Pagina's

vrijdag, december 30, 2011

Zorg dat de wereld een minder dreigend gezicht krijgt

Dagboek

Vrijdag, 24 december
(Het rood van de vorige dagboekbladen gebeurde per ongeluk, dankzij een ‘dwarse blogger’.)
Op de valreep is gisteren nog het satijn gebracht, dat komt dan volgende week wel op bed. De kerstkaart is mislukt afgeleverd; waarschijnlijk krijg ik wel twee tegoedbonnen. Ik heb kaarten genoeg in huis.
Om 22u00 naar bed. Me lang afgevraagd wat zeven jaar pijn en een dito bergen medicatie met een mens doen. Ik heb een helder verstand, zit dicht op de emotie, lage frustratiedrempel, soms moeilijk concentreren, groot valrisico, hoge graad van afhankelijkheid, vermoeidheid, slechte mobiliteit, stemmingswisselingen, geringere weerbaarheid, je wordt niet gauw geloofd.
Ook al telt mijn handicap voor de ander niet, dit bij elkaar brengt me in een ongelijke positie want in het alledaagse leven zijn de invloeden niet te maskeren en telt het in-valide zijn wel degelijk. Zonder die invloeden denk je als het ware met een ander ‘Ik’ van doen te hebben, door ze wel te tellen sta je tegenover een vollediger momentaan ‘Ik’. Kom er niet zo goed uit, het is zo complex.

Zaterdag, 24 december
Joyce was laat. De zon, de zachtheid, het is vandaag als gisteren. Lees de weblog van Marieke en ben opnieuw in tranen. Het dringt tot me door dat ik wel héél lang De Wachter moet zijn, dat ze zelfs onzeker is of ze niet beter kan verhuizen. Waarom kan ons leven niet geleefd worden, zoals het is bedoeld …. in de waarheid van Liefde. Waarom moet er eerst kostbare tijd overheen gaan? Iedere keer weer lees ik over haar liefde voor mij, maar een ansichtkaart is soms teveel. O lief, hoeveel onmogelijker moet mijn leven nog worden? Denk je dat C niet begrijpt wat er aan de hand is, of dat zij er behagen in schept daarin een rol te hebben? Het is geen leeg gebaar. Een plaatsje in elkaars hart is ons genoeg. Hoeveel mensen wonen er niet in jouw hart? Maak van mij geen idool die wordt omringd door een schare vrouwen die allemaal elkaars rivale zijn. Ik zal er verder over zwijgen lief. Je hart weet gelukkig van liefde, evenals het mijne, dat maakt het wachten waard, wachten op schoonheid, wachten op de waarheid van liefde. Ooit zullen we in de warmste verbondenheid leven.

Een monoloog met de Heer.
Voor het crucifix zette ik de twee zilveren kandelaars, doofde de lichten en nam plaats voor de Heer om face to face een monoloog te voeren. Het wordt misschien gelabeld als ijdelheid, maar het komt daar niet uit voort. Ik kan kiezen tussen aanwezig zijn in de wereld of eruit verdwijnen, er onverschillig tegenover sta, en ik sta nog altijd pal voor het eerste, de waarachtige betrokkenheid. Ik voer wel vaker zo’n monoloog, maar heb het er zelden over. De laatste keer was oudejaarsavond 2007 toen ik de enige bewoner was van een vleugel in Groot Klimmendaal. Die dag stond er een foto in de krant van de aan de Rijnkade aangemeerde Ark van Noach en dat beeld inspireerde me tot een overpeinzing waarover God nu wel of niet over gaat want we verwijten zo dikwijls Zijn afwezigheid of zien de grote variatie aan martelgangen en de teloorgang aan waarden als bewijs van ‘een sprookje’, een verzinsel of als opium voor het volk. Er is geen fractie van bewijs, of we moeten de ‘waarheid’ ontlenen aan de lang geleden talrijke wonderen zoals die onder meer zijn beschreven door Gregorius de Grote.
De in grote vaart toenemende secularisatie staat niet gelijk aan het verdwijnen van het geloof. Waar kerken op zondag goed bezet waren, groeide de argwaan van het bisdom en niet veel later werd de betreffende pastor vriendelijk verzocht te ruste te gaan en vervangen door een pastor ‘van de leer’: de kerken in kwestie bleven op zondag leeg want de parochianen accepteerden deze inmenging van boven niet, die niets anders betekende dan een grove ontkenning van de warme verbinding tussen hen en de pastor.
Ik heb de Heer, ofschoon Hij daar niet over gaat, gevraagd de ‘kerkvaders’ te inspireren naar nieuwe, ingrijpende inzichten als antwoord op het verlangen naar een ankerpunt. Dat zou de kiem kunnen zijn van een nieuwe moraal waarin mensen een geëngageerde levensstijl kunnen voeren.

