in de presentietheorie van Baart. Maar de wind woei mij eerst het land van Mercier binnen. We zijn dagen verder dan het begin. De dooi heeft doorgezet en het meer is opnieuw de spiegel van al wat aan de oever staat. Het licht is zacht.
De ziel van de taal is vrijheid en Grossman’s adagium, de wezensaard van wederzijdse erkenning … en “daaruit kan een mens opstaan”. In feite is het een mate van identificeren, alsof je het leven van die ander gaat leiden, zoals destijds Günther Walraff als ‘Ik ben Ali’ en later Stella Braam in ‘Tussen gekken en gajes’. Minder extreem maar zeker zo waarachtig gingen de journalisten Kapuscinski en Terzani te werk. Te denken is natuurlijk ook aan talrijke acteurs die het talent hebben op een aangrijpende wijze ‘de ander te zijn’.

[© MN, ‘Het lichaam, de geest en de ziel’. David Grossman, ‘De ander van binnenuit kennen’, Essay, Cossee 2007. Nu ik de Lyrica afbouw, ervaar ik pas wat het deed; zondag mag ik langzaam beginnen met Cymbalta. (Het is een helse tijd.) Aan het einde weer een begin? Schilderij van Marko Klomp.]

woensdag, januari 05, 2011


Met de pijn als koploper
Als een verschraald ei in een albasten schaal

Een zonnig huis voor een stille man. Op het web kom ik nergens, precies zoals hier thuis. Soms lijk ik misschien op de bomen in de ochtend en tegen de avond, dan staan ze hier als vaag silhouet, als een veeg in de mist, schimmen van wat ze van nabij zijn,
Een stille man. De veranderlijkheid stroomt door mijn bloed, de gedachte aan wie ik was en geworden ben, voert me naar eenzelfde waas. Het lukt me nauwelijks, ja, bij vlagen, mezelf te bevrijden uit een web van verdwijnen.
Een stille man, turend over het witte stijfsel van het meer. Er is taal in mijn hoofd, maar het is vloed. Van de pijnpoli kreeg ik nieuwe medicatie waar ik zondag geleidelijk mee begin, nu leef ik in een overgangsfase, stil maar vervuld van hoop. De pijn zal nooit geheel verdwijnen, maar hij moet niet lang meer aan de winnende kant zijn.

[© MN, ‘Een kind van de schrik’, en zo kan deze stilte nog wel even duren. Tijd duurt, het is tijd als wachten.]

zondag, januari 02, 2011


Het essay als schetsboek van mijn karakter

“Want ook wat ik nu schrijf zijn míjn gevoelens en meningen. Ik breng ze naar voren als dat wat ík geloof, niet als wat men geloven moet. Het gaat er mij alleen om hier mijn eigen ik te ontdekken, dat er morgen misschien anders uitziet, als ik verander met het nieuwe dat ik leer.” Michel de Montaigne, in Essays

26 december
Ik zat zwijgend voor het raam, staarde gedachteloos naar buiten, ver over talloze bomen heen. Het felle zomers aandoende winterlicht had de bomen al vroeg in de middag onmerkbaar van alle sneeuw ontdaan. Alleen in de oksels van de boomtakken lag nog een poosje een dot watten, maar daarna stonden ze weer als gewone donkere skeletten in het witte bevroren land. Zonder dat je het had zien gebeuren, was de sneeuw door de zon gesmolten, opgelost in de warme stralen van de zon of weggedruppeld naar de sneeuw die als een bevroren deken op de grond lag. De vegetatieve ziel van het winterlicht.
Ik zat zwijgend voor het raam, in, zoals Nietzsche het noemt, de windstilte van mijn ziel. Ik deed niets, ik zat er maar te schommelen in mijn ‘Cabrio’. Het ene moment keek ik naar de okerkleurige bomen hier recht tegenover, het andere ogenblik volgde ik de weg haaks op de Bilderdijkstraat en weet nu dat deze een eindlang kaarsrecht loopt, maar langzaam naar rechts buigt, waarschijnlijk licht klimmend want hoog in de horizon en vele tientallen meters zuidwaarts komt de weg uit op een rotonde. “Neem dan de derde afslag”, hoor ik de denkbeeldige TomTom-juffrouw zeggen, dat klopt want ginds, veel verder noordwaarts, ligt het Slingelandziekenhuis. Ineens weet ik dat ik het niet over de geografie van mijn stad wil hebben, maar over die van de menselijke natuur, speciaal ‘het zieltje’, en over mijn grote voorliefde voor essays. Een ‘liefde’ die ik altijd al kende, maar die de laatste jaren zo precies de maat heeft van mijn fysieke kracht, een soort van maatpak, een dat overeenstemt met het karakter van mijn huidige denken, alsof mijn sensitieve en intellectuele niveau’s van de ziel tezamen aangeven tot hoever mijn mogelijkheden nog reiken. De pijn is in alles nog steeds de koploper en drukt mijn wensen aanzienlijk naar beneden.

