Dagboek
Zaterdag, 22 oktober
De nieuwe dageraad staat weer in een hoog zonlicht, in een
mooie herfstsfeer
Nu Kadafi door een van de opstandelingen, beter wellicht:
iemand uit het verzet, is doodgeschoten, wordt er gekibbeld over de vraag of
dit geen moord of oorlogsmisdaad is en dat de man, ‘de rat’, niet in hechtenis
had moeten worden genomen om voorgeleid te kunnen worden voor een tribunaal.
Zijn dood leidde terstond tot euforie, tot ‘vrije ademhaling’, maar kent
honderden milities; het is de vraag welke strijd er nu losbarst, of eerder, hoe
die nu, na deze laatste martelperiode wordt beslecht en dat niet de ene rat
voor een ander wordt uitgeruild. Kadafi was een minstens zo arrogante en wrede
dictator als Saddam Hoessein. Waarschijnlijk is het lood om oud ijzer. Een
berechting – als dat al in eigen land mogelijk zou zijn - zou tot hetzelfde lot
leiden en wellicht op de meest vernederende wijze: in een stadion onder de ogen
van ‘zijn’ door hem geteisterde volk. Hopelijk wordt het land werkelijk en
onbaatzuchtig geholpen bij een structurele wederopbouw.
Vanmiddag naar Wehl, Laag Keppel en Hummelo geweest en in H
weer bij hetzelfde terras cappuccino, ditmaal met appeltaart en slagroom. Na
drie kwartier stapte ik weer op en viel direct weer terug. Mensen naast me,
twee dertigers, schoten me direct te hulp. “De ene keer gaat het goed, de
andere keer niet”, zei ik. “En dan zijn wij er”, zeiden beiden. (Hij reed in
zo’n zelfde Volvo als Roger Moore, alias Simon Templar in de serie The Saint.) Fantastisch, deze geen
seconde aarzelende bijstand.
Aan het begin van de tocht – het was erg koud, tien graden –
werd ik zonder speciale aanleiding, behalve de bekende pijn, overrompeld door
angst. Ik reed een poosje op halve snelheid, overwoog terug te keren, maar het
vooruitzicht op die manier naar huis én naar bed te gaan, was zo ontmoedigend
dat ik er plots de vaart in zette. Onmerkbaar verdween de angst. Ik genoot van
een kort galeriebezoek en kwam ontspannen aan bij dat fijne terras van de
Gouden Karper. Toch voelt het nog altijd allemaal zo anders als vroeger,
wetende ook dat die scootmobiel aan m’n voeten mij toebehoort.
Op de terugtocht zag ik dat men slechts op twee of drie
plaatsen bezig was met het hakselen van de maïs, zo heet het oogsten. Laat dit
jaar. Er staan nog vele percelen maïs van, wat zal ’t zijn, bijna anderhalve
meter? Vrijwel overal compleet geelbruin. Voor loonwerkers een drukke tijd. Ik
kwam aan bij de Veentjes in Doetinchem, daar is een C1000 waar je wel met drie
scoots naast elkaar tussen de stellingen door kan, zo ruim. Ik kocht toastjes
met eiersalade, een doosje kant en klare pikante gehaktballetjes en de Trouw
met voor Orithia, tegen inlevering van een bon, voor drie euro het eerste deel
Vier seizoenengerechten, nu dus de Herfstgerechten.
Ik at pas om 18u30, heerlijke boerenkool.
De teller staat nu op 126.
Zondag, 23 oktober
Gisteravond werd alles laat. Na het eten eerste deel van de
krant gelezen, de post doorgenomen en het eerste van de vier bezorgde kleine monografieën,
onder andere over Rein Pol, een van de Noordelijke Realisten fijnschilders, een
groepering waar Evert Thielen zich tegen afzet en van onderscheidt. Al lezende
viel mij de ijdelheid op van Thielen want hij zwijgt over Pol, vermoedelijk om
de schijn op te houden dat hij de man is van de veelluiken. Ook omgekeerd hoor,
de schrijver en kunstenaar Eric Bos, rept met geen woord over de zo gedreven
collega in Brugge. Rein Pol is overduidelijk een andere realist dan Helmantel,
die hier op zijn beurt dan ook ontbreekt. Je kunt daarom niet zeggen, ‘zo
sluiten zich de hekken aaneen’. Hoe of wat ook, Rein Pol maakt zeker zulke
indrukwekkende veelluiken als Thielen én diep geworteld in de verbeelding en
talrijke details. Ik citeer de openingspassage.
