Pagina's

zaterdag, oktober 29, 2011

De inslag van een drama trekt levenslang zijn spoor


Dagboek

Zaterdag, 22 oktober
De nieuwe dageraad staat weer in een hoog zonlicht, in een mooie herfstsfeer
Nu Kadafi door een van de opstandelingen, beter wellicht: iemand uit het verzet, is doodgeschoten, wordt er gekibbeld over de vraag of dit geen moord of oorlogsmisdaad is en dat de man, ‘de rat’, niet in hechtenis had moeten worden genomen om voorgeleid te kunnen worden voor een tribunaal. Zijn dood leidde terstond tot euforie, tot ‘vrije ademhaling’, maar kent honderden milities; het is de vraag welke strijd er nu losbarst, of eerder, hoe die nu, na deze laatste martelperiode wordt beslecht en dat niet de ene rat voor een ander wordt uitgeruild. Kadafi was een minstens zo arrogante en wrede dictator als Saddam Hoessein. Waarschijnlijk is het lood om oud ijzer. Een berechting – als dat al in eigen land mogelijk zou zijn - zou tot hetzelfde lot leiden en wellicht op de meest vernederende wijze: in een stadion onder de ogen van ‘zijn’ door hem geteisterde volk. Hopelijk wordt het land werkelijk en onbaatzuchtig geholpen bij een structurele wederopbouw.
Vanmiddag naar Wehl, Laag Keppel en Hummelo geweest en in H weer bij hetzelfde terras cappuccino, ditmaal met appeltaart en slagroom. Na drie kwartier stapte ik weer op en viel direct weer terug. Mensen naast me, twee dertigers, schoten me direct te hulp. “De ene keer gaat het goed, de andere keer niet”, zei ik. “En dan zijn wij er”, zeiden beiden. (Hij reed in zo’n zelfde Volvo als Roger Moore, alias Simon Templar in de serie The Saint.) Fantastisch, deze geen seconde aarzelende bijstand.
Aan het begin van de tocht – het was erg koud, tien graden – werd ik zonder speciale aanleiding, behalve de bekende pijn, overrompeld door angst. Ik reed een poosje op halve snelheid, overwoog terug te keren, maar het vooruitzicht op die manier naar huis én naar bed te gaan, was zo ontmoedigend dat ik er plots de vaart in zette. Onmerkbaar verdween de angst. Ik genoot van een kort galeriebezoek en kwam ontspannen aan bij dat fijne terras van de Gouden Karper. Toch voelt het nog altijd allemaal zo anders als vroeger, wetende ook dat die scootmobiel aan m’n voeten mij toebehoort.
Op de terugtocht zag ik dat men slechts op twee of drie plaatsen bezig was met het hakselen van de maïs, zo heet het oogsten. Laat dit jaar. Er staan nog vele percelen maïs van, wat zal ’t zijn, bijna anderhalve meter? Vrijwel overal compleet geelbruin. Voor loonwerkers een drukke tijd. Ik kwam aan bij de Veentjes in Doetinchem, daar is een C1000 waar je wel met drie scoots naast elkaar tussen de stellingen door kan, zo ruim. Ik kocht toastjes met eiersalade, een doosje kant en klare pikante gehaktballetjes en de Trouw met voor Orithia, tegen inlevering van een bon, voor drie euro het eerste deel Vier seizoenengerechten, nu dus de Herfstgerechten.
Ik at pas om 18u30, heerlijke boerenkool.
De teller staat nu op 126.

Zondag, 23 oktober
Gisteravond werd alles laat. Na het eten eerste deel van de krant gelezen, de post doorgenomen en het eerste van de vier bezorgde kleine monografieën, onder andere over Rein Pol, een van de Noordelijke Realisten fijnschilders, een groepering waar Evert Thielen zich tegen afzet en van onderscheidt. Al lezende viel mij de ijdelheid op van Thielen want hij zwijgt over Pol, vermoedelijk om de schijn op te houden dat hij de man is van de veelluiken. Ook omgekeerd hoor, de schrijver en kunstenaar Eric Bos, rept met geen woord over de zo gedreven collega in Brugge. Rein Pol is overduidelijk een andere realist dan Helmantel, die hier op zijn beurt dan ook ontbreekt. Je kunt daarom niet zeggen, ‘zo sluiten zich de hekken aaneen’. Hoe of wat ook, Rein Pol maakt zeker zulke indrukwekkende veelluiken als Thielen én diep geworteld in de verbeelding en talrijke details. Ik citeer de openingspassage.
“Na jaren van voorstudies, schilderde Rein Pol zijn groepsportret Pollegorie, een hommage aan het ‘Noordelijk Realisme’, een zes meter breed, manshoog schilderij met ontelbare figuren die zich in een schilderachtig landschap bevinden. Het zijn vrienden, collega’s en familieleden. De kunstenaar zelf zit op een podium een naaktmodel te schilderen, terwijl zijn hoofd op een groot scherm wordt geprojecteerd.” Overigens, de veelluiken zijn niet van deze tijd, al in de 4de eeuw was het een traditie.
Tegen elven hield ik op met werken en Orithia met lezen. We namen een ‘borrel’, genoten van de gehaktballetjes en raakten in een lang gesprek. Het was opeens twee uur.

