Pagina's

vrijdag, oktober 26, 2007

Bemoedig de barmhartigheid

We vormen een kring van mensen
zoals we zijn, mensen van passies, falen en
twijfels, maar ik kan niet in woorden gieten

wie we zijn. Maar hebben we niet gemeen
dat we allemaal door een woestijn gaan en onze
eigen oases vinden?

Ik leerde uit een verhaal over Judas, dat we zo
gemakkelijk de ander de schuld geven. Betekent dit,
dat ik die eerst eigenlijk zelf had?

Het gewicht te weten wie wij zijn, ja warempel,
dat is toch groter dan te wijzen naar de ander
want ‘ik heb het nooit gedaan’.

[© MN, in ‘Jaag je niet van jezelf weg’, het deel “Exodus”. Afbeelding: “The messenger” by Robert Schoeller.
Ik ben overigens nu wel tot 6 november naar kasteel Slangenburg.]

woensdag, oktober 24, 2007

Menselijk, maar al te menselijk

Hier staan we, samen in hetzelfde beeld,
het zijn de dichter en de struisvogel die er
als een haas vandoor gaan.

De vluchteling zal vast niet ver komen. Maar nee,
hij vertoont geen kunstje, het enige dat hij bedacht,
is dat onwetendheid wel eens fijn kon zijn,

en zie toch die gespierde poten, die verende vacht,
soms is het een lust voor de gedachte, de blik
op oneindig, een idee dat me niet eens verveelt.

Zodra ik weer bij kennis kom, weet ik dat
het bestaan me lief is, laat ik er maar geduldig in
schrapen, dan keert de tederheid vast weer terug.


[© MN, in ‘Beeld van binnen, beeld van buiten’. Vat het niet op als teken van zwaarmoedigheid; we hebben soms niet op alle vragen antwoord bij de hand. Ik heb nog de tijd. ‘Volgende keer beter”, denk ik maar. “Escape of an artist” by Duy Huynh.]

maandag, oktober 22, 2007

Het broze wezen en de dienaar
“Die Zeit ist mein Besitz, mein Acker ist die Zeit”

Het kost heel wat kruim een dichter
en mezelf te zijn, maar is dat niet
juist al wat de moeite waard is?

Laat mij maar ploeteren, van vroeg
tot laat want vastzitten aan gewoonten
slijt, discipline niet, zo verzet ik mijn wegen.

Ik ben een dichter zonder lawaai, een zachte man
die sober is. Ja, ik ben allergisch voor een morsig
leven en zoek de moed om te dienen.

Een mens die mogelijk rijker is aan taal dan aan liefde,
maar mijn ziel noch eiland is een vreugdeloos
gevang. Ik ga er nog niet vandaan.


[© MN, in Met gespitste oren luisteren, in het deel ‘Zijn mijn leven en geluk nog wel gaaf?’,
met een wijsheid van Goethe. Afbeelding: “Tristan” van Stephane Fugier.]