“Na jaren van voorstudies, schilderde Rein Pol zijn
groepsportret Pollegorie, een hommage aan het ‘Noordelijk Realisme’, een zes
meter breed, manshoog schilderij met ontelbare figuren die zich in een
schilderachtig landschap bevinden. Het zijn vrienden, collega’s en
familieleden. De kunstenaar zelf zit op een podium een naaktmodel te
schilderen, terwijl zijn hoofd op een groot scherm wordt geprojecteerd.”
Overigens, de veelluiken zijn niet van deze tijd, al in de 4de eeuw
was het een traditie.
Tegen elven hield ik op met werken en Orithia met lezen. We
namen een ‘borrel’, genoten van de gehaktballetjes en raakten in een lang
gesprek. Het was opeens twee uur.
Zoals gewoonlijk om acht uur opgestaan, maar na het
ochtendritueel weer terug naar bed. Orithia sliep nog en we ontwaakten om half
éen, een haast ondenkbaar laat tijdstip, maar in lijn met de klassieke
betekenis van zondag. Rustdag. Wat we van plan waren, kon gewoon doorgaan. Als
lunch een gebakken boterham met kaas en in de namiddag zouden we naar
Bredevoort gaan.
Het eten van kleine blokjes boterham ging meteen helemaal
fout, precies zoals toen ik voor het
eerst een herseninfarct kreeg, bijna vier jaar geleden. Direct erbij drinken
hielp niets, de optimel kwam er niet langs. Alles kwam op akelige wijze
hoestend en proestend terug. ‘Daar ga ik’ ging door me heen. ‘Nee!!’,
schreeuwde het. Orithia was onmiddellijk bij me met een handdoek. Ik was geheel
van de kaart. O smeerde tot driemaal achtereen een sneetje brood met jam dat
gelukkig normaal ging. De aanslag was mislukt. Bang en beroerd en mijn lichaam
een huis vol pijn. Naar bed, Orithia bleef dicht bij me. Ik werd wakker om
kwart voor vijf. Wassen, aankleden, koffie, maar doodnerveus voor de komende
maaltijd. Daar zei ik niets over om het te kunnen bezweren. Geen problemen
meer. Het einde van mijn tijd is opnieuw uitgebleven.
Maandag, 24 oktober
De zonnestand voorspelt eenzelfde dag. Over twee andere
boekjes is weinig te zeggen, ze bevatten uitsluitend afbeeldingen van werk van
achtereenvolgens Marius van Dokkum (1957) en Pieter Knorr (1950).
Het vierde boekje is een ode aan Piet Pijn (1926-2002), een
weinig bekend kunstenaar doordat hij wars was van publiciteit uit vrees zijn
kunstzinnige vrijheid te verliezen. Hij kon ook alleen maar eten als het hem
werkelijk uitkwam. Een zeer gedreven kunstenaar, zijn vrouw Mia, die hem
vereerde, was zijn favoriete model. Toen haar dat vanwege hartproblemen teveel
werd, maakte hij talrijke virtuele reizen. Het liefst vertoefde hij in de 19de
eeuw, maar hij bezocht ook veel Europese musea. Door haar zorg voor de
kinderen, de huishouding en haar mateloze toewijding aan Piet kwam ze niet toe
aan haar eigen ontplooiing als kunstenares, precies zoals bij de even
gepassioneerde beeldhouwer Jan Meefout en zijn vrouw Irmgard die drie kinderen
hadden. Pas heel laat, toen de kinderen het huis uit waren, kwam Mia toe aan
aquarelleren en Irmgard aan boetseren.
Na de lunch wilde ik aanvankelijk weg met de Winner, maar
voor ik er erg in had, was ik in mijn cabrio in slaap gevallen, vermoedelijk
vanwege de pijn en nervositeit. Jammer, ik was graag naar buiten gegaan,
misschien dat de wind of ikzelf de duivelse greep verdreven zou hebben, zoals
St. Michael dat lukte op het schilderij van Raphael (1518). De verbeelding kent
geen grenzen. Maar evenals zaterdag in Hummelo, ik blijf levendig herinnerd
worden aan stigmata en het lijkt per jaar te verergeren.