Zoals gewoonlijk om acht uur opgestaan, maar na het ochtendritueel weer terug naar bed. Orithia sliep nog en we ontwaakten om half éen, een haast ondenkbaar laat tijdstip, maar in lijn met de klassieke betekenis van zondag. Rustdag. Wat we van plan waren, kon gewoon doorgaan. Als lunch een gebakken boterham met kaas en in de namiddag zouden we naar Bredevoort gaan.
Het eten van kleine blokjes boterham ging meteen helemaal fout, precies zoals toen ik voor het eerst een herseninfarct kreeg, bijna vier jaar geleden. Direct erbij drinken hielp niets, de optimel kwam er niet langs. Alles kwam op akelige wijze hoestend en proestend terug. ‘Daar ga ik’ ging door me heen. ‘Nee!!’, schreeuwde het. Orithia was onmiddellijk bij me met een handdoek. Ik was geheel van de kaart. O smeerde tot driemaal achtereen een sneetje brood met jam dat gelukkig normaal ging. De aanslag was mislukt. Bang en beroerd en mijn lichaam een huis vol pijn. Naar bed, Orithia bleef dicht bij me. Ik werd wakker om kwart voor vijf. Wassen, aankleden, koffie, maar doodnerveus voor de komende maaltijd. Daar zei ik niets over om het te kunnen bezweren. Geen problemen meer. Het einde van mijn tijd is opnieuw uitgebleven.

Maandag, 24 oktober
De zonnestand voorspelt eenzelfde dag. Over twee andere boekjes is weinig te zeggen, ze bevatten uitsluitend afbeeldingen van werk van achtereenvolgens Marius van Dokkum (1957) en Pieter Knorr (1950).
Het vierde boekje is een ode aan Piet Pijn (1926-2002), een weinig bekend kunstenaar doordat hij wars was van publiciteit uit vrees zijn kunstzinnige vrijheid te verliezen. Hij kon ook alleen maar eten als het hem werkelijk uitkwam. Een zeer gedreven kunstenaar, zijn vrouw Mia, die hem vereerde, was zijn favoriete model. Toen haar dat vanwege hartproblemen teveel werd, maakte hij talrijke virtuele reizen. Het liefst vertoefde hij in de 19de eeuw, maar hij bezocht ook veel Europese musea. Door haar zorg voor de kinderen, de huishouding en haar mateloze toewijding aan Piet kwam ze niet toe aan haar eigen ontplooiing als kunstenares, precies zoals bij de even gepassioneerde beeldhouwer Jan Meefout en zijn vrouw Irmgard die drie kinderen hadden. Pas heel laat, toen de kinderen het huis uit waren, kwam Mia toe aan aquarelleren en Irmgard aan boetseren.  
Na de lunch wilde ik aanvankelijk weg met de Winner, maar voor ik er erg in had, was ik in mijn cabrio in slaap gevallen, vermoedelijk vanwege de pijn en nervositeit. Jammer, ik was graag naar buiten gegaan, misschien dat de wind of ikzelf de duivelse greep verdreven zou hebben, zoals St. Michael dat lukte op het schilderij van Raphael (1518). De verbeelding kent geen grenzen. Maar evenals zaterdag in Hummelo, ik blijf levendig herinnerd worden aan stigmata en het lijkt per jaar te verergeren.

Dinsdag, 25 oktober
Morgenrood, water in de sloot. Ik zat wat te doezelen en dat ging ongemerkt over in slapen, in de cabrio, tot twaalf uur. Ik merkte pas buiten dat het miezerde, maar liet me niet weerhouden want ik wilde dat andere woonzorgcomplex wel eens zien in de grote nieuwbouwwijk Dichteren, aan de rand van Doetinchem, zoals wij hier recht tegenover ook aan de rand, maar dan pal tegen het centrum.
Op de heenweg reed ik er zonder erg langs, slechte bewegwijzering en kwam in het miniatuurplaatsje Kilder. Twee km terug kwam ik bij de beoogde wijk. Mooie huizen, wel dicht op elkaar, prachtig bestraat maar talloze drempels, zelfs op de parkeerplaatsen. Aan een enkeling buiten kon ik naar het Willy Brandtplein vragen en zo vond ik weldra ‘Waterrijk’. Een hypermodern aantrekkelijk gebouw waarvoor je, naar het schijnt, een indicatie moet hebben. Overal jonge aanplant, het was voorheen platteland dus wie weet, net als in de omgeving waren het hier grote maïsvelden. Eén supermarkt Plus, verder niets. Wel een straat lang medische, paramedische en sociale faciliteiten bij elkaar. ‘Waterrijk’ heeft koopappartementen, vrije sectorhuur en sociale huur; ’t is een prachtig gebouw met een restaurant waar iedereen alle dagen terecht kan. Maar dat mensen uit de buurt er komen, wordt dikwijls zwaar overschat.
Ik zou er wel willen wonen, ware het niet dat het zo geïsoleerd is van alle stadse levendigheid. Trouwens, ik wil niet weg van Trommelslag, dit is mijn ‘thuis’ geworden. Ik woon in een fijn appartement en raak vertrouwd met velen, misschien al meer gehecht dan ik zou willen toegeven. Orithia woont hier. Ik zou weer weten wat heimwee is, maar dat is nergens voor nodig.
De teller staat op 146.

