Pagina's

vrijdag, december 30, 2011

Zorg dat de wereld een minder dreigend gezicht krijgt

Dagboek

Vrijdag, 24 december
(Het rood van de vorige dagboekbladen gebeurde per ongeluk, dankzij een ‘dwarse blogger’.)
Op de valreep is gisteren nog het satijn gebracht, dat komt dan volgende week wel op bed. De kerstkaart is mislukt afgeleverd; waarschijnlijk krijg ik wel twee tegoedbonnen. Ik heb kaarten genoeg in huis.
Om 22u00 naar bed. Me lang afgevraagd wat zeven jaar pijn en een dito bergen medicatie met een mens doen. Ik heb een helder verstand, zit dicht op de emotie, lage frustratiedrempel, soms moeilijk concentreren, groot valrisico, hoge graad van afhankelijkheid, vermoeidheid, slechte mobiliteit, stemmingswisselingen, geringere weerbaarheid, je wordt niet gauw geloofd.
Ook al telt mijn handicap voor de ander niet, dit bij elkaar brengt me in een ongelijke positie want in het alledaagse leven zijn de invloeden niet te maskeren en telt het in-valide zijn wel degelijk. Zonder die invloeden denk je als het ware met een ander ‘Ik’ van doen te hebben, door ze wel te tellen sta je tegenover een vollediger momentaan ‘Ik’. Kom er niet zo goed uit, het is zo complex.

Zaterdag, 24 december
Joyce was laat. De zon, de zachtheid, het is vandaag als gisteren. Lees de weblog van Marieke en ben opnieuw in tranen. Het dringt tot me door dat ik wel héél lang De Wachter moet zijn, dat ze zelfs onzeker is of ze niet beter kan verhuizen. Waarom kan ons leven niet geleefd worden, zoals het is bedoeld …. in de waarheid van Liefde. Waarom moet er eerst kostbare tijd overheen gaan? Iedere keer weer lees ik over haar liefde voor mij, maar een ansichtkaart is soms teveel. O lief, hoeveel onmogelijker moet mijn leven nog worden? Denk je dat C niet begrijpt wat er aan de hand is, of dat zij er behagen in schept daarin een rol te hebben? Het is geen leeg gebaar. Een plaatsje in elkaars hart is ons genoeg. Hoeveel mensen wonen er niet in jouw hart? Maak van mij geen idool die wordt omringd door een schare vrouwen die allemaal elkaars rivale zijn. Ik zal er verder over zwijgen lief. Je hart weet gelukkig van liefde, evenals het mijne, dat maakt het wachten waard, wachten op schoonheid, wachten op de waarheid van liefde. Ooit zullen we in de warmste verbondenheid leven.

Een monoloog met de Heer.
Voor het crucifix zette ik de twee zilveren kandelaars, doofde de lichten en nam plaats voor de Heer om face to face een monoloog te voeren. Het wordt misschien gelabeld als ijdelheid, maar het komt daar niet uit voort. Ik kan kiezen tussen aanwezig zijn in de wereld of eruit verdwijnen, er onverschillig tegenover sta, en ik sta nog altijd pal voor het eerste, de waarachtige betrokkenheid. Ik voer wel vaker zo’n monoloog, maar heb het er zelden over. De laatste keer was oudejaarsavond 2007 toen ik de enige bewoner was van een vleugel in Groot Klimmendaal. Die dag stond er een foto in de krant van de aan de Rijnkade aangemeerde Ark van Noach en dat beeld inspireerde me tot een overpeinzing waarover God nu wel of niet over gaat want we verwijten zo dikwijls Zijn afwezigheid of zien de grote variatie aan martelgangen en de teloorgang aan waarden als bewijs van ‘een sprookje’, een verzinsel of als opium voor het volk. Er is geen fractie van bewijs, of we moeten de ‘waarheid’ ontlenen aan de lang geleden talrijke wonderen zoals die onder meer zijn beschreven door Gregorius de Grote.
De in grote vaart toenemende secularisatie staat niet gelijk aan het verdwijnen van het geloof. Waar kerken op zondag goed bezet waren, groeide de argwaan van het bisdom en niet veel later werd de betreffende pastor vriendelijk verzocht te ruste te gaan en vervangen door een pastor ‘van de leer’: de kerken in kwestie bleven op zondag leeg want de parochianen accepteerden deze inmenging van boven niet, die niets anders betekende dan een grove ontkenning van de warme verbinding tussen hen en de pastor.
Ik heb de Heer, ofschoon Hij daar niet over gaat, gevraagd de ‘kerkvaders’ te inspireren naar nieuwe, ingrijpende inzichten als antwoord op het verlangen naar een ankerpunt. Dat zou de kiem kunnen zijn van een nieuwe moraal waarin mensen een geëngageerde levensstijl kunnen voeren.

Woensdag, 28 december
We hebben onverwacht veel met elkaar gepraat toen we merkten beiden op hetzelfde niet te ontwijken pad waren. Dit is geen onmogelijke of onbestaanbare liefde, dit is een warm levend vuur dat nog geen dag is gedoofd, al had het even of soms de schijn van wel. De schijn van een deerniswekkend verlies. O mijn liefste bruid, nooit eerder had ik zo’n warm hart, ik adem in rust, in stilte, in Mozart en intense liefde. Je innerlijke roep is een feest!
Laat het licht, het leven en de liefde blijven sprankelen als een fontein.
Tegelijkertijd leef ik in een verschrikkelijke pijn, verhevigd nadat ik op 1ste kerstdag met een klap achterover viel op de wc waardoor twee stalen schroeven van het deksel afbraken. De hoogste tijd voor een hernieuwde revalidatie, ook al is het voorlopig weer wachten tot 12 maart. Voordat er iets gebeurt, is het eerste kwartaal al bijna voorbij.

Vrijdag, 30 december
Eerste kerstdag was, met onderdrukte pijn, een plezierige dag in Aerdt, maar de tweede dag kronkelde ik als een onrustig reptiel in m’n zwarte bed. En de rest van de week is het weinig anders. Ik heb mijn huisarts een email geschreven over andere pijnklachten, ik dien mezelf niet dat langer te verzwijgen. Speculaties over een mogelijke terugkeer van kanker zijn wat onzinnig want op elk idee volgt meteen het niet-weten.
Het is een geschenk samen de drempel over te gaan, vorig jaar met al wekenlang dikke sneeuw, dit jaar alsof het een koud zonnig voorjaar is. Omgeven door een brede strook van innerlijke vreugde, van waarachtige veiligheid en die altijd toegewijde liefde van Marieke vernieuwt mijn vermogen te accepteren van al wat is. “Dat is geluk”, schrijft Wittgenstein, “dan krijgt de wereld een ander gezicht, een dat minder dreigend is.” De Ander. Wend je niet van haar af, zie haar in de ogen, raak haar aan. Lééf met haar, tracht met de Ander te zijn! In deze geest wens ik ieder van harte een gelukkig nieuw jaar, in ontplooiing, in oprechtheid en warme verbondenheid.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’, met een schilderij van Susan Osborne.]

vrijdag, december 23, 2011

But the fighter remains


Dagboek

Maandag, 19 december
Op de rand van het einde van mijn dag komt er een email van een vrouw uit Jipsingboertange die meent eindelijk haar nichtje te hebben gevonden. Ze denkt dat ik getrouwd ben met Gunilla van Rijn en naar haar is ze al lang op zoek. Laat haar weten, dat als ze een béétje beter had gelezen, had ontdekt dat haar nichtje gehuwd is met de befaamde kunstschilder Evert Thielen en dat de familie in hartje Brugge woont.
Bij de reacties van vandaag verwonder ik me over een paar vlokken geluk. Dit schrijft Marieke. “Lievekelief, je mist me, weet dat ik jou 'vanzelfsprekend' evenredig mis. En toch kan het nu niet anders, ik ben zo leeg, zo moe na tweeënhalf jaar non-stop ongerustheid en zo héél ver weg nog bij mezelf. Laten we eerst maar weer eens in revalidatie 'leren lopen' allebei, wie weet welke wandelpaden er nog zijn later.
Je bent nog steeds de lantaarndrager. Doof niet, houd je eigen licht brandend, want hoe moet ik je anders ooit weer terugvinden?”

Dit is een wonder. Kan ik met deze hoop leven? Als de tijd me maar wordt gegeven, onvindbaar zal ik nooit voor je zijn. Dan koop ik het satijn van Basher. Ik ga me versterken, revalideren. (Het suggereert alsof ik het er eerder maar bij liet zitten, dat is niet zo.) Dit is de eerste toast op 2012. Ooit zal ik weer in je hand slapen, zul je veilig zijn bij me.

Dinsdag, 20 december
Voor het eerst het moderaten ingeschakeld bij m’n weblog, dan kun je veel mogelijke trammelant voorkomen. Dat had ik veel eerder moeten doen, maar ik zag het vooral als censuur en dacht niet aan zelfbescherming. En uit principe wilde ik niet iets verwijderen omdat het me niet beviel.
Niet alles vandaag al weer willen, maar juist de tijd geven, weken, maanden. De wederkerigheid loopt niet weg, maar kun je wel onder druk zetten. Het is de kunst het langzaam aan te doen. Ik begrijp waarom ‘alles’ gebeurde en wat de zin er van is. Het kan ons definitief van elkaar verwijderen, maar het omgekeerde is evengoed mogelijk. Haar handen vormen een kelk, daaruit zal ik drinken. Haar handen vormen een roos, dichtbij zal ik slapen.

Woensdag, 21 december
Enno, die gisteravond ook wat boodschappen meenam, deed een genereus aanbod. Ik ben welkom eerste kerstdag en als ik wil roken, zetten ze gewoon het raam een stukje open. Dat is zo fantastisch dat ik streng zal zijn op mijn rookgedrag. Ik voel me gekend en welkom, dat kalmeert.
De revalidatie van het Slingelandziekenhuis gebeld: 12 maart. Dit kan alleen door de huisarts eventueel vervroegd worden. Wachten, ik ben een wachter, maar dit is me te gek. Huisarts­prak­tijk vandaag gesloten. En dan is er vandaag opeens weer een kaart over de gebrokenheid en lijkt alles onbestaanbaar. Het lijkt wel of ik hier in een sterfhuis leef. Alles wat hier aan materie is (op zich onzin), kan beamen dat hier een wachter woont die door alle breekbaarheid heen weer wat opgetogen raakt over de hoop dat zij en ik opnieuw bij elkaar uitkomen, dat dit kleine hartemens nergens anders woont dan hier. Hoe leeft een hart in verlaten toestand? Het is van een grote treurigheid. Ik ben in diepe rouw. Ik voel me hier neergesmeten als een vertrapt dier dat de hele dag met zijn vermagerd lijfje op het kussen ligt in de cabrio van zijn baasje, ogenschijnlijk tevreden, maar passief en krachteloos. Bij voetstappen in de hal spitst het even zijn oren, maar nee, het zijn niet die van haar. Bij een vermeend klopje op de deur springt hij van het kussen en kijkt naar de handgreep, hij dribbelt wat op en neer, gromt even van ergernis en keert terug naar het smoezelige kussen waar hij ligt alsof hij er al uren niet van af is geweest.