Dinsdag, 25 oktober
Morgenrood, water in de sloot. Ik zat wat te doezelen en dat
ging ongemerkt over in slapen, in de cabrio, tot twaalf uur. Ik merkte pas
buiten dat het miezerde, maar liet me niet weerhouden want ik wilde dat andere
woonzorgcomplex wel eens zien in de grote nieuwbouwwijk Dichteren, aan de rand
van Doetinchem, zoals wij hier recht tegenover ook aan de rand, maar dan pal
tegen het centrum.
Op de heenweg reed ik er zonder erg langs, slechte
bewegwijzering en kwam in het miniatuurplaatsje Kilder. Twee km terug kwam ik
bij de beoogde wijk. Mooie huizen, wel dicht op elkaar, prachtig bestraat maar
talloze drempels, zelfs op de parkeerplaatsen. Aan een enkeling buiten kon ik
naar het Willy Brandtplein vragen en zo vond ik weldra ‘Waterrijk’. Een
hypermodern aantrekkelijk gebouw waarvoor je, naar het schijnt, een indicatie
moet hebben. Overal jonge aanplant, het was voorheen platteland dus wie weet,
net als in de omgeving waren het hier grote maïsvelden. Eén supermarkt Plus,
verder niets. Wel een straat lang medische, paramedische en sociale
faciliteiten bij elkaar. ‘Waterrijk’ heeft koopappartementen, vrije sectorhuur
en sociale huur; ’t is een prachtig gebouw met een restaurant waar iedereen
alle dagen terecht kan. Maar dat mensen uit de buurt er komen, wordt dikwijls
zwaar overschat.
Ik zou er wel willen wonen, ware het niet dat het zo
geïsoleerd is van alle stadse levendigheid. Trouwens, ik wil niet weg van
Trommelslag, dit is mijn ‘thuis’ geworden. Ik woon in een fijn appartement en
raak vertrouwd met velen, misschien al meer gehecht dan ik zou willen toegeven.
Orithia woont hier. Ik zou weer weten wat heimwee is, maar dat is nergens voor
nodig.
De teller staat op 146.
Het woord dat reeds viel, blijft hangen. Het wordt een vraag
aan mezelf. Ken je nu geen heimwee?
Waar Leonard Nolens in de States was, daar beviel het hem
niet. Het verlangen naar thuis nam zienderogen toe, de gedachte er nog vier
weken te moeten vertoeven werd onverdraaglijk, hij week van het tijdschema af
en keerde drie weken eerder naar huis. Dit is heimwee, - al betwijfel ik of wel
of niet bevallen een noodzakelijk element is. Ook al heb je het elders wel naar
je zin, heimwee kan gewekt worden.
Wij reden weg uit Zwitserland en op nog maar een afstand van
zeg 100 km ging ik harder rijden. Oost west, thuis best. We verlangden thuis te
zijn. Hier is geen sprake van heimwee.
Het woord bestaat uit twee delen, ‘heim’ en het Duitse
‘weh’. Heimweh ist die Sehnsucht in der Fremde, wieder daheim zu sein. Es tut mir weh. Het etymologisch woordenboek staat
voor mij te hoog, Koenen woordenboek: ‘ziekelijk verlangen naar thuis,
geboortegrond of vroegere toestand’. Het is geen gewoon verlangen, maar
pijnlijk, koortsig of fysiek of psychisch ziekmakend, geen gewone wens, maar
een obsessie. In die zin ken ik geen heimwee, zelfs niet naar mijn vroegere
toestand. Ik verlang vurig naar minder pijn, ik denk dikwijls aan mijn moeder
en aan mijn tweelingzus, ik betreur het gescheiden te zijn, maar dit alles niet
in de gedaante van heimwee, wel als pijnlijke gebeurtenissen, echt diepe
getroffenheden, onherroepelijke breuklijnen.
