vrijdag, september 18, 2009
zondag, september 13, 2009

Op de kaart
De tijd behoudt wat van waarde is
Als een fraai beeld op ansicht is,
staat het voorgoed op de kaart,
een dorpsgezicht of wonderlijk uitzicht,
het is gezien en staat op de kaart.
Een markant figuur nog wel,
maar wij, wij gewone mensen,
staan we ook op de kaart
of zijn we dadelijk, ooit, uitgewist?
In wezen is elk mens een monument,
de waardigheid kan niet van steen zijn,
van hout of papier – wees gerust,
ieder staat bij iemand in het hart,
dat is het ware monument,
weliswaar onzichtbaar of voorbijgaand,
dus laten we ermee verguld zijn
wanneer aardse monumenten op de kaart staan.
[© MN, Monumentendag 2009. Foto van Gerard de Kloe, Kasteel(tuin) Rozendaal.]
De tijd behoudt wat van waarde is
Als een fraai beeld op ansicht is,
staat het voorgoed op de kaart,
een dorpsgezicht of wonderlijk uitzicht,
het is gezien en staat op de kaart.
Een markant figuur nog wel,
maar wij, wij gewone mensen,
staan we ook op de kaart
of zijn we dadelijk, ooit, uitgewist?
In wezen is elk mens een monument,
de waardigheid kan niet van steen zijn,
van hout of papier – wees gerust,
ieder staat bij iemand in het hart,
dat is het ware monument,
weliswaar onzichtbaar of voorbijgaand,
dus laten we ermee verguld zijn
wanneer aardse monumenten op de kaart staan.
[© MN, Monumentendag 2009. Foto van Gerard de Kloe, Kasteel(tuin) Rozendaal.]
donderdag, september 10, 2009

Elk schilderij vertelt zijn eigen verhaal, dat is juist de schoonheid ervan (36)
De moraliteit van de schilder III
Hoe wij om ons heen zien en van ons laten horen, onze houding en uitstraling: dat is de stem van onze persoonlijke moraal, óók in zakelijke ontmoetingen waarin niets confidentieels aan de orde is. We tonen wie we zijn, in welke rol ook. Of zijn we dan juist heel anders, is het een vorm van acteren – maar kan dat zonder de kunst van het ‘ik’ erin te betrekken?
En welk doek een schilder ook tracht te realiseren, zou het daar alleen maar gaan om ‘idee en techniek’? Hij toont zijn ambachtelijke vaardigheid, maar daarin toch tevens wie hij is? Het is waar, menig schilder of schrijver leest met verbazing war er over zijn werk geschreven is, maar dat neemt niet weg dat hij het was die aan het werk was, met een bepaalde intentie en passie.
Ik toon hier tot slot nog zes schilderijen die Christophe André in verband brengt met geluk.
‘Rode gestalte’(1928) van Kazimir Malevitsj, ‘Worsteling van Jacob met de engel’ (1955) van Eugènw Delacrois, ‘Amandelboom in bloei’ (1947), ‘Aan zee in Palavas’ (1854) van Gustave Courbet, ‘Terugkeer van de verloren zoon’ (1669) van Rembrandt van Rijn en ‘Schets met figuur in de buitenlucht: vrouw met parasol naar links gedraaid’(1886) van Claude Monet.
André vertelt over de ongelukkige laatste jaren van Malevitsj, waaruit pijn en wanhoop spreken, “maar ook de wil om op te staan tegen de cultuur van overheersing en roofzucht.” Hij zegt: “Blijf overeind tegenover het ongeluk.” En over de les van Delacroix: “Vecht zodat het geluk weer kan terugkomen.” En het geluk kan sterker worden, getuige de amandelboom, dus “versterk je intuïtie voor geluk. En wat hebben we gelijk als wij ons elke keer bewust zijn van onze gelukkige momenten en die benoemen” (bij Courbet). “Ja, doe dat”, zou de Roemeense filosoof Émile Cioran zeggen, “want het gebed van de sombere mens heeft geen kracht om bij God te komen.” En zo volgen er nog vele teksten met sprekende citaten van filosofen, schrijvers en dichters.
[© MN, in de reeks verhalende schilderijen …. (36). Bron: Christophe André, De kunst van het geluk, Ten Have/Lannoo.]
De moraliteit van de schilder III
Hoe wij om ons heen zien en van ons laten horen, onze houding en uitstraling: dat is de stem van onze persoonlijke moraal, óók in zakelijke ontmoetingen waarin niets confidentieels aan de orde is. We tonen wie we zijn, in welke rol ook. Of zijn we dan juist heel anders, is het een vorm van acteren – maar kan dat zonder de kunst van het ‘ik’ erin te betrekken?