Het woord dat reeds viel, blijft hangen. Het wordt een vraag aan mezelf. Ken je nu geen heimwee?
Waar Leonard Nolens in de States was, daar beviel het hem niet. Het verlangen naar thuis nam zienderogen toe, de gedachte er nog vier weken te moeten vertoeven werd onverdraaglijk, hij week van het tijdschema af en keerde drie weken eerder naar huis. Dit is heimwee, - al betwijfel ik of wel of niet bevallen een noodzakelijk element is. Ook al heb je het elders wel naar je zin, heimwee kan gewekt worden.
Wij reden weg uit Zwitserland en op nog maar een afstand van zeg 100 km ging ik harder rijden. Oost west, thuis best. We verlangden thuis te zijn. Hier is geen sprake van heimwee.
Het woord bestaat uit twee delen, ‘heim’ en het Duitse ‘weh’. Heimweh ist die Sehnsucht in der Fremde, wieder daheim zu sein. Es tut mir weh. Het etymologisch woordenboek staat voor mij te hoog, Koenen woordenboek: ‘ziekelijk verlangen naar thuis, geboortegrond of vroegere toestand’. Het is geen gewoon verlangen, maar pijnlijk, koortsig of fysiek of psychisch ziekmakend, geen gewone wens, maar een obsessie. In die zin ken ik geen heimwee, zelfs niet naar mijn vroegere toestand. Ik verlang vurig naar minder pijn, ik denk dikwijls aan mijn moeder en aan mijn tweelingzus, ik betreur het gescheiden te zijn, maar dit alles niet in de gedaante van heimwee, wel als pijnlijke gebeurtenissen, echt diepe getroffenheden, onherroepelijke breuklijnen.

Woensdag, 26 oktober
Zeer slecht geslapen, verstrikt in het verdriet omtrent het thema jaloezie dat hier helaas een vulkaan lijkt – ik vermijd met opzet het woord bron – van zware elke eer en vertrouwen opvretende onenigheid. Het wordt een thuisdag. Het is nu 15u20, heb even geslapen, maar nog even futloos, naast de pijn een mix van boosheid, verdriet, onzekerheid, niet alleen over ‘wie ons is’ maar diepergaand, over mijn bestaan.
Vanaf vandaag is de reactiemogelijkheid op mijn weblog gesloten. “Hoe kan ik me veilig voelen, je geloven of vertrouwen, met al die vrouwen die zwijmelend aan je voeten liggen en door wie jij je heerlijk laat bewieroken.” Facebook idem. “Ook daar een hele zooi vriendinnen.” Ik zal het markeren als spam en er niet meer komen, dan sterf ik tenminste daar.
Wanneer ik bij Walter boeken bestel, hoofdzakelijk uit de ramsj, kies ik er ook altijd een voor Orithia, als bescheiden geste tegenover het altijd voor mij in de weer zijn, een welgemeend gebaar. “Denk niet dat het enige indruk maakt. Van je zoon hoorde ik dat het haar zo blij maakte, het is dus altijd beladen. En je scootmobiel, ik moet er opeens aan denken, geeft je mooi de gelegenheid met haar ergens af te spreken, ze is immers elke dag als eerste in je hart. Is door één worden bemind niet genoeg?” “Waarom houd je van mij als je je niet veilig bij me voelt, me niet gelooft of vertrouwt, alles vastkleeft met achterdocht. Houd daar mee op.”
“Het is onmogelijk niet van je te houden, ik wil er voor je zijn.”
“Maar ik wil dat zo niet. Elke dag noem je haar naam, omgeven met zelf gecreëerde werkelijkheden, niet de werkelijkheid.”
“Ze komen niet uit de lucht vallen, daarom zal het waar kunnen zijn.”
Niets van mijn verweer schijnt te mogen kloppen. Het wantrouwen is gevestigd, rotsvast. Zal het ooit slijten?

De zinsnede, …. omgeven met zelf …. , is denk ik kenmerkend voor jaloezie en daarom een  element van onzindelijk denken. Orithia denkt overal over na en maakt er haar strikt eigen verhaal van, het enig logische. Ik doe niets ongeoorloofds, heb geen geheime afspraakjes, schrijf geen stiekeme liefdesbrieven, ze hoeft mij met niemand te delen en bedoel met cadeautjes niets anders dan ik als motief gaf. Moet ik de scootmobiel ook inleveren? Nee, dat bedoelt ze niet, dat zou waanzinnig zijn, maar het is niet ver van de waanzin wanneer ze me daarmee met verzwegen achterdocht volgt.
Ik ben een man, 62 jaar, met een angstige vogelkop.