Woensdag, 28 december
We hebben onverwacht veel met elkaar gepraat toen we merkten beiden op hetzelfde niet te ontwijken pad waren. Dit is geen onmogelijke of onbestaanbare liefde, dit is een warm levend vuur dat nog geen dag is gedoofd, al had het even of soms de schijn van wel. De schijn van een deerniswekkend verlies. O mijn liefste bruid, nooit eerder had ik zo’n warm hart, ik adem in rust, in stilte, in Mozart en intense liefde. Je innerlijke roep is een feest!
Laat het licht, het leven en de liefde blijven sprankelen als een fontein.
Tegelijkertijd leef ik in een verschrikkelijke pijn, verhevigd nadat ik op 1ste kerstdag met een klap achterover viel op de wc waardoor twee stalen schroeven van het deksel afbraken. De hoogste tijd voor een hernieuwde revalidatie, ook al is het voorlopig weer wachten tot 12 maart. Voordat er iets gebeurt, is het eerste kwartaal al bijna voorbij.

Vrijdag, 30 december
Eerste kerstdag was, met onderdrukte pijn, een plezierige dag in Aerdt, maar de tweede dag kronkelde ik als een onrustig reptiel in m’n zwarte bed. En de rest van de week is het weinig anders. Ik heb mijn huisarts een email geschreven over andere pijnklachten, ik dien mezelf niet dat langer te verzwijgen. Speculaties over een mogelijke terugkeer van kanker zijn wat onzinnig want op elk idee volgt meteen het niet-weten.
Het is een geschenk samen de drempel over te gaan, vorig jaar met al wekenlang dikke sneeuw, dit jaar alsof het een koud zonnig voorjaar is. Omgeven door een brede strook van innerlijke vreugde, van waarachtige veiligheid en die altijd toegewijde liefde van Marieke vernieuwt mijn vermogen te accepteren van al wat is. “Dat is geluk”, schrijft Wittgenstein, “dan krijgt de wereld een ander gezicht, een dat minder dreigend is.” De Ander. Wend je niet van haar af, zie haar in de ogen, raak haar aan. Lééf met haar, tracht met de Ander te zijn! In deze geest wens ik ieder van harte een gelukkig nieuw jaar, in ontplooiing, in oprechtheid en warme verbondenheid.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’, met een schilderij van Susan Osborne.]

vrijdag, december 23, 2011

But the fighter remains


Dagboek

Maandag, 19 december
Op de rand van het einde van mijn dag komt er een email van een vrouw uit Jipsingboertange die meent eindelijk haar nichtje te hebben gevonden. Ze denkt dat ik getrouwd ben met Gunilla van Rijn en naar haar is ze al lang op zoek. Laat haar weten, dat als ze een béétje beter had gelezen, had ontdekt dat haar nichtje gehuwd is met de befaamde kunstschilder Evert Thielen en dat de familie in hartje Brugge woont.
Bij de reacties van vandaag verwonder ik me over een paar vlokken geluk. Dit schrijft Marieke. “Lievekelief, je mist me, weet dat ik jou 'vanzelfsprekend' evenredig mis. En toch kan het nu niet anders, ik ben zo leeg, zo moe na tweeënhalf jaar non-stop ongerustheid en zo héél ver weg nog bij mezelf. Laten we eerst maar weer eens in revalidatie 'leren lopen' allebei, wie weet welke wandelpaden er nog zijn later.
Je bent nog steeds de lantaarndrager. Doof niet, houd je eigen licht brandend, want hoe moet ik je anders ooit weer terugvinden?”

Dit is een wonder. Kan ik met deze hoop leven? Als de tijd me maar wordt gegeven, onvindbaar zal ik nooit voor je zijn. Dan koop ik het satijn van Basher. Ik ga me versterken, revalideren. (Het suggereert alsof ik het er eerder maar bij liet zitten, dat is niet zo.) Dit is de eerste toast op 2012. Ooit zal ik weer in je hand slapen, zul je veilig zijn bij me.

Dinsdag, 20 december
Voor het eerst het moderaten ingeschakeld bij m’n weblog, dan kun je veel mogelijke trammelant voorkomen. Dat had ik veel eerder moeten doen, maar ik zag het vooral als censuur en dacht niet aan zelfbescherming. En uit principe wilde ik niet iets verwijderen omdat het me niet beviel.
Niet alles vandaag al weer willen, maar juist de tijd geven, weken, maanden. De wederkerigheid loopt niet weg, maar kun je wel onder druk zetten. Het is de kunst het langzaam aan te doen. Ik begrijp waarom ‘alles’ gebeurde en wat de zin er van is. Het kan ons definitief van elkaar verwijderen, maar het omgekeerde is evengoed mogelijk. Haar handen vormen een kelk, daaruit zal ik drinken. Haar handen vormen een roos, dichtbij zal ik slapen.