En welk doek een schilder ook tracht te realiseren, zou het daar alleen maar gaan om ‘idee en techniek’? Hij toont zijn ambachtelijke vaardigheid, maar daarin toch tevens wie hij is? Het is waar, menig schilder of schrijver leest met verbazing war er over zijn werk geschreven is, maar dat neemt niet weg dat hij het was die aan het werk was, met een bepaalde intentie en passie.
Ik toon hier tot slot nog zes schilderijen die Christophe André in verband brengt met geluk.
‘Rode gestalte’(1928) van Kazimir Malevitsj, ‘Worsteling van Jacob met de engel’ (1955) van Eugènw Delacrois, ‘Amandelboom in bloei’ (1947), ‘Aan zee in Palavas’ (1854) van Gustave Courbet, ‘Terugkeer van de verloren zoon’ (1669) van Rembrandt van Rijn en ‘Schets met figuur in de buitenlucht: vrouw met parasol naar links gedraaid’(1886) van Claude Monet.
André vertelt over de ongelukkige laatste jaren van Malevitsj, waaruit pijn en wanhoop spreken, “maar ook de wil om op te staan tegen de cultuur van overheersing en roofzucht.” Hij zegt: “Blijf overeind tegenover het ongeluk.” En over de les van Delacroix: “Vecht zodat het geluk weer kan terugkomen.” En het geluk kan sterker worden, getuige de amandelboom, dus “versterk je intuïtie voor geluk. En wat hebben we gelijk als wij ons elke keer bewust zijn van onze gelukkige momenten en die benoemen” (bij Courbet). “Ja, doe dat”, zou de Roemeense filosoof Émile Cioran zeggen, “want het gebed van de sombere mens heeft geen kracht om bij God te komen.” En zo volgen er nog vele teksten met sprekende citaten van filosofen, schrijvers en dichters.
[© MN, in de reeks verhalende schilderijen …. (36). Bron: Christophe André, De kunst van het geluk, Ten Have/Lannoo.]
dinsdag, september 08, 2009

Elk schilderij vertelt zijn eigen verhaal, dat is nu juist de schoonheid ervan (35)
De moraliteit van de schilder II
De psychiater André heeft denk ik gelijk waar hij stelt dat schilderijen soms een zekere macht over je ziel hebben, wanneer je er rustig zwijgend naar kijkt en op je in laat werken, erover voelt en mediteert. Dit laatste is vaak ook noodzakelijk om méér te ontdekken dan je op het eerste oog ziet want alleen aan de titel heb je zelden genoeg. Het zou hem anders in relatie tot patiënten ook geen steek verder helpen. Al spreekt op een of andere wijze altijd de morele stem van de schilder, het betekent niet dat er daarom ook een moralistisch verhaal in schuilgaat … het zegt in beginsel wat de schilder bezighoudt, wat hij de moeite vindt om uit te beelden en soms komen we erachter welk verhaal er in schuilgaat of hoeveel strijd hij heeft moeten leveren om het te volbrengen, zoals bijvoorbeeld in ‘Specht en zoon’ van Willem-Jan Otten, een juweel van een roman.
‘De schenking van de mantel’(1297) van Giotto di Bondono, ‘Portret en Ena en Betty Wertheimer’(1901) van John Sargent, ‘Besneeuwde laan in Kösen’ (1906) met die twee naamloze schimmen van Edvard Munch en ‘Vrouw in rode jurk’ of ‘De mokkende’ (1891) van Paul Gauguin zijn schilderijen die zo bezien op zichzelf bestaan zonder een specifiek verhaal, een beeld geven van bijvoorbeeld twee vrouwen in de tijd van de bourgeoisie, maar die alle ook iets zeggen over het geluk en de onherroepelijke schaduwzijden ervan.
Geluk in de vorm van rijkdom lééft als het wordt gedeeld, “het is een motor om de wereld te veranderen, vooral in het onbaatzuchtig handelen dat erdoor mogelijk wordt.” Christophe André weet hier warm en nadenkend over te vertellen. “Geluk is een subtiel gevoel waarin schaduwkanten besloten liggen die ons herinneren aan het bestaan van leven en dood. Laten we dat aanvaarden: die schaduwkant maakt het licht van het geluk zo kostbaar.”