Donderdag, 27 oktober
Vanmiddag komt Joke een of twee uurtjes aan; ze logeert nu een paar dagen in Slangenburg. (Misschien kan ik daarna nog even weg.) Orithia is naar yoga en gaat de rest van de dag naar een vriendin in Meppel. Morgenmiddag wordt er een mooi boek over vader en zoon Israëls bezorgd, een cadeau voor Orithia ter gelegenheid van het grote doek naar Israëls dat ze heeft laten schilderen. Het cadeau houd ik nu maar zelf. Het gebaar krijgt van haar immers niet de betekenis die ik er aan hecht. Het cadeau is beladen met de naam van iemand anders ver­dom­me. Het kwetst me. Onzindelijk of niet – wat is mijn oordeel ook waard – ik vind het niet normaal zo’n mooi en samenhangend cadeau van je geliefde te wantrouwen, niet te waarderen en af te wijzen. Ik smijt alles onvindbaar in die diepe greppel langs de weg naar Kilder. Toen ik er langsreed, greep me plotseling de angst bij de strot er zelf in te belanden als ik ook maar éven niet zou opletten.
Love is only possible in loyalty and trust. If you don’t believe me, leave me. This fight for tenderness … at our age!
First of all trust me, then love me. I’m not a man of sharing his soul.
Na Joke sliep ik tot half zes en na het eten tot 20u30, maar de duivel zit nog steeds op z’n zetel alsof hij wacht op mijn komst. Wat een pijn, wat een ondraaglijke pijn.
Ik mis haar, haar liefde is in wezen zo goed en verwarmend. Onfeilbaar is niemand, maar ik heb zelfs geen enkele gedachte die me onbetrouwbaar zou maken.

Vrijdag, 28 oktober
Bij de post onder meer een boek uit 1991 over Maarten ’t Hart, de kunstschilder en architectuurtekenaar uit Avereest (1950). Een Noordelijk realist die in zijn stillevens sterk doet denken, en er niet voor onder doet, aan Helmantel (kijk maar op Art Revisited). Hij was me voor het eerst echt opgevallen met zijn tekening van de ‘Grote kerk en markt in Plankhuizerveen’, dat via Google onvindbaar bleek. Het kan een gehucht zijn van het formaat luciferdoos, maar een dergelijke bestaande kerk zou aan niemands aandacht kunnen ontsnappen. Het is fascinerend, onkreukbare kunst. Straten, interieurs, stationnetjes die je zó hebt gekend, maar nergens meer bestaan. (Over heimwee gesproken ….) Vergankelijkheid, veranderlijkheid, de oorspronkelijke inhoud, de nieuwe betekenis. De kunst zoals ’t was, feilloos maar in de tijd  kwetsbaar.
Als de koerier is geweest, ga ik weg. Ik mis Orithia.

Trouwens, die aanwijzing van mijn leeftijd, dat is toch onzin, ja, onzin-delijk denken, alsof er ooit een moment komt dat je met de armen over elkaar kunt zitten of, nog dwazer, dat jij met jouw pijn nu wel gespaard mag worden. Nonsens met vette vingers. Al is het onoverkomelijk, dat die fysieke pijn m’n stemming en gevoeligheid behoorlijk beïnvloedt.
Tot overmaat: met het avondeten gebeurde hetzelfde als zondag. Ik was alleen. Verschrikkelijk. ‘Niet in paniek raken – geen paniek, hoor je me – neem water, neem kleine hapjes – dit komt van alle emoties deze week, rustig ademhalen, rustig …. ‘, en zo heb ik alles opgegeten.
Op de troon van de dag zat het gesprek. Orithia en ik laten elkaar niet los. We zijn blij met elkaar, we realiseren ons dat dit leven een opgave is voor allebei. (Ze kon niet eerder komen dan 21u30.) Omdat ze wel eens had gezegd, dat haar huis als een soort bushalte voelt en dat ze nergens aan toekomt, had ik al die tijd nagedacht hoe ik dat kon helpen verminderen. ‘Waar kan ik twee of drie weken logeren?’, maar ik kwam er niet uit.
De koerier is niet geweest.
Een warme omhelzing is het zegel voor de nacht.

Zaterdag, 29 oktober
De dag van de wintertijd. Janet heeft me gedoucht. Ik wacht tot 14u op de koerier, daarna ga ik naar Deun, de lijstenmaker. En Trouw kopen met het winterseizoen van Ron Blaauw. Hopelijk blijft het droog.
Het boek is gearriveerd. Ik ben naar Van Deun geweest; samen met een sympathieke en alle tijd nemende vrouw een mooie lijst uitgezocht voor ‘Titus’, volgende maand een lijst voor het schilderij dat Jolan maakte en daarna nog een voor het schilderij van Marius van Dokkum. Ik wilde nog wel verder, maar het was verschrikkelijk druk, door de pijn had ik m’n kop er niet bij, voelde me bang en ongelukkig, was te warm gekleed. Harder rijden durfde ik niet.
De teller staat op 153.