Woensdag, 21 december
Enno, die gisteravond ook wat boodschappen meenam, deed een genereus aanbod. Ik ben welkom eerste kerstdag en als ik wil roken, zetten ze gewoon het raam een stukje open. Dat is zo fantastisch dat ik streng zal zijn op mijn rookgedrag. Ik voel me gekend en welkom, dat kalmeert.
De revalidatie van het Slingelandziekenhuis gebeld: 12 maart. Dit kan alleen door de huisarts eventueel vervroegd worden. Wachten, ik ben een wachter, maar dit is me te gek. Huisarts­prak­tijk vandaag gesloten. En dan is er vandaag opeens weer een kaart over de gebrokenheid en lijkt alles onbestaanbaar. Het lijkt wel of ik hier in een sterfhuis leef. Alles wat hier aan materie is (op zich onzin), kan beamen dat hier een wachter woont die door alle breekbaarheid heen weer wat opgetogen raakt over de hoop dat zij en ik opnieuw bij elkaar uitkomen, dat dit kleine hartemens nergens anders woont dan hier. Hoe leeft een hart in verlaten toestand? Het is van een grote treurigheid. Ik ben in diepe rouw. Ik voel me hier neergesmeten als een vertrapt dier dat de hele dag met zijn vermagerd lijfje op het kussen ligt in de cabrio van zijn baasje, ogenschijnlijk tevreden, maar passief en krachteloos. Bij voetstappen in de hal spitst het even zijn oren, maar nee, het zijn niet die van haar. Bij een vermeend klopje op de deur springt hij van het kussen en kijkt naar de handgreep, hij dribbelt wat op en neer, gromt even van ergernis en keert terug naar het smoezelige kussen waar hij ligt alsof hij er al uren niet van af is geweest.

Er volgen nog twee analytische brieven van mijn muze, de enige vrouw op wie al mijn amore-pijlen gericht zijn. Het schijnt dat ik minstens een jaar moet wachten. O lief, zal mij zóveel tijd zijn gegund? Ik bedoel er helemáál niet de draak mee te steken, maar het lijkt wel een vonnis, - een absurde term, je hebt heel veel tijd nodig om je kompas weer bij te stellen. Ik maak er niets uit openbaar. Wittgenstein: “Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.” Ik en mijn liefde wachten wel, maar over ik en mijn lichaam bestaan veel twijfels. Ik ga maar even weg van deze trommelakker. Wanneer ik eenmaal zonder cabrio naar boven kan, dan sta ik voor je deur. O lief, ik wilde dat je nu al gelukkig was. Laat alle pijn dan niet tevergeefs zijn.

Donderdag, 22 december
Bijna verslapen. Vreesde ik al toen ik er vannacht uitging. De idee van misschien wel een jaar wachten kwam me zo vreemd over en ook mezelf die de suggestie wekt dat lijdzaam te zullen ondergaan. Wat zei Walter K.? “Als ik je lees, zie ik je door tralies” (?) Ik zit hooguit in het gevang van de pijn waar iedereen zich over door de haren strijkt van machteloosheid.

Als ik nu ga liggen/ slaap ik weldra/ maar hoor de bel niet/
Ga ik niet naar bed/ val ik in de cabrio in slaap/ en hoor de boodschapper evenmin/
De tijd kleedt zich in mijn pijn, voor wie ik ben/ is zich dan van niets bewust/
Word ik wakker/ dan vermoed ik een nieuwe dageraad/ maar sta ik eenmaal naast bed/
Dan weet ik het/ het is pas halverwege vandaag.//
Vermijd ik mijn zintuigen te sluiten/ dan zwerf ik door helse pijn en hoor de bel/
De pijn ken ik al lang genoeg/ maar slapen onder satijn/
Is wakker worden in een glanzende morgenstond.

Er is niemand geweest, niets bezorgd. Daarentegen in VN een mooi interview gelezen met Connie Palmen waarin veel herkenning rond het thema symbiotische relatie, en enkele mooie, té korte beschouwingen in “Disturbed Silence”, uitgegeven door het Psychiatrisch Centrum in Duffel, mij geschonken door Lut die ik tot mijn schande nog niet ten sterkste heb bedankt voor deze fascinerende uitgave over de stilte. Bovendien leek de enveloppe nog niet genoeg gevuld, want deze bevatte tevens een luisterboek met de beste gedichten uit 25 zomers van Watou, en eindelijk hoorde ik dan eens de stem van Leonard, de man uit nabij Berchem die me zowat het hele voorjaar bezighield.
De midwinterhoornblazer was er weer. Het is ongelooflijk mooi.
De macaroni was veel te droog, ik kreeg het nauwelijks weg en voelde me hoogst onveilig. Die Marieke maakte, dat is de beste, maar ik zie en hoor haar niet, dat is het vreselijkste, dat een wederzijds warme bestaanbare liefde elkaar in nood laat. Wittgensteins categorische imperatief luidde: “Wees gelukkig”. Hij bedoelde ermee, dat geluk het accepteren is van wat het geval is. Mijn wereld krijgt dan een ander gezicht, dat minder dreigend is.
Morgen krijg ik satijn?