27 december
Een essayist is een kunstenaar. Het is een kunst een boeiende aanspreekbare mengvorm te creëren voor een compacte – veelal ruim binnen de 200 pagina’s blijvend - literair-weten­schap­pelijke beschouwing over één bepaald onderwerp. De literaire dimensie, de prozatekst, geeft vooral aan dat het betoog meer het karakter heeft van een verzameling van toch wel gefun­deerde overpeinzingen of mijmeringen dan de harde structuur van een goed gedocumenteerd artikel of boekwerk. Het is geen zware theoretische kost, maar een toegankelijk graag te lezen ‘verhaal’ met diepgang, een overtuigende verkenningstocht over een persoonlijk aangelegen vraagstuk. De schepper van dit literaire genre was Michel de Montaigne (1533 – 1592). Zo rond 1580 publiceerde hij de eerste editie van zijn aaneengeschakelde vrijmoedige overwegingen over de hoven van die tijd en het streven naar macht omwille der macht en eigen roem en niet om het volk te dienen. Wie ze vandaag leest, zal zelden het gevoel bekruipen dat het gaat over de zeden van ruim vijfhonderd jaar geleden.

28 december
Ik zit elke dag wel enkele uren voor dit raam. Soms schrijf ik een zin op die me binnenvalt, maar ik kan ook minutenlang naar buiten staren, niets doen, zoeken naar een houding waarin ik het het langst volhoud om op te zijn. Ver weg in me ben ik wel bezig met het onderwerp. Het is een grafische wereld buiten. Bomen, daken en wegen tekenen scherpe zwartwit-contrasten. We leven met ergens een stilstaande zon, dat is geloof ik ook kenmerkend voor het midwinterlicht. Solstitium.
Wachten niets doen, kijken, luisteren. “Alle kunst is wachten”, schrijft Simone Weil, “ook het ontvangen van inspiratie is wachten.” Wachten is in haar ideeënwereld een voorwaarde om met aandacht naar de wereld, jezelf en de ander te kijken, niet om in lethargie te vervallen, maar als noodzakelijke tegenhanger van activiteit, ambitie en prestatie en zo het mentale evenwicht van de mens te bewaken.
Al eerder schreef ik over de meesterhand van Andries Baart waar hij bijvoorbeeld schrijft over alle mogelijke verschijningsvormen van wat wij ‘aandacht’ noemen. Zijn prachtige essay hierover was een ‘tour de force’ want hij zou het volume van het boekje met gemak hebben kunnen verdubbelen. Eén zin eruit is voor mij, behalve dat het tot het kernstuk behoort van de presentietheorie, onvergetelijk: “Aandacht is de kiem van een relatie waaruit een mens gebo­ren kan worden.” * Aandacht is zo’n alledaags en bijna versleten begrip geworden, dat de diep­ste betekenisgeving ervan gemakkelijk over het hoofd wordt gezien. Het behoort tot het standaardimago van de moderne zakenmens want daarmee win je de gunst van de consument. De verhuizer zei het me, “Meneer, we zijn ons bewust van de kwetsbaarheid van uw kunststukken en daar wordt met zorg en aandacht mee omgegaan.We hebben speciale verpakkingsmiddelen”, en haalde me over de streep. ‘Aandacht lijmt als de beste’, schrijft Andries. Daar is op zich niets mis mee en alles is ook goed gegaan, maar de feitelijke verhuisjongens hadden geen enkel idee van kunst. “Me­neer heeft nogal wat prullen” en met een soort slordigheid verdween er weer een in zo’n speciale zak. Het Corpus stond onbedekt in de verhuiswagen. Maar aandacht als sociaal fenomeen vergt een bijzondere concentratie, en dan zeggen, “(..) en vormt de kiem (..) waaruit een mens geboren kan worden”, gaat veel dieper en geeft aandacht een menselijke gedaante.