Wat er hier speelde, is voor beiden moeilijk. Of er nu wel geen sprake is van wat ik onzindelijk denken heb genoemd, het is er. Ik doe wat het meest wijs is te doen: Orithia serieus nemen omwille van het behoud van wat ons lief is. Liefde is kwetsbaar maar van grote(re) waarde. Dat is het enig oprechte wat ik er nog over zeggen kan.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. Levenslessen. Afbeelding: het meesterwerk van Rein Pol, groepsportret (veelluik) ‘Pollegorie. Een hommage aan het Noordelijk Realisme’.]

zaterdag, oktober 22, 2011

Mijn leerschool. Die ik liefheb, is in tel

Dagboek

Zondag 16 oktober
Na het ochtendritueel om negen uur weer naar bed gegaan en geslapen tot even na twaalven en na de lunch opnieuw geslapen tot 15 uur. Pijn, angst, nervositeit staan weer in de hoofdrol, ik voel me ontredderd, en me bezwaard naar Orithia die omgekeerd wel eens steun zou kunnen gebruiken. Ze zal dit jaar nog wel een nieuwe heup krijgen.
Ik had eigenlijk gedacht aan de weblog verder te sleutelen; er is nu wel een ander sjabloon, maar allerlei details moeten nog worden aangepast maar de energie is compleet verdampt. De dag is nog geen uur oud en ik voel me al ongelukkig. (En later blijkt, dat ik niet weet, nergens kan ontdekken, hoe ik ooit nog achter de schermen kom.)
We hebben heerlijk Foe Yong Hai met bami gegeten.
Voeten voelen weer als versteend, elke dag en al jarenlang. Dokters horen het me telkens zeggen, maar steken hun hand er niet naar uit, herinneren me hoogstens aan die verstoorde zenuw links, terwijl de orthopeed-chirurg het niet kon verklaren maar wel opmerkte dat het onzin was wat de huisarts ervan zei. Kennelijk wordt het opgevat als een beschuldiging, en blijft het bij ‘pappen en nathouden’. De inhoud daarvan? Leegte. Niets doen.

Maandag, 17 oktober
Al vroeg in de ochtend gehuild van de pijn. Is dit de prijs voor 72 km buitenlucht?
Voor het probleem met mijn weblog heb ik Gerhard geschreven, die weet er dikwijls wel raad op. De mail kwam terug, dan maar een reactie op zijn rake gedicht en gevraagd hoe ik hem kan bereiken, al geloof ik dat hij nog maar sporadisch met zijn weblog bezig is. Hij heeft me al vaker uit de brand geholpen.
Ik ga niet weg met de machine. Het is ook geen therapie. Ik heb weer twee uur geslapen. Ik
werd weer precies zo ellendig wakker. Ik zag gisteravond bij Orithia nog een stukje over chronische pijn. In Amerika is een neuroloog al een eind gevorderd, maar het blijken methoden die bij mij mogelijk wel op weerstand stuiten: interfereert met dat ijzer in m’n nek. Het gaat om magnetische beïnvloeding van de motorische cortex (waarop elektronische pulsen worden afgevuurd).
Tijdens het eten barstte het onweer los. ‘Deze pijn verdraag ik niet meer. Ik wil het niet.’ Ik voel me wanhopig. Ik zal straks en morgenvroeg eens een Diazepam nemen. Het is een doodgewone Benzodiazipine, kortweg Benzo, waar bij bijna sporadisch een spierverslappend effect vanuit gaat; zou je het dagelijks gebruiken dan doet het niets meer. Ik ben naar Orithia gegaan om die documentaire via uitzending gemist in z’n geheel te zien, indrukwekkend. Er waren verscheidene voorbeelden van pijn, van chronische pijn weet men nog het minst. De eerste dagen op de Winner had ik minder pijn, doordat de aandacht vooral uitging naar de euforie, naar het onweersprekelijke geluk van bewegingsvrijheid, daarna, vanaf zaterdag toen langs de Oude IJssel de kou een aanslag deed op de blijdschap, dook de pijn weer naar voren. De magie was over. Daarover toonde men in die film een wel heel traumatisch voorbeeld. Een jongeman van begin twintig hoorde rare geluiden in de kelder en ging op onderzoek uit. Het bleek de cv en toen hij het vermoedelijke defect ontdekte, stak hij zijn arm erin om er bij te kunnen. De arm kwam vast te zitten in de ventilator en wat hij ook probeerde, niets hielp om weer vrij te komen. Op geroep en schreeuwen reageerde niemand. Na 24 uur drong tot hem door dat er maar één uitweg was ….. zelf de arm er afzagen. Het was een kwestie van leven en dood. Zijn hersens gaven dit door aan bepaalde locaties in zijn lichaam dat onmiddellijk extra stoffen aanmaakte waardoor hij nauwelijks pijn heeft gevoeld. Hij zag de zaag door zijn vlees gaan, zijn bot, zijn slagader, een afgrijselijke waarneming.
Weer een huilbui van pijn en stervensangst. De gedachte te gaan en C nooit meer te hebben gesproken …, maar er is zo gauw en begrijpelijk jaloezie, verwarring en verdriet bij mensen. Zolang een vrouw niets met mij heeft, toont ze zich liberaal, maar zijn we wederzijds dicht, innig op elkaar betrokken, dan wordt het andere koek, zowel naar C als de weblog die hoofdzakelijk door vrouwen wordt bezocht. Maar misschien begin ik eindelijk eens enkele lessen te leren. De schijn van een dubbelleven is me al teveel. Overgave, vertrouwen en veiligheid, het komt allemaal op het spel te staan, dat wil ik niet. Ook haar gevoel ‘second-best’ te zijn, dat Orithia niet uit haar hoofd krijgt, is voor mij een taboe. Als ik dat nu nog niet snap, ben ik dommer dan een ezel.
Het is half negen, we zijn naar beneden gegaan en ik naar bed. Orithia komt tegen half elf terug en slaapt bij me, dat is fijn. Oh ja, het goede nieuws vandaag: mijn broer Enno heeft ook een weblog met in de kop die prachtige regel van Gerrit Achterberg, ‘Aan het roer dien avond stond het hart’. Blijf aan dat roer Enno, en goede vaart. Zie http://www.enno-nuy.blogspot.com/