Woensdag, 26 oktober
Zeer slecht geslapen, verstrikt in het verdriet omtrent het
thema jaloezie dat hier helaas een vulkaan lijkt – ik vermijd met opzet het
woord bron – van zware elke eer en vertrouwen opvretende onenigheid. Het wordt
een thuisdag. Het is nu 15u20, heb even geslapen, maar nog even futloos, naast
de pijn een mix van boosheid, verdriet, onzekerheid, niet alleen over ‘wie ons
is’ maar diepergaand, over mijn bestaan.
Vanaf vandaag is de
reactiemogelijkheid op mijn weblog gesloten. “Hoe kan ik me veilig voelen,
je geloven of vertrouwen, met al die vrouwen die zwijmelend aan je voeten
liggen en door wie jij je heerlijk laat bewieroken.” Facebook idem. “Ook daar
een hele zooi vriendinnen.” Ik zal het markeren als spam en er niet meer komen,
dan sterf ik tenminste daar.
Wanneer ik bij Walter boeken bestel, hoofdzakelijk uit de
ramsj, kies ik er ook altijd een voor Orithia, als bescheiden geste tegenover het
altijd voor mij in de weer zijn, een welgemeend gebaar. “Denk niet dat het
enige indruk maakt. Van je zoon hoorde ik dat het haar zo blij maakte, het is
dus altijd beladen. En je scootmobiel, ik moet er opeens aan denken, geeft je
mooi de gelegenheid met haar ergens af te spreken, ze is immers elke dag als
eerste in je hart. Is door één worden bemind niet genoeg?” “Waarom houd je van
mij als je je niet veilig bij me voelt, me niet gelooft of vertrouwt, alles
vastkleeft met achterdocht. Houd daar mee op.”
“Het is onmogelijk niet van je te houden, ik wil er voor je
zijn.”
“Maar ik wil dat zo niet. Elke dag noem je haar naam,
omgeven met zelf gecreëerde werkelijkheden, niet de werkelijkheid.”
“Ze komen niet uit de lucht vallen, daarom zal het waar
kunnen zijn.”
Niets van mijn verweer schijnt te mogen kloppen. Het
wantrouwen is gevestigd, rotsvast. Zal het ooit slijten?
De zinsnede, …. omgeven met zelf …. , is denk ik kenmerkend
voor jaloezie en daarom een element van
onzindelijk denken. Orithia denkt overal over na en maakt er haar strikt eigen
verhaal van, het enig logische. Ik doe niets ongeoorloofds, heb geen geheime
afspraakjes, schrijf geen stiekeme liefdesbrieven, ze hoeft mij met niemand te
delen en bedoel met cadeautjes niets anders dan ik als motief gaf. Moet ik de
scootmobiel ook inleveren? Nee, dat bedoelt ze niet, dat zou waanzinnig zijn,
maar het is niet ver van de waanzin wanneer ze me daarmee met verzwegen
achterdocht volgt.
Ik ben een man, 62 jaar, met een angstige vogelkop.
Donderdag, 27 oktober
Vanmiddag komt Joke een of twee uurtjes aan; ze logeert nu
een paar dagen in Slangenburg. (Misschien kan ik daarna nog even weg.) Orithia
is naar yoga en gaat de rest van de dag naar een vriendin in Meppel.
Morgenmiddag wordt er een mooi boek over vader en zoon Israëls bezorgd, een
cadeau voor Orithia ter gelegenheid van het grote doek naar Israëls dat ze
heeft laten schilderen. Het cadeau houd ik nu maar zelf. Het gebaar krijgt van
haar immers niet de betekenis die ik er aan hecht. Het cadeau is beladen met de
naam van iemand anders verdomme. Het kwetst me. Onzindelijk of niet – wat is
mijn oordeel ook waard – ik vind het niet normaal zo’n mooi en samenhangend
cadeau van je geliefde te wantrouwen, niet te waarderen en af te wijzen. Ik
smijt alles onvindbaar in die diepe greppel langs de weg naar Kilder. Toen ik
er langsreed, greep me plotseling de angst bij de strot er zelf in te belanden
als ik ook maar éven niet zou opletten.
Love is only possible in loyalty and trust. If you don’t
believe me, leave me. This fight for tenderness … at our age!
First of all trust me, then love me. I’m not a man of
sharing his soul.
Na Joke sliep ik tot half zes en na het eten tot 20u30, maar
de duivel zit nog steeds op z’n zetel alsof hij wacht op mijn komst. Wat een
pijn, wat een ondraaglijke pijn.
Ik mis haar, haar liefde is in wezen zo goed en verwarmend.
Onfeilbaar is niemand, maar ik heb zelfs geen enkele gedachte die me
onbetrouwbaar zou maken.
Vrijdag, 28 oktober
Bij de post onder meer een boek uit 1991 over Maarten ’t
Hart, de kunstschilder en architectuurtekenaar uit Avereest (1950). Een
Noordelijk realist die in zijn stillevens sterk doet denken, en er niet voor onder
doet, aan Helmantel (kijk maar op Art Revisited). Hij was me voor het eerst
echt opgevallen met zijn tekening van de ‘Grote kerk en markt in
Plankhuizerveen’, dat via Google onvindbaar bleek. Het kan een gehucht zijn van
het formaat luciferdoos, maar een dergelijke bestaande kerk zou aan niemands
aandacht kunnen ontsnappen. Het is fascinerend, onkreukbare kunst. Straten,
interieurs, stationnetjes die je zó hebt gekend, maar nergens meer bestaan.
(Over heimwee gesproken ….) Vergankelijkheid, veranderlijkheid, de
oorspronkelijke inhoud, de nieuwe betekenis. De kunst zoals ’t was, feilloos
maar in de tijd kwetsbaar.
Als de koerier is geweest, ga ik weg. Ik mis Orithia.
Trouwens, die aanwijzing van mijn leeftijd, dat is toch
onzin, ja, onzin-delijk denken, alsof er ooit een moment komt dat je met de
armen over elkaar kunt zitten of, nog dwazer, dat jij met jouw pijn nu wel
gespaard mag worden. Nonsens met vette vingers. Al is het onoverkomelijk, dat
die fysieke pijn m’n stemming en gevoeligheid behoorlijk beïnvloedt.
Tot overmaat: met het avondeten gebeurde hetzelfde als
zondag. Ik was alleen. Verschrikkelijk. ‘Niet in paniek raken – geen paniek,
hoor je me – neem water, neem kleine hapjes – dit komt van alle emoties deze
week, rustig ademhalen, rustig …. ‘, en zo heb ik alles opgegeten.
Op de troon van de dag zat het gesprek. Orithia en ik laten
elkaar niet los. We zijn blij met elkaar, we realiseren ons dat dit leven een
opgave is voor allebei. (Ze kon niet eerder komen dan 21u30.) Omdat ze wel eens
had gezegd, dat haar huis als een soort bushalte voelt en dat ze nergens aan
toekomt, had ik al die tijd nagedacht hoe ik dat kon helpen verminderen. ‘Waar
kan ik twee of drie weken logeren?’, maar ik kwam er niet uit.
De koerier is niet geweest.
Een warme omhelzing is het zegel voor de nacht.
Zaterdag, 29 oktober
De dag van de wintertijd. Janet heeft me gedoucht. Ik wacht
tot 14u op de koerier, daarna ga ik naar Deun, de lijstenmaker. En Trouw kopen
met het winterseizoen van Ron Blaauw. Hopelijk blijft het droog.
Het boek is gearriveerd. Ik ben naar Van Deun geweest; samen
met een sympathieke en alle tijd nemende vrouw een mooie lijst uitgezocht voor
‘Titus’, volgende maand een lijst voor het schilderij dat Jolan maakte en
daarna nog een voor het schilderij van Marius van Dokkum. Ik wilde nog wel
verder, maar het was verschrikkelijk druk, door de pijn had ik m’n kop er niet
bij, voelde me bang en ongelukkig, was te warm gekleed. Harder rijden durfde ik
niet.
De teller staat op 153.
Wat er hier speelde, is voor beiden moeilijk. Of er nu wel
geen sprake is van wat ik onzindelijk denken heb genoemd, het is er. Ik doe wat het meest wijs is te
doen: Orithia serieus nemen omwille van het behoud van wat ons lief is. Liefde
is kwetsbaar maar van grote(re) waarde. Dat is het enig oprechte wat ik er nog
over zeggen kan.
[© MN, ‘Les jours de l’âme’.
Levenslessen. Afbeelding: het meesterwerk van Rein Pol, groepsportret
(veelluik) ‘Pollegorie. Een hommage aan het Noordelijk Realisme’.]