Pagina's

vrijdag, juni 29, 2007

De pen gaat waar het hart niet kan

Dat is een rake zin. Ik zag het plots in mijn boekenkast en dacht, dat is een mooie, rake, zin die ik geschreven zou willen hebben, maar iemand is mij voor geweest. Pak het uit de kast en zie dat het al 27 jaar tot de stillevens behoort die ik zoal heb verzameld. Het frappante is de derde alinea op pagina negen. De zin begint met ‘In de vloer’, maar misschien is dat typisch Vlaams.
“In de vloer, op de tafel, op de stoelen, in een ligzetel, overal liggen tijdschriften en weekbladen. Paris-Presse en Playboy, De Vlaamse Gids en de Nieuwe Rotterdamse Courant. En ik herinner me meteen weer, wat Vinkenoog eens over hem schreef: hij is bang dat iemand iets reeds zou geschreven hebben, wat hij op het moment zelf wenst te schrijven.”
En verderop blijkt, dat hij ook steeds de nieuwste tijdschriften bij zich heeft om te kijken of niemand hem voor is geweest. Het is een korte, wat verdwaasde maar ook geestige impressie van iets dat anders in het krantengraf was verdwenen: een stukje van Louis Paul Boon over Hugo Claus, dat hij schreef in Vooruit, op 15 maart 1962. (Claus woont dan nog, met Elly Overzier, in een oud patriciërshuis in Gent, maar tachtig pagina’s en zes jaar later lees ik dat hij op een brede, sterke, boerderij uit 1730 woont, te Nukerke. “Dat is dáár in Oost-Vlaanderen waar het landschap eindelijk de moeite waard wordt”, schrijft Jan Wintraecken. Maar Claus vertrok er weer en zwierf verder, tot hij terugkeerde in het aloude Gent.)

[Hugo Claus, De pen gaat waar het hart niet kan, een bundel interviews en teksten samengesteld door Gerard de Ley, Loeb & van der Velden. Schilderij “The promised unity” by Brad Noble. Gaat daarover, in al zijn varianten, niet vaak de pen? Over het onvolkomene? Het utopische? Het verbodene? Ach, de pen kent alleen maar de grens van de hand die hem vasthoudt.]
(Off topic: ik ben op reis, onder meer naar Dirksland en Zierikzee en overnacht in Schuddebeurs. Ik heb dus een paar dagen geen gelegenheid tot wat ik gewoon ben te doen, misschien maar eens goed ook.)

donderdag, juni 28, 2007

Familie van de mensheid

Soms zou je een boek in je broekzak willen stoppen en daar niet meer vandaan laten gaan omdat je het eenvoudige gevoel hebt dat je ervan houdt. Ik schreef al eerder eens een lijst van favorieten en weet dus dat het niet gaat, dat elk boek weer ergens in de kast gaat hoewel vele lange tijd op mijn tafel blijven. Ik tel hier zeker vijf stapels. Het zijn schrijvers die me boeien, een spiegel voorhouden, me inspireren, die iets te vertellen hebben dat ik nodig heb voor mijn denken, dat ik herken, niet als eigen taal, maar als deel van mijn hart. Zo blijft William Soutar hier liggen (op wie ik de komende week nog wel terugkom), het nieuwste dagboekdeel van Hans Warren en ook de virtuoos geschreven roman van Dezsö Kosztolànyi, “De bekentenissen van Kornél Esti.” Vandaag moet ik iets schrijven over Eric-Emmanuel Schmitt (1960), over Milarepa, de eerste van de vier novellen uit zijn Cyclus van het onzichtbare.

Nee, hij had misschien niet de pure spierkracht van sommige anderen als ze tegen de wind in fietsen, hij stond dubbelgevouwen in de wind, ergens in een berglandschap zo rood als de ondergaande zon, en verderop zwierf hij dan langs wegen en paden, vreemd vervuld van haat, op zoek naar een man die hij wilde doden. Nu ja, zo begon Simon’s droom, gewoon op een kamer in Montmartre, maar ook een droom die een tweede werkelijkheid werd, elke nacht opnieuw. Simon, een Parijse jongeman, is de reïncarnatie van de oom van Milarepa, de beroemde Tibetaanse kluizenaar uit de elfde eeuw die een onverzoenlijke haat jegens zijn neef koesterde. Om te ontkomen aan de kringloop van wedergeboorten – “en niet te eindigen als vlo of als strontvlieg” - moet Simon het wedervaren van deze twee mannen vertellen, en daarin ontstaat de verwarring. Hij identificeert zich zo sterk met hen dat hij niet meer weet wie wie is. De ene en de andere identiteit worden door elkaar gehaald.
Het is een boeddhistisch verhaal over de weg naar wijsheid. Soms las ik een paar pagina’s opnieuw en uiteindelijk heb ik denk ik begrepen dat het verhaal gaat over het loslaten van je ego – het stáát er ook: “… muilkorf je ego” – los van oordelen en etiketten, van grenzen tussen goed en kwaad, van honger naar macht en bezit en (dus) ook van zekerheden waarmee we ons omringen en denken veilig te stellen. Het is een verhaal, dat laat zien dat haat is te overwinnen. We zijn niet alleen familie van onze familie, we zijn ook familie van de mensheid.
Onze eigenlijke identiteit ligt dieper of elders dan waarin we onszelf denken. Ik vind dat vaak wel een moeilijk facet, maar daar gaat het in het boeddhisme over, over de verbinding met alles en iedereen. Dat is tegelijkertijd de grond van het zo wezenlijke mededogen. Die nadruk op compassie vind ik het mooiste en als ik even terugdenk aan het verhaal over Romain, dan zou ik zeggen, dat compassie belangrijker is dan liefde want liefde blijft vaak binnenshuis.