Dinsdag, 18 oktober
Het weer is omgeslagen, het regent. Als zevende tabletje ‘s morgens weer een Diazepam, de scherpe kant van de pijn is ervan af. Jammer, dan ben ik vanmiddag opnieuw thuis. Vanavond komt vriend Walter en morgenavond Enno.
Het was droog en ik wilde weg, naar de Kringloop aan de andere kant van de stad. Me goed aangekleed, maar merkte in mijn gezicht meteen dat het veel kouder was. Ik weet niet meer wat ik fout deed, maar bij de eerste grote verkeerskruising was ik wel gestopt, maar plots reed ik in stand vier (zag ik later) tussen de wachtende fietsers door, de Winner drong zich gewoon door hen heen. “Wat gebeurt me toch?” riep ik en allen keken verbouwereerd toe maar bleven gelukkig onaangedaan. Ik moet de snelheidshendel hebben ingetrokken, die liet ik godzijdank los. Ik maakte mijn excuses en toen moesten we oversteken. Het viel me op dat de zitting in de zijstand stond, maar kennelijk was de vergrendeling kapot. Harting Bank, de dealer, was nog een heel eind dus ben ik naar huis gegaan, heb daar gebeld en morgen komt er een monteur.
Ondanks de mooie boeken die Walter meebracht, weer helemaal ingepakt door de pijn. Het is hopeloos. We kunnen het zeer goed vinden met elkaar, gespreksstof genoeg, een man van waarde en waardigheid en vriendschap.
Zwaar huilend naar bed. Mijn geliefde Orithia stopte me toe en bleef nog even.

Woensdag, 19 oktober
Het is wat zachter, maar niet goed. Door de mensen van buurtzorg word ik altijd liefdevol, belangstellend en bemoedigend verzorgd. De dealer kwam om half twaalf; Bas keek er helemaal niet van op, het was ook zo weer hersteld.
De zon schijnt, het is wat bedrieglijk maar ik ga straks wel weg. Nu geniet ik van Lavinia Meijer die op harp Philip Glass speelt. Hier in huis zijn de klanken vaak heel wat dramatischer, maar zie dat als wat nu eenmaal onverbrekelijk aan mijn leven vastzit.
De teller staat op 85, regen en wind getrotseerd (op de terugweg) want ik bemerkte het fijn te vinden eruit te kunnen en nieuwe plekken te ontdekken. Zo ben ik onder meer bij het schit­te­rende onlangs geopende ‘t Brewinc geweest (voorheen een ambachtsschool), een multi­func­ti­o­neel gebouw in de vorm van een opengeslagen boek: de bibliotheek, een café, een ont­moe­tingsplek voor senioren en Fatima, een keramische werkplaats voor verstandelijk gehan­di­cap­ten waar ik enkele ‘juweeltjes’ heb gekocht die ik morgen met Orithia ga ophalen. Het is geen primitieve kunst, maar onbevangen en vertederende kunst, zowel in de vormgeving als in de glazuur. Het is werk van hen allemaal. “Ja, ze voelen zich een collectief”, zegt O, “zetten ze hun naam erbij en blijkt dat van Anna meer wordt verkocht dan van Emma, dan ontstaat er af­gunst en competitie. Zo zijn ze gelukkig.”
Ik was nog maar net thuis en Ati, die aan het begin van de gang woont, belde aan. “Oh geluk­kig, je bent weer thuis. Heb je het niet te koud gehad? Goed van je hoor dat je toch bent ge­gaan, maar we (Orithia nog meer) maakten ons wat zorgen met dat onweer en die harde re­gen.” Betrokkenheid moet groeien, dan raak je thuis. Henny en Wim & Willy zijn ook altijd zo aardig. Wim is mijn buurman, een eindje in de 80, was vroeger leraar op die pas ver­bouw­de ambachtsschool. Zijn gezichtsvermogen is nog maar 4% en zijn vrouw, even oud, is nogal doof. Ze wonen hier al twintig jaar en daarvoor hebben ze een jaar door de VS gezworven in een grote Peugeotbus, die ze nu nog steeds hebben want Willy kan er geen afscheid van ne­men. Nu Wim niet meer alleen kan fietsen, is Wil op onderzoek uitgegaan en kocht ze een tweepersoonstandem, twee fietsen náást elkaar en Willy stuurt. Wim was dolgelukkig, ze kwa­men dansend de lift uit. Henny is een grote man van nauwelijks te schatten leeftijd, ver­moedelijk eind 50, zorgt voor iedereen die even in nood is, deelt gul rond met van alles uit zijn moestuin. Hij komt uit Amsterdam waar hij bij het AMC werkte, maar toont zich zeer teleurgesteld in mensen. “Ik heb het liefst met dieren van doen.” Toch is hij het tegendeel van een misantroop. Komt hij mij tegen, zegt hij steevast op vaderlijke toon, “Dag jongen.”
De tijd met Enno was goed gevuld en erg plezierig. Wel nam de pijn weer toe.
De liefde bloeit.