Er volgen nog twee analytische brieven van mijn muze, de enige vrouw op wie al mijn amore-pijlen gericht zijn. Het schijnt dat ik minstens een jaar moet wachten. O lief, zal mij zóveel tijd zijn gegund? Ik bedoel er helemáál niet de draak mee te steken, maar het lijkt wel een vonnis, - een absurde term, je hebt heel veel tijd nodig om je kompas weer bij te stellen. Ik maak er niets uit openbaar. Wittgenstein: “Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.” Ik en mijn liefde wachten wel, maar over ik en mijn lichaam bestaan veel twijfels. Ik ga maar even weg van deze trommelakker. Wanneer ik eenmaal zonder cabrio naar boven kan, dan sta ik voor je deur. O lief, ik wilde dat je nu al gelukkig was. Laat alle pijn dan niet tevergeefs zijn.

Donderdag, 22 december
Bijna verslapen. Vreesde ik al toen ik er vannacht uitging. De idee van misschien wel een jaar wachten kwam me zo vreemd over en ook mezelf die de suggestie wekt dat lijdzaam te zullen ondergaan. Wat zei Walter K.? “Als ik je lees, zie ik je door tralies” (?) Ik zit hooguit in het gevang van de pijn waar iedereen zich over door de haren strijkt van machteloosheid.

Als ik nu ga liggen/ slaap ik weldra/ maar hoor de bel niet/
Ga ik niet naar bed/ val ik in de cabrio in slaap/ en hoor de boodschapper evenmin/
De tijd kleedt zich in mijn pijn, voor wie ik ben/ is zich dan van niets bewust/
Word ik wakker/ dan vermoed ik een nieuwe dageraad/ maar sta ik eenmaal naast bed/
Dan weet ik het/ het is pas halverwege vandaag.//
Vermijd ik mijn zintuigen te sluiten/ dan zwerf ik door helse pijn en hoor de bel/
De pijn ken ik al lang genoeg/ maar slapen onder satijn/
Is wakker worden in een glanzende morgenstond.

Er is niemand geweest, niets bezorgd. Daarentegen in VN een mooi interview gelezen met Connie Palmen waarin veel herkenning rond het thema symbiotische relatie, en enkele mooie, té korte beschouwingen in “Disturbed Silence”, uitgegeven door het Psychiatrisch Centrum in Duffel, mij geschonken door Lut die ik tot mijn schande nog niet ten sterkste heb bedankt voor deze fascinerende uitgave over de stilte. Bovendien leek de enveloppe nog niet genoeg gevuld, want deze bevatte tevens een luisterboek met de beste gedichten uit 25 zomers van Watou, en eindelijk hoorde ik dan eens de stem van Leonard, de man uit nabij Berchem die me zowat het hele voorjaar bezighield.
De midwinterhoornblazer was er weer. Het is ongelooflijk mooi.
De macaroni was veel te droog, ik kreeg het nauwelijks weg en voelde me hoogst onveilig. Die Marieke maakte, dat is de beste, maar ik zie en hoor haar niet, dat is het vreselijkste, dat een wederzijds warme bestaanbare liefde elkaar in nood laat. Wittgensteins categorische imperatief luidde: “Wees gelukkig”. Hij bedoelde ermee, dat geluk het accepteren is van wat het geval is. Mijn wereld krijgt dan een ander gezicht, dat minder dreigend is.
Morgen krijg ik satijn?

Vrijdag, 23 december
De lucht is egaal grijs. De boomsilhouetten staan in een stil bestaan., “maar het is heel zacht”, zei Rieky die net binnenkwam.
Huisarts vakantie tot 3 januari, Natasja idem; bij Harting Bank weten ze niets over het anti-decubitiskussen terwijl het huidige bij hoge uitzondering nog in bruikleen is en op 22 januari terug moet naar de thuiszorgwinkel. De WMO zal het nu met spoed bestellen. De cliënt moet druk participeren in de zorg, anders loopt het zo spaak.
Tweede kerstdag en de jaarwisseling ben ik alleen. Na de kerstdagen gaat Marieke drie dagen naar Nidigem. Niet dat ze anders hier zou zijn, maar het onderstreept onze breuk. Te weten dat ze zo ver weg is, dat het feit zal verharden en de tijd ons verwijderd, maakt het niet gemakkelijk te accepteren van wat het geval is. Maar ik zou me versterken! Wanneer je het zo als drama vasthoudt, komt daar niets van terecht. Als die kant je beter bevalt, zorg dan dat je wereld een minder dreigend gezicht krijgt. Er zijn altijd keuzes, ook bij tegenspoed. Ik heb de leeftijd nog om te scheppen, l’âge de créer, maar zoveel pijn en vermoeidheid ondermijnen dit.
En tussen al deze woorden fladdert mijn stilte.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’ bij een schilderij van Lanie Loreth, ‘Clouds of Jupiter’.]

maandag, december 19, 2011

Mijn hart, mijn plein van droefenis

Dagboek

Maandag, 12 december
Het was te verwachten dat ik me versliep en pas om 09u15 door het harde gebel van Joyce wakker werd. Ongenietbaar zo de dag te beginnen, vol met pijn en het verdriet nog brandend in de ogen. Zaterdag al had ik voor Marieke een mooi scheepsmodel vol lentebollen gekocht, maar ik durfde niet naar boven. Ik zette hem in de keuken. Nadat ik vanmiddag was gekal­meerd – hetgeen me lukte doordat de buren me ’s morgens op de koffie vroegen - bracht ik hem haar. Voor ons beiden een luttel aantal momenten vol ontroering, weemoed, tederheid. Dat het me niet eerder is gelukt je in jouw volledige zelf beter tot me te laten doordringen, zoals nú (pas), o kon ik maar staan lief, ik zou je hebben omhelsd, je zou voelen dat ik meer begrijp dan je vermoedt, dat ik je werkelijk liefheb. Het was vannacht al zo raak. Dat mijn hart dit volhoudt, is een wonder.
Ik wacht op je. Ander geluk staat me niet te wachten. Misschien is het tevergeefs, maar dat is het hele leven waarschijnlijk. Dacht Cioran dat niet?
Rond drie uur kwam Hanita. Twee fijne uurtjes over het leven hier, over kunst, over warmte die je kinderen plots over je heen gooien. Al heel wat jaren een onmisbare vriendin, - volgens Marieke al een teveel (maar het worden er al gauw vijf of zes teveel). Stel je voor, dat ik hen zou laten weten ‘geen enkele vorm van contact meer te zullen hebben omdat mijn vriendin 100% exclusiviteit eist’, dan zouden ze zeggen, ‘die vent is idioot, die laat zich voorschrijven zijn geschiedenis door de versnipperaar te halen.’ Hanita en ik zijn ‘gek’ met elkaar, maar wat doen we dat niet door de beugel kan, of waardoor ik Marieke niet recht meer in de ogen zou kunnen kijken?
Een beginontwerp voor een kerstkaart gemaakt.
Ik slaap in de ogen van Marieke.
‘Lieveke, je kunt geen wachter zijn.’

Dinsdag, 13 december
Verward stap ik uit bed. Zal ik m’n hoofd terugleggen?
“Nee, ik ben geen moslim. Ik zie het zo meneer. Er kómt een keer een grote oorlog, en dan zijn u en ik vijand. Nee, dat verdraag ik niet, ik houd niet van fanatici. Die hebben geen leven, die laten zich leven door bepaalde ideeën, een utopie.”
“Hoe vinden je ouders dat?”
“Wij zijn al vijf jaar niet meer welkom, mijn twee broers en zus. Mijn ouders zijn strenge moslims en geven geen haarbreed toe. Wij bestaan niet voor hun.”
“Dus er was altijd al oorlog?” Hij beaamt het en gaat door met het installeren van de tv, de sympathieke, beleefde, vlotte jongeman die alleen in z’n vroege jeugd enkele keren in Marokko is geweest. “Ach, ik werk al zes jaar voor deze baas, mijn vrouw is onderwijzeres, we hebben het goed.”
“Die oorlog valt er bij in het niet denk ik. U bent nu koning over uw eigen toekomst.”
“Precies, … wacht … het verkeerde moertje …, precies, u slaat de spijker op z’n kop.”
De tv doet het prachtig, maar staat op de verkeerde plaats. Olivier komt morgen en kan de spullen naar m’n wens verplaatsen.
Vanmiddag een paar uur geslapen. Alles grijpt me naar de keel, ik voel me niet veilig, niet gerust, mijn bestaan hier is leeg, doelloos. Dit is geen gewone levensopgave meer. Vol zwarte vegen over m’n ziel kruip ik dadelijk maar weer in dat zwarte bed.

Woensdag, 14 december
Het leek erop dat er veel werk was te verzetten, maar eigenlijk was het met drie halve uurtjes wel bekeken. Olivier had vlot in de gaten hoe ik het graag wilde, alleen werd ik helaas opnieuw gekweld door alle bekende misère, voor hem een nare ervaring. Dit moet anders, alles moet anders.

Zondag, 18 december
Iedereen heeft mijn land verlaten, de koningin is ver van hier en keert niet weerom,”ofschoon een grotere liefde niet bestaat”. We leven ieder op zich en voor wat het woord nog waard is, een onbestaanbare liefde. Omwille van discretie zal ik er niet over schrijven.
Ik ben gevallen, heb overgegeven en op de vreemdste plaatsen gehuild. Zo een crisis heb ik niet eerder gekend, maar ik ga er over zwijgen. De ‘strijd en aanbidding’, die het leven toch al is, hebben me te zwaar toegetakeld. Om de loyaliteit naar de Ander te versterken, of beter, om de Ander te overtuigen van hun loyaliteit wordt er, zonder mij te kennen, veel onwaars over mij gezegd, maar ik zweer bij de zuiverheid va de hemel, dat . . . .  nee, ik zou er niet over schrijven. Ik ga trachten mezelf weer te versterken.
Naast uitbehandeld zijn rest er nog een optie: nogmaals een periode naar Groot-Klimmendaal. Ik zal morgen mijn huisarts laten weten daarover niet te twijfelen en de eventuele kans aangrijpen. Mijn koningin zal er niet door terugkeren, maar werken aan een draaglijker leven vind ik nog steeds de moeite waard. Ik blijf geïnspireerd door de Joods-Franse filosoof Emmanuel Levinas. Je kunt de eenzaamheid alleen achter je laten door in de ogen te kijken van de Ander, met de Ander mee te leven, met de Ander te zijn. De filosoof Francis Bacon (16de eeuw) – er is ook een schilder die zo heette (20ste eeuw) - verklaarde, dat hij werkte “immune to the suffering of others and to emotional attachment”.  
De trompettist was er weer. Ik heb geapplaudisseerd. Ik denk trouwens dat het geen trompet is, maar een midwinterhoorn.

Ik wens ieder oprecht een kerstmis in de geest van Emmanuel Levinas – 1906-1995 -, dan herinnert u zich ook een mens te zijn, getekend met levenslust en vol verlangens. Listen to the voice of your heart and you’ll be as calm as the moon above the woods.
Voor mij zal het dit jaar wel anders zijn, ik weet het werkelijk niet, - moet denken aan die irritante regel van Sartre: “Wie het in eenzaamheid niet naar z’n heeft, vertoeft in slecht gezelschap”. Marieke zal het wel onderschrijven, zij bejubelt de eenzaamheid, of beter, de afzondering, de stilte, soms om haar eigen meest innerlijke zelf tegen te komen, soms om een waarlijk contemplatief leven te kunnen leiden. (Natuurlijk, Miek Pot heeft er ontroerend over geschreven, maar vooral Thomas Merton in zijn autobiografie “De Louteringsberg” – strijd en aanbidding, de donkere kant en de aantrekkingskracht van de stilte – toen hij was ingetreden bij de trappisten in Gethsemani, waar hij zijn hele leven bleef.
Jij, mijn altijd-lief, ik láát je het pad dat je verkiest, met veel pijn en weemoed ‘Elk pad is goed, als het maar een hart heeft’, schreef Carlos Casteneda. Mijn ziel is wakker en ik ben radeloos van liefde.


[© MN, ‘Bij de zuiverheid van de hemel’. Les jours de l’âme. Het schilderij, zonder titel, is ven Gregory Garrett. De weg naar mogelijk verdere revalidatie ben ik al ingeslagen; woensdag contact met het Slingelandziekenhuis.]

maandag, december 12, 2011

Achte auf deine gedanken, sie sind der anfang deiner täten*

Dagboek

Dinsdag, 6 december
De nacht is nog niet wakker of de dag is al gebroken.
Me er doorheen gebeten. ’s Avonds kwam mijn vriend Walter met de brochure van zijn uitgeverij Nieuwe Druk waarvan ik vermoedelijk toch graag gebruik zal maken. De uitgave van Rosita Steenbeek is uitgesteld tot april. Hij had er vrijblijvend 5 gekozen en ik kon er deze keer niet één laten liggen of mee teruggeven. Het zijn “Het zwijgen van Jan Karski” van Yannick Haenel, “Grip” van Stephan Enter, “150 psalmen vrij” van Huub Oosterhuis, “Gestameld liedboek” van Erwin Mortier en “De verdovers” van Anna Enquist.
Heb me voorgenomen in januari Linda te bellen en te trachten mij weer aan het lopen te krijgen. Ik wil ook dat de medicatie nog eens wordt ‘doorschouwd’.
De race voor Paul Bauduin is gelopen; Lemniscaat is afgehaakt. Nu uitgeverij Xanten in wie ik van meet af aan meer vertrouwen stelde, ondanks de professionaliteit van L die X nog moet bewijzen. Hulde aan Enno. We willen vooraf misschien teveel zekerheden, alsof alles alleen om economie draait - ja, vandaag de dag zou je dat wel zeggen.

Woensdag, 7 december
Geen zonsopkomst (te zien), massa’s verscheurd grijs en donker, nu en dan harde wind en korte vlagen stuifregen. Ik voelde me gelukkig wat kalmer en goed gehumeurd. Maar het uitblijven van zware pijn was maar van korte duur – wéér kwam er zo’n nare brief van de ‘onkreukbare heilige’ hierboven die m’n innerlijk versnijdt tot voer voor de zwijnen. Of je nu 22 of 62 bent, wanneer je in de liefde vrij letterlijk in een beerput wordt gedumpt, dat is misselijk und schmerzhaft. Als zo’n metafoor eenmaal door je toetsen gaat, dan zijn de remmen los. Later volgt er weer een email vol met ingebeelde wijsheden. Ik ben een vogelvrij mens en daar schiet je maar op los, in haar overtuiging allemaal raak. Mijn belofte van liefde voor háár is in elk geval totaal aan flarden.

Mijn broer was hier en verwacht dat de euro het slechtst denkbare lot is beschoren. Niemand die het weet. De koers zal vrijwel zeker kelderen, maar hoeveel? Banken en bedrijven vallen bij bosjes om, winkels sluiten. Gigantische werkeloosheid. Iedereen telt z’n centen, maar niemand weet hoeveel hij heeft. De rente schiet omhoog, maar niemand kan het betalen. Een soort tsunami, met meest ondenkbare, maar rampzalige gevolgen. Maar van welke maat zal alles zijn? Zo draait de wereld (nog), zo is hij Total loss.
De doemscenario’s liggen voor het oprapen. Ik hoop werkelijk dat het niet zover komt en dat we solide en solidair verder bouwen aan Europa. Of zijn er teveel die zich de waan van de macht verbeelden? Iemand komt met een goed idee, een ander haalt er een streep door, had juist iets beters in gedachten dat wordt weggehoond. De stemming daalt – er is geen klimaat van luisteren.
De trompettist was er niet vanavond, jammer.

Wat is verdriet? Een mengsel van (allerlei) pijn en onvervulde hoop, van vervlogen dromen, van heimwee, boosheid, angst, van onmetelijke schrik, van duisternis, blindheid en onwetendheid, onmacht en verlangen.

Donderdag, 8 december
Eerst zie je een lange, brede strook roze-oranje uitgestreken licht dwars door de vertakte bomen, dan verdwijnt alles als in een trechter achter de stam en in een mum van tijd keert er een rood-oranje bol terug die enkele seconden later van het felste geel is. Deze laatste, bijna verblindende gestalte van de opgekomen zon strijkt zich uit over de hemel. Je zou bijna denken, dat de zon in de ganse grijze lucht is opgelost.
In de middag een klein uurtje aangenaam bezoek.
De trompettist is terug. Bravo.
19u00 Te bed.

Vrijdag, 9 december
Poetsdag, wasdag, een zonnige dag, pijnbomendag. Rieky werkt altijd zo binnen de tijd, dat ze aanbood voor mij de boodschappen te doen waarvan ik dankbaar gebruik maakte. Ik hoopte er weliswaar op vanmiddag nog weg te gaan, maar na de lunch zat ik nog zo in de greep van de pijn dat ik niet durfde. Ook nu, half vier, waag ik het er niet op, schenk tranen en koffie. Koning van mijn toekomst kan ik nooit meer worden.
Ik probeer tot een kerstgedicht te komen, maat het lukt niet. De eerste zeven regels zijn opgewekt, maar alle volgende regels zijn weer moralistisch, dat vervuilt alles.
Het is onvoorstelbaar. Dat dat wat liefde heette, ik desondanks (de moordende pijn) probeerde te willen zijn, door haar nu tot één groot moeras is gemaakt. Ik schrijf er niet over, zoek het ongeluk niet op, wil dadelijk niet opnieuw ‘doodgeschreven’ worden. Marieke beweegt zich ‘gemakkelijk’ tussen twee polen, die van hemelse liefde of doodslag, vermorzelend. Soms (en gelukkig), zoals vanavond, komt er na een reactie vanuit het tweede uiterste een die menselijker is, eerlijk, even helder, te respecteren. Het maakt alles ellendiger als het zo bitter moet
Mijn ooghoeken branden van het zout.
On the light side of the street, daar wil ik heen.

Zaterdag, 10 december
Direct al veel pijn, overgoten door zonnigheid. Op de balkonrand zitten twee spreeuwen. Ze kennen elkaar niet. Als zich een ekster bij hen voegt, vertrekt een van de spreeuwen. De andere kiest het hoekje en huppelt naar het balkon hiernaast. De ekster, een rusteloze vogel, verwisselt drie keer van plaats en zie ik opeens verdwijnen naar een van de bomen bij het meer. Wat gevleugeld is, staat gereed om te vertrekken.
Na de lunch hoop ik de stad in te gaan.
Het is nu 17u10. Ook al schijnt er zo’n verleidelijk zonnetje, het is gemeen koud in je gezicht. Bij Boxxer heb ik me dan eindelijk een Samsung led-televisie aangeschaft die ze dinsdag­mor­gen komen installeren; ik heb van KPN een digitenne campakket, dat kost slechts € 9,- per maand en kan ik toch alle zenders ontvangen.
Nergens zat er iemand op het terras dus waren de verwarmingslampen uit. Tegen vieren weer thuis. Te weten dat zij hier is, mis ik haar toch vreselijk, ‘die heftige dame van me’. Het is een diepe wond.
Waterfall of Life.
Met tranen van schaamte wend ik mij af. Daar, vijf meter verder, staat een bed met zwart beddengoed, stiller kan het niet.
‘Dag lieveke’, zei je altijd, en je keerde nog driemaal terug.

Zondag, 11 december
Toen ik met mijn wankele kop in de Cabrio de kamer binnenreed, was de zon al lang op, werd alles verlicht zodat het ook in z’n eigen zijn kon verschijnen. Ik fluisterde haar naam. Ze sliep nog onder dat prachtig glanzende satijn, zo mooi en zacht als haar huid. Al wat ik vurig heb gehoopt, ligt daar, is vervlogen, voor mij onbereikbaar. Oder gibt es noch Liebe zwisschen uns?
Nadat Gertrude me had geholpen en dampende koffie voor me had neergezet, dacht ik te gaan lezen, maar ik viel in slaap – zonder een drup koffie.
Vic en Els waren op bezoek, onverwacht plezierig, heel aangenaam. Daarna zakte ik uitgeput van de pijn in elkaar en sliep tot half zes. Dat zo’n bezoek niet wat doorwerkt, vind ik afschuwelijk, maakt me ongerust, bang. Ik zal in verlatenheid sterven, misschien.
Ach, jij ademt al in een ruimere wereld. Ik vind m’n weg wel, - on the light side!

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. * titel is van Marieke. Photo: “Violet horizon” by Peter Wileman.]

dinsdag, december 06, 2011

Als het blad van de bomen is geschoren

Dagboek

Dinsdag, 29 november
Het bewind geven aan de pijn zoals ik suggereerde, lijkt me niet wijs. Het maakt me te passief, en zeker in het alleen-zijn is dat dodelijk. Hopelijk volgt er morgen eens een betere dag.
Ik schreef een hele reeks van woorden op voor ‘Het sprakeloze graf’, voegde woorden bijeen, schrapte er weer, ik wil teveel. Ik betwijfel of het lukt.
Leny vroeg zich af of ik nu wel genoeg zorg kreeg. Weet het niet, er is toch méér dan zorg, maar ja, dat kan niet worden gearrangeerd. “De invulling van mijn leven is kapot, de aanraking nu ook. Nee, niet dat een ander daarvoor verantwoordelijk is, maar het is wel de grote makke, leven in een zo goed als onbewoonbaar lichaam.” Het is half elf, ik ga maar liggen, ‘Misschien tot morgen’, zei Leo Vroman.