Vrijdag, 23 december
De lucht is egaal grijs. De boomsilhouetten staan in een stil bestaan., “maar het is heel zacht”, zei Rieky die net binnenkwam.
Huisarts vakantie tot 3 januari, Natasja idem; bij Harting Bank weten ze niets over het anti-decubitiskussen terwijl het huidige bij hoge uitzondering nog in bruikleen is en op 22 januari terug moet naar de thuiszorgwinkel. De WMO zal het nu met spoed bestellen. De cliënt moet druk participeren in de zorg, anders loopt het zo spaak.
Tweede kerstdag en de jaarwisseling ben ik alleen. Na de kerstdagen gaat Marieke drie dagen naar Nidigem. Niet dat ze anders hier zou zijn, maar het onderstreept onze breuk. Te weten dat ze zo ver weg is, dat het feit zal verharden en de tijd ons verwijderd, maakt het niet gemakkelijk te accepteren van wat het geval is. Maar ik zou me versterken! Wanneer je het zo als drama vasthoudt, komt daar niets van terecht. Als die kant je beter bevalt, zorg dan dat je wereld een minder dreigend gezicht krijgt. Er zijn altijd keuzes, ook bij tegenspoed. Ik heb de leeftijd nog om te scheppen, l’âge de créer, maar zoveel pijn en vermoeidheid ondermijnen dit.
En tussen al deze woorden fladdert mijn stilte.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’ bij een schilderij van Lanie Loreth, ‘Clouds of Jupiter’.]

maandag, december 19, 2011

Mijn hart, mijn plein van droefenis

Dagboek

Maandag, 12 december
Het was te verwachten dat ik me versliep en pas om 09u15 door het harde gebel van Joyce wakker werd. Ongenietbaar zo de dag te beginnen, vol met pijn en het verdriet nog brandend in de ogen. Zaterdag al had ik voor Marieke een mooi scheepsmodel vol lentebollen gekocht, maar ik durfde niet naar boven. Ik zette hem in de keuken. Nadat ik vanmiddag was gekal­meerd – hetgeen me lukte doordat de buren me ’s morgens op de koffie vroegen - bracht ik hem haar. Voor ons beiden een luttel aantal momenten vol ontroering, weemoed, tederheid. Dat het me niet eerder is gelukt je in jouw volledige zelf beter tot me te laten doordringen, zoals nú (pas), o kon ik maar staan lief, ik zou je hebben omhelsd, je zou voelen dat ik meer begrijp dan je vermoedt, dat ik je werkelijk liefheb. Het was vannacht al zo raak. Dat mijn hart dit volhoudt, is een wonder.
Ik wacht op je. Ander geluk staat me niet te wachten. Misschien is het tevergeefs, maar dat is het hele leven waarschijnlijk. Dacht Cioran dat niet?
Rond drie uur kwam Hanita. Twee fijne uurtjes over het leven hier, over kunst, over warmte die je kinderen plots over je heen gooien. Al heel wat jaren een onmisbare vriendin, - volgens Marieke al een teveel (maar het worden er al gauw vijf of zes teveel). Stel je voor, dat ik hen zou laten weten ‘geen enkele vorm van contact meer te zullen hebben omdat mijn vriendin 100% exclusiviteit eist’, dan zouden ze zeggen, ‘die vent is idioot, die laat zich voorschrijven zijn geschiedenis door de versnipperaar te halen.’ Hanita en ik zijn ‘gek’ met elkaar, maar wat doen we dat niet door de beugel kan, of waardoor ik Marieke niet recht meer in de ogen zou kunnen kijken?
Een beginontwerp voor een kerstkaart gemaakt.
Ik slaap in de ogen van Marieke.
‘Lieveke, je kunt geen wachter zijn.’

Dinsdag, 13 december
Verward stap ik uit bed. Zal ik m’n hoofd terugleggen?
“Nee, ik ben geen moslim. Ik zie het zo meneer. Er kómt een keer een grote oorlog, en dan zijn u en ik vijand. Nee, dat verdraag ik niet, ik houd niet van fanatici. Die hebben geen leven, die laten zich leven door bepaalde ideeën, een utopie.”
“Hoe vinden je ouders dat?”
“Wij zijn al vijf jaar niet meer welkom, mijn twee broers en zus. Mijn ouders zijn strenge moslims en geven geen haarbreed toe. Wij bestaan niet voor hun.”
“Dus er was altijd al oorlog?” Hij beaamt het en gaat door met het installeren van de tv, de sympathieke, beleefde, vlotte jongeman die alleen in z’n vroege jeugd enkele keren in Marokko is geweest. “Ach, ik werk al zes jaar voor deze baas, mijn vrouw is onderwijzeres, we hebben het goed.”
“Die oorlog valt er bij in het niet denk ik. U bent nu koning over uw eigen toekomst.”
“Precies, … wacht … het verkeerde moertje …, precies, u slaat de spijker op z’n kop.”
De tv doet het prachtig, maar staat op de verkeerde plaats. Olivier komt morgen en kan de spullen naar m’n wens verplaatsen.
Vanmiddag een paar uur geslapen. Alles grijpt me naar de keel, ik voel me niet veilig, niet gerust, mijn bestaan hier is leeg, doelloos. Dit is geen gewone levensopgave meer. Vol zwarte vegen over m’n ziel kruip ik dadelijk maar weer in dat zwarte bed.