zaterdag, oktober 20, 2007

IM Jan Wolkers

Een generatie ouder, maar natuurlijk de schrijver van mijn tijd. De rebel van Rottumerplaat*, de zachtmoedige van het eiland. De openhartige man, de hartstochtelijke en gulle man is 19 oktober 2007 in zijn slaap overleden, oud en broos naast zijn vrouw Karina. 81 Jaar. In het diepst van zijn ziel een schilder en beeldhouwer, schrijver en dichter.
De kruidenierszoon uit Oegstgeest, geboren 26 oktober 1925, werd beeldend kunstenaar en ging, zoals Maarten ’t Hart zei, “als een wervelwind door de literatuur”, met zijn ‘Kort Amerikaans’, (1962), ‘Een roos van vlees’ (1963) en ‘Turks fruit’(1969). Maar zo ging hij ook door het leven, hij is mede de schepper geweest van een nieuwe moraal. Met zijn openheid, zijn tomeloze energie, dwarsigheid en lef stootte hij door alle muren van opvattingen. En tegelijk was daar de liefde, zijn uit tallozen te herkennen stem, zijn ontzag voor het verleden en zijn immense respect voor de natuur die tekenend waren voor de zachtmoedigheid, voor de man die het verstond van zijn leven een kunst te maken. Een vriendin schreef me: “Ik dacht altijd, hem hebben we tot in de eeuwigheid. Dat is ook zo, maar anders nu.” Een dijk van een man, wiens lichaam slonk zoals eens bij ons tot een laatste soms onhoorbare zucht, een man die een spoor van liefde achter zich laat, een spoor dat over een eeuw nog niet is uitgewist en graag gelezen wordt. Zo gaat dat met les résonances de l'amour.
[* Denk aan de legendarische radioreportages in juli 1971 toen Jan Wolkers en Godfried Bomans achtereenvolgens een week op het onbewoonde eiland vertoefden. Voor Jan was het een triomftocht, maar voor de geestrijke Godfried een drama.
Collage van rechts naar links: Foto van Monique Baan: Jan Wolkers op Texel, vervolgens een foto van Steye Raviez, een omslagfoto voor zijn ‘Dagboek 1974’ en het boek ‘Terug naar Oegstgeest’, het boek dat voortkwam uit de dood van zijn broer in 1944.]

vrijdag, oktober 19, 2007

De dichter als strandjutter

Dagenlang worstel ik met het beeld
van de strandjutter alsof ik op geen ander
kan komen. Het is niet slechts van dit eiland,

maar van de twijfel die ieder kent. Ik stel vragen,
sprokkel halve antwoorden en weeg elk ervan in stilte,
zie wat waar is voor de tijd dat ik leven mag.

De strandjutter neemt zelfs op ‘t oog het onaanzienlijke
en daarin is hij gelijk een dichter die later wel weegt
welke waarden hem binden of breken.

Hoe ook de onvolmaaktheid ons eigen blijft, ik moet
wel mijn meester zijn want als ik daarin verzaak,
word ik de knecht van onechtheid.

[© MN, in Tot je een ons weegt, Afbeelding: painting “Wisdom” by Charmine.]

woensdag, oktober 17, 2007

Hoop, geloof en liefde, daar moeten we het van hebben

Bij vrijwel elk bezoek is zij er ook, een vrouw van gezet postuur met een eigenwijze maar alleraardigste uitstraling, het is alsof ze leest, is soms druk met allerlei formulieren en tal van kortingsbonnen. Ze is alleenstaand, heeft een kleine WAO-uitkering en gaat vaker naar Dudok dan ik. Ze drinkt één koffie verkeerd met honing en een glaasje water. Ze eet heimelijk haar meegebrachte boterham.
Het bleef altijd bij een vriendelijke groet, maar dit keer zocht ze contact. Nee, dat deed ze telkens, maar onhoorbaar, nu kwam voorzichtig het luide woord. Het was half acht en ik las juist in HP/De Tijd een kwade brief van Van der Heijden aan Arnon Grunberg omdat die het proza van A.F.Th. niet te pruimen vindt en zij beiden voor dezelfde prijs zijn genomineerd. Prompt komt laatstgenoemde met enkele duidelijke inconsistenties in de roman Tirza. “Wat is het vroeg donker.” Het was alsof ze even hardop een gedachte kwijtraakte, zo luidde haar stem. “Over een paar weken gaat de wintertijd in en dan gaan we gaan langzaam naar vijf uur, half zes”, zei ik. Wat een pessimistische boodschap, maar goed, na enig gekeuvel hierover vertelde ze te leven met het verre vooruitzicht naar het paradijs. “We komen steeds weer terug, tot we allemaal volkomen zijn, gered van alle tekorten. Daar zie ik naar uit. Je keert terug in en met jezelf, en je herkent ook je stem, dat is het mooie.”
“Is met het leven van nu niet te leven dan?”
“Nee, als ik dit geloof op het oneindig goede niet had, zou ik niet willen leven. Maar wat ook zo mooi is hè, nu zie je allemaal overlijdensadvertenties, dán niet meer. Dan staat er: ‘Opstanding’. Já”, zei ze en keek me doordringend aan. “We zijn hier om te leren, net zo lang tot we ‘er zijn’.” Ik keek haar aan en lachte haar toe.
“Wat herinnert u zich van vorige levens?”
“Niets. Dat is nu juist het mystieke. Móói toch!”
Daar kan ik niet omheen, maar waag het toch. “Merkwaardig. Hoe weet je dan welke les je nog niet snapte? En leren we niet allemaal in een zéér verschillend tempo, zullen we wel ooit tegelijk aankomen?”
Ze haalt haar schouders op. “Maar er kómt een paradijs! Daar wacht ik op.”
(Is dit nu de uitzichtloosheid van het huidige leven? De teleurstelling en tegelijk de hoop? De overbodigheid? Ik weet het niet. Ze heeft in elk geval een manier gevonden haar leven te leven.) Ik zei wat ik al een minuut of acht eerder had opgemerkt, dat ik nu echt naar huis wilde en moest gaan afrekenen.
“Dank voor uw aandacht. Dat maak je niet vaak mee hoor. Men vindt het klare onzin wat ik vertel.”
“Hoe kan ik weten of de toekomst ons onzin brengt? Een fijn weekend mevrouw.”
[Fresco “The last judgement” by Nardo di Cione, ca. 1350.]