“Dank je wel neef.”
“Ik ben je neef niet. Dat was ik, maar ik ben het niet meer. De kleine Milarepa is ver weg, heel ver weg, in een verleden van vlees en bloed waar ik niets meer mee te maken heb. Ik heb geen familie meer via het zaad; de enige familie die ik heb, is de mensheid.”
[Eric-Emmanuel Schmitt, Milarepa, Atlas, 75 pag. Photo: “Compassion” by Jodigital.com.]

woensdag, juni 27, 2007

Afscheid?
Es kommt nicht mehr in Frage

Allen die hier op adem of op gedachten
komen, elk ongeduid motief is al evengoed,
zouden ooit eens het moment kennen
dat de luiken dichtgaan, zelfs bij leven

kan dat plots gebeuren. Maar op elk daarvan
zou dan met opzet in sier geschreven staan,
dat ik al seizoenen achtereen mag baden
in de weelde van jullie aandacht.

“Meest waarschijnlijk”, dacht de dichter,
hij trekt zich terug in boeken, zowel met liefde
als met tegenzin. “De gordijnen gaan niet dicht,
de schroeven zitten vast en op zekere dag,

op een nieuwe morgenstond zal ik terugkeren, láter,
na de droefenis van heden.” Alle lof en alle fluistering,
door elke naam hier geschreven, staat gegrift in
een poëtisch leven, een roos gelijk een zwaard.

Zo zal tóch dit eiland leven, al is het maar
in brokjes, de verbeelding blijft, de gezonde geest
gaat verder, de goedheid delft het onderspit niet want
het komt immers, hoe ook, uit de schepping.

Luister, hoor de regels van Borges: “Aber wenn ich
noch einmal anfangen könnte, würde ich versuchen,
nur mehr gute Augenblicke zu haben. Falls du es noch nicht weißt,
aus diesen besteht nämlich das Leben. Nur aus Augenblicken.”


[© MN, in The poet’s soul, met enkele regels van Jorge Luis Borges. Afbeeldingen van links met de klok mee: “Augustinus’ inspiratie” door vermoedelijk San Luigi dei Francesi, “Room with a view” by Steve Bonner, “Writing man” by S. Berkely, “Dreaming man” by Simeon Salomon, “Storm of sadness” by Mike Sol, “Love divided” by Odd Nerdrum, “Paardenkop” van Erika Berki, “White lady of Hope” by Rezerwacja en de “Witte roos” van Aldra.]
(I remember Susan Sontag: “Nothing prevents me from being a writer except laziness. The writer is in love with himself. . .and makes his books out of that meeting and that violence.” And a friend of mine, living in Aerdt and also writer, “Writing is our freedom.” I was lying to myself, I do have a desire to write. Until tomorrow.)

dinsdag, juni 26, 2007

De stilste leefwereld (4b) – slot

De wederopbouw van het vertrouwen
Strekt de onmacht zich over de grenzen van kennis, dat wil zeggen: weten hulpverleners geen inhoud te geven aan de zorg die het gevolg is van een dwangopname? Is dát de onmacht? Het is de vraag naar de wederopbouw van het vertrouwen en de versterking van het persoon-zijn, zodanig dat de geschiedenis zich korte tijd later niet weer herhaalt. Het is de moeilijkste vraag: na een weldadig bad en medicamenteus ondersteund een goede slaap in een echt bad komt vaak dezelfde weerstand weer tevoorschijn, dit keer feller omdat de betrokken persoon weer op krachten is gekomen en de herhaling alweer intreedt. Het zal de kunst zijn die te voorziene situatie vóór te zijn: het enige antwoord dat ik weet, is een letterlijk en aanhoudende nabijheid door een en dezelfde hulpverlener, met de wil en de inzet om een aantal problemen samen op te lossen, los van tijd en agenda. De moeilijkheid is, dat dit appelleert aan eigenschappen en taal die voor menig hulpverlener misschien grensoverschrijdend is. Hoe kan anders het vertrouwen nog gewonnen worden?