Woensdag, 14 december
Het leek erop dat er veel werk was te verzetten, maar eigenlijk was het met drie halve uurtjes wel bekeken. Olivier had vlot in de gaten hoe ik het graag wilde, alleen werd ik helaas opnieuw gekweld door alle bekende misère, voor hem een nare ervaring. Dit moet anders, alles moet anders.

Zondag, 18 december
Iedereen heeft mijn land verlaten, de koningin is ver van hier en keert niet weerom,”ofschoon een grotere liefde niet bestaat”. We leven ieder op zich en voor wat het woord nog waard is, een onbestaanbare liefde. Omwille van discretie zal ik er niet over schrijven.
Ik ben gevallen, heb overgegeven en op de vreemdste plaatsen gehuild. Zo een crisis heb ik niet eerder gekend, maar ik ga er over zwijgen. De ‘strijd en aanbidding’, die het leven toch al is, hebben me te zwaar toegetakeld. Om de loyaliteit naar de Ander te versterken, of beter, om de Ander te overtuigen van hun loyaliteit wordt er, zonder mij te kennen, veel onwaars over mij gezegd, maar ik zweer bij de zuiverheid va de hemel, dat . . . .  nee, ik zou er niet over schrijven. Ik ga trachten mezelf weer te versterken.
Naast uitbehandeld zijn rest er nog een optie: nogmaals een periode naar Groot-Klimmendaal. Ik zal morgen mijn huisarts laten weten daarover niet te twijfelen en de eventuele kans aangrijpen. Mijn koningin zal er niet door terugkeren, maar werken aan een draaglijker leven vind ik nog steeds de moeite waard. Ik blijf geïnspireerd door de Joods-Franse filosoof Emmanuel Levinas. Je kunt de eenzaamheid alleen achter je laten door in de ogen te kijken van de Ander, met de Ander mee te leven, met de Ander te zijn. De filosoof Francis Bacon (16de eeuw) – er is ook een schilder die zo heette (20ste eeuw) - verklaarde, dat hij werkte “immune to the suffering of others and to emotional attachment”.  
De trompettist was er weer. Ik heb geapplaudisseerd. Ik denk trouwens dat het geen trompet is, maar een midwinterhoorn.

Ik wens ieder oprecht een kerstmis in de geest van Emmanuel Levinas – 1906-1995 -, dan herinnert u zich ook een mens te zijn, getekend met levenslust en vol verlangens. Listen to the voice of your heart and you’ll be as calm as the moon above the woods.
Voor mij zal het dit jaar wel anders zijn, ik weet het werkelijk niet, - moet denken aan die irritante regel van Sartre: “Wie het in eenzaamheid niet naar z’n heeft, vertoeft in slecht gezelschap”. Marieke zal het wel onderschrijven, zij bejubelt de eenzaamheid, of beter, de afzondering, de stilte, soms om haar eigen meest innerlijke zelf tegen te komen, soms om een waarlijk contemplatief leven te kunnen leiden. (Natuurlijk, Miek Pot heeft er ontroerend over geschreven, maar vooral Thomas Merton in zijn autobiografie “De Louteringsberg” – strijd en aanbidding, de donkere kant en de aantrekkingskracht van de stilte – toen hij was ingetreden bij de trappisten in Gethsemani, waar hij zijn hele leven bleef.
Jij, mijn altijd-lief, ik láát je het pad dat je verkiest, met veel pijn en weemoed ‘Elk pad is goed, als het maar een hart heeft’, schreef Carlos Casteneda. Mijn ziel is wakker en ik ben radeloos van liefde.


[© MN, ‘Bij de zuiverheid van de hemel’. Les jours de l’âme. Het schilderij, zonder titel, is ven Gregory Garrett. De weg naar mogelijk verdere revalidatie ben ik al ingeslagen; woensdag contact met het Slingelandziekenhuis.]

maandag, december 12, 2011

Achte auf deine gedanken, sie sind der anfang deiner täten*

Dagboek

Dinsdag, 6 december
De nacht is nog niet wakker of de dag is al gebroken.
Me er doorheen gebeten. ’s Avonds kwam mijn vriend Walter met de brochure van zijn uitgeverij Nieuwe Druk waarvan ik vermoedelijk toch graag gebruik zal maken. De uitgave van Rosita Steenbeek is uitgesteld tot april. Hij had er vrijblijvend 5 gekozen en ik kon er deze keer niet één laten liggen of mee teruggeven. Het zijn “Het zwijgen van Jan Karski” van Yannick Haenel, “Grip” van Stephan Enter, “150 psalmen vrij” van Huub Oosterhuis, “Gestameld liedboek” van Erwin Mortier en “De verdovers” van Anna Enquist.
Heb me voorgenomen in januari Linda te bellen en te trachten mij weer aan het lopen te krijgen. Ik wil ook dat de medicatie nog eens wordt ‘doorschouwd’.
De race voor Paul Bauduin is gelopen; Lemniscaat is afgehaakt. Nu uitgeverij Xanten in wie ik van meet af aan meer vertrouwen stelde, ondanks de professionaliteit van L die X nog moet bewijzen. Hulde aan Enno. We willen vooraf misschien teveel zekerheden, alsof alles alleen om economie draait - ja, vandaag de dag zou je dat wel zeggen.