maandag, oktober 15, 2007

15 oktober Milieudag
World Blog Action Day

Dit beeld, Gaia, is zowel een prachtige figuurstudie als een krachtig sociaal commentaar. Gaia is in de Griekse mythologie de godin van de aarde.
Gaia werd altijd afgebeeld als een mollige vrouw, vaak oprijzend uit de grond en op die wijze verbonden met de natuur. Ian Norbury koos er echter voor om haar in een waandood uit te beelden maar ook oersterk zoals moeders zijn, achterover over een zwart gemaakte aarde als signaal over onze oneerbiedige en vaak hypocriete, zelfs vernietigende houding ten opzichte van de wereld waar wij wonen.


We hebben een toenemende honger naar energie, maar het wordt steeds duidelijker dat we via de achterdeur de wereld vervuilen. Kan dat leiden tot een schoon geweten?
“’Groen’ is goed, dat verbetert de wereld”, wordt er gezegd, maar geld moet geld opleveren en de kwartaalcijfers zijn nog immer van immens belang. We leven op de wals van het groeicijfer. (En pixels, steeds meer pixels.) Zou het een gewetenszaak zijn? Dat ‘groen’? Ander voorbeeld: precies een week geleden vertelde iemand, werkzaam bij een grote textielonderneming, over een staaltje van misleiding. “De Dolle Dwaze dagen van de Bijenkorf? Wij leveren een grote partij overhemden, dezelfde als anders, kant-en-klaar met de sticker erop: ‘van zoveel … vóór zoveel’.” ’s Anderendaags lees ik in de krant dat die dagen voor relatief het grootste deel van de omzet zorgen.
We verlangen ernaar te houden wat we hebben, liefst wat meer erbij. Groeien we ook in welzijn? Zit de werkelijke schaarste juist niet in de dingen die we niét kunnen kopen?
De bronnen zijn talrijk en tegenstrijdig. Velen denken dat het de eigen kruimel niet waard is. Het moment van het besef dat het allemaal maar een verhaaltje is, wordt denk ik zo lang mogelijk uitgesteld.
[Sculpture by Ian Norbury.]

zaterdag, oktober 13, 2007

Een vliegwiel van geluk en lijden

Soms zijn we eenzaam in ons verdriet,
in onze fouten en verlangens
is het lastig wonen.

Soms lezen we enkele zinnen en
herkennen plots ons leven
als uit een diepe put gewonnen.

Het leven is bij tijd en wijle mooi,
maar als huilen en troost ons kan
bevrijden, is weer wat lijden voorbij.

[© MN, in ‘Troostvolle brieven’. (Wat speelt er niet in ons o zo kwetsbare brein.)
Afbeelding “Sleep well” by Mihai82000.]

donderdag, oktober 11, 2007

Is ons leven een zelfgekozen gevangenschap?