De verantwoordelijkheid

Hierover zijn al enkele stellige uitspraken gedaan die niettemin te problematiseren zijn. Want: is er al niet heel vaak van alles geprobeerd in het leven van Romain? Is er dan geen grens aan verantwoordelijkheid? Waar is het wel en waar is het niet reëel te wijzen naar bureaucratische belemmeringen in de hulpverlening? Is het niet óók zo, dat de genoemde ontkenning van het menselijk tekort tegelijkertijd een erkenning is van het menselijk tekort van ons allemaal, dus ook van hulpverleners. Er gebeurt van alles dat vreselijk is maar waar we desondanks niets aan kunnen doen. Deze nuancering naar de kritiek op de hulpverlening betekent geen berusting. We dienen blijven na te denken, in discussie te gaan en een ‘systeem’ van zorg te organiseren dat specifiek is toegerust op dit soort situaties.
[Afbeelding: “Looking for shelter” van José Vinken-Moonen.]

maandag, juni 25, 2007

De stilste leefwereld (4a)
Tweemaal twee slotoverwegingen, hoewel naar Romain tevergeefs

Autonomie van belang, maar niet heilig
De betekenis van het ideaal van autonomie te overschatten zal niet een bron zijn van misverstand. Het is meer de vasthoudendheid aan dit principe dat problematisch is, gekoppeld aan een houding van hulpverleners die conflicteert met goed hulpverlenerschap. ‘Autonomie’ en ‘gevaar’ zijn in de wet inmiddels genuanceerd, maar in de cultuur domineert nog de ‘oude’ zienswijze. Dit laatste kan tot gevolg hebben dat we te gemakkelijk doen wat we gewend zijn te doen in plaats van kritisch te staan ten opzichte van wat ‘vanzelfsprekend’ lijkt. (Wetgeving is niet een knopje dat het handelen op slag verandert.)
Behalve dat een samenleven van mensen maar tot op zekere hoogte door middel van wetgeving is te reguleren, verwachten we reeds in het ‘normale samenleven’ dat bij overtreding van regels niet naar de letter, maar naar de geest van de wet zal worden geoordeeld. In situaties van nood – los van de interpretatiemoeilijkheden is vaak haarscherp aan te voelen wanneer daarvan sprake is - kan zelfs een gegronde reden worden gezien om de wet even terzijde te laten en te doen wat gedaan moet worden: met het oog op het welzijn van de betrokkene(n). Dat is één argument om kritisch te staan ten opzichte van een overigens waardevol beginsel.
Een tweede argument zit dichter op de huid van de professie: de verantwoordelijkheid. Juist in extreem moeilijke situaties wordt er onvoldoende gereflecteerd op de betekenis hiervan terwijl er juist dan ten volle een appèl op wordt gedaan.

Interpretatie van de wet
Hier gaat het vooral om de vraag waar de ogenschijnlijk rechtlijnige interpretatie van een overigens duidelijk wetsartikel nu op berust. Terwijl we in een samenleving leven waarin uit allerlei richtingen wordt gepleit voor een ‘herstel van gemeenschap’, lijkt het hier alsof iedereen – want niemand neemt de verantwoordelijkheid – volledig in het duister tast omtrent de betekenis van ‘gemeenschap’ en wat dit betekent voor ieders verantwoordelijkheid. Kan of moet het nog erger dan bij Romain om uit de voeten te kunnen met ‘maatschappelijk ten gronde’ gaan? Rijst hier begrijpelijke twijfel? Of domineert in deze situatie een andere en wel een pure onmacht: onder dwang valt niets te beginnen. ‘Zei die man nou maar even “ja” of zuchtte hij een “help me”, maar Godbeterhet, hij zegt “neen”.’ Wat er in de hoofden van hulpverleners precies omgaat, lijkt me belangrijk om te weten. Het is niet alleen bepalend voor de hulp op dat moment, maar ook voor de zorg daarna. Soms moeten daden worden gesteld alsof er in de wereld geen twijfel bestaat. Zorg, maar ook verantwoordelijkheid, behoren in deze situaties tot de onopgeefbare taken.
[Afbeelding: “Endless journey” by Goro Fujita. Morgen 4b, slot.]

zondag, juni 24, 2007

De stilste leefwereld (3)
Hoewel dwang een pover redmiddel blijft

Algemeen onderkend wordt dat dwang problematisch is en zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Het is vernederend en vaak werkt het averechts. Dwang staat bovendien haaks op het recht tot eerbiediging van het persoonlijk leven, de onaantastbaarheid van het lichaam en het recht op vrijheid. Het is een fundamenteel recht waaraan slechts in uitzonderlijke situaties voorbijgezien kan worden. Dit gezichtspunt, dat we verregaand mogen verdedigen, betekent (ook) dat het toepassen van dwang niet altijd is te vermijden of onterecht is.
Naar Romain heeft de hulpverlening getracht ‘een ander antwoord’ dan dwang te realiseren, maar dat is helaas mislukt. Het morele dilemma – voor de keuze staan uit twee slechte opties het beste te kiezen – is hem gedwongen in zorg nemen of hem aan zijn lot overlaten. We weten dat dwang veelal kortstondig opluchting biedt en vaak een bron vormt van nieuwe zich herhalende ellende; tegelijkertijd zijn we er onzeker over wat zijn lot zal zijn als hij wordt opgenomen. Het hem zelf maar laten uitzoeken, betekent in deze situatie niet alleen een ontkennen van de tragiek van het menselijk tekort door er met lege handen tegenover te staan en met een triest gevoel er vandaan te gaan, maar vooral ook een aanslag op de eigen waardigheid als hulpverlener. We weten vrijwel zeker dat het zijn dood zal betekenen wanneer nu niets wordt ondernomen; dat zou wijzen op verwijtbaar handelen omdat het behoort tot het deskundige inzicht en de (onvervreemdbare) verantwoordelijkheid van de hulpverlener(s) te doen wat gedaan moet worden. Hierin ligt tevens de rechtvaardiging voor een paternalistisch optreden – in het perspectief van het versterken van zijn vermogens, dát is respect tonen voor de autonomie van de cliënt. Niet het instrumentalisme dient voorop te staan, maar het bieden van goede zorg, óók als hij dadelijk is opgenomen.
De psychiater Petry heeft met betrekking tot het in de steek laten van “deze mensen” eens het woord sociale euthanasie gebruikt; ik heb het eigenlijk in geen ander verband zo treffend op z’n plaats gevonden als hier in de omstandigheden van Romain. Het is een ‘zwaar begrip’, dat mijns inziens niet moet worden begrepen als beschuldiging. De betekenis is tweeledig: enerzijds met een krachtige term onderstrepen dat ‘dit’ niet kan en mag, anderzijds om uit te lokken tot handelen, in dit geval tot een nadenken over mogelijkheden dit lijden te verzachten. Aangezien Romain geen enkel zicht meer heeft op opties, is in deze context te spreken van een morele plicht om tussenbeide te komen.
Autonomie is niet heilig …. (slot)
[Afbeeldingen van links met de klok mee: van James Jean, Olaf Hoppe, Ivo Winnubst & Adriaen Brouwer.]

zaterdag, juni 23, 2007


De stilste leefwereld (2)
Het ene neen is het andere niet. De verloren stem

Romain is (nu) twaalf jaar geleden vanuit Brabant naar Arnhem gekomen met het voornemen er opnieuw te beginnen. Al snel verviel hij in het oude criminele gedrag: zijn cocaïneverslaving zorgde onvermijdelijk voor berovingen en ander gewelddadig gedrag. Hij had last van waandenkbeelden en “zoop zich geregeld klem” zoals dat heet. Na het vernielen van zijn woning werd hij op straat gezet, sindsdien zwerft hij en komt hij “thuis” in het vieze kot (beschreven in dl. 1).
Bij geen enkele instantie is hij nog welkom. Zijn naam prijkt op de zwarte lijst want de bedreigingen en mishandelingen zijn iedereen te gortig geworden. Binnenkort (het is dan 2003, maar het speelt in wezen nu opnieuw) zal het schuurtje worden dichtgetimmerd. De woningbouwvereniging wil het via een kort geding laten ontruimen. Romain zal vanaf dat moment weer op straat staan, op een doodlopende weg. “Opname kan niet want hoewel agressief, is hij voor dwangopname niet gevaarlijk genoeg.”
Elk afwijzen van hulp is slechts contextueel te begrijpen. De man in de schuur heeft een wild en gewelddadig verleden. Zijn ernstige verslaving heeft hem buiten bereik van mensen gebracht en vormen een directe oorzaak van zijn extreme, gezondheidsbedreigende vervuiling. Er is nauwelijks nog een verhaal mogelijk, we kunnen slechts ‘luisteren’ wat deze chaos te vertellen heeft. Het is een context die het tegendeel is van wat we ‘moreel goed’, ‘menselijk’, noemen; het is een situatie die we niet kunnen laten voortbestaan omdat het ‘goed’ zou zijn dat het zich voordoet. Elke politieman en hulpverlener beaamt dit, weet en voelt zich aangespoord er iets aan te doen, maar trekt zich terug op het ‘neen’ van de man en op het vermeende ‘neen’ van de wet. Het is de klassieke spanning tussen het respect voor de autonomie en de beginselen van artsen, psychiaters en hulpverleners die overtuigd zijn van de weldadigheid van ingrijpen. Hulp kan (kennelijk) niet meer uit zichzelf plaatsvinden omdat het nodig is of moet, maar pas wanneer een betrokkene vanuit zijn autonomie stelling heeft genomen.
In de beschreven schuur ligt een verpauperd en ernstig beschadigde man. Noodgedwongen teruggetrokken in een donker hol dat niet veel anders meer uitdrukt dan zelfhaat en diepe schaamte tegenover iedereen die hem nog een blik waardig gunt. Is het een waardige blik of een verachtelijke blik? Hij gebruikt zijn stem niet meer, mompelt ‘neen’ of weert af. Angst en woede en schaamte hebben zich tegen zichzelf gekeerd en woekeren nog slechts van binnen. Romain ligt begraven in zijn biografische ellende. Wat weet hij er zelf nog van? Zijn zelfgevoel is verdwenen en daarmee ook zijn vermogen tot nadenken en (rationeel) overwegen. Dit is thans zijn leven, maar niet een leven dat hij herkent. Wantrouwen, angst, smerigheid en akelig dicht bij de grens van doodgaan. Wie kan nog zeggen dat hier sprake is van een autonome keuze?
[Malerei “Traurigkeit”von Herr de Toys.]

vrijdag, juni 22, 2007


De stilste leefwereld (1)
Zou doodgaan een oplossing zijn?