Woensdag, 7 december
Geen zonsopkomst (te zien), massa’s verscheurd grijs en donker, nu en dan harde wind en korte vlagen stuifregen. Ik voelde me gelukkig wat kalmer en goed gehumeurd. Maar het uitblijven van zware pijn was maar van korte duur – wéér kwam er zo’n nare brief van de ‘onkreukbare heilige’ hierboven die m’n innerlijk versnijdt tot voer voor de zwijnen. Of je nu 22 of 62 bent, wanneer je in de liefde vrij letterlijk in een beerput wordt gedumpt, dat is misselijk und schmerzhaft. Als zo’n metafoor eenmaal door je toetsen gaat, dan zijn de remmen los. Later volgt er weer een email vol met ingebeelde wijsheden. Ik ben een vogelvrij mens en daar schiet je maar op los, in haar overtuiging allemaal raak. Mijn belofte van liefde voor háár is in elk geval totaal aan flarden.

Mijn broer was hier en verwacht dat de euro het slechtst denkbare lot is beschoren. Niemand die het weet. De koers zal vrijwel zeker kelderen, maar hoeveel? Banken en bedrijven vallen bij bosjes om, winkels sluiten. Gigantische werkeloosheid. Iedereen telt z’n centen, maar niemand weet hoeveel hij heeft. De rente schiet omhoog, maar niemand kan het betalen. Een soort tsunami, met meest ondenkbare, maar rampzalige gevolgen. Maar van welke maat zal alles zijn? Zo draait de wereld (nog), zo is hij Total loss.
De doemscenario’s liggen voor het oprapen. Ik hoop werkelijk dat het niet zover komt en dat we solide en solidair verder bouwen aan Europa. Of zijn er teveel die zich de waan van de macht verbeelden? Iemand komt met een goed idee, een ander haalt er een streep door, had juist iets beters in gedachten dat wordt weggehoond. De stemming daalt – er is geen klimaat van luisteren.
De trompettist was er niet vanavond, jammer.

Wat is verdriet? Een mengsel van (allerlei) pijn en onvervulde hoop, van vervlogen dromen, van heimwee, boosheid, angst, van onmetelijke schrik, van duisternis, blindheid en onwetendheid, onmacht en verlangen.

Donderdag, 8 december
Eerst zie je een lange, brede strook roze-oranje uitgestreken licht dwars door de vertakte bomen, dan verdwijnt alles als in een trechter achter de stam en in een mum van tijd keert er een rood-oranje bol terug die enkele seconden later van het felste geel is. Deze laatste, bijna verblindende gestalte van de opgekomen zon strijkt zich uit over de hemel. Je zou bijna denken, dat de zon in de ganse grijze lucht is opgelost.
In de middag een klein uurtje aangenaam bezoek.
De trompettist is terug. Bravo.
19u00 Te bed.

Vrijdag, 9 december
Poetsdag, wasdag, een zonnige dag, pijnbomendag. Rieky werkt altijd zo binnen de tijd, dat ze aanbood voor mij de boodschappen te doen waarvan ik dankbaar gebruik maakte. Ik hoopte er weliswaar op vanmiddag nog weg te gaan, maar na de lunch zat ik nog zo in de greep van de pijn dat ik niet durfde. Ook nu, half vier, waag ik het er niet op, schenk tranen en koffie. Koning van mijn toekomst kan ik nooit meer worden.
Ik probeer tot een kerstgedicht te komen, maat het lukt niet. De eerste zeven regels zijn opgewekt, maar alle volgende regels zijn weer moralistisch, dat vervuilt alles.
Het is onvoorstelbaar. Dat dat wat liefde heette, ik desondanks (de moordende pijn) probeerde te willen zijn, door haar nu tot één groot moeras is gemaakt. Ik schrijf er niet over, zoek het ongeluk niet op, wil dadelijk niet opnieuw ‘doodgeschreven’ worden. Marieke beweegt zich ‘gemakkelijk’ tussen twee polen, die van hemelse liefde of doodslag, vermorzelend. Soms (en gelukkig), zoals vanavond, komt er na een reactie vanuit het tweede uiterste een die menselijker is, eerlijk, even helder, te respecteren. Het maakt alles ellendiger als het zo bitter moet
Mijn ooghoeken branden van het zout.
On the light side of the street, daar wil ik heen.

Zaterdag, 10 december
Direct al veel pijn, overgoten door zonnigheid. Op de balkonrand zitten twee spreeuwen. Ze kennen elkaar niet. Als zich een ekster bij hen voegt, vertrekt een van de spreeuwen. De andere kiest het hoekje en huppelt naar het balkon hiernaast. De ekster, een rusteloze vogel, verwisselt drie keer van plaats en zie ik opeens verdwijnen naar een van de bomen bij het meer. Wat gevleugeld is, staat gereed om te vertrekken.
Na de lunch hoop ik de stad in te gaan.
Het is nu 17u10. Ook al schijnt er zo’n verleidelijk zonnetje, het is gemeen koud in je gezicht. Bij Boxxer heb ik me dan eindelijk een Samsung led-televisie aangeschaft die ze dinsdag­mor­gen komen installeren; ik heb van KPN een digitenne campakket, dat kost slechts € 9,- per maand en kan ik toch alle zenders ontvangen.
Nergens zat er iemand op het terras dus waren de verwarmingslampen uit. Tegen vieren weer thuis. Te weten dat zij hier is, mis ik haar toch vreselijk, ‘die heftige dame van me’. Het is een diepe wond.
Waterfall of Life.
Met tranen van schaamte wend ik mij af. Daar, vijf meter verder, staat een bed met zwart beddengoed, stiller kan het niet.
‘Dag lieveke’, zei je altijd, en je keerde nog driemaal terug.

Zondag, 11 december
Toen ik met mijn wankele kop in de Cabrio de kamer binnenreed, was de zon al lang op, werd alles verlicht zodat het ook in z’n eigen zijn kon verschijnen. Ik fluisterde haar naam. Ze sliep nog onder dat prachtig glanzende satijn, zo mooi en zacht als haar huid. Al wat ik vurig heb gehoopt, ligt daar, is vervlogen, voor mij onbereikbaar. Oder gibt es noch Liebe zwisschen uns?
Nadat Gertrude me had geholpen en dampende koffie voor me had neergezet, dacht ik te gaan lezen, maar ik viel in slaap – zonder een drup koffie.
Vic en Els waren op bezoek, onverwacht plezierig, heel aangenaam. Daarna zakte ik uitgeput van de pijn in elkaar en sliep tot half zes. Dat zo’n bezoek niet wat doorwerkt, vind ik afschuwelijk, maakt me ongerust, bang. Ik zal in verlatenheid sterven, misschien.
Ach, jij ademt al in een ruimere wereld. Ik vind m’n weg wel, - on the light side!

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. * titel is van Marieke. Photo: “Violet horizon” by Peter Wileman.]

dinsdag, december 06, 2011

Als het blad van de bomen is geschoren

Dagboek

Dinsdag, 29 november
Het bewind geven aan de pijn zoals ik suggereerde, lijkt me niet wijs. Het maakt me te passief, en zeker in het alleen-zijn is dat dodelijk. Hopelijk volgt er morgen eens een betere dag.
Ik schreef een hele reeks van woorden op voor ‘Het sprakeloze graf’, voegde woorden bijeen, schrapte er weer, ik wil teveel. Ik betwijfel of het lukt.
Leny vroeg zich af of ik nu wel genoeg zorg kreeg. Weet het niet, er is toch méér dan zorg, maar ja, dat kan niet worden gearrangeerd. “De invulling van mijn leven is kapot, de aanraking nu ook. Nee, niet dat een ander daarvoor verantwoordelijk is, maar het is wel de grote makke, leven in een zo goed als onbewoonbaar lichaam.” Het is half elf, ik ga maar liggen, ‘Misschien tot morgen’, zei Leo Vroman.

Woensdag, 30 november
De Winner won het van mezelf, nee dat is overdreven, het was de noodzaak boodschappen te doen, dat hoort nu eenmaal bij het corvee. Bij C1000, zowel in de Veentjes als aan de Houtmanstraat, is aan ruimte geen gebrek én men is er erg behulpzaam.
Morgen zal ik pater Ko nog eens bellen; misschien, ofschoon de kans zeer klein is, is er toch nog een mogelijkheid de kerst in de abdij door te brengen. Het zou me gelukkig maken.
Waar doet een graf aan denken? Aan aarde, aan opgeslotenheid, aan het duistere leven (want er gebeurt van álles), aan geheimzinnigheid, aan de diepte, de diepe wanden (zelfs geluid moet er zijn (geweest), maar dat ketst af tegen die wanden – of een ander woord? -  onbe­reik­baar, verstild, verstomd.
Hoogstwaarschijnlijk is er na veertig jaar helemaal niets meer te vinden, ook geen schedel. Alles is uitgedroogd, vergaan, stof geworden. Wat veel mensen ervan denken, is een fabeltje. Niks pieren of kevers of welk macaber gespuis ook want daar is nauwelijks of geen zuurstof.

Donderdag, 1 december
Het sprakeloze graf van Mimi

Mam, ben ik door mijn denken aan jou
jouw hiernamaals? Is dan de herinnering
een ontstaan in de ander?

Jij droeg mij als vrucht, en nu,
nu ben jij de vrucht in mij,
zo behouden we elkaars liefde.

