Dus jij denkt dat je een mens bent?*“Wat de ouders hebben gebouwd, vreten de kinderen (soms) weer op.“
Dit is een zin die eigenlijk alleen contextueel is te begrijpen.
Het moderne familiehotel waar Adriaan (1956) al 24 jaar als bedrijfsleider werkt, zal te zijner tijd worden voortgezet door de dochter van de huidige bazin. Adriaan kreeg begin december een lichte beroerte; de tekenen ervan zijn betrekkelijk gering en revalideerbaar.
Naar verluidt liet de dochter, die intussen ook al wat touwtjes in handen heeft, onlangs twee gelijksoortige opmerkingen ontvallen.
“Heeft hij een niet iets te scheve mond om hier nog te verschijnen?” “Straks is het mijn hotel en is er voor kreupelen geen plaats.”
Van kreupelheid is geen sprake (hij heeft het lopen vrijwel feilloos onder de knie) en voor wie van niets weet, zal over hooguit twee maanden niets aan Adriaans voorkomen herinneren aan dit nare oponthoud. Hij zal wellicht wel de kunst hebben verstaan het langzaam aan te doen.
Het is een plezierige kerel, heeft humor en kan onbedaarlijk lachen. Salomé, een wicht dat geen scrupules kent en dat zowel fysiek als verstandelijk van licht gewicht is, dat calculerend van aard is, heeft hem diep gekwetst; haar opmerkingen vormen de toon van het einde. Haarscherp wordt omlijnd door wie tot de mensheid behoort en wie niet. Het is niet zomaar naïef, platvloers of onfatsoenlijk, het is een vernederende krenking ergens uit het land van vandaag. Het schuurt de ziel met zo’n stalen spons, eerst die van Adriaan maar ook die van mij. Het lijkt wel of we geen morele taal meer hebben om dit ‘type houding’ neer te sabelen. Alle woorden waarop ik een beroep wil doen, lijken versleten en onverstaanbaar geworden.
Bestaan er nog morele idealen? Het doet me denken aan Amadeu de Prado - wiens leven Gregorius Mundus zo fascinerend wist te reconstrueren - die om vergelijkbare redenen een andere taal wilde ontwikkelen, maar zijn prachtige maar ook complexe motivering kan ik er nu helaas niet op naslaan.
Een roos gelijk een zwaard. Zo is het leven. Schitterend, verleidelijk en verderfelijk.
Salomé, altijd in blouses waaraan je niet kunt zien hoe haar borsten vermoedelijk zijn en elke dag haar voeten gestoken in opvallend aanwezige pumps, heeft gemankeerde, fletse, gedachten, is innerlijk arm en koud, ongenaakbaar achter een geconstrueerd masker. Welk lot zal de indringer zijn van het lichaam waarin zij al ongeveer dertig jaar te gast is, de indringer die haar onomkeerbaar doet beseffen hoe dun de lijn is tussen perfectie en kreupelheid? De ‘gedaante’ van de indringer is helemaal niet van belang, maar wat deze doet dat haar tot deugd zal zijn. Dan pas weten we wie zij werkelijk is.
[ © MN, voor Adriaan geschreven bij volle maan, 25 januari. De titel verwijst naar het boek van Felipe Fernandez-Armesto.
Ik heb als metafoor Salomé genoemd, omdat zij, de dochter van koning Herodes, Johannes de Doper onthoofdde.
Afbeelding: schilderij Salomé van Lammert Boerma. Geplaatst door Chrisje]