Enkele weken geleden las ik in de krant, dat een gebiedsagent voor daklozen en verslaafden in Arnhem al een tijdop zoek is naar een bekende ‘zorgwekkende zorgmijder’ die jaren geleden op last van een deurwaarder uit een schuurtje werd gehaald voor gedwongen opname. “Hij is er weer slecht aan toe heb ik te horen gekregen, maar nergens te vinden.”
Ik herinner me deze man heel goed en hoe de hulpverlening met de handen in het haar stond terwijl de concrete situatie niets anders vroeg dan tussenbeide te komen. Laat ik daarom die krantenfoto uit 2003 nog eens beschrijven.

Het gaat om een kleine, stenen schuur achter het huis van een bejaarde vrouw. Deze schuur bevindt zich in een straat waar de man, ik noem hem Romain, lange tijd geleden heeft gewoond; het is een kale ruimte van misschien twee vierkante meter. We zien vier dunne opeengestapelde en tot op de draad versleten en vervuilde matrassen. Weggedoken onder een al even gore en met vuil aangekoekte slaapdeken ligt Romain, zijn voeten liggen bloot. In de hoek ernaast ligt vermoedelijk zijn schamele bezit verstopt onder een dun dekentje. Daarnaast staat een paar vaalgrijze sportschoenen. Op de stenen vloer ligt een plas gestold braaksel. Niet te zien zijn de lege chipszakken en bierblikjes. Evenmin is het pad te zien dat zijn toilet is – in de verbeelding begrijpen we dat het een onbeschrijflijke stank moet zijn.

Soms verlaat hij de schuur en diep voorovergebogen loopt hij dan de Aldi binnen voor bier en chips. Het kassameisje gilde laatst van afgrijzen toen Romain zijn boodschappen wilde betalen. De poep kleefde aan zijn handen.
De bejaarde vrouw durft niets tegen hem te zeggen. Zij is bang voor deze zonderlinge zombie. Hij staat bekend als agressief en onberekenbaar. Het vermoeden rijst dat zijn fysieke kracht toch behoorlijk is gesloopt.
Ik meende, dat we het stadium van ‘autonomie als schild om niet te hoeven ingrijpen’ al lang voorbij waren. Het tegendeel blijkt, terwijl toch de wet hier geen beletsel (meer) legt. Soms kan men toch beter het kwade volgen om het goede te bereiken?
Romain is acht jaar geleden ……
[Painting: “Homeless” by Ryan Wurmer.]

donderdag, juni 21, 2007


Even ten strijde

Kijk, er zijn dichters met vileine pen, met het hart
op de tong en die moeilijk kunnen verdragen
dat eenvoudige mensen zich als dichter voordoen,
terwijl hun verbeelding niet méér lijkt dan gebrabbel.

Het meest waarschijnlijke is dat de taal van hun hart
in al hun engelenzang met passie wordt voorgedragen,
dat heuse dichters die curieuze eenvoud niet kunnen nadoen
en een hekeldicht schrijven als verwerpelijk gebrabbel.

Nu kunnen we met gemak overal de spot mee drijven,
maar de gedachte, dat wat van waarde is, is weerloos,
dwingt mij de hekeldichter onder de neus te wrijven,
luid te zeggen, dat juist eenvoud toont wat sterk is en broos.

Als oude dichter weet ik niet wat ‘dissen’ heet,
naar het schijnt schrijven in opzettelijk valse toon;
hoewel ik Gobboe eren wil, vind ik hekelaars vooral dwazen
en bestrijd ik te vuur de vernedering als van al de pijnlijkste beet.

[©MN. Afbeelding: “But windmills are larger” by Victor Safonkin. Met ernst
en knipoog geschreven, dat kan tezamen, naar aanleiding van het
hekeldicht van Gobboe.]

woensdag, juni 20, 2007


Het geluk in een vingerknip

Uren zit ik al te staren en dan opeens, in één
oogopslag ben ik gelukkig, want ik ben volledig
man en goed bij zinnen, een tweederangs
leven is dit niet.

Met ‘soms’ bedoel ik het moment
van de ervaring, eigenlijk heet dit de
gewaarwording, dat alles ertoe doet, zelfs
het gewoonste mij rijk maakt.

Wat heb ik toch gewonnen, wat
is er weinig te verklaren, het is de onzekerheid
over alles, dát is het antwoord, toe,
schrijf verder.

[© MN, in Eénmaal zal ik hier leven met in de verte de dood. Alles is impermanentie en de vergankelijkheid zal ons wel scherp houden. Foto: “Dream” by Criss Digital Art.]

dinsdag, juni 19, 2007


De levende metafoor
(Uit een wand van meer dan duizend kaarten vond ik deze voor een vriend in Dirksland en schreef hem de volgende regels.)

Een koe die in een vreemd land terechtkomt,
zoals ook wij dat wel meemaken, en er
toch het beste van maken.