Woensdag, 30 november
De Winner won het van mezelf, nee dat is overdreven, het was de noodzaak boodschappen te doen, dat hoort nu eenmaal bij het corvee. Bij C1000, zowel in de Veentjes als aan de Houtmanstraat, is aan ruimte geen gebrek én men is er erg behulpzaam.
Morgen zal ik pater Ko nog eens bellen; misschien, ofschoon de kans zeer klein is, is er toch nog een mogelijkheid de kerst in de abdij door te brengen. Het zou me gelukkig maken.
Waar doet een graf aan denken? Aan aarde, aan opgeslotenheid, aan het duistere leven (want er gebeurt van álles), aan geheimzinnigheid, aan de diepte, de diepe wanden (zelfs geluid moet er zijn (geweest), maar dat ketst af tegen die wanden – of een ander woord? -  onbe­reik­baar, verstild, verstomd.
Hoogstwaarschijnlijk is er na veertig jaar helemaal niets meer te vinden, ook geen schedel. Alles is uitgedroogd, vergaan, stof geworden. Wat veel mensen ervan denken, is een fabeltje. Niks pieren of kevers of welk macaber gespuis ook want daar is nauwelijks of geen zuurstof.

Donderdag, 1 december
Het sprakeloze graf van Mimi

Mam, ben ik door mijn denken aan jou
jouw hiernamaals? Is dan de herinnering
een ontstaan in de ander?

Jij droeg mij als vrucht, en nu,
nu ben jij de vrucht in mij,
zo behouden we elkaars liefde.

Maar klank en kleur van je stem
zijn me vrijwel ontgaan, die richt zich
zich niet meer tot ons en zou afketsen

Verder ben ik niet gekomen in de stilte en razernij van deze dag.
Toen ik er nog kwam (kon komen), was het een persoonlijke ontmoetingsplaats waar ik gehurkt voor het graf mijn gedachten liet gaan, of rondom liep te mediteren. Die opgeslotenheid in het graf staat ook niets anders toe. Doe niets anders dan eraan denken. Dat afketsen (op de diepe wand van aarde?) dat is een fout idee, denkbeeld, die wand bestond er een paar uur in 1972, maar ’s middags gooiden ze die kuil al dicht.

Vrijdag, 2 december
Een beetje te laat op. Rieky is er vanmorgen. Gisteravond Gertrude nog gebeld, maar ze was er niet. Ik voelde me altijd veilig en vertrouwd bij Buurtzorg. Maar er is ‘iets’ mee. Ze komen de hele week al na tienen, vanmorgen pas om half elf. Ik zal het open en vertrouwelijk met ze bespreken. De mantelzorgconsulent en naderhand ook G. hebben langdurig met Marieke gesproken, tegenover mij geen woord.
Behalve het bestelde boek over Sam Drukker – beeldend kunstenaar van het jaar 2011 – kreeg ik een prachtig cadeau toegestuurd door Walter: de magnifieke biografie over Peter de Génestet. Een tot in de puntjes verzorgd boek, uitstekend gebonden met leeslint. Hier vallen vakmanschap en esthetiek samen, een compliment aan vriend en uitgever Walter Jansen. De ondertitel: Levenslust en Stervensmoed.
Peter de Génestet is wel ‘de geliefdste dichter van de negentiende eeuw’ genoemd. Hij heeft een kort en tragisch leven geleid, van 1829 – 1861. Slechts korte tijd woonde hij in Rozendaal, waar hij is overleden en begraven. Het boek, waarop ik inhoudelijk nog terugkom en fraaie illustraties bevat, is samengesteld door Marita Mathijsen en Henk Eijssens.
Het is nu 16u50. Praktisch de hele middag gewerkt aan de laatste vijf, zes regels en na een aantal vergeefse pogingen het gedicht toch in de gewenste vorm gekregen, al is de foto niet van de beste kwaliteit.
Wat een draak van een pijn!
Het is de vraag of ik nog een antwoord vind op dit innerlijk gebroken goed.

Zaterdag, 3 december
Eerste taak na het ontbijt is het publiceren van het gedicht voor mijn moeder. Het is guur, koud weer. Om half negen belde Jacob al aan want hij zou nog twee vergeten boodschapjes voor me meebrengen als hij er zelf voor op pad ging.
Het was opnieuw een beroerde dag, maar ik heb er intens genoeg van daarover te schrijven.

Ik ben met stomheid geslagen
door zo’n aanhoudende pijn, verdriet en machteloosheid -
en dan te beseffen, dat zó mijn einde

wordt getekend in volkomen verslagenheid;
in plaats van nog iets beduidends te mogen maken,
is er nu, tot dat eind, de zinloze herhaling van al dat mij mankeert,
maar néé, nee, ik laat de vogelkop niet hangen.

Zondag, 4 december
In en om het gebouw, in het landschap rond het meer, heerst een serene rust. Geen zuchtje wind, alles eert de zondag.
Bezoek Enno’s website - http://www.enno-nuy.blogspot.com  - met boeiende opiniërende teksten over politiek en cultuur, zoals bijvoorbeeld de laatste film van Lars von Trier over de ondergang van de wereld, Melancholia. Ik zag de trailer en daarin onder meer Kiefer Sutherland, dan begint mijn hart toch (een beetje) te kloppen voor een televisie.
De middag verstreek in heel aangenaam bezoek, hoewel de pijn geen seconde van wijken wist.

Al de hele week is er iemand die tussen half zeven en zeven uur op de trompet een serenade brengt aan de komende vierentwintig uur. De solist staat bij het meer en zorgt onzichtbaar voor een heel bijzonder half uur. De toonladders spreken van een romantische of melancholische compositie.
Nu ik mijn oren spits, de trompettist is nu, 20u30, aan de andere kant van het meer. Won­der­lijk, this is the holyness of music, of life and music.

Maandag, 5 december
“Hier schijnt de zon over je tafel en in Gendringen was net een donderend onweer, 15 km verder.” Joyce was helemaal verbaasd. Zo rustig is het ook gebleven, buiten dan. Van W.F.G. Jansen konden maar enkele werken in “Schilderen met de losse toets” me bekoren. Veel secondewerk vermoed ik. Dikke verfstructuur, hoekige composities. Sober en donker van kleur. Ook bij zijn tijdgenoot A. Gorter.
Hopelijk tot morgen.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. Met een schilderij van Chris Donovan, “Ambiance”.]

zaterdag, december 03, 2011


[MN. In Memoriam mijn moeder 13 mei 1923 - 3 december 1972.]

dinsdag, november 29, 2011

Als je valt, blijf dan niet liggen. *

Dagboek

Zaterdag, 26 november
Toen ik gisteren opstond – en ik keek een heldere ochtend in, “maar er staat een koude, gure wind”, zei de schilder op mijn balkon, waarop ik eerst voor hem koffie zette – was het vreselijk, maar vandaag is het ook driemaal niks. Leny heeft me gedoucht, een inspanning waarvan ik pas zojuist weer wakker werd. Het is 11u50, de zon schijnt. Er is ongemerkt meer bladverlies.
Ik ging veel te laat naar bed. Orithia’s reactie op mijn weblog is – hoewel in wezen niet zo welkom - een schot in de roos. Die toont heel precies een karakterverschil en een fundamenteel verschil in schrijven. Ik tracht in mijn leven enkele diepe waarden te vervullen, zoals respect, zachtmoedigheid, oprechtheid en waardigheid. Ik schrijf ‘dicht bij mijn leven’, maar selecteer elke keer wat/waarover ik kan schrijven, wat gezien de ander geoorloofd is. Over zeer vele levensgebeurtenissen waarvan ik weet, in wier leven dan ook, zal ik zwijgen. Ik zou iemands integriteit kwetsen en ongetwijfeld fouten maken, vergissingen begaan. Het is zinloos kwaad.

Behalve je alomvattende onzekerheid, je toewijding, je tederheid, heb je een rebelse, radicale kant en eenmaal aan die zijde van je bestaan zul je niet schuwen te schrijven wat er in je opkomt of wat je ook met stelligheid meent te weten, zoals van de zomer en nu weer, zonder het van belang te vinden of het mij beschadigen zal en, belangrijker, of het wel echt waar is. Jouw gevoel en intuïtie zijn superieur. Zelfs in de tuin van mijn weblog schend je mijn privacy, mijn waarachtigheid, je vernedert mij en de op mij betrokken mensen. (Aangezien ik telkens van de pijn zit te pauzeren, moet ik aan een historische zin denken van een staatsman in de beklaagdenbank. Hoor je hem ook? Bill Clinton: ”I did not have sex with that woman!”.) Lieveke, ik heb geen enkele vrouw op sleeptouw, om over die anderen maar te zwijgen. Het is volkomen onzinnig. Met welk recht zouden we voor elkaar mogen uitmaken wie de valse, gevaarlijke en wie de echte, niets van te duchten vrienden zijn? Het is een nare, pijnlijke en overbodige onzekerheid waarmee je mij geselt. Lieveke, ik kan al zo weinig meer, neem me niet ook het vertrouwen af. Aan C zal ik niet sterven, maar deze donder en bliksem luiden de noodklok.
Zelfs een dag schrijven duurt lang. Gelukkig heb ik van de nacht geen weet.

Zondag, 27 november
Opnieuw een heldere, zonnige dag. Bij vlagen een echte herfstdag, dan stuifregent het, staat er een harde wind en vliegt het blad als vogels van de takken. It’s ten in the morning. There’s sun all over my table when I write this, sitting in my wheelchair Cabrio II, and I’m in love with all the walls of my room. Of course, I slept alone, from now on my reality. The pain is making me anxious again to leave Marsman’s appartment.
Orithia is gone. She has been abduct by Boreas, the old Greek wind. She left a few words: “Jij bent de liefste. Ik hoor het wel wanneer het spook uit je opera, je leven, is verdwenen.”
Achter die naam staat nog een andere, Marieke, een beminnenswaardige vrouw die oneindig veel voor me heeft gedaan en van onvergetelijke betekenis is, woorden schieten tekort om haar voor alles te prijzen, maar zó en dat tot driemaal toe, dat is me levensonmogelijk. De kleur van de liefde is helemaal verschoten.
Gulle liefde, grondige verwoesting. Vreselijk, een regelrechte kwelling. Maar ik ben geen mens van even een knopje omdraaien, et voilá, ce temps est révolu.

Jaren geleden schreef Adriaan van Dis, “Verander je kompas enkele graden en je komt in een heel andere haven aan.” Dat lijkt me het meest wijs. Een paar zaken reorganiseren, zorgen dat ik met kerst hier weg ben en die pijn het bewind laten voeren, misschien dat ik er dan het minst last van heb.

Maandag, 28 november
Het is alsof je met röntgenstralen binnen het geraamte van de boom, in de buikholte, onze levensbron ziet, een prachtige rode bol. Maar het geraamte is wat overschiet als de herfst zijn werk heeft gedaan. En dan gaat het snel. Er is geen rood meer te bekennen en hij zit al op borsthoogte.
Gertrude is laat. Voortaan ook op zondag hulp. Boodschappen en was doen kan ik deels zelf, mijn bed verschonen zal ik Rieky vragen.
Het lijkt wel of ik word afgebroken.
Met kerst weet ik me nog nergens onder te brengen, alles zit vol, helaas ook de abdij. (Dat zou het mooie zijn van hotel Merlinde in Breda, daar is ook een rooksalon. Maar alleen de taxi al kost € 320,- Dacht, kan ik in de rooksalon een mooi verhaal proberen te schrijven over die serie van drie wonderschone boeken van Rudy Kousbroek.)