Maar klank en kleur van je stem
zijn me vrijwel ontgaan, die richt zich
zich niet meer tot ons en zou afketsen

Verder ben ik niet gekomen in de stilte en razernij van deze dag.
Toen ik er nog kwam (kon komen), was het een persoonlijke ontmoetingsplaats waar ik gehurkt voor het graf mijn gedachten liet gaan, of rondom liep te mediteren. Die opgeslotenheid in het graf staat ook niets anders toe. Doe niets anders dan eraan denken. Dat afketsen (op de diepe wand van aarde?) dat is een fout idee, denkbeeld, die wand bestond er een paar uur in 1972, maar ’s middags gooiden ze die kuil al dicht.

Vrijdag, 2 december
Een beetje te laat op. Rieky is er vanmorgen. Gisteravond Gertrude nog gebeld, maar ze was er niet. Ik voelde me altijd veilig en vertrouwd bij Buurtzorg. Maar er is ‘iets’ mee. Ze komen de hele week al na tienen, vanmorgen pas om half elf. Ik zal het open en vertrouwelijk met ze bespreken. De mantelzorgconsulent en naderhand ook G. hebben langdurig met Marieke gesproken, tegenover mij geen woord.
Behalve het bestelde boek over Sam Drukker – beeldend kunstenaar van het jaar 2011 – kreeg ik een prachtig cadeau toegestuurd door Walter: de magnifieke biografie over Peter de Génestet. Een tot in de puntjes verzorgd boek, uitstekend gebonden met leeslint. Hier vallen vakmanschap en esthetiek samen, een compliment aan vriend en uitgever Walter Jansen. De ondertitel: Levenslust en Stervensmoed.
Peter de Génestet is wel ‘de geliefdste dichter van de negentiende eeuw’ genoemd. Hij heeft een kort en tragisch leven geleid, van 1829 – 1861. Slechts korte tijd woonde hij in Rozendaal, waar hij is overleden en begraven. Het boek, waarop ik inhoudelijk nog terugkom en fraaie illustraties bevat, is samengesteld door Marita Mathijsen en Henk Eijssens.
Het is nu 16u50. Praktisch de hele middag gewerkt aan de laatste vijf, zes regels en na een aantal vergeefse pogingen het gedicht toch in de gewenste vorm gekregen, al is de foto niet van de beste kwaliteit.
Wat een draak van een pijn!
Het is de vraag of ik nog een antwoord vind op dit innerlijk gebroken goed.

Zaterdag, 3 december
Eerste taak na het ontbijt is het publiceren van het gedicht voor mijn moeder. Het is guur, koud weer. Om half negen belde Jacob al aan want hij zou nog twee vergeten boodschapjes voor me meebrengen als hij er zelf voor op pad ging.
Het was opnieuw een beroerde dag, maar ik heb er intens genoeg van daarover te schrijven.

Ik ben met stomheid geslagen
door zo’n aanhoudende pijn, verdriet en machteloosheid -
en dan te beseffen, dat zó mijn einde

wordt getekend in volkomen verslagenheid;
in plaats van nog iets beduidends te mogen maken,
is er nu, tot dat eind, de zinloze herhaling van al dat mij mankeert,
maar néé, nee, ik laat de vogelkop niet hangen.

Zondag, 4 december
In en om het gebouw, in het landschap rond het meer, heerst een serene rust. Geen zuchtje wind, alles eert de zondag.
Bezoek Enno’s website - http://www.enno-nuy.blogspot.com  - met boeiende opiniërende teksten over politiek en cultuur, zoals bijvoorbeeld de laatste film van Lars von Trier over de ondergang van de wereld, Melancholia. Ik zag de trailer en daarin onder meer Kiefer Sutherland, dan begint mijn hart toch (een beetje) te kloppen voor een televisie.
De middag verstreek in heel aangenaam bezoek, hoewel de pijn geen seconde van wijken wist.

Al de hele week is er iemand die tussen half zeven en zeven uur op de trompet een serenade brengt aan de komende vierentwintig uur. De solist staat bij het meer en zorgt onzichtbaar voor een heel bijzonder half uur. De toonladders spreken van een romantische of melancholische compositie.
Nu ik mijn oren spits, de trompettist is nu, 20u30, aan de andere kant van het meer. Won­der­lijk, this is the holyness of music, of life and music.

Maandag, 5 december
“Hier schijnt de zon over je tafel en in Gendringen was net een donderend onweer, 15 km verder.” Joyce was helemaal verbaasd. Zo rustig is het ook gebleven, buiten dan. Van W.F.G. Jansen konden maar enkele werken in “Schilderen met de losse toets” me bekoren. Veel secondewerk vermoed ik. Dikke verfstructuur, hoekige composities. Sober en donker van kleur. Ook bij zijn tijdgenoot A. Gorter.
Hopelijk tot morgen.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. Met een schilderij van Chris Donovan, “Ambiance”.]

zaterdag, december 03, 2011


[MN. In Memoriam mijn moeder 13 mei 1923 - 3 december 1972.]