Wie ‘wij’ is, is misschien wel ieder van ons.
[MN. Foto van een ansichtkaart, naar een schilderij van Ciska van der Meer, "Koe in de duinen".]

maandag, juni 18, 2007


Soms is de logica troebel, soms is die helder

De Schotse dagboekschrijver en dichter William Soutar, eenderde van zijn leven gekluisterd aan bed, neemt als gedachte aan dat God in den beginne er was. Volmaakt en alleen, en in dit laatste zit iets onwaarachtigs, denkt hij. Want “hoe kon hij dan, geïsoleerd als hij was in zijn volmaaktheid, weten wat groei betekent, en zonder dat er iets in hem veranderde aan de weet komen wat voor een wezen hij was?” Soutar redeneert verder en concludeert dan het enig denkbare, de schepping …”dat God ertoe kwam iets van zichzelf af te splitsen uit het verlangen naar zelfkennis.” Maar de hand Gods was daarin aanvankelijk nog teveel zichzelf gelijk want “in het dierlijke stadium van de schepping veruitwendigde hij slechts zijn volmaakte ik omdat alles was gebonden aan wetten die hij had opgelegd, niets had ‘persoonlijkheid’ in de ware betekenis van het woord.” Voor de volmaakte God zou geen raadsel te moeilijk zijn, geen uitdaging te groot, geen antwoord onvindbaar. Hij moest zich een echte uitdaging stellen, een schepsel creëren dat niet al volledig ‘gedetermineerd’ was, maar een eigen wil had. “Zo werd de mens gemaakt ‘naar het beeld van God’, en door de menselijke zonden en dwaasheden leerde God wat liefde is, en lijden, en medelijden: zonder de mensen zou er geen God van liefde zijn.”
De queeste zal nooit eindigen.
[Uit het Dagboek van een stervende, William Soutar. Schilderij: “Jesus” by Liz Lemon Swindle.]

zaterdag, juni 16, 2007

Voorbij goed en kwaad

Laat mij mezelf maar dichter noemen,
dan ben ik wel tevreden op mijn eiland, of waar
ik woon, in mijn hoofd of in het huis
dat mijn groter en sterkere lichaam is en

waar ik mezelf zal zijn tot ik later
van hier de hemel inga. Ik schrijf het meteen
op want het behoort tot de dromen die mij
bewaken dat het ook daar behaaglijk is, daar

achter de omheining van vergetelheid. Mijn pen
krast en roept mij uit de verte terug, ‘als je pas dán
terugblikt op je levensloop en er iets van leren
wil, is het te laat hoor’.

Laat mij mezelf maar dichter noemen want ik hecht
waarde aan deze wereld, al ben ik in wezen niets anders dan
dwaas. Ach, het zijn maar gedachten over troost en beperking,
zó fluister je en ze zijn al weer voorbij.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg of
What do I really value the most? (A hard question.)
Afbeelding: John Martin, “Manfred and the Alpine Witch.” In this painting Martin turned to the poem by Lord Byron in which Manfred is condemned to eternal life without sleep. He calls upon the witch to find peace, but she demands his soul, and so he dismisses her.]

donderdag, juni 14, 2007

In de argwaan van het lijden

Dicht tegen het gedicht van gisteren ligt een grens tussen mening en oordeel. Ik schrijf er met voorzichtigheid over. De broer van Tobias zei het hakkelend alsof hij zich schaamde het te durven zeggen, maar “Tobias had beter dood kunnen zijn, dit had hij niet gewild.”
“Was het maar fataal geweest”, beaamde zijn vriend. Ook de anderen in zijn omgeving spraken uit, dat bij een eventueel volgend hartinfarct de natuur zijn beloop zou moeten hebben, géén reanimatie. “Hoe kunnen we toestaan dat hij er zo bij zit”, vroeg zijn zus, “maar voor welke partij zeggen we dit?” Zij besefte, dat de omgeving het voor Tobias invulde – zoals heel vaak gebeurt, dat mensen die van hem/haar houden en wanhopig worden over zo’n leven, oordelen over de waardevolheid van dat leven. Niet de betrokkene zélf spreekt zich uit over het lijden, maar de omgeving, de anderen die het niet kunnen aanzien én menen zeker te weten dat de lijdende er precies zo over denkt. Er een morele mening over hebben is begrijpelijk, maar een oordeel kan het moeilijk zijn.
Hoewel zeer veel mensen bij gezondheid zeggen, dat een bepaalde (uitzichtloze) ziektesituatie voor hen onacceptabel lijkt, is het erg lastig werkelijk te anticiperen op zo’n situatie, vooral ook omdat er grote onzekerheid is over ‘wie je dán bent’ en je nú niet kunt vermoeden hoe bepaalde waarden in je leven kunnen veranderen. Bij die vijf, zes, verschillende zinnen die Tobias bijna onverstaanbaar sprak, zat ook deze: “Ik wil niet dood, ik wil wel honderd worden.” Het éérste dat ik de avond voor mijn derde toch zeer riskante operatie tegen de chirurg zei, was: “Houd me in leven hè!”, terwijl ik toch al heel goed doorhad dat het geen ‘gewoon leven’ meer zou worden (ofschoon in niets te vergelijken met dat van Tobias). De zinsvraag doet zich bij mij niet voor; ik ben eerder, soms, een angsthaas. “Ik” houd dit wel vol, mijn lichaam ook? Soms verlies ik mij de moed, maar het gaat om vrede in m’n hart beschermd door mijzelf, gesteund en aangemoedigd door anderen.
Ik denk dat als het er op aankomt, we liever zo lang mogelijk afstand bewaren tot de dood. We leven (ook) niet alleen, maar in relaties met anderen. Dat maakt in de eerste plaats het leven rijk en waardevol, maar het laat ook zien dat pure zelfbeschikking een wat misleidend begrip is, dat je samen met nabije anderen grenzen verkent, soms opschuift. Bovendien, en dat is niet alleen mijn indringende ervaring maar ook die van veel lotgenoten met wie ik contact heb, léér je je redelijk tot goed te schikken in een (blijvend) veranderde levenssituatie. Je hebt grote pech gehad dat het je is overkomen, maar je kunt er maar beter het beste van maken - anders is het leed onoverkomelijk, ook niet te verlichten en gaan we de mist in. (We kunnen immers een dergelijke gezondheidstoestand niet veranderen, die macht ontbreekt ons, maar we hebben wel de vrijheid om te bepalen hoe onze houding daarin is. In de aanvaarding van het onvermijdelijke ligt de vrijheid besloten.) Of het nu in de dwang der omstandigheden ligt of niet, je moet zelf de toekomst maken.
Het ene lijden is het andere niet, en medische factoren spelen een alleszins grote rol: behandelbaarheid, prognose, is een behandeling medisch zinvol. Maar in wezen gaat het om de draaglijkheid van lijden, wélk lijden het ook is, en om de draagbaarheid van zorg door de omgeving. De leefbaarheid van een invalide leven in een verpleeghuisomgeving is in de beleving van een buitenstaander vaak ondenkbaar, zo intriest, maar toch kan daarmee nooit gezegd zijn dat het beter zou zijn als de betrokkene al naar de overzijde was.
[ Schilderij: “Bound by the vast and fathomless” by Randall LaGro.]