Zie voor mijn raam een zorgvuldig geweven web met achttien spaken, gespannen met zes draden in een kozijn van 60 x 80. Het web, 40 x 55, is al meer dan tien dagen oud, de kleverige draden als sporen van begeerte, dunner dan het dunste garen, trillen in de zachte ochtendwind en er vallen gaten in. Het is een verlaten huis geworden, in korte tijd een versleten doek, zelfs geen gevangenis voor vliegjes. De kruisspin, die ik meermalen van noord naar zuid zag gaan, is verdwenen. Ik zie dat hij in de vrije hoek van het raam nog even geprobeerd heeft opnieuw te beginnen, een veel fijnmaziger wielweb, maar na tien rondjes hield hij het voor het gezien.
Is ons leven niet ook een zacht wiegend web, sterk en kwetsbaar, een weefsel waarin wij wonen? Beven we niet ook soms als een haas in een strik? Is het soms ook niet een onontwarbare knoop waaruit we ons nauwelijks kunnen bevrijden? Worden onze gedachten niet vaak overweldigd door twijfels, vermoedens en felle hartstochten? Hoeveel onkruid als haat of ongenoegen en hebzucht hebben we niet te wieden? En zo gaan we van geboorte naar ouderdom.
[Afbeelding: “Fairy on a spider’s web” by Arthur Rackham.]

woensdag, oktober 10, 2007


William Soutar, Het dagboek van een stervende
Vaak scheert een gedachte eerst een poosje als een mot rond