Dinsdag, 29 november
(Gelukkig ben ik weer wakker geworden. De hele avond zat ik hier met een door de pijn verscheurd hoofd en durfde niet naar bed. Bovendien voelt de keel dan dichtgesnoerd door littekenweefsel, het voelt als dichtbegroeid struikgewas waar de duivel af en toe alvast maar de brand in zet.)
Een poos geleden is gebeld door de beheerder van het kerkhof Maliskamp, of ze het graf van mijn moeder konden ruimen want het ligt er bijna veertig jaar en “het wordt ook niet te best onderhouden”. Ik blijk de enige die dat niet zou willen, maar kan er evenmin naar toe. Ik moet het maar niet meer tegenhouden. (Het graf ligt op de derde rij, uiterst links onder een grote spar.) Had ik een eigen tuin, zou ik haar stoffelijke resten in een klein kistje willen herbegraven. Elk jaar tegen 3 december, zolang nog niet ontdaan van de last van mijn eigen lijf, ben ik ermee bezig, sprokkel ik nog wat woorden uit mijn ziel.
Ik zal er aan werken, de titel heb ik al, Het sprakeloze graf van Mimi.
Zal me warmer aankleden zodat ik straks met de Winner weg kan. Ga ook even langs Jacob.

[© MN, ‘Les jours de l’âme.’ Painting: ‘Morning Luster’ by Mike Klung. * citaat uit Connie Palmen.]

vrijdag, november 25, 2011

Voor het hart is het leven simpel ....*

Dagboek

Zondag, 20 november
Plotseling wakker; ik kijk in de stilte van de mist, denk dat ik er al een nacht heb opzitten, maar ik sliep om acht uur en nu is het amper half elf.
Ik realiseer me al een jaar in Doetinchem te wonen, de stad die ik pas sinds 1 maand een beetje ken, dat ik weet gisteren op een terras aan het Simonsplein – een plein met Platanen -  erwtensoep te hebben gegeten, tegenover het mooiere Grand Café Bank maar dat was vol op een onbereikbaar plaatsje na. In de fraaie Romaanse kerk worden geregeld educatieve exposities georganiseerd, ditmaal over autisme.
Alle tijd sinds november 2007 – de 13de kreeg ik een heseninfarct – was erger dan pijntijd. De liefde van Orithia h(g)eeft soms veel te verduren maar is een onmisbare wonderlijke zegen. Ze sleept karren vol tederheid naar binnen en ik zou haar met hartstocht willen minnen wat door de pijn wordt belet en tot zwaar verdriet leidt. Voorgoed gekruisigd op het hout van onvermogen.
We kunnen elkaar soms moeilijk bereiken, omdat ik mijn ogen sluit en zwijg vanwege de strak aangetrokken knellende banden in mijn nek tot onder mijn kin, in mijn schouder tot ver in mijn rechterarm. Het fijnste is haar stille liefde in mijn armen. En er is een kleine ontroerende vriendschap met Jacob, die groot is in eenvoud. Als Buurtzorg er niet was, kon ik het hier wel schudden. Offers van goud, als je wat dieper kijkt.
Ik keer weer terug in louter mist.

Maandag, 21 november
Ik zit naakt en droevig op de rand van mijn bed in een kleine wereld. Al direct weet ik niet hoe ik mijn hoofd moet houden. Ik voel me ontaard, besta uit enkel pijn en verlatenheid. De zon doet verwoede pogingen door te breken, maar de muur is te dik. Iemand die ooit met mij een wij vormde, mag niet meer bestaan. Ik schend die code een doodenkele keer, voornamelijk half oktober als ze laat weten dat Lola is geboren, zonder verdere verlangens, zonder illusies, maar warme betrokkenheid. Ik ben volgens Orithia een kind dat daar niets van snapt, dat een ‘genezing zoekt bij haar. Je zult nooit aan haar helen, je zult aan haar sterven.’ Orithia verdraagt haar niet.
Ik, die zogenaamd liefste mens naar wie altijd is uitgekeken, blijk een aartsleugenaar want ‘je dochter is van een andere man. Die spaarpotten voor je kleindochter zou ik het liefst kapotsmijten.’ Mijn geschiedenis wordt verscheurd.
Helpt ze me of helpt ze me om zeep? ‘Een leven zonder jou is niet om vol te houden.’
‘Er is niemand zoals jij voor mij’, hoe vaak heb ik haar dat niet gezegd? Ze gelooft het niet half. ‘Zij
is de eerste aan wie je denkt. Ga naar haar, daar is je thuis.’ Dan ik weer, dan zij. ‘Precies, zij is van je gescheiden, jij niet. Dat je haar steunt, daar heeft ze wel een lief woord voor over.’
Had ik mijn mond maar vol van haat of erger. ‘Jij, Orithia, je bent toch uniek!, ik houd van je.’
Ik ben onteigend.
Of toegeëigend?

Ik ben geen weeskind, maar een ongewenst tweede verrassing in die februarinacht van 1949, dat is denkbaar. Waarom toch moest ik als elfjarig jochie alleen op de bus naar het ziekenhuis? Waarom herinner ik me alleen dát en staat de rest in het vergeetboek? ‘Over twee nachtjes kom je weer naar huis’, troostte m’n moeder.

De maximale uitleentermijn voor het anti-decubitiskussen is bij de thuiszorgwinkel verstreken. Briefje van de huisarts naar de zorgverzekeraar. Van daar werd mij gebeld met de boodschap dat ik bij de gemeente moet zijn, bij de WMO. ‘Die verwijzen meneer naar de zorgverzekeraar’, voorspelt de thuiszorgwinkel-mevrouw Orithia. Maar O. zou O. niet zijn als ze niet toch een derde verlenging voor elkaar kreeg. Fantastisch. Vanuit de WMO zou worden teruggebeld. Gebeurt niet, probeer het uren later opnieuw. ‘Nee meneer, alleen ’s morgens tussen 9 en half elf.’
Orithia heeft heerlijk voor ons gekookt.
Nadien leest ze Trouw. Ze omcirkelt een zin om te onthouden: ‘Voor het hart is het leven zo simpel, als het niet meer kan, stopt het.’
Ik ga terug naar de tovertrommel, de mist. De bomen lijken op met het zachtste potlood getekend takkenhout.

Dinsdag, 22 november
De ochtend begon helemaal niet goed; een hygiëneprobleem zorgde voor veel ergernis en stress en dus zat ik onmiddellijk weer in de loge van de pijn.
Natasja van de WMO zorgt voor een nieuw kussen.
Robbert van Buurtzorg toonde met veel terechte trots zijn artikel over de Aalscholvers in de Mariapeel in het Natuurhistorisch Maandblad. Goed geschreven, mooie observaties.
Orithia doet wat veranderklusjes in huis. Prachtig. ‘Ik zie u zo graag’, denk ik almaar.
Waarom gaat het zo beroerd met me? A man with four screws in his upper vertebrae. A man who has got a stroke.
En in de avond, laat in de avond zie ik opeens zware zwarte wolken recht op me afkomen, als om een zwarte kap om me heen te gooien. Oorverdovende donder en bliksem, ik druk me angstig in het kussen, zoals toen ik elf was en niet begreep wat me boven het hoofd hing. Het gaat razendsnel. Als alle onstuimigheid al weer kms verderop is gedreven, blijk ik bewegingloos en van kleur verschoten in bed te liggen. Roerloos, ademloos, levenloos. Mijn zieltje beseft dat ik het ben, maar ik weet niet waar ik uithang.

Woensdag, 23 november
Maar het is allemaal anders. Gelukkig zit ik hier en is niet een hele familie in rep en roer. Het geeft misschien een idee van de pijn waarvan ik me wil verlossen. Jammer dat Orithia er vandaag niet is. Misschien ook maar goed, ziet ze mij een dag niet in die lamlendige houding. Zal het dan nooit meer veranderen? Zouden we op kerstavond niet samen naar de abdij kunnen?
Vanmorgen was de ene boom nog goed te onderscheiden van de andere, maar intussen gaat de mist zich samenklonteren, wordt dichter. De bomen lijken tegen een grijze wand geplakt.
Ik vroeg Jacob op de koffie; hij reageerde alsof een eervoller verzoek ondenkbaar was.
Het is 03u20 in de nacht. Het is allemaal anders. Nog verschrikkelijker dan ik dacht, zie http://jemarieke.blogspot.com . Ik kan niet schrijven, ik heb het koud, beef over m’n hele lijf, ben bang.
Hoe moet ik nou toch leven?
Is er nog hoop? Het is donderdagavond, 20u12. Een dode dag. Maar Orithia meent stellig te weten dat het anders is: ‘Terwijl jouw band met 'dat gruwelijke mens' alleen maar mooier en zogenaamd warmer wordt. Ga naar haar toe.’ Dwalingen van de geest.
Al maakt de pijn me diep ongerust hier in m’n eentje en vloeien de tranen over mijn akkers, ik voel me innerlijk gewapend om haar vertrouwen terug te winnen. Het is bijna half twaalf, ik moet dringend gaan liggen, maar voel me niet veilig.

[©MN, ‘Les jours de l’âme. Photo: ‘A new hope’ (?) by Warwan Fardiansah. *Karl Ove Knausgard in zijn Autobiografie 'mijn strijd': "Voor het hart is het leven simpel; het slaat zolang het kan. Dan stopt het."]

zondag, november 20, 2011

Het leven gaat trager

Dagboek
Maandag, 7 november
Het lijkt wel of ik een meteorologisch oog heb, ik zie een
lange grijze dag voor me, droog maar koud. Er is nauwelijks wind, het blad
verdort aan de takken. Tel meer spreeuwen dan anders. Vermoedelijk ga ik er nog
wel op uit, misschien even naar ’t Brewinc. Later op de dag kan Orithia de twee
schilderijen van Mankes (de uil en de oude geit) en Titus, het zoontje van
Rembrandt, ophalen. Titus is geschilderd door Harmen Tichelaar, een
gepassioneerd en begaafd kopiist; op ’t laatst lukte het niet zo goed meer
doordat hij de ziekte van Parkinson kreeg maar de penselen niet naast zich neer
kon leggen waardoor, bijvoorbeeld bij Titus, het rechteroog van het jochie niet
goed in de verf kwam.
Het is 15u30 – ik heb de Winner maar laten staan - , met de
pijn erbij wordt de kou, nu het toch is gaan waaien, me te bar. Wat duurt zo’n
dag lang.

Dinsdag, 8 november
De pijn heeft zich weer op z’n hevigst laten kennen.

Donderdag, 10 november
De Winner heb ik nu een maand en de teller staat op 266. Het
wordt per dag kouder en de animo vermindert. Vanmiddag tweeënhalf uur geslapen.
Gelezen heb ik ook nog: ‘De tijd zelf’ van Harry Mulisch, een onvoltooide roman,
of beter, de wording van een roman. (Op de werktafel van Mulisch lagen op de
dag van zijn overlijden aantekeningen, prints, knipsels en boeken. Deze
paperassen waren bestemd voor een roman met als titel ‘De tijd zelf’.
Drie verhaallijnen komen erin op gang, de een wat meer, de ander wat minder.
Aan de aantekeningen is het tastend zoeken van de schrijver af te lezen. Welke
thema's, dromen, gedachten en autobiografische gebeurtenissen zouden een
bestemming krijgen in het dwingende verband van de roman? Marita Mathijsen en
Arnold Heumakers brachten de losse delen bij elkaar en vulden ze aan met
dagboekfragmenten. De tijd zelf had de laatste roman van Mulisch kunnen worden
- maar hoe?
Volgende week begin ik aan ‘Een onbarmhartig jaar’ van Conny Palmen.
Mijn energie is zo dun als een vloeitje.

Vrijdag, 11 november
Degene die van de week zei het boek van Palmen al in
voorraad te hebben, zoals de Noord-Nederlandse Boekhandel, die liegt. Pas
vandaag is bij het Centraal Boekhuis de blokkade opgeheven. Dat is logisch want
het getal 11 had bij het echtpaar een wel heel bijzondere betekenis: op 11
november 2007 vraagt Hans Conny ten huwelijk, zij trouwen 11 november 2009
waneer ze elkaar 11 jaar en 11 dagen kennen. Hans overlijdt op 11 maart 2010 en
vandaag verschijnt haar boek over hun passievolle bestaan. Wat opvalt, is de
snelheid, bij Ischa was de afstand in tijd groter.
Vanmiddag onverwacht bezoek van Wim, al 11 jaar pastor bij
Slangenburg. Heel aangenaam elkaar weer te ontmoeten. “Ik kwam er zo graag.”
“Ja, maar jij was ook een graag geziene gast.” Uitgeput naar bed.

Maandag, 14 november
Gisteren leefden we de gehele dag in een ondoordringbare
krans van mist. Geen sterveling te horen. De dag gleed weg zoals hij was
gekomen. Plots was het duister, de tijdwijzer: het was half zes. Vanmorgen was
het helder, buiten tenminste. De pijnwijzer liet me aanhoudend naar bed gaan,
evenals vandaag. Tussendoor lees ik een stukje verder in de ‘De tijd zelf’ van
Harry M. en Conny Palmen. Ik geloof dat zo’n beetje de hele pers haar heeft
neergesabeld. Vreselijk naar voor haar, juist nu. Het zat haar zelf ook niet
lekker, dit boek, dat geeft ze enkele keren onomwonden toe, maar het ging niet
anders. Om dat nog eens keer in alle weekendkranten ongezouten te moeten lezen,
nee. Ik heb heel wat boekrecensies geschreven en weet dat als je eenmaal de
slechte toon te pakken hebt, dan volgt er ook geen betere meer; het lijkt dan
de kunst te laten zien dat je, als recensent, dat vileine ook wel beheerst.
De weblog komt zo spoedig mogelijk in de oude stand; er
komen veel klachten over de toegankelijkheid van het huidige dynamische
template. (Maar zelfs deze oude geeft weer problemen waar ik helemaal kriegelig
van word. Mettertijd zal ik het wel leren?)

Intussen is het vrijdag, is het volle maan geweest en bleef
de Winner hoofdzakelijk in de garage. Weer een record aantal uren geslapen
zodat de pijn over de tijd heen werd gesleept. Donderdagmiddag lag ik zo
ontspannen mogelijk en geheel meegaand te luisteren naar de Hypnose-cd
Pijnbestrijding, maar het einde was ontgoochelend. “U voelt dat de pijn is
weggegaan, met de noorderzon is vertrokken … en dat blijft zo, dat blijft zo.”
Ik baan me een weg naar vernieuwde hoop.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’.
Foto: ‘Ga heen en vermenigvuldig u.’ Ik heb zaterdagmiddag wel een mooie leren
agenda 2012 gekocht. Uit gewoonte, of uit de werkelijke verwachting nog
toekomst te hebben? Het is een naar, eenzaam en pijnlijk weekend.
Het bericht hieronder ligt in
de kreukels. Wat ik ook doe, Blogger functioneert niet meer. Ik zie wel hoe het
dit bericht vergaat.]

maandag, november 07, 2011


Dagboek
Zondag, 30 oktober (Het ligt aan de nieuwe interface. Nu komt het goed.)

Wintertijd, herfsttooi, mooi weer. Een behaaglijke rustdag.Veel gepraat samen en langdurig online gebladerd in The Art of Living, met niets dat betaalbaar is, typisch voor de Happy few maar niettemin kostelijke verstrooiing biedt, zoals werk van Albert Niemijer en Paul van Ernich.

Maandag, 31 oktober
Naar Gaanderen, SecondLife, maar eerst naar Terborg maar die vroegere antiekloods blijkt niet meer te bestaan, evenals meer dan 40 andere collegae in die omgeving. De man in Gaanderen was me erg behulpzaam, zette meteen aan de kant wat in de weg zou kunnen staan. Het HeiligKind van Praag vond ik altijd al mooi, het is een middeleeuws mirakelbeeld dateen wereldwijde devotie geniet. Het beroemdebeeld staat boven het hoogaltaar van de kerk Onze Lieve Vrouw van de Victoriein Praag. Deze van oorsprong lutherse kerk wordt beheerd door de OngeschoeideKarmelieten in het nabijgelegen klooster. Het Heilig Kind van Praag trektjaarlijks duizenden pelgrims uit de hele wereld naar de Tsjechische hoofdstad.Volgens een legende zou het Kind Jezus aan een monnik in Spanje zijnverschenen, die na deze ervaring een houten beeld van 47 cm hoog van de hemelsegestalte vervaardigde. Vervolgens zou het beeld in bezit zijn gekomen van SintTeresia van Avila, de stichteres van de Orde der Ongeschoeide Karmelietessen.
Tevens een spaar-Engel gevonden eneen fraai slank Mariabeeld van ik schat ruim 50 cm; met haar blote voet beletze een slang de appel te grijpen, als ware zij de nieuwe Eva. Zou zij werkelijkin de schepping hebben willen ingrijpen, deze Vrouwe van alle Volkeren? In het aardse leven van Maria ligt als in een bloemknophaar uiteindelijke hemelse majesteit vervat. Zij is een hemelse roos die zichlangzaam opent, die haar wortels heeft in Gods eeuwige scheppingsplan, dieontkiemd is in de aarde, die zich in het licht open plooit en uiteindelijk destralende volheid van haar vrouwelijk wezen toont.
Voordat ik er wegreed om naar de herberg Onland te gaan, Orithia gebeld. Nog geen twintig minuten later was ze al bij het terras. Alle emoties ontwaken.

Dinsdag, 1 november
Grada ‘gooit het vanmiddag in de groep’, of ze gezamenlijk een haalbare oplossing weten voor een noodzakelijke‘time out’. Zou ‘den Ooiman’, mijn mogelijke voorland, iets zijn? Als het in debuurt is, komt Buurtzorg in elk geval, bijvoorbeeld De Wrange of een huisje inhet Landalpark. Morgen hoor ik meer. Na de lunch ga ik heel even naar Orithiaom haar nieuwe schilderij van Israëls te bewonderen. Daarna ga ik weg, geen idee welke kant op.

Ja, het schilderij. – het is welhelemaal des Israëls, en voor Orithia hoeft het geen fijnkunst te zijn. Ik vindhet te weinig soepel, te kanterig, de achtergrond te donker en te vlekkerig. Op een gegeven moment verdwijnt dat origineel uit je gedachten, je geheugen, maar ik zag het nu ter vergelijk en de kopie is niet anders. Ik zou hebben geaarzeld,en uiteindelijk hebben gekozen voor Paul van Ernich voor wie de esthetiek een voorname rol speelt. Onvergelijkbare kunstenaars. Zijn zoon Jozef schilderde albeduidend anders.
Ik zou Henk nog steeds bezoeken,dus besloot ik naar ‘den Ooiman’ te gaan, het verpleeghuis hier een km of 4 vandaan. Quasi modern, maar volkomen achterhaalde accommodatie. Je kunt helemaal niets meer van jezelf meenemen, op kleding na dan. Een ruimte van 40vierkante meter voor twee personen: elk een bed met nachtkastje, kledingkast, grote televisie en een wastafel. Geen toilet of douche, geen schrijftafel.Tegen de wand het befaamde prikbord. Hij was erg moe en had het niet naar z’n zin. Na een kwartiertje ben er ik gillend vandoor gegaan, het mogelijke voorland vervloekend. Het zou mijn einde zijn. Maar wie lastig of opstandig is, krijgt ongemerkt een pilletje Haldol door het drinken, het is anders onbeheersbaar voor die doorgaans jonge meiden die er als personeel rondloopt. Neen, daar zal ik nooit komen, ’t was alsof ik een klap in mijn gezicht kreeg. Een groter gevoel van ontheemding en eenzaamheid is me niet denkbaar. Is een eigen keuze mogelijk en bepalend of heb je in het onvermijdelijke niets in de melk te brokkelen? Of alleen wanneer je genoeg zout in de pap hebt verdiend?

Donderdag, 3 november
Gisteren fors verslapen, tot 9u20 en vanmorgen, mede doordat ik vroeg naar bed was vanwege de bekende malaise– om half tien -, zat ik al om 7u hier, veel te vroeg. De kleurwisselingen in het landschap vind ik boeiend, maar teleurstellend is dat zeer weinig winkels toegankelijk blijken, zoals gisteren in Zelhem en Hengelo. Vanmiddag ben ik maar eens hier gebleven en sliep een paar uur. Telkens nog beelden van ‘denOoiman’, het is schokkend te zien dat anno 2011 het leven daar in wezen niet wordt gerespecteerd (als het er opaankomt, ben je niet van waarde) – ik mag of moet blij zijn met wat ik heb en nog kan, maar ik word nog elke dag zó gekweld dat zelfs het lezen me niet langer dan tien minuten is gegund.

De bieten werden gerooid, het maïs gehakseld. Op sommige plaatsen zijn de kale akkers zelfs al weer geploegd.Veel kraaien en zelfs fazanten nemen het er goed van. Ik rijd van de week nog een keer naar Hummelo voor een vollediger overzicht. Echte vorst kunnen de boeren zich niet veroorloven en de loonwerkbedrijven evenmin. Scholieren blijven gerust met vier naast elkaar fietsen en roepen in de meest genante taal het tegemoetkomende ‘oudje’ toe, gierend van de lach want de een weet het nog smeuïger dan de ander. Het meest bonte hoorde ik trouwens van iemand anders hier die in de rij voor de kassa ‘opving’ dat jongelui achter hem zogenaamd in het algemeen van mening waren dat mensen boven de 50 het beste maar doodgeschoten konden worden. Waar komt dit onbehagen toch vandaan? Het mankeertze aan niets, maar de innerlijke beschaving is zoiets als aangespoeld wrakhout.Is het de ongecontroleerde losbandigheid van de straat waarin men elkaarvoortdurend wil overtroeven? Heeft het dan niets met de individuele ‘state of mind’ te maken? Moeten we het dan zien als min of meer normaal puberaal gedrag en niet zo ‘hangen’ aan die grove woordkeus?
De teller staat op 216.