Donderdag, 20 oktober
Opnieuw mooie, verlokkende zonneschijn. Na buurtzorg, als Teunie is geweest, ga ik bij Jacob op de koffie, dat wordt tijd. Morgen komt Grada.
Het was een aangenaam dik anderhalf uur. Wel stookt hij de kachel al flink op, bij mij nog steeds niet, - deze week tweemaal een uurtje aan geweest. Ik voel me er wel thuis. Hij heeft een paar mooie originele schilderijen van zijn grootmoeder, Jacqueline van Nie die tot de Haagse School behoorde. Ik heb een boek daarover en meegenomen; er staat helaas geen re­gis­ter in en het is evenmin alfabetisch geordend. Hij vond het leuk daar eens in te bladeren; als blijkt dat zijn grootmoeder er in staat, mag hij het houden. En wat heel jammer is, is dat hij nauwelijks is te verstaan omdat hij zijn prothese niet in doet en ook niet naar de tandarts wil om dat euvel te verhelpen. Hij heeft in Saoedi Arabië twee ernstige bedrijfsongevallen meegemaakt en een ander trauma is, is dat hij zijn vader, die aan leukemie leed, onder de trein vandaan heeft gehaald. Daarom kan hij bijvoorbeeld het Onze Vader niet bidden, hij verwart dat met ‘mijn vader’. Er is nog meer gebeurd, dat was hem aan te zien maar daarover zweeg hij. “Je komt wel gauw eens bij me eten hè!”
Telkens draai ik Lavinia Meijer, harp en Glass, een mooie, tijdloze, meditatieve eenheid.
Ori­thia vond het keramisch werk eveneens heel mooi. Aan ‘het groepje lezers’ was door alle­maal wel gewerkt, Diny had het fraaie masker met ruw vermoedelijk bij de rivier aangespoeld hout als kader gemaakt, goed in verstek gezaagd, en Priscilla, een lieve verlegen dikkerd, de roodbruine schaal. Ik feliciteerde haar en vertelde dat ik de vormgeving meteen heel uniek vond en het glazuurwerk boeiend en knap. Ze werkte nu aan piramides.
Na het eten, spaghetti, stond plotseling Henk voor de deur, terwijl ik net zijn naam had opge­schre­ven zodat ik niet zou vergeten hem binnenkort op te zoeken in de Ooiman, het verpleeg­huis. Dat had ik hem per ansichtkaart al laten weten. Hij was nu even hier om wat paperassen op te halen, maar had het goed naar z’n zin daar. “Ze doen álles voor me, ik eet weer goed en zodra er plaats is, krijg ik een eigen kamer.” Hij had in het ziekenhuis gelegen (toen wij op­merk­ten dat hij plotseling was verdwenen) vanwege een scheurtje in zijn nekwervel; op weg naar familie in Didam was hij een paar weken geleden aangereden.
Morgenvroeg komt Rieky al weer. Als het me lukt, ga ik dan het boekje van Henk Helmantel lezen over zijn reis naar Duitsland in 2008, op zijn 33-jarige Zündapp. De schilderijafbeel­dingen in zijn boekje Uit en thuis zijn knap, maar ook wat saai, om niet te zeggen ‘doods’. Het is alsof je de knoflook of de stronken witlof in een spiegel ziet, zo echt en daar heb ik bewondering voor. De Noordelijke realist in zijn element.

Vrijdag, 21 oktober
Aan de lucht te zien, wordt het mooi en droog weer. Wat dat betreft zal ik wel op pad kunnen, maar ik moet het nog aanzien. Orithia moet vanmiddag naar het ziekenhuis, dan hoort ze wel wat het meest wijze is te doen met haar heup. Ze heeft er erg veel last van.
Henk Helmantel (1945) woont al 25 jaar in de Weem (pastorie) naast de 13de eeuwse Ro­maans­-gothische Andreaskerk in het Groningse Westeremden (434 inwoners; vroeger Eme­tha) in de gemeente Loppersum, vlakbij Delfzijl en is getrouwd met Babs. Hij heeft er zijn eigen museum, waar ook wisselende exposities worden gehouden. Helmantel, die in 2008 Kunstenaar van het jaar was, bezocht in Duitsland verscheidene Romaanse kerken en maakte vooral tekeningen van interieurdelen die hem boeiden. Het is buitengewoon knap werk, maar het heeft niets verrassends. Het is de historische registratie met penseel, kleur en licht, maar het werk wortelt niet in de eigen verbeelding, het fundamentele onderscheid van het werk van Evert Thielen.
De teller staat op 102. Ik reed voor een cappuccino naar een mooi terras in Zelhem , ‘De Groes’. Op de terugweg nam ik voor ons een saucijzenbroodje mee en de Trouw.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. Heb door wat je te leren hebt. Mijn scootmobiel, Winner.]

woensdag, oktober 05, 2011

Een deerne met toewijding

Dagboek

Zaterdag, 1 oktober
Zit ik net op die laatste ouwe wijvenzomerse zaterdag even voor buiten, eerlijk gezegd als vlucht uit het 107de doosje, komt daar ‘een deerne in lokkend postuur’* met een zonnebril als omgekeerde boerka waardoor ik haar niet herken, rondborstig en strak in ’t vel, haar ravenzwarte haren die op driekwart hoogte bijeengehouden worden door een gouden steek maar verder los hangen tot vlak boven de billen. Haar sierlijke handen en schone voeten, niets ontging me, alle nagels geduldig gelakt in hetzelfde bordeauxrood. Toen ze vlakbij was, groette ze me bij m’n naam alsof ik een verrassing was op haar route.

“Dag Christina, welkom, door je zonnebril wist ik niet meteen wie ik zag” ( ik dacht, ‘wel wát’, en wat er nog meer aan ‘Schwingung von Sehnsucht’ door me heen ging. Nee hoor, mijn libido lag in het mitrailleurvuur van de medicatie, geliquideerd, midden op de dag, een klein eindje verder dan op de helft van mijn leven. Of is het toch al aan het eind, zoals ik vrijwel dagelijks vrees?).
Christina studeert Zorg aan het mbo, loopt stage bij Buurtzorg en komt al een poos eens per week hier. Terwijl ik word gedoucht, zorgt zij voor de lunch. Ze is dan onopvallend gekleed en heeft het haar opgestoken; zij is een ontzettend aardige jonge vrouw. Nu kwam ze koken voor die lieve oude vrouw die alle dagen eenzaam in de gang zit.

Het gaat mij er niet om zonodig over mijn intimiteiten te schrijven, maar om volledig te zijn over het ouder worden in een afhankelijk geworden lichaam. Er is, voornamelijk de laatste twee jaar, veel dat voorgoed voorbij is gegaan, dat ik verloren ben aan eigenschappen en plezierigheden. De pijn is de hyena in mijn bestaan. Het gelukkige is dat ik nog altijd graag wil leven. Of is dat eerder tragisch, een bewijs van onvermogen om los te laten wat niet leefbaar is? Op dit punt delen we mogelijk meer gelijkheid dan we vermoeden.
Ik voel geen ouderdom, wel nadrukkelijk het verlorene. 

Zondag, 2 oktober
We hebben heerlijk geslapen, dat betekent liefdevol en veilig, beide van even groot belang, in zoverre het een niet al het andere impliceert. Al ruim een week schenkt elke ochtend hetzelfde stralende warme licht, staan de bomen roerloos in de aarde en bijtelt een specht zich een nieu­we verblijfplaats. De populieren hebben ongemerkt al heel wat blad laten vallen, maar de meeste bomen staan nog dik in ’t groen. Het oostelijke doosje waarin ik woon, kan ik mis­schien wel blind tekenen, maar is een oase van dankbaarheid wát ik er soms ook over op te mer­ken heb. En je gaat vanzelf van de mensen houden, gewoon omdat je een van hen bent.
Orithia: veiligheid en bedreven in liefde. Con amore, ‘ab imo pectore’.
Ik leef onder het tromgeroffel van Orithia. Ik vind haar een schoonheid die bij me past. Zij heeft een zachte huid en kan boeiend vertellen.

Dinsdag, 4 oktober
Een stille dag. Ik ben beschadigd, maar ook vergankelijk. Is dit de pijn van oud?
Er zijn vele, vele uren van niets doen, terwijl mijn innerlijk leeft, door de tijd reist of alvast werk maakt van het boek dat ik nog wil schrijven. Het wordt de hoogste tijd. Er staat al heel wat op papier, maar er moet nog veel ambachtelijk werk worden verzet.
Ik kan niet zeggen, dat er veel tijd verloren gaat in mijn wijze van leven, dat die maar wegsijpelt alsof het me eigenlijk wel best is om het bij voornemens te laten, dat ik toch maar een mooi alibi heb om niet te voorschijn te hoeven komen. Ik doe wat ik kan, maar laat wat me teveel is.
De dag in ogenschouw nemende, zal de ‘ouwe wijventermijn’ vannacht wel verstrijken. Dan treedt het expressionisme aan: wind, regen en bonte kleuren. De heftigheid van de herfst. De eikels, de kastanjes en de beukennootjes vallen bij bosjes. Het wordt vier minuten per dag eerder donker. Als over enkele weken de klok naar de wintertijd wordt teruggezet, kunnen we bij kaarslicht eten.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’ met een foto van Mutovka. * naar Maarten ’t Hart.]