Veel liever had ik gezien, dat dit boek gebracht was met de titel Het brood van de ervaring want dat komt heel wat dichter bij de realiteit van dit proza dan de gekozen titel die eerder afschrikt dan aantrekt -, of: De dichter en ik, beiden naast de hoofdweg van het leven (te lang), beter nog De greep op dode jaren. Het zijn titels die intrigeren, zeker als het een dagboek is. Het zijn dagboekbladen uit de jaren 1930 – 1943. Ten onrechte wordt een sterfbed gesuggereerd van zo lange tijd, terwijl dat pas het geval wordt van eind 1942, tot het net zich rond de innemende, eigenzinnige dichter sluit en hij in oktober 1943 sterft. (Ook al bedacht hij al in augustus 1932 een bepaald tragisch grafschrift: ‘Hier ligt een man die niet kon beminnen’, - maar dat sloeg in feite vooral op zijn karakter, niét op zijn fysieke conditie of mogelijkheden.) Meestal was hij een blozende strijder. Bovendien, pas een dag na zijn ‘doodvonnis’, toen zijn huisarts in juli 1943 tuberculose constateerde, begon hij aan The diary of a dying man.
Ik kocht het boek op 21 mei (zie weblog) en in juni schreef ik er nogmaals kort en terloops over. Maar het thema ‘tegenwoordigheid’ van Pascal Mercier deed me plots denken aan een zin van Soutar uit maart 1936. “Wanneer je bedenkt hoe kort ons verblijf op deze aarde is en hoe betrekkelijk saai en betekenisloos ons leven verloopt, verbaast het je hoe bekrompen en weinig geïnspireerd we met elkaar omgaan.” Ik pakte het boek uit een van de stapels hier op tafel. De zin klopt, en hij voegt er nog dit aan toe: “Wij komen bij elkaar, praten over algemeenheden en draaien de lappenmand met clichés keer op keer om. Alles wat voor bespreking in aanmerking komt kennen we van buiten.”
Als gevolg van een wervelontsteking een bedlegerige man, een man van kwatrijnen, een eenzelvige man maar wel een met humor, een man met ogenschijnlijk conservatieve opvattingen over de zinnelijkheid (maar hij bewonderde het werk van D.H. Lawrence, zijn grote literaire voorbeeld) en dit boek is vooral de selectie van Alexander Scott, gemaakt in 1954. Trouwens, nu ik opnieuw in het boek lees, treft mij in de inleiding de zin van Harry Oltheten, de vertaler: “Op 14 mei had hij in zijn Journal geschreven: ‘To accept life is to give it beauty’.” De uitgever – Vorroux, bracht het in een prachtige uitgave – had er veel beter aan gedaan een nieuwe selectie te laten maken want Scott bleef met zijn keuze te sterk in de moraal van de tijd.
William Soutar wordt uitmuntend verzorgd, krijgt veel bezoek. Veel geklets. “Ik zou wel eens willen uitrekenen hoeveel jaren van iemands leven worden besteed aan het laten wapperen van de tong.” Zelfmedelijden kent hij niet – ‘en laat me nooit uit zijn op medelijden’ - , hij is kritisch, strooit droge humor en is scherp in zijn observaties. Hij schrijft en leest en andersom, voorgoed gestationeerd op een soort eiland, vaak in een beperkte kring van doodsaaie respectabele geesten, op een enkele vriend na en van een of twee vrouwen die wars zijn van het gebruikelijke geroddel. Hij voelt zich vaak in beter gezelschap als zijn bezoekers weer vertrokken zijn. Soutar is een meester van de korte typeringen, een meester in soms grillige humor, maar het was ook afzien want elke seksuele impuls had wel iets avontuurlijks maar bleef slechts wonen in de verbeelding. En die was rijk. Dan besteeg hij Pegasus – het paard in de Griekse mythologie – waarmee hij als dichter de werkelijkheid ontvluchtte, maar daarover staat vrijwel niets in dit boek. Wel dat hij gezegend was met een volbloedige viriliteit, helaas in een immobiel lichaam.
Evenmin komen we veel te weten over de aard van zijn ouders. Ze waren zorgzaam, en zijn vader liet William’s kamer flink uitbouwen, met een extreem groot raam, ‘a room with a view’. “Hoe dan ook”, schrijft hij, “ons gezinsleven is altijd heel aangenaam geweest, geschraagd als het werd door de stille aanvaarding van onze onderlinge afhankelijkheid. Demonstratieve liefkozingen kwamen bij ons niet voor.” Een ingetogen familie.
William Soutar, een intellectueel, kritisch over zijn tijd van sociale chaos en materialisme, een man van het woord, van de nadenkendheid, van symbolen die het bewustzijn beroeren, een dichter die iets van een kind heeft behouden en vragen stelt. Soms dezelfde als in de romans van Mercier. “Wat zou er gebeuren als we onze geheime gedachten en woorden zouden opbiechten?” Hij las alle poëzie van zijn tijd en zijn eigen werk werd goed ontvangen. Poëzie is een kwestie van beleving, dat vond hij, en pas dan ben je een goede dichter.
Ik besluit dit klassieke meesterwerk in de dagboekliteratuur met een passage die hij negen dagen voor zijn dood schreef. “Wat schijn ik in een slakkentempo te leven, terwijl mijn tijd toch in een rap tempo opraakt. Ik geloof dat geen van mijn vrienden nog vermoedt dat ik ten dode opgeschreven ben en het zou mij goed uitkomen als zij nog een behoorlijke tijd zouden denken dat ik een aanval van bronchitis heb of iets dergelijks. Wanneer zij er uiteindelijk toch achterkomen, zal er in een eerst open vriendschap een ondefinieerbare terughoudendheid sluipen.” (WS, 1898 – 1943.)
[William Soutar, Dagboek van een stervende, Uitgeverij Vorroux. Afbeelding: “Pegasus” van Karl Heinz Metzger. Ik schreef het eerst met de vulpen, weldadig om te doen, maar het wordt al gauw te lang, zo blijkt: 900 woorden, 400 teveel. Mijn excuus.]

maandag, oktober 08, 2007

Klik voor de leesbaarheid

zondag, oktober 07, 2007

Natuur. Een zelfportret

De zon schijnt door het transparante
kersenboomblad, verderop in het land zien
we plots de wereld van onze kindertijd,

de paddenstoelen, altijd dicht bijeen en
beschut door het warme groene schors. Er is geen
mensenhand aan te pas gekomen,

het is alleen hoe de aarde in zichzelf
voorziet, maar het blijft een oase
van verwondering en verhalen.

[© MN, in “Bladeren in een middag”. Foto van Chrisje.]

vrijdