Pagina's

donderdag, augustus 30, 2007

Uit het einde komt het begin voort
altijd kan alles herbeginnen

Het echte beminnen is als een stem die woorden
zoekt in een diepe put, roepend naar overgave want
leven bestaat in ontdekken.

Alleen vanuit een lange tocht naar onszelf
vinden we kracht ons te vellen, hoewel met bijna stilstaand
bonzend hart, zij, met wie ik dit korte leven delen zal.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: “Venus riddle” by Susan Madsen.]

woensdag, augustus 29, 2007

Postvogel I
Um ourives das palavras

Deze vogel is hier eerder geweest. Hij blijkt een wonderlijke, soms poëtische boodschapper. Van de week trof ik hem op de rand van mijn versleten leren stoel. Op de naar mij toegekeerde enveloppe stond ‘Um ourives das palavras’, maar ik ken geen Portugees. We keken elkaar aan, enkele seconden later wipte hij in een atletische sprong hier op tafel en dropte de post. Het betekent ‘Een goudsmid van woorden’. Op het ingesloten kaartje staan maar enkele regels. “Als archeologen van onze ziel kunnen we ontdekken hoe verwarrend we zijn. Als het zo is dat wij slechts een klein deel kunnen leven van wat er in ons zit – wat gebeurt er dan met de rest?”
Kan ik mijn eigen archeoloog zijn? Ik keek opzij, maar de vogel was al gevlogen. Mijn blik ging terug naar het kaartje en toen pas zag ik onderaan in het vet gedrukt wat mij te doen stond.
Koop de “Nachttrein naar Lissabon” van Pascal Mercier.
[Foto van Jaap van een ansichtkaart die ik hem stuurde; “Brieftaube”, Gerhard Glück.]

maandag, augustus 27, 2007

Voorbij de wazigheid II
Het zelfbeeld blijft een mysterie


Ik heb al eens eerder geprobeerd een schets van mezelf te geven. Stelde mezelf de vraag ‘wie ben ik?’ en ‘wie ben ik niet?’ Terwijl ik eigenlijk een stille man ben, vroeg geleerd pijnlijk te zwijgen, dacht ik misschien toch een te openhartige man te zijn, of vooral, juist niet zoals een man hoort te zijn: stoer, altijd vol vertrouwen vóóruit kijkend, niets aan de hand, op de keper beschouwd weinig van zichzelf (durven) to­nend. Iets van stoerheid ken ik overigens wel: de auto – toen ik nog werkte, mijn ontsnapping en onafhankelijkheid in een ‘deftige slee’, een Citroën CX 25gti, verkocht omdat ik dacht dat het voorbij was. (Het is waar, vroeger viermaal een Deux Chevaux, een GSA en een BX.) Maar niets blijft zoals het is, nu, na de Saab die het onlangs begaf, rijden we in wat een Chevrolet heet, een automaat. Dit geluk, het rijden, heeft iets van mijn oude trots gered. Zodra we onder de rook van het (eigen) huis vandaan zijn, weet ik dat geen stad mij te ver is. (Bo, onze Labrador, gaat vaak mee.) Petrus, de zwarte kat, zocht alles zelf wel uit, maar hij is dood.
Ik ben een man van het hart, maar ook sterk van het hoofd, denkend en gravend. Vaak komen de opmerkingen die ik paraat had willen hebben pas later.
Een man van de emotie, de gehechtheid, de nuance, iemand van eb en vloed maar die soms zijn getijdenboek niet kent. Een man van de verwondering en metaforen, met ideeën onder het hart.
Intellectueel, sensitief, een schrijver, een dromer, een denker, een man met passie voor rechtvaardigheid en mensenrechten, met een hekel – elk woord is te flauw - aan verlorenheid en sociale overbodigheid, met liefde voor esthetiek, literatuur en kunst en lyrisch over landschappen. Ben ik soms een dichter? Een humanist. Een trou­we en liefhebbende man, een man met sociale tekorten (soms ‘rijk aan taal, arm aan liefde’), een familieman, zoals elk mens een man met sym­pa­thieën en antipathieën, een ernstige man, een waarnemer, een man die terugkijkt op ‘goede werken’, een lezen­de man, een ‘ kalm religieuze’ man. Een geïnspireerde man, als het om muziek gaat, opent zich een waaier aan geluid: pianoconcerten van Beethoven tot Simeon ten Holt, Eleni Karaindrou, Anouar Brahem en Arvo Pärt, maar zeker ook Leonard Cohen, Bruce Springsteen, Lou Reed, Van Morrison, The Moody Blues – en er zou een traan van melancholie kunnen vallen bij de stem van Nick Lowe.
Iemand zei eens, “een slimme man, een sociaal georiënteerde man.” “Een zielenman”, lang haar met vele lokken grijs. Ik ken mijn zorgen, maar leer dat ze overbodig zijn. Een man met een variatie aan verlangens. Een man met een pacifistische instelling, een af­keer van agressie, toch een man die heftig kan zijn in emotie, soms brandend van onmacht. Allergisch voor onrecht, macht en vernedering, een man met een scherp verzet te­ge
n bureaucratie, hypocrisie en aan al wat de geesteloze gewoonte voorschrijft. Ik voel minachting voor de hedendaagse afrekencultuur: targets, scores. “U bent onder de maat.” Een man die zijn hoofd moet vasthouden; het is vastgezet met vier schroeven, ik ben mijn nek, pijnlijk getroffen, maar een mens die in dat beeld niet wil worden vastgezet. Vroeger versleet ik sandalen, maar de laatste jaren is het de halfhoge schoen die mij houvast geeft.
Een man met een vogelhoofd. We gingen graag naar Portugal. Het lijkt me soms een kwestie van moed nog zo ver van huis te gaan, maar het is wat ingewikkelder sinds van schedeldak tot schouderblad mijn wereld ‘anders’ is. Niettemin noteer ik alvast dat we naar Berlijn en Praag gaan.

Wie ben ik niet? Een mislukte man. Een gelukkige man die denkt dat het leven een feest is. Een stoere, optimistische man. Een zakelijke man. Fysiek groot met forse handen, ik heb vaak gedacht een jongen te zijn gebleven. Een man met bizarre wensen evenmin. Een succesvolle man, althans als we denken aan het tegenwoordige affiche van succes. Een man strak in het pak. Een uitbundige man.
Ik ben iemand met een romantische gedachtewereld, zo’n man verwacht meestal teveel, dus omgekeerd ervaar ik vaak de teleurstelling. Ik herstel mijn kompas.
Ik zie mezelf maar ben er niet zeker van dat anderen mij ook zo zien. Zij zien mij weer anders. Ben ik eigenlijk zoals anderen mij zien? Hier raken we het mysterie want we weten nooit precies hoe dat beeld van anderen er uitziet. “Wees daar maar zeker van”, zegt Kundera. “We zullen nooit te weten komen waarom en waarmee we anderen irriteren, wat ze lief en lachwekkend aan ons vinden.” Ons ik is waziger dan ik dacht. En ik geloof Kundera, want “we kunnen proberen het zelf te schilderen, maar één gemene kreet en je bent voor altijd veranderd in een deerniswekkende karikatuur.” We zijn wat zij van ons denken, maar wat zij wérkelijk denken, weten we vaak niet.
Gisteren las ik, zoals elke dag, het dagboek van Gérard van Eyk en hij haalt Hillel aan, een Joods wetgeleerde en afstammeling van koning David: “Als ik er niet voor mezelf ben, wie zal er voor mij zijn? Maar als ik er alleen maar voor mezelf ben, ben ik er dan zelf nog?”
Ik heb met toenemende verlegenheid jullie reacties gelezen. Een feestelijke en wederkerige hartelijkheid, dank állemaal. Het heeft me verheugd dat we geen vreemden blijken.
[Afbeelding: “Het zwaarst valt het afscheid van een deel van jezelf” van Albert Robbe. Het citaat van Kundera komt uit diens roman ‘Onsterfelijkheid’.]

zaterdag, augustus 25, 2007

Voorbij de wazigheid I
Die Bildung dauert ewig

Het weblogland, (‘blogland’ is eveneens een veel gebezigde en wat tenenkrommende aanduiding), is een landschap dat enkele trekken heeft van een hartelijke leefbare buurt, maar tevens wijds en gevarieerd genoeg dat ieder er zichzelf kan zijn en zich langzamerhand voor elkaar ook herkenbaar ontplooit. De taal waarin we schrijven, de beelden en de schetsen die onze impressies nog versterken, zijn voor niemand, dat wil zeggen voor ons onder elkaar, vreemd en toch is het vaak weer een verrassing. Al die webloggers die je zo bekend worden in hun regels en aan de hand waarvan je kleine portretjes zou kunnen schrijven, die bekendheid genieten en per week vele schouderklopjes, die schrijvers van koetjes en kalfjes, van gewone en ontroerende observaties en fantasieën, al die penvoerders over deskundigheden waar ik weinig kaas van heb gegeten, de moeders, de reizigers, de fotografen, de musici, de schilders, de poëten, de dromers, de hobbyisten, de wandelaars en zeilers, de digital scrabdesigners niet te vergeten en de optimisten evenmin, ze maken op een wonderlijke wijze deel uit van je bestaan terwijl ze er nooit zijn en, maar dat is niet mijn stijl, met één enkele druk op delete te wissen zijn. Hierachter ligt dus de vraag hoe we met elkaar omgaan.
Soms, zou ik denken, ligt in al ons dagelijks werk al bindmiddel genoeg, maar nu en dan komen er ideeën die ons nog nadrukkelijker naar voren willen halen, ik bedoel het stokjesfenomeen waar ik niet zo weg van ben maar waar ik me tegelijk ook niet van wil distantiëren – terwijl ik op de tweede dag van dit jaar al een “reis in het binnenland” schreef (en daarin weer verwees naar eerdere ‘zelfportretten’). De tijd. Wat doet die al niet met ons? Wat willen we weten? Plato, Inge en Julia gingen me voor. “Ach, gewoon wat concrete maar typische ‘dingen’.” Tien op het oog simpele vragen: 1. Heeft Marius een auto? Zo ja, welk merk? 2. Woont hij in een huur- of koophuis? 3. Aan welke huisdieren geeft hij de voorkeur? 4. Welk soort vakanties vindt hij het fijnst? 5. Van welke muziek houdt hij het meest, denken jullie? 6. Welke stemming hoort het meest bij hem? 7. Wat denken jullie dat het belangrijkste is in zijn leven? 8. Speelt hij een muziekinstrument en zo ja, welk? 9. Draagt hij wel eens sandalen? 10. Welke levensfilosofie denk je dat het meest bij hem past?
Vrijheid, blijheid voor wie me volgt.

donderdag, augustus 23, 2007

”Ich lehre euch den Übermenschen. Der Mensch ist etwas, das überwunden werden soll.”

Nietzsche’s woord Übermensch wordt ten onrechte vaak verward met een veredelingstechniek, met de eugenetica en dus met het onvergetelijk gemene woord van de Nazi’s, met ‘supermens’, het ‘herenras’. Nietzsche (1844-1900) echter bedoelde ermee de over de mens heen reikende, jezelf overwinnen, dan word je iets anders dan mens. De Übermensch neemt zijn eigen leven ter hand, zoals verwoord in de woorden ‘amor fati’ – die mens is voor Nietzsche het toonbeeld van de mens die zichzelf verwerkelijkt. “Streef ik dan naar geluk? Ik streef naar mijn werk.” Aan Nietzsche’s ‘Übermensch’ ontbreekt dus een biologisch fundament.
Overigens is de droom om het handwerk van God te verbeteren, om mensen te herontwerpen, al heel oud. De voorstellen van Plato’s ideale samenleving berustten voor een deel op de aanname dat er sprake zou zijn van ideale individuen. Daaruit volgde het weerzinwekkende idee, dat alleen de beste burgers zouden worden aangemoedigd zich te vermenigvuldigen en dat de kinderen van de dommen en mismaakten zouden worden vernietigd om verdere voortplanting te voorkomen.
Eeuwen later, in 1885, beschreef Francis Galton, de neef van Darwin, de idee van eugenetica. “Als 20 procent van het geld en de moeite die besteed worden aan de verbetering van paarden en vee, worden gebruikt voor de verbetering van het menselijke ras, wat zouden we dan een enorme hoeveelheid genieën kunnen maken!”
Bovenaan in de Humboldstrasse in Weimar – vanuit het centrum een dik half uur lopen én klimmen - is het Friedrich Nietzsche Archiv, een statig pand dat van buiten gezien binnenshuis meer belooft dan het biedt. (Het Archief is in 1894 gesticht door Nietzsche’s zus Elisabeth die er tot aan haar dood in 1935 de leiding had. Het ‘kwaad’ hiervan is, dat ze de nagedachtenis van haar broer heeft besmet met vele vervalste teksten, opdat ze in overeenstemming kwamen met haar politieke overtuigingen, met de nationalistische en antisemitische ideologie. Het vergde veel manipulatief werk om Nietzsche als antisemiet en racist te kunnen presenteren. Het duurde tot 1960 voordat Nietzsche’s denken weer opgegraven kon gaan worden van onder een dikke laag van vertekende interpretaties.)
We hadden misschien beter kunnen doorrijden naar Naumburg, niet zo heel ver van Weimar vandaan. Nietzsche verbrachte den Großteil seiner Kindheit und Jugend in Naumburg. Hier besuchte er die Elementarschule und das Domgymnasium und auch nachdem er 1858 die Freistelle im nahegelegenen Internat Schulpforte erhalten hatte, blieb das Naumburger Mutterhaus ein Lebensmittelpunkt. Maar we bleven in Weimar en omgeving. In de Humboldstrasse bevinden zich enkele vitrines met teksten en boekuitgaven en een naar ‘zijn tijd’ fraai ingerichte kamer, een zogenaamde ‘Vortragsraum’, waar ik ook de schitterende houtskooltekening van Hans Olde zag, “Nietzsche als Kranker” (1899). Een mooi ingelijste kopie hiervan vond ik bij een fotograaf in Weimar, om de hoek van Frauenplan, nu dus toegevoegd aan de kleine rijkdom van mijn eiland.

[Foto van de genoemde tekening van Olde. Het citaat van Galton, Sir Francis G., is afkomstig uit het boek van Fernández-Armesto, ‘Dus jij denkt dat je een mens bent?’ (zie 27 oktober 2006). Zeer lezenswaardig is het boek van Jaap Hagen Nietzsches weerklank in nazi-Duitsland.]

maandag, augustus 20, 2007


Buchenwald, het dieptepunt der mensheid
Jedem das Seine


De zon schijnt op mijn paarse rouwkleed, hier diep
in het woud, aan de Blutstrasse, waar het duister de aarde
smoort en al het verdriet der wereld bijeenligt.

De koudste ongenade, de wreedheid, de vernedering,
het stilste veld van de hel, aan een warm
woord is niet te denken bij diep en donker

leed, dat ieder mens voorgoed verbond met wat
buiten hen leefde aan hellemacht en waanzin, hier, op dit veld
voor het eerst en het laatst verpletterd en verenigd.

Ik zie niets dan vlammende bladeren, de krankzinnigheid
is nooit opgehouden, het meedogenloos bliksemsnel geheven
zwaard, één dag en een volk is uitgeroeid.


[© MN, in Overpeinzing over het lelijkste ter wereld. Het concentratiekamp Buchenwald ligt ongeveer 7 km van Weimar, een groot complex op de Ettersberg met vooraan een reusachtig gedenkmonument (‘Gedenkmal’ van Fritz Cremer), verderop de kazernegebouwen van de SS toentertijd, een veld van verdwenen barakken en het wrede interieur van de dokterskamer, de douches en de kruisweg naar het crematorium. De foto komt van www, maar verdere gegevens zijn onbekend.]

donderdag, augustus 16, 2007


Een man die brandhout maakt
Een karakter van siddering

Op het terras zat een man, Nachtglas.
Hij sprak echter even gezwollen en bombast als
zijn obscene buik, als zijn gebaren, als opwaaiend gruis.

Steeds wees hij met zwart behaarde vingerkootjes of trommelde
ermee, met ongeduld of uit verveling, en hij keek om zich heen
alsof alles zinloos was geworden om over na te denken.

Hij was gearriveerd in een windstoot, een Saab cabrio,
toonde een mager verstand, maar het zat in zijn
aard, hij wilde openlijk superieur zijn. Ik weet niet

of het kinderlijke rijkheid is, of naïviteit, maar
geen schoonheid, en zijn vrouw, een lieve gedaante,
verschool zich aandoenlijk in haar tegenwind.

[© MN, in Die Nase so hoch. Afbeelding: by Guido Daniele.]