Gauguin ging naar Tahiti om er een paradijs te vinden, maar dat bleek toch niet zo eenvoudig; een van zijn biografen sprak van een “teleurstellende ervaring van de werkelijkheid”, wat ook te zien is in de weemoed van de mokkende Faaturama. “Als je somber bent, ben je niet méér jezelf of dichter bij welke waarheid ook … maar tracht weerstand te bieden aan de lokroep van zwaarmoedigheid.”
‘Ziekte en waanzin waren de zwarte engelbewaarders aan mijn wieg’, zegt Munch. Maar zijn les zal zijn: blijf lopen als het koud is.
[© MN, in de reeks verhalende schilderijen … (35). Bron: Christophe André, De kunst van het geluk, Ten Have/Lannoo.]
De moraliteit van de schilder II
De psychiater André heeft denk ik gelijk waar hij stelt dat schilderijen soms een zekere macht over je ziel hebben, wanneer je er rustig zwijgend naar kijkt en op je in laat werken, erover voelt en mediteert. Dit laatste is vaak ook noodzakelijk om méér te ontdekken dan je op het eerste oog ziet want alleen aan de titel heb je zelden genoeg. Het zou hem anders in relatie tot patiënten ook geen steek verder helpen. Al spreekt op een of andere wijze altijd de morele stem van de schilder, het betekent niet dat er daarom ook een moralistisch verhaal in schuilgaat … het zegt in beginsel wat de schilder bezighoudt, wat hij de moeite vindt om uit te beelden en soms komen we erachter welk verhaal er in schuilgaat of hoeveel strijd hij heeft moeten leveren om het te volbrengen, zoals bijvoorbeeld in ‘Specht en zoon’ van Willem-Jan Otten, een juweel van een roman.
‘De schenking van de mantel’(1297) van Giotto di Bondono, ‘Portret en Ena en Betty Wertheimer’(1901) van John Sargent, ‘Besneeuwde laan in Kösen’ (1906) met die twee naamloze schimmen van Edvard Munch en ‘Vrouw in rode jurk’ of ‘De mokkende’ (1891) van Paul Gauguin zijn schilderijen die zo bezien op zichzelf bestaan zonder een specifiek verhaal, een beeld geven van bijvoorbeeld twee vrouwen in de tijd van de bourgeoisie, maar die alle ook iets zeggen over het geluk en de onherroepelijke schaduwzijden ervan.
Geluk in de vorm van rijkdom lééft als het wordt gedeeld, “het is een motor om de wereld te veranderen, vooral in het onbaatzuchtig handelen dat erdoor mogelijk wordt.” Christophe André weet hier warm en nadenkend over te vertellen. “Geluk is een subtiel gevoel waarin schaduwkanten besloten liggen die ons herinneren aan het bestaan van leven en dood. Laten we dat aanvaarden: die schaduwkant maakt het licht van het geluk zo kostbaar.”
Gauguin ging naar Tahiti om er een paradijs te vinden, maar dat bleek toch niet zo eenvoudig; een van zijn biografen sprak van een “teleurstellende ervaring van de werkelijkheid”, wat ook te zien is in de weemoed van de mokkende Faaturama. “Als je somber bent, ben je niet méér jezelf of dichter bij welke waarheid ook … maar tracht weerstand te bieden aan de lokroep van zwaarmoedigheid.”
‘Ziekte en waanzin waren de zwarte engelbewaarders aan mijn wieg’, zegt Munch. Maar zijn les zal zijn: blijf lopen als het koud is.
[© MN, in de reeks verhalende schilderijen … (35). Bron: Christophe André, De kunst van het geluk, Ten Have/Lannoo.]
zondag, september 06, 2009

De architectuur van de beeldengalerij Wageningen
Het park dat het gebouw in komt
“Het depot”, waarover ik eens eerder schreef, bevindt zich in Villa Hinkeloord, een prachtig gebouw uit 1855. Met de totale renovatie enkele jaren geleden is ook een nieuwbouw gerealiseerd, als een lichte aanraking van de oude villa. De toren is gebouwd met veel glas en Belgisch hardsteen, met schitterend uitzicht naar het park (beeldentuin) en een grote herbergzame zaal voor wisselende tentoonstellingen.
Het hele gebouw is rolstoeltoegankelijk en de toegang is gratis, vrij uniek. ‘Mensen voor mensen’, een podium voor beeldhouwers als Aart Schonk, Luut de Gelder, Emile van der Kruk, Lia van Vugt, Eppe de Haan en Eja Siepman van den Berg, van wie het beeld hierboven, de humane, klassieke schoonheid, sterk en fragiel.
De tuin, het voormalige arboretum van de afdeling bosbouw van de universiteit Wageningen, en het huis vormen een villa vol verhalen.
[© MN over Het Depot – en een kleine museumwinkel - in Wageningen, Generaal Foulkesweg 64. Wanneer u de villa verlaat en de weg naar links vervolgt, komt u vanzelf uit bij Hotel Restaurant ‘De Wereld’.]
Het park dat het gebouw in komt
“Het depot”, waarover ik eens eerder schreef, bevindt zich in Villa Hinkeloord, een prachtig gebouw uit 1855. Met de totale renovatie enkele jaren geleden is ook een nieuwbouw gerealiseerd, als een lichte aanraking van de oude villa. De toren is gebouwd met veel glas en Belgisch hardsteen, met schitterend uitzicht naar het park (beeldentuin) en een grote herbergzame zaal voor wisselende tentoonstellingen.
Het hele gebouw is rolstoeltoegankelijk en de toegang is gratis, vrij uniek. ‘Mensen voor mensen’, een podium voor beeldhouwers als Aart Schonk, Luut de Gelder, Emile van der Kruk, Lia van Vugt, Eppe de Haan en Eja Siepman van den Berg, van wie het beeld hierboven, de humane, klassieke schoonheid, sterk en fragiel.
De tuin, het voormalige arboretum van de afdeling bosbouw van de universiteit Wageningen, en het huis vormen een villa vol verhalen.
[© MN over Het Depot – en een kleine museumwinkel - in Wageningen, Generaal Foulkesweg 64. Wanneer u de villa verlaat en de weg naar links vervolgt, komt u vanzelf uit bij Hotel Restaurant ‘De Wereld’.]
vrijdag, september 04, 2009
Het handschrift van een schilder
(Zo gaat het met wonderen)
Zo ik me al iets zou kunnen herinneren
van mijn geboorte, zó wegrijden uit de voltooide
buik van mijn moeder is godsonmogelijk,
maar in de verbeelding is het denkbaar
dat je er blind als een snotaap vandoor gaat
en elke stoerheid weet te overtreffen.
[© MN, in ‘Unieke beeldtaal’. Bij “De geboorte” van Herman Gordijn (1932).]
(Zo gaat het met wonderen)
Zo ik me al iets zou kunnen herinneren
van mijn geboorte, zó wegrijden uit de voltooide
buik van mijn moeder is godsonmogelijk,
maar in de verbeelding is het denkbaar
dat je er blind als een snotaap vandoor gaat
en elke stoerheid weet te overtreffen.
[© MN, in ‘Unieke beeldtaal’. Bij “De geboorte” van Herman Gordijn (1932).]
donderdag, september 03, 2009

Elk schilderij vertelt zijn eigen verhaal, dat is juist de schoonheid ervan (34)
De moraliteit van de schilder I
Ons hele wezen is doordrenkt van moraliteit, van eigen en andermans opvattingen over hoe we behoren te leven, hoe we willen leven en ons verhouden naar anderen. Die moraliteit wordt bijeengehouden door normen en waarden, door oordelen en vooroordelen. We zouden dat bindsel ‘het geweten’ kunnen noemen. Gaandeweg ons leven ontdekken we het een en ander te onderscheiden, te wegen en te herzien en ook dat het geen waarborgen kent, ook al zeggen we ‘wie goed doet, ontmoet het goede’. We ervaren te kunnen plukken wat van onze gading is of ons van pas komt.
We leren onophoudelijk van anderen, van boeken en films, van muziek en als we goed kijken ook van kunst. We leren van alles dat ons fascineert, niet waaraan we voorbij lopen. Wat ons boeit, leert ons ‘hoe het kan’, wat het thema ook is, want wat ons boeit, scherpt ons onderscheidingsvermogen, onze alertheid en vormt onze verbeelding. Het geeft ons onze taal. Het boetseert ons persoonlijke geloof en hoe we in de dag staan. Onze verbeelding inspireert ons tot daden en dromen.
Wat minstens voor ieder herkenbaar is, is dat we ‘het goede’ willen. Dat is voor niemand hetzelfde, ook al noemen we het ‘geluk’ of ‘voorspoed’. Wat ‘het goede’ is, is niet altijd te zeggen, en al helemaal niet langs welke weg het is te bereiken. Het geweten laten we lang niet altijd spreken, dat kunnen we verbergen of omzeilen of even van geen betekenis vinden, dat weten we alleen zelf of we zijn er ons niet van bewust. Met de moraliteit ligt het anders, die komt onmiddellijk tot uitdrukking in wat we zeggen, laten of doen, soms vaag of niet mis te verstaan, soms in het midden latend of het ‘echt’ is want sommigen zijn gekneed in het veinzen of in het maskeren van de werkelijke mening. Maar vaak gelukkig ook ‘zonder enige twijfel’.
Geluk is een levendige emotie die verschijnt en weer verdwijnt.
De Parijzenaar Christophe André is psychiater en gebruikt schilderijen in zijn therapie aan zijn patiënten, niet om ze op te vrolijken, maar om de weldadige werking ervan te ervaren en andere gezichtspunten te zien.
‘Ámandelbloesem’ (1890) van Vincent van Gogh had ook Pril Geluk kunnen heten, “want alles voor het ontluiken van menselijk geluk is aanwezig: broosheid en kracht, midden in het leven staan. Het is het belangrijkste en het kwetsbaarste, kan gemakkelijk worden vertrapt of verwaarloosd. Het opent de ogen voor de schoonheid en de broosheid, en de absolute noodzaak ervan voor ons bestaan.”
‘Het boerenleven’ (1925) van Marc Chagall laat zien, dat voor geluk “een omgeving met een minimum aan relaties en materie nodig is. Onder een bepaalde drempel van eenzaamheid en onzekerheid kun je je alleen maar bezighouden met overleven.” Hier in het democratische Westen is aan vrijwel alle fundamentele behoeften voldoen (eten, onderkomen,, vrijheid van denken en spreken) en daarom kunnen “we ons bezighouden met het immateriële geluk, dat wel gevoed moet worden om te kunnen bestaan.”
‘De zeilboot’ (1880) van Caspar David Friedrich gaat over de liefde die licht en mild maakt en die laat voelen dat geluk bestaat en ons kan vervullen en zo heel anders is dan Nietzsche ons wil doen geloven: “Liefde is niet meer dan een meelijwekkend gevoel van welbehagen met zijn tweeën, een lange dwaasheid …”
‘Iseppo da Ponto en zijn zoon Adriano (cira 1562) laat volgens André zien, dat genegenheid en erkentelijkheid je geluk voeden. De aanwezigheid, de binding. “(…) hoeveel geluk we aan anderen danken, maar beleef ook het geluk van die bewustwording en herinnering.”
[© MN, in de reeks verhalende schilderijen (34). Bron: Christophe André, ‘De kunst van het geluk’, Ten Have/Lannoo, 2007.]
De moraliteit van de schilder I
Ons hele wezen is doordrenkt van moraliteit, van eigen en andermans opvattingen over hoe we behoren te leven, hoe we willen leven en ons verhouden naar anderen. Die moraliteit wordt bijeengehouden door normen en waarden, door oordelen en vooroordelen. We zouden dat bindsel ‘het geweten’ kunnen noemen. Gaandeweg ons leven ontdekken we het een en ander te onderscheiden, te wegen en te herzien en ook dat het geen waarborgen kent, ook al zeggen we ‘wie goed doet, ontmoet het goede’. We ervaren te kunnen plukken wat van onze gading is of ons van pas komt.
We leren onophoudelijk van anderen, van boeken en films, van muziek en als we goed kijken ook van kunst. We leren van alles dat ons fascineert, niet waaraan we voorbij lopen. Wat ons boeit, leert ons ‘hoe het kan’, wat het thema ook is, want wat ons boeit, scherpt ons onderscheidingsvermogen, onze alertheid en vormt onze verbeelding. Het geeft ons onze taal. Het boetseert ons persoonlijke geloof en hoe we in de dag staan. Onze verbeelding inspireert ons tot daden en dromen.
Wat minstens voor ieder herkenbaar is, is dat we ‘het goede’ willen. Dat is voor niemand hetzelfde, ook al noemen we het ‘geluk’ of ‘voorspoed’. Wat ‘het goede’ is, is niet altijd te zeggen, en al helemaal niet langs welke weg het is te bereiken. Het geweten laten we lang niet altijd spreken, dat kunnen we verbergen of omzeilen of even van geen betekenis vinden, dat weten we alleen zelf of we zijn er ons niet van bewust. Met de moraliteit ligt het anders, die komt onmiddellijk tot uitdrukking in wat we zeggen, laten of doen, soms vaag of niet mis te verstaan, soms in het midden latend of het ‘echt’ is want sommigen zijn gekneed in het veinzen of in het maskeren van de werkelijke mening. Maar vaak gelukkig ook ‘zonder enige twijfel’.
Geluk is een levendige emotie die verschijnt en weer verdwijnt.
De Parijzenaar Christophe André is psychiater en gebruikt schilderijen in zijn therapie aan zijn patiënten, niet om ze op te vrolijken, maar om de weldadige werking ervan te ervaren en andere gezichtspunten te zien.