De presentiebeoefenaar heeft als bijzonder onorthodoxe professie een breed werkveld, het varieert van bijzonder speeltuinwerk (in achterstandswijken), jeugdwerk, wijkwerk, groepen en individuen, de algemene gezondheidszorg, psychiatrische zorg, en zeker de pastorale zorg. Hij staat veelal – en daarom gebruikte ik zoëven al Weil ’s woord ‘de geschonden ziel’ tegenover achtergestelde en doorgaans niet meer serieus genomen mensen, mensen die moeite hebben met leven.
Te stellen is, dat het veelal om uit balans geraakte, ontwrichte mensen gaat die zichzelf vaak sociaal overbodig voelen, een indringende, vernederende ervaring, hen door instanties en het maatschappelijk niet meer in tel zijn opgedrukt, - geworteld in alle vezels van hun denkbeelden en gedragingen, metaforisch uitgedrukt in het soms gesloten houden van de gordijnen. In deze context bestaat en lééft de door mij onthouden zin van Baart.
Aandacht niet alleen als menselijke gedaante, maar ook, om met Simone Weil te spreken, als een harmoniserende beweging.
Het gaat om de terugkeer van gehoord en gezien te worden, in balans te komen, erkend te worden en die erkenning als het ware duurzaam te beleven als een verlossing. De Israëlische filosoof Avishai Margalit beschouwt erkenning als ‘het grootst menselijke goed’, tegenover vernedering als het grootst menselijke kwaad. Erkenning en de beweging van Weil die ik al aanduidde, namelijk dat het haar gaat om het evenwicht tussen ‘hebben en zijn’, tussen het ‘ik en het zelf’ … hieruit kan een mens opstaan. Ik weet niet of Andries Baart dit zal onderschrijven, maar voor mij ligt hier een fascinerende brug naar de filosofie van Simone Weil, de diepste ernst met het vaak zo verknoopte, zielloze ‘gebroken goed’ in de levensloop van mensen die er nog altijd niet echt bij lijken te horen.

29 december
Nu zit ik wel weer voor mijn raam, maar heb het vervolg al ongeveer in mijn hoofd zitten en ga niet naar al het wit en grijs in het oostelijke landschap zitten staren. Even trekt de formatie van een troep ganzen mijn aandacht, maar ik wil terug naar die ‘menselijke gedaante’.
Die vasthoudende gerichtheid van de gever – de schepper van die aanhoudende persoonlijke aandacht – naar de behoeftige, de gekwetste of geschonden ziel die verschijnen kan zoals die is, hoe verward of ontdaan ook, maar in zo’n vertrouwenwekkende situatie geen seconde hoeft te vrezen de aandacht te verspelen, is de kern van Andries’ betekenisgeving aan het begrip aandacht. Trouwe, voelbare nabijheid zonder af te dwalen of te oordelen, komt wel heel dicht bij Aristoteles’ duiding van de ziel als blaasbalg van het leven. Als het de kiem vormt van een relatie, dan is Andries Baart’s aandacht als levensadem, een houding die leven inblaast, het bezielt met leven.
Hier leg ik de verbinding naar het essay dat ik thans lees, “Windstilte van de ziel” van Joke Hermsen, - een vrouw die me telkens wanneer ik haar foto zie doet denken aan Meryl Streep – een essay dat zij in dagboekvorm schreef in de oude adellijke streek de Bourgogne, in een nabij Clamecy gelegen gehucht waar ze met hart en ziel een huis kochten dat hen (haar gezin) raakte, naar binnentrok. Zodra de ziel, hoe onzichtbaar, ongrijpbaar of onvindbaar ook, in het spel is kan het niet méér volkomen zijn.
Daar zat zij, eindelijk buiten de drukke, bindende kloktijd, naast een stapel boeken naar buiten te staren naar oude bemoste boomstammen alsof ze van plan was niets anders te doen, maar ver weg in haar gedachten spon zich langzaam een web waarin zij oude en nieuwe ideeën ontwaarde over de vele verwaaide en wispelturige duidingen van de ziel.