‘Occupy’dringt door in de Achterhoek. Veel adhesiebetuigingen, maar voor daadwerkelijk protest loopt men niet warm. Jongeren die net de slag van studeren te pakken hebben, moeten die verleiding kunnen weerstaan maar zijn, soms, zo gemakkelijk‘slachtoffer’. Studeren is aan strakkere regels gebonden dan vroeger – een beetje een bevredigende toekomst lijkt me in hoge mate afhankelijk van de inzet en volharding in het heden. De beweging doet een (in)dringend appel.

Vrijdag, 4 november
Het felle licht van de zon, het zachte blauw door kalende boomkruinen, de wind die rustig ademhaalt . . . . auf das Insel in die See der Sehnsucht. Betekent: ik houd van het leven. Een mooie dag, maar ik kwam gebroken thuis uit Hummelo.
De teller? 232. Ja, de maïs was overal weg. De kleuren zijn uitbundig. Als er meer oostenwind komt, wordt het kouder en zal er meer blad verdwijnen dan nu in het lichte, zuinige gedwarrel. Ik heb weer wat kleingeld voor in de spaarkoe of in de spaarengel, allebei voor Lola Eddy.
Zaterdagwas ik wanhopig van de pijn.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. Schilderij van Rembrandt uit 1632,‘Philosopher in meditation’.]

zaterdag, oktober 29, 2011

De inslag van een drama trekt levenslang zijn spoor


Dagboek

Zaterdag, 22 oktober
De nieuwe dageraad staat weer in een hoog zonlicht, in een mooie herfstsfeer
Nu Kadafi door een van de opstandelingen, beter wellicht: iemand uit het verzet, is doodgeschoten, wordt er gekibbeld over de vraag of dit geen moord of oorlogsmisdaad is en dat de man, ‘de rat’, niet in hechtenis had moeten worden genomen om voorgeleid te kunnen worden voor een tribunaal. Zijn dood leidde terstond tot euforie, tot ‘vrije ademhaling’, maar kent honderden milities; het is de vraag welke strijd er nu losbarst, of eerder, hoe die nu, na deze laatste martelperiode wordt beslecht en dat niet de ene rat voor een ander wordt uitgeruild. Kadafi was een minstens zo arrogante en wrede dictator als Saddam Hoessein. Waarschijnlijk is het lood om oud ijzer. Een berechting – als dat al in eigen land mogelijk zou zijn - zou tot hetzelfde lot leiden en wellicht op de meest vernederende wijze: in een stadion onder de ogen van ‘zijn’ door hem geteisterde volk. Hopelijk wordt het land werkelijk en onbaatzuchtig geholpen bij een structurele wederopbouw.
Vanmiddag naar Wehl, Laag Keppel en Hummelo geweest en in H weer bij hetzelfde terras cappuccino, ditmaal met appeltaart en slagroom. Na drie kwartier stapte ik weer op en viel direct weer terug. Mensen naast me, twee dertigers, schoten me direct te hulp. “De ene keer gaat het goed, de andere keer niet”, zei ik. “En dan zijn wij er”, zeiden beiden. (Hij reed in zo’n zelfde Volvo als Roger Moore, alias Simon Templar in de serie The Saint.) Fantastisch, deze geen seconde aarzelende bijstand.
Aan het begin van de tocht – het was erg koud, tien graden – werd ik zonder speciale aanleiding, behalve de bekende pijn, overrompeld door angst. Ik reed een poosje op halve snelheid, overwoog terug te keren, maar het vooruitzicht op die manier naar huis én naar bed te gaan, was zo ontmoedigend dat ik er plots de vaart in zette. Onmerkbaar verdween de angst. Ik genoot van een kort galeriebezoek en kwam ontspannen aan bij dat fijne terras van de Gouden Karper. Toch voelt het nog altijd allemaal zo anders als vroeger, wetende ook dat die scootmobiel aan m’n voeten mij toebehoort.
Op de terugtocht zag ik dat men slechts op twee of drie plaatsen bezig was met het hakselen van de maïs, zo heet het oogsten. Laat dit jaar. Er staan nog vele percelen maïs van, wat zal ’t zijn, bijna anderhalve meter? Vrijwel overal compleet geelbruin. Voor loonwerkers een drukke tijd. Ik kwam aan bij de Veentjes in Doetinchem, daar is een C1000 waar je wel met drie scoots naast elkaar tussen de stellingen door kan, zo ruim. Ik kocht toastjes met eiersalade, een doosje kant en klare pikante gehaktballetjes en de Trouw met voor Orithia, tegen inlevering van een bon, voor drie euro het eerste deel Vier seizoenengerechten, nu dus de Herfstgerechten.
Ik at pas om 18u30, heerlijke boerenkool.
De teller staat nu op 126.

Zondag, 23 oktober
Gisteravond werd alles laat. Na het eten eerste deel van de krant gelezen, de post doorgenomen en het eerste van de vier bezorgde kleine monografieën, onder andere over Rein Pol, een van de Noordelijke Realisten fijnschilders, een groepering waar Evert Thielen zich tegen afzet en van onderscheidt. Al lezende viel mij de ijdelheid op van Thielen want hij zwijgt over Pol, vermoedelijk om de schijn op te houden dat hij de man is van de veelluiken. Ook omgekeerd hoor, de schrijver en kunstenaar Eric Bos, rept met geen woord over de zo gedreven collega in Brugge. Rein Pol is overduidelijk een andere realist dan Helmantel, die hier op zijn beurt dan ook ontbreekt. Je kunt daarom niet zeggen, ‘zo sluiten zich de hekken aaneen’. Hoe of wat ook, Rein Pol maakt zeker zulke indrukwekkende veelluiken als Thielen én diep geworteld in de verbeelding en talrijke details. Ik citeer de openingspassage.
“Na jaren van voorstudies, schilderde Rein Pol zijn groepsportret Pollegorie, een hommage aan het ‘Noordelijk Realisme’, een zes meter breed, manshoog schilderij met ontelbare figuren die zich in een schilderachtig landschap bevinden. Het zijn vrienden, collega’s en familieleden. De kunstenaar zelf zit op een podium een naaktmodel te schilderen, terwijl zijn hoofd op een groot scherm wordt geprojecteerd.” Overigens, de veelluiken zijn niet van deze tijd, al in de 4de eeuw was het een traditie.
Tegen elven hield ik op met werken en Orithia met lezen. We namen een ‘borrel’, genoten van de gehaktballetjes en raakten in een lang gesprek. Het was opeens twee uur.

Zoals gewoonlijk om acht uur opgestaan, maar na het ochtendritueel weer terug naar bed. Orithia sliep nog en we ontwaakten om half éen, een haast ondenkbaar laat tijdstip, maar in lijn met de klassieke betekenis van zondag. Rustdag. Wat we van plan waren, kon gewoon doorgaan. Als lunch een gebakken boterham met kaas en in de namiddag zouden we naar Bredevoort gaan.
Het eten van kleine blokjes boterham ging meteen helemaal fout, precies zoals toen ik voor het eerst een herseninfarct kreeg, bijna vier jaar geleden. Direct erbij drinken hielp niets, de optimel kwam er niet langs. Alles kwam op akelige wijze hoestend en proestend terug. ‘Daar ga ik’ ging door me heen. ‘Nee!!’, schreeuwde het. Orithia was onmiddellijk bij me met een handdoek. Ik was geheel van de kaart. O smeerde tot driemaal achtereen een sneetje brood met jam dat gelukkig normaal ging. De aanslag was mislukt. Bang en beroerd en mijn lichaam een huis vol pijn. Naar bed, Orithia bleef dicht bij me. Ik werd wakker om kwart voor vijf. Wassen, aankleden, koffie, maar doodnerveus voor de komende maaltijd. Daar zei ik niets over om het te kunnen bezweren. Geen problemen meer. Het einde van mijn tijd is opnieuw uitgebleven.

Maandag, 24 oktober
De zonnestand voorspelt eenzelfde dag. Over twee andere boekjes is weinig te zeggen, ze bevatten uitsluitend afbeeldingen van werk van achtereenvolgens Marius van Dokkum (1957) en Pieter Knorr (1950).
Het vierde boekje is een ode aan Piet Pijn (1926-2002), een weinig bekend kunstenaar doordat hij wars was van publiciteit uit vrees zijn kunstzinnige vrijheid te verliezen. Hij kon ook alleen maar eten als het hem werkelijk uitkwam. Een zeer gedreven kunstenaar, zijn vrouw Mia, die hem vereerde, was zijn favoriete model. Toen haar dat vanwege hartproblemen teveel werd, maakte hij talrijke virtuele reizen. Het liefst vertoefde hij in de 19de eeuw, maar hij bezocht ook veel Europese musea. Door haar zorg voor de kinderen, de huishouding en haar mateloze toewijding aan Piet kwam ze niet toe aan haar eigen ontplooiing als kunstenares, precies zoals bij de even gepassioneerde beeldhouwer Jan Meefout en zijn vrouw Irmgard die drie kinderen hadden. Pas heel laat, toen de kinderen het huis uit waren, kwam Mia toe aan aquarelleren en Irmgard aan boetseren.  
Na de lunch wilde ik aanvankelijk weg met de Winner, maar voor ik er erg in had, was ik in mijn cabrio in slaap gevallen, vermoedelijk vanwege de pijn en nervositeit. Jammer, ik was graag naar buiten gegaan, misschien dat de wind of ikzelf de duivelse greep verdreven zou hebben, zoals St. Michael dat lukte op het schilderij van Raphael (1518). De verbeelding kent geen grenzen. Maar evenals zaterdag in Hummelo, ik blijf levendig herinnerd worden aan stigmata en het lijkt per jaar te verergeren.