‘Ámandelbloesem’ (1890) van Vincent van Gogh had ook Pril Geluk kunnen heten, “want alles voor het ontluiken van menselijk geluk is aanwezig: broosheid en kracht, midden in het leven staan. Het is het belangrijkste en het kwetsbaarste, kan gemakkelijk worden vertrapt of verwaarloosd. Het opent de ogen voor de schoonheid en de broosheid, en de absolute noodzaak ervan voor ons bestaan.”
‘Het boerenleven’ (1925) van Marc Chagall laat zien, dat voor geluk “een omgeving met een minimum aan relaties en materie nodig is. Onder een bepaalde drempel van eenzaamheid en onzekerheid kun je je alleen maar bezighouden met overleven.” Hier in het democratische Westen is aan vrijwel alle fundamentele behoeften voldoen (eten, onderkomen,, vrijheid van denken en spreken) en daarom kunnen “we ons bezighouden met het immateriële geluk, dat wel gevoed moet worden om te kunnen bestaan.”
‘De zeilboot’ (1880) van Caspar David Friedrich gaat over de liefde die licht en mild maakt en die laat voelen dat geluk bestaat en ons kan vervullen en zo heel anders is dan Nietzsche ons wil doen geloven: “Liefde is niet meer dan een meelijwekkend gevoel van welbehagen met zijn tweeën, een lange dwaasheid …”
‘Iseppo da Ponto en zijn zoon Adriano (cira 1562) laat volgens André zien, dat genegenheid en erkentelijkheid je geluk voeden. De aanwezigheid, de binding. “(…) hoeveel geluk we aan anderen danken, maar beleef ook het geluk van die bewustwording en herinnering.”
[© MN, in de reeks verhalende schilderijen (34). Bron: Christophe André, ‘De kunst van het geluk’, Ten Have/Lannoo, 2007.]
dinsdag, september 01, 2009

Elk schilderij vertelt zijn eigen verhaal, dat is juist de schoonheid ervan (33)
Beeldende kunst is een scheppingsdaad bij uitstek
Het symbolisme – waarin ook Toorop een eigen vorm vond - op de brug naar de 19de eeuw
Beeldende kunst is een scheppingsdaad bij uitstek
Het symbolisme – waarin ook Toorop een eigen vorm vond - op de brug naar de 19de eeuw
Het eerste is een doek van George Frederick Watts, ‘Hoop’, ontstaan in 1885 en waarover de schilder zijn vriendin schrijft: “ … bezig aan een beeld van de hoop, zittend, met geblinddoekte ogen op een wereldbol, terwijl zij op een lier speelt waarvan alle snaren gebroken zijn op één na. Uit het povere getokkel van deze snaar probeert zij alle muziek te halen die nog mogelijk is, luisterend zo goed als zij maar kan naar deze ijle klank.”
‘De arme visser’ dateert van 1881 en is van Pierre Puvis de Chavannes. Een uitzonderlijke symbolisering van menselijke ellende. Puvis echter vertelde, dat hij een visser had willen weergeven die zijn vrouw had verloren met zijn dochter en zijn zoontje en noemde het “weifelende ellende”, het weifelende gebed uit de oertijd der mensheid.
Het verhaal van Dante Gabriel Rosetti, ‘La Pia de’ Tolomei (1880) is er een van diepe tragiek, het is het beeld van schoonheid en het opgeven van elke hoop. Het is het lot geweest van La Pia door haar echtgenoot, Nello dello Pietra, zonder reden opgesloten te worden in de giftige moerassen van de Maremma, waar zij wegkwijnde en stierf. De jonge vrouw leunt tegen de muur van de vestingwal. Hierop ligt een bundel speren, en de rode banier van haar echtgenoot is gedrapeerd over de kantelen en aan een van haar vingers siert het ‘schone juweel’, hoe cynisch waar zij gedoemd is te sterven zonder enige absolutie.
Tenslotte nóg een doek van Pierre Puvis de Chavannes, ‘het medelijden’ (de barmhartigheid) (1887). Het landschap met een ruïne aan de rand van een landweg met enkele bloeiende takken achter de staande vrouw, en het avondlicht met de opkomende maan zijn volkomen in harmonie met de ernstige en melancholische figuren en het eigenlijke gebeuren. Het is een opwekkend voorbeeld van naastenliefde.