30 december
Angst fressen Seele auf, zuerst die Seele und dann das Leib. Ik zit nu voor het nachtelijk duister aan de oostkant, het dichtst bij mijn ziel, mijn kwetsbaarheid, de uilen houden zich wonderlijk koest. Jammer want ik mis de heldere keelklank achter hun kleine kromme haaksnaveltje.
Tegen de pijn weet ik maar geringe weerstand te bieden, maar van die angst kan ik me mogelijk verlossen. Het zijn – in een breekbare emotionele gietvorm - voornamelijk zelfgecreëerde ideeën, ernstige vormen van vooringenomen oordelen, achterdocht, boosaardigheden of ongerustheden die nergens anders in gegrond zijn dan in die door mijzelf bedreigende denkbeelden, die weliswaar samenhangen met de ervaren pijn en de daaruit voortkomende bestaansonzekerheid, maar die daarvan ook zijn los te maken en door te strepen, te herzien en te kwalificeren als onwáár. Nee, dat is geen kwestie van een knop omdraaien, maar van diep doorvoelen, aannemen en overtuigd durven zijn van de liefde en de betrokkenheid van die ene Ander tegenover mij in die verschrikkelijk weerloze situatie van angst die me langzaam in een wurggreep dreigt te krijgen.
Liefde redt. Hoe kan ik doof en blind blijven voor het mooiste dat ik ‘om niet’, werkelijk belangeloos, geschonken krijg? Op die pijn krijg ik weinig of geen greep, maar mijn ziel, wáár die zich ook bevindt – “in het naveltje”, zoals mijn moeder me eens vertelde -, die moet ik ongeschonden buiten deze innerlijke strijd weten te houden. Als liefde voedzaam is en redt en de eerste voorwaarde voor veiligheid, voor overgave, dan is hier Aristoteles’ blaasbalg weer aan het werk. Het is haar enigst denkbare wapen, haar geschenk van liefde, de enigste vorm van innige nabijheid. Haar hand vouwt zich in die van mij en vraagt me fluisterend eens de andere kant van die ideeën te willen zien. Geen knop, geen verleiding, maar de menselijke gedaante van liefdevolle aandacht. Hoe kan ik in het kussen blijven terwijl ik daaruit als mens kan opstaan? Hoe kan ik vasthouden aan de waan-zin van angst terwijl zij mij leven inblaast? Mijn kwetsbare ‘ik’ tegenover die sterke Ander.

31 december
Zag ik vannacht de maan als een sinaasappelpart op z’n gekromde rug liggen, vanmorgen om 08:56 uur was er het schouwspel van de opkomende zon. Gedurende drie minuten stond hij als een vuurrode bol achter de bomen, om daarna voor meer dan een kwartier in de bewolking te verdwijnen en als witgele bol van bijna verblindend licht weer tevoorschijn te komen. Het is wat overdreven, maar je zou even denken dat het de bezieling is van de nieuwe dag. We weten het niet. De ziel is een zwijgend fenomeen, als een ‘verscholen binnenwereld’, zoals de filosoof Gerard Visser de ziel nadert.
We kunnen alleen rekenen op de ziel ‘als we nergens zeker’ van zijn, dat heb ik ten diepste ondervonden, en ‘als vreugde en verdriet verbonden’ zijn, concludeert Joke Hermsen na haar slotgedicht van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska..

Een ziel heb je zo nu en dan.
Niemand heeft haar ononderbroken
en voor altijd.

Dagen en dagen,
jaren en jaren
kunnen zonder haar voorbijgaan.
Soms verwijlt ze alleen in het vuur
en de vrees van de kinderjaren
wat langer bij ons.
Soms alleen in de verbazing
dat we oud zijn.

Zelden staat ze ons bij
tijdens slopende bezigheden
als meubels verplaatsen
en koffers tillen
of een weg afleggen op knellende schoenen.

Bij het invullen van formulieren
en het hakken van vlees
heeft ze doorgaans vrij.

Aan een op de duizend gesprekken
neemt ze deel,
maar zelfs dat is niet zeker,
want ze zwijgt liever.

Ze is kieskeurig:
ze ziet ons liever niet in de massa,
walgt van onze strijd om maar te winnen
en van ons wapengekletter.

Vreugde en verdriet
zijn voor haar geen twee verschillende gevoelens.
Alleen als die twee zijn verbonden,
is ze bij ons.

We kunnen op haar rekenen
wanneer we nergens zeker van zijn.

[© MN, ‘In ’t naveltje misschien’. Met innige dank aan Lut voor deze parel aan mijn reeks essays.
Andries Baart, Aandacht, Lemma, 2004; * Het citaat is niet geheel juist. Ik vind de zin op pag. 162: “Aandacht biedt de kiem van een relatie, en daaruit zal een mens opstaan.”
Joke J. Hermsen, Windstilte van de ziel, De Arbeiderspers / Ten Have, 2010.
Avishai Margalit, Fatsoen als maatstaf, Boom / Stichting internationale Spinozaprijs, 2001
Michel de Montaigne, De essays (vert. Hans van Pinxteren), Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2004.
Gerard Visser, Niets cadeau. Een filosofisch essay over de ziel, Valkhof Pers, 2009.
Simone Weil, De geschonden ziel, Ten Have, 1982
Photo: “Anima mundi" by Alema Adamenko.]