woensdag, juni 13, 2007

De tragiek van een bewoonbare ziel

Daar stond ze. Als een aangewaaid papiertje
uit Duitsland, verloren en radeloos, haar
jongste zoon na hartstilstand in coma. Tobias,
een chaotisch maar begaafd en gevierd cellist.

De telg van 39 uit een artistiek ambitieuze
familie, ‘musisch angehaucht’, keerde
weken later zwaar geschonden, bijna als
een kind weer terug, even kwetsbaar als immer.

Het ontroerende beeld van een man, terug
in een luier, geketend in spasmen en in de spraak
verloren, hulpeloos in een ledikant, maar hij wist zeker
dat hij nog bij zijn verstand was.

De echte Tobias was van zijn leven weggescheurd, als
een zegening van laag bewustzijn, of vergiste men zich?
“Had ik geen verstand, zou ik gek worden, dan zou ik hard
huilen”, murmelde de man wiens weerloze ziel is verstopt.

Door een gordijn van zorg en liefde omsloten en zo
leeft hij op het kleinste podium dat er is, maar zijn ogen
scheurden het tranenvol open en ik wéét niet of hij leeft in
de genade van niet-weten, maar wel van schrijnende eenvoud.


[© MN, in De man en zijn ziel, naar aanleiding van documentaire “Ik wil nooit beroemd worden” van Mercedes Stalenhoef. Schilderij “The Sleepers and the One Who Watcheth” by Simeon Solomon (1840-1905). Laat het Tobias' broer zijn, Paul, en zijn vriend Rudolf.]

dinsdag, juni 12, 2007

Als een schoenlapper op bloeiend hout

Zie je, iemand is zoveel méér
dan zij zich laat kennen - en toch heb
ik steeds de jonge dichter eerder begrepen,
zij zoekt en tast en weet soms zeker, dat

de liefde die zij is en leeft, grenzen heeft,
maar ook openstaat want op zekere dag verscheen
de oude dichter en zij beiden voerden het woord
en konden zwijgen zoals het hoort.

Zo gaat dat tussen vrienden, met tederheid
en respect, “dank je wel voor dit lieve woord.”

[© MN, in Geluk is zelden spoorloos. Het 250ste log. Foto: Jelle de Plaa.]

maandag, juni 11, 2007


Voilà la vie. Het is verbeelding

In de stilte, de volstrekte rust
van de zwarte nacht, daar verlaat ik alle
schijn, al wat overbodig is. Ik leef voor even

in het bestaan alsof het een werkelijkheid
is zonder kleed want “de natuur heeft er toch
geen mening over”, zei Nietszche.

We verlangen naar een en al duurzaamheid
van het goede, maar zo de maan vele gezichten heeft,
zo is het leven onophoudelijk eb en vloed.

In de stilte van het eiland, op het laatste uur, terwijl
mijn voeten tintelen van slaap, schrijf ik dat
de ‘rustige vreugde’ maar een dunne schil is over

een dagelijks hinderlijk lichaam. En soms gebeurt het
dat de vreugde er in één klap van wordt afgescheurd, zoals
je een aluminium strip van een pot appelstroop afscheurt.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: schilderij “Perched” van Clive Smith.]

zaterdag, juni 09, 2007

Een oase van troost

Ik herinner me graag
de geschreven regels van Machado.
“Reiziger”, zei hij zacht maar luidkeels,
“er is geen weg,
de weg maak je zelf, door te gaan.
Door te gaan maak je de weg
en als je achterom kijkt,
zie je het pad dat je nooit
meer zult hoeven betreden.”
De metafoor van deze dichter is mijn
werkelijkheid. Al ging ik letterlijk een lange dag
op reis, ik keerde terug onder een mantel
van tevredenheid over mijn bestaan, ja,
het is de wind van de tijd.

[Het citaat is van Antonio Machado (1875-1939). Gedicht, MN, in De wind waait
de tijd als zandkorrels weg
. Schilderij “Der Wind der Zeit” van Amelie Welt.]

vrijdag, juni 08, 2007


’s Morgens de haan, ’s avonds de uil

Wanneer ik nu een beeld van lichtheid
schets, zal het dan zo echt zijn dat ik het kan
schenken, of heb ik dan een hart van steen?

Wanneer ik terugdenk aan Mimizan, dan neem ik
mijn lot op de koop toe, niets van al dat schoons, niets
van zee en wind, van warmte en geluk is gestorven.

Ach, ik ben de gerieflijk gehuisveste dichter, en hoewel
het eiland op den duur geen verrassingen kent, voel
ik me vurig en vastgeschroefd verankerd.


[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Aan het strand
van Mimizan – zo heette mijn moeder, Mimi – in september 2006,
de vakantie met vier vrienden in Au Cap Blanc, Corneillan,
waar het zo stil was dat je oren gespitst bleven.]
(Ik ben een dagje weg.)

donderdag, juni 07, 2007


Wenen in gesneden eenzaamheid

Er lijkt niemand die haar lijden erkent.
Zij, met botten zo broos als beschuit, zij die
een verleden torst met onuitwisbare tranen want
een zoontje is haar dood ontvallen, een dochter die

in haar bloei verongelukte en nóg een die in misère
leeft en voor haar kind niet zorgen kan. Kleinzoon
is nu bij haar, oma is weer moeder, maar zij is een en
al gebroken goed, heeft kanker en een man die een herseninfarct

kreeg. De jongen haar oogappel, de man haar zorg en
toch, zij woont in een huid vol pijn en droefenis, in
een huis dat van stilte wankelt want haar man

gaat vissen en er komt niemand op bezoek. Uit
het zwijgen van de muren vallen stenen, zij wordt oud,
een lieve zielenvrouw in een nog niet verlaten lijf.

[© MN, in De wind waait waarheen hij wil.
Schilderij “A woman’s soul” by Gevorg Yeghazaryan.]

woensdag, juni 06, 2007

We need words to keep us human

Kunnen we nog vrijmoedig spreken, nee
niet direct met ‘t hart op de tong, maar
met de tong van de geest,

of leven we toch in een wereld van veinzerij?
Parrèsia is een symbool van vrijuit spreken, schrijven, maar niet
een vrijbrief voor modder en pek, zelfs niet blootgefluisterd.

Kritiek boven vleierij, maar ook dit: voel
het als een innerlijke plicht om anderen met waarachtigheid
te helpen en te verbeteren, en ook jezelf.

Wees vrij, zei de lang geleden gestorven dichter, wees
moedig en ga desnoods stroomopwaarts,
maar ga nooit zielloos tekeer.

[© MN, geschreven naar aanleiding van de noodgedwongen ‘silence of Smiling Cobra’.
De titel is een zinsnede uit een boek van Michael Ignatieff.
Parrèsia is een begrip uit de Oudheid.]

dinsdag, juni 05, 2007

“La plupart du temps”
zij zegt het me

Zachtmoedige dichter, ik lees
je tederheid, en om je woord van droefenis
en angst zou ik je willen troosten.

Jij, dichter van ver, je gevederde woord
maakt me soms verdrietig, maar meestal
laat je me vliegen van vreugde.

Maar, zegt ze, denk je ook niet dat als
ik eenmaal in de hemel ben, het wordt pas
láter tijd, “tu seras près de moi.”

[© MN, Naar het woord van ‘son ange gardien’, later, véél later.
In De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: “Hold me”, ets van Marcelle Hanselaar.]

zondag, juni 03, 2007

Liefde die redt

Ieder beschikt over wonderen
zich te weer te stellen; sommigen vechten,
anderen vluchten en weer anderen gaan gemaskerd
verder of zuchten, dat kan ook, eens een diepe

huilbui. Toch zijn we niet tegen alles bestand en
dan rest ons de kunst met het onmogelijke te
leven. Is dat vrijheid?

Wie alleen is, aangedaan door leed
en vele passies heeft begraven, vraagt de hond
om een troostrijk opkijken. Zij verstaat hem en de straffe
strandwind waait haar wakker. Een traan over haar wang want hij

tovert, steeds opnieuw, de zin van opstaan en
telkens naar buiten gaan. Ik weet het antwoord niet, maar
zij weet in zichzelf een herberg.

[© MN, in Maak me menselijker. Schilderij “Met het licht op weg”, Jorieke Putman.]

vrijdag, juni 01, 2007


Bezieling valt niet uit de lucht

De hemel kan ook de finish
zijn waar de te blussen begeerte
ons heen voert. Ach ja, zei de dichter, die
de verrukkingen ook niet vreemd

zijn, met een plat woord is een cliché
gauw gesneden, maar laat het waar zijn,
liefde en lust zijn de vleugels
van de grote daden.

[© MN, in Een goede daad gaat niet in rook op. Afbeelding: “Lovers” by Bernard Perroud.]