Dinsdag, 25 oktober
Morgenrood, water in de sloot. Ik zat wat te doezelen en dat ging ongemerkt over in slapen, in de cabrio, tot twaalf uur. Ik merkte pas buiten dat het miezerde, maar liet me niet weerhouden want ik wilde dat andere woonzorgcomplex wel eens zien in de grote nieuwbouwwijk Dichteren, aan de rand van Doetinchem, zoals wij hier recht tegenover ook aan de rand, maar dan pal tegen het centrum.
Op de heenweg reed ik er zonder erg langs, slechte bewegwijzering en kwam in het miniatuurplaatsje Kilder. Twee km terug kwam ik bij de beoogde wijk. Mooie huizen, wel dicht op elkaar, prachtig bestraat maar talloze drempels, zelfs op de parkeerplaatsen. Aan een enkeling buiten kon ik naar het Willy Brandtplein vragen en zo vond ik weldra ‘Waterrijk’. Een hypermodern aantrekkelijk gebouw waarvoor je, naar het schijnt, een indicatie moet hebben. Overal jonge aanplant, het was voorheen platteland dus wie weet, net als in de omgeving waren het hier grote maïsvelden. Eén supermarkt Plus, verder niets. Wel een straat lang medische, paramedische en sociale faciliteiten bij elkaar. ‘Waterrijk’ heeft koopappartementen, vrije sectorhuur en sociale huur; ’t is een prachtig gebouw met een restaurant waar iedereen alle dagen terecht kan. Maar dat mensen uit de buurt er komen, wordt dikwijls zwaar overschat.
Ik zou er wel willen wonen, ware het niet dat het zo geïsoleerd is van alle stadse levendigheid. Trouwens, ik wil niet weg van Trommelslag, dit is mijn ‘thuis’ geworden. Ik woon in een fijn appartement en raak vertrouwd met velen, misschien al meer gehecht dan ik zou willen toegeven. Orithia woont hier. Ik zou weer weten wat heimwee is, maar dat is nergens voor nodig.
De teller staat op 146.

Het woord dat reeds viel, blijft hangen. Het wordt een vraag aan mezelf. Ken je nu geen heimwee?
Waar Leonard Nolens in de States was, daar beviel het hem niet. Het verlangen naar thuis nam zienderogen toe, de gedachte er nog vier weken te moeten vertoeven werd onverdraaglijk, hij week van het tijdschema af en keerde drie weken eerder naar huis. Dit is heimwee, - al betwijfel ik of wel of niet bevallen een noodzakelijk element is. Ook al heb je het elders wel naar je zin, heimwee kan gewekt worden.
Wij reden weg uit Zwitserland en op nog maar een afstand van zeg 100 km ging ik harder rijden. Oost west, thuis best. We verlangden thuis te zijn. Hier is geen sprake van heimwee.
Het woord bestaat uit twee delen, ‘heim’ en het Duitse ‘weh’. Heimweh ist die Sehnsucht in der Fremde, wieder daheim zu sein. Es tut mir weh. Het etymologisch woordenboek staat voor mij te hoog, Koenen woordenboek: ‘ziekelijk verlangen naar thuis, geboortegrond of vroegere toestand’. Het is geen gewoon verlangen, maar pijnlijk, koortsig of fysiek of psychisch ziekmakend, geen gewone wens, maar een obsessie. In die zin ken ik geen heimwee, zelfs niet naar mijn vroegere toestand. Ik verlang vurig naar minder pijn, ik denk dikwijls aan mijn moeder en aan mijn tweelingzus, ik betreur het gescheiden te zijn, maar dit alles niet in de gedaante van heimwee, wel als pijnlijke gebeurtenissen, echt diepe getroffenheden, onherroepelijke breuklijnen.

Woensdag, 26 oktober
Zeer slecht geslapen, verstrikt in het verdriet omtrent het thema jaloezie dat hier helaas een vulkaan lijkt – ik vermijd met opzet het woord bron – van zware elke eer en vertrouwen opvretende onenigheid. Het wordt een thuisdag. Het is nu 15u20, heb even geslapen, maar nog even futloos, naast de pijn een mix van boosheid, verdriet, onzekerheid, niet alleen over ‘wie ons is’ maar diepergaand, over mijn bestaan.
Vanaf vandaag is de reactiemogelijkheid op mijn weblog gesloten. “Hoe kan ik me veilig voelen, je geloven of vertrouwen, met al die vrouwen die zwijmelend aan je voeten liggen en door wie jij je heerlijk laat bewieroken.” Facebook idem. “Ook daar een hele zooi vriendinnen.” Ik zal het markeren als spam en er niet meer komen, dan sterf ik tenminste daar.
Wanneer ik bij Walter boeken bestel, hoofdzakelijk uit de ramsj, kies ik er ook altijd een voor Orithia, als bescheiden geste tegenover het altijd voor mij in de weer zijn, een welgemeend gebaar. “Denk niet dat het enige indruk maakt. Van je zoon hoorde ik dat het haar zo blij maakte, het is dus altijd beladen. En je scootmobiel, ik moet er opeens aan denken, geeft je mooi de gelegenheid met haar ergens af te spreken, ze is immers elke dag als eerste in je hart. Is door één worden bemind niet genoeg?” “Waarom houd je van mij als je je niet veilig bij me voelt, me niet gelooft of vertrouwt, alles vastkleeft met achterdocht. Houd daar mee op.”
“Het is onmogelijk niet van je te houden, ik wil er voor je zijn.”
“Maar ik wil dat zo niet. Elke dag noem je haar naam, omgeven met zelf gecreëerde werkelijkheden, niet de werkelijkheid.”
“Ze komen niet uit de lucht vallen, daarom zal het waar kunnen zijn.”
Niets van mijn verweer schijnt te mogen kloppen. Het wantrouwen is gevestigd, rotsvast. Zal het ooit slijten?

De zinsnede, …. omgeven met zelf …. , is denk ik kenmerkend voor jaloezie en daarom een  element van onzindelijk denken. Orithia denkt overal over na en maakt er haar strikt eigen verhaal van, het enig logische. Ik doe niets ongeoorloofds, heb geen geheime afspraakjes, schrijf geen stiekeme liefdesbrieven, ze hoeft mij met niemand te delen en bedoel met cadeautjes niets anders dan ik als motief gaf. Moet ik de scootmobiel ook inleveren? Nee, dat bedoelt ze niet, dat zou waanzinnig zijn, maar het is niet ver van de waanzin wanneer ze me daarmee met verzwegen achterdocht volgt.
Ik ben een man, 62 jaar, met een angstige vogelkop.

Donderdag, 27 oktober
Vanmiddag komt Joke een of twee uurtjes aan; ze logeert nu een paar dagen in Slangenburg. (Misschien kan ik daarna nog even weg.) Orithia is naar yoga en gaat de rest van de dag naar een vriendin in Meppel. Morgenmiddag wordt er een mooi boek over vader en zoon Israëls bezorgd, een cadeau voor Orithia ter gelegenheid van het grote doek naar Israëls dat ze heeft laten schilderen. Het cadeau houd ik nu maar zelf. Het gebaar krijgt van haar immers niet de betekenis die ik er aan hecht. Het cadeau is beladen met de naam van iemand anders ver­dom­me. Het kwetst me. Onzindelijk of niet – wat is mijn oordeel ook waard – ik vind het niet normaal zo’n mooi en samenhangend cadeau van je geliefde te wantrouwen, niet te waarderen en af te wijzen. Ik smijt alles onvindbaar in die diepe greppel langs de weg naar Kilder. Toen ik er langsreed, greep me plotseling de angst bij de strot er zelf in te belanden als ik ook maar éven niet zou opletten.
Love is only possible in loyalty and trust. If you don’t believe me, leave me. This fight for tenderness … at our age!
First of all trust me, then love me. I’m not a man of sharing his soul.
Na Joke sliep ik tot half zes en na het eten tot 20u30, maar de duivel zit nog steeds op z’n zetel alsof hij wacht op mijn komst. Wat een pijn, wat een ondraaglijke pijn.
Ik mis haar, haar liefde is in wezen zo goed en verwarmend. Onfeilbaar is niemand, maar ik heb zelfs geen enkele gedachte die me onbetrouwbaar zou maken.

Vrijdag, 28 oktober
Bij de post onder meer een boek uit 1991 over Maarten ’t Hart, de kunstschilder en architectuurtekenaar uit Avereest (1950). Een Noordelijk realist die in zijn stillevens sterk doet denken, en er niet voor onder doet, aan Helmantel (kijk maar op Art Revisited). Hij was me voor het eerst echt opgevallen met zijn tekening van de ‘Grote kerk en markt in Plankhuizerveen’, dat via Google onvindbaar bleek. Het kan een gehucht zijn van het formaat luciferdoos, maar een dergelijke bestaande kerk zou aan niemands aandacht kunnen ontsnappen. Het is fascinerend, onkreukbare kunst. Straten, interieurs, stationnetjes die je zó hebt gekend, maar nergens meer bestaan. (Over heimwee gesproken ….) Vergankelijkheid, veranderlijkheid, de oorspronkelijke inhoud, de nieuwe betekenis. De kunst zoals ’t was, feilloos maar in de tijd  kwetsbaar.
Als de koerier is geweest, ga ik weg. Ik mis Orithia.

Trouwens, die aanwijzing van mijn leeftijd, dat is toch onzin, ja, onzin-delijk denken, alsof er ooit een moment komt dat je met de armen over elkaar kunt zitten of, nog dwazer, dat jij met jouw pijn nu wel gespaard mag worden. Nonsens met vette vingers. Al is het onoverkomelijk, dat die fysieke pijn m’n stemming en gevoeligheid behoorlijk beïnvloedt.
Tot overmaat: met het avondeten gebeurde hetzelfde als zondag. Ik was alleen. Verschrikkelijk. ‘Niet in paniek raken – geen paniek, hoor je me – neem water, neem kleine hapjes – dit komt van alle emoties deze week, rustig ademhalen, rustig …. ‘, en zo heb ik alles opgegeten.
Op de troon van de dag zat het gesprek. Orithia en ik laten elkaar niet los. We zijn blij met elkaar, we realiseren ons dat dit leven een opgave is voor allebei. (Ze kon niet eerder komen dan 21u30.) Omdat ze wel eens had gezegd, dat haar huis als een soort bushalte voelt en dat ze nergens aan toekomt, had ik al die tijd nagedacht hoe ik dat kon helpen verminderen. ‘Waar kan ik twee of drie weken logeren?’, maar ik kwam er niet uit.
De koerier is niet geweest.
Een warme omhelzing is het zegel voor de nacht.

Zaterdag, 29 oktober
De dag van de wintertijd. Janet heeft me gedoucht. Ik wacht tot 14u op de koerier, daarna ga ik naar Deun, de lijstenmaker. En Trouw kopen met het winterseizoen van Ron Blaauw. Hopelijk blijft het droog.
Het boek is gearriveerd. Ik ben naar Van Deun geweest; samen met een sympathieke en alle tijd nemende vrouw een mooie lijst uitgezocht voor ‘Titus’, volgende maand een lijst voor het schilderij dat Jolan maakte en daarna nog een voor het schilderij van Marius van Dokkum. Ik wilde nog wel verder, maar het was verschrikkelijk druk, door de pijn had ik m’n kop er niet bij, voelde me bang en ongelukkig, was te warm gekleed. Harder rijden durfde ik niet.
De teller staat op 153.

Wat er hier speelde, is voor beiden moeilijk. Of er nu wel geen sprake is van wat ik onzindelijk denken heb genoemd, het is er. Ik doe wat het meest wijs is te doen: Orithia serieus nemen omwille van het behoud van wat ons lief is. Liefde is kwetsbaar maar van grote(re) waarde. Dat is het enig oprechte wat ik er nog over zeggen kan.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. Levenslessen. Afbeelding: het meesterwerk van Rein Pol, groepsportret (veelluik) ‘Pollegorie. Een hommage aan het Noordelijk Realisme’.]