[© MN in de reeks verhalende schilderijen …(33). Bron: “Het symbolisme in Europa”, een Catalogus van het Museum Boymans-van Beuningen, 1976.]
maandag, augustus 31, 2009

Het overwinnen van tegenspoed
Ik heb niet het geduld van een boom,
zoals Kopland zegt, maar van een mens
en dat is beduidend minder.
Nee, dan het woord van Sleutelberg, “De scheiding
tussen mijn oude leven en een zwerverstoekomst
is zo dun als het staal van een oude stadsbus.”
Daarom houd ik mijn weblog in leven,
dat wekt zowel onrust als energie,
maar waar het grenst aan zelfmedelijden,
schrap ik elk woord weer door en
geef liever stem aan wat mij boeit, dat
zijn mensen en wat mensen maken.
[© MN, in ‘Strijd en aanbidding’. Zie eventueel ook mijn log van 11 januari 2007. Afbeelding: “Dream shine” by Milan Malovrh.]
Ik heb niet het geduld van een boom,
zoals Kopland zegt, maar van een mens
en dat is beduidend minder.
Nee, dan het woord van Sleutelberg, “De scheiding
tussen mijn oude leven en een zwerverstoekomst
is zo dun als het staal van een oude stadsbus.”
Daarom houd ik mijn weblog in leven,
dat wekt zowel onrust als energie,
maar waar het grenst aan zelfmedelijden,
schrap ik elk woord weer door en
geef liever stem aan wat mij boeit, dat
zijn mensen en wat mensen maken.
[© MN, in ‘Strijd en aanbidding’. Zie eventueel ook mijn log van 11 januari 2007. Afbeelding: “Dream shine” by Milan Malovrh.]
zondag, augustus 30, 2009

Een schilderij vertelt zijn eigen verhaal, dat is juist de schoonheid ervan (32)
Het gaat in deze collage om werk van Jan Toorop, 1858 – 1928, met uitzondering van het portret rechtsboven, dat is van Toon Kelder (portet JT). Mij gaat het in het bijzonder om het eerste, “L’inspiration” want de gelijkende ets van 25 augustus ‘heet’ (ook) van zijn hand te zijn maar is nergens terug te vinden. Wél die eerste zojuist genoemde en daarom vermoed ik, dat die ets, “L’inspiration sacré”, wordt toegeschreven aan Jan Toorop maar mogelijk niet authentiek is, ofschoon gesigneerd. (Niet erg als het maar een echte ets blijkt te zijn.)
Ik kocht de ets niet vanwege de naam, maar omdat ik het een ontroerende uitdrukking vind van tederheid, overgave, vertrouwen en aandacht. Het luisterend oor is een gave, een tekening van toewijding, scherp van lijn maar zachter dan de ets linksboven. Juist gezien ‘de hand van tekenen’ wel herkenbaar als van Jan Toorop, zoals ook ‘een hand van schrijven’ vaak onmiskenbaar één iemand toebehoort.
We zien hier overigens, maar dat als een terzijde, dat wanneer het om beeldende kunst gaat, de morele stem spreekt, wellicht zonder dat de kunstenaar er expliciet over nadacht of voornemens was dat uit te beelden, maar het blijkt vaak onontkoombaar.
[© MN, 32ste in de reeks ‘Een schilderij vertelt …’, ditmaal rond een kleine collage van Jan Toorop.]
Het gaat in deze collage om werk van Jan Toorop, 1858 – 1928, met uitzondering van het portret rechtsboven, dat is van Toon Kelder (portet JT). Mij gaat het in het bijzonder om het eerste, “L’inspiration” want de gelijkende ets van 25 augustus ‘heet’ (ook) van zijn hand te zijn maar is nergens terug te vinden. Wél die eerste zojuist genoemde en daarom vermoed ik, dat die ets, “L’inspiration sacré”, wordt toegeschreven aan Jan Toorop maar mogelijk niet authentiek is, ofschoon gesigneerd. (Niet erg als het maar een echte ets blijkt te zijn.)
Ik kocht de ets niet vanwege de naam, maar omdat ik het een ontroerende uitdrukking vind van tederheid, overgave, vertrouwen en aandacht. Het luisterend oor is een gave, een tekening van toewijding, scherp van lijn maar zachter dan de ets linksboven. Juist gezien ‘de hand van tekenen’ wel herkenbaar als van Jan Toorop, zoals ook ‘een hand van schrijven’ vaak onmiskenbaar één iemand toebehoort.
We zien hier overigens, maar dat als een terzijde, dat wanneer het om beeldende kunst gaat, de morele stem spreekt, wellicht zonder dat de kunstenaar er expliciet over nadacht of voornemens was dat uit te beelden, maar het blijkt vaak onontkoombaar.
[© MN, 32ste in de reeks ‘Een schilderij vertelt …’, ditmaal rond een kleine collage van Jan Toorop.]
vrijdag, augustus 28, 2009

De vallei van pijn blijkt geen labyrint
Ver weg, veilig en omhelsd
door volle vriendschap, het mag
niet baten tegen de pijn,
en toch niet zo troosteloos
dat het vlees van mijn botten valt.
Aangebeld bij de bureaucratie
zal een commissie mij een graad
van indicatie geven, de makelaar zei
dat ik wijze stappen zet, maar wee
mijn overmoed. Bij het piano-geneurie
van Satie schrijf ik kaarten en een brief,
kreeg Griekse yoghurt met honing;
zo jong als ik nog zal leven, alles
kantelt misschien nog naar enig geluk,
méér dan dat moet ik ook niet willen.
Ik verdrink me in Crystal Clear,
smaakvol water dat me hopelijk zuivert,
dan vermorzel ik ook alle andere huiver.
[Zomaar een dag in ‘Strijd en aanbidding’, beter: uit de brokstukken van een dichter, le débris d’un poète. Afbeelding: (“In the middle of nowhere ... of change?” Dit laatste is nog een te groot woord, wel een vurige wens), photo by Jure Kravanja.]
Ver weg, veilig en omhelsd
door volle vriendschap, het mag
niet baten tegen de pijn,
en toch niet zo troosteloos
dat het vlees van mijn botten valt.
Aangebeld bij de bureaucratie
zal een commissie mij een graad
van indicatie geven, de makelaar zei
dat ik wijze stappen zet, maar wee
mijn overmoed. Bij het piano-geneurie
van Satie schrijf ik kaarten en een brief,
kreeg Griekse yoghurt met honing;
zo jong als ik nog zal leven, alles
kantelt misschien nog naar enig geluk,
méér dan dat moet ik ook niet willen.
Ik verdrink me in Crystal Clear,
smaakvol water dat me hopelijk zuivert,
dan vermorzel ik ook alle andere huiver.
[Zomaar een dag in ‘Strijd en aanbidding’, beter: uit de brokstukken van een dichter, le débris d’un poète. Afbeelding: (“In the middle of nowhere ... of change?” Dit laatste is nog een te groot woord, wel een vurige wens), photo by Jure Kravanja.]
dinsdag, augustus 25, 2009

We voeren ieder ons eigen gevecht
Er ontspon zich een gesprek tussen mij
en de dichter over de roes van het leven,
de liefdes, de wanhoop, de wellust.
“Zie ook het verraad, de hunkering, zie
de vriendschap.” Bij zestig jaar is er al veel
van vroeger. “Ken ook het onredelijke,
zo goed als berouw.” Het krult zich om
mijn ziel, zei ik. ´Vivre c’est ma dernière volonté’,
herinner je je dat nog, vroeg hij.
Het Dionysche hoort er ook bij.
‘Heb je even voor mij, maak wat tijd’.
zong Bauer dat niet? “Ja, dat raakt me toch”,
al heet het sentiment, dat is levenskunst, en
wat Rilke ooit zei over het verlangen,
dat het in een onbewoonbare tijd leeft. “Neem
dan de regie in eigen hand. Doe eens wat,
doe waar je bang voor bent.” Er is geen
kwaadwilligheid. Nee, ‘la volonté’.
[In ‘Strijd en aanbidding’. Afbeelding: “L’inspiration sacré” van Jan Toorop.]
Er ontspon zich een gesprek tussen mij
en de dichter over de roes van het leven,
de liefdes, de wanhoop, de wellust.
“Zie ook het verraad, de hunkering, zie
de vriendschap.” Bij zestig jaar is er al veel
van vroeger. “Ken ook het onredelijke,
zo goed als berouw.” Het krult zich om
mijn ziel, zei ik. ´Vivre c’est ma dernière volonté’,
herinner je je dat nog, vroeg hij.
Het Dionysche hoort er ook bij.
‘Heb je even voor mij, maak wat tijd’.
zong Bauer dat niet? “Ja, dat raakt me toch”,
al heet het sentiment, dat is levenskunst, en
wat Rilke ooit zei over het verlangen,
dat het in een onbewoonbare tijd leeft. “Neem
dan de regie in eigen hand. Doe eens wat,
doe waar je bang voor bent.” Er is geen
kwaadwilligheid. Nee, ‘la volonté’.
[In ‘Strijd en aanbidding’. Afbeelding: “L’inspiration sacré” van Jan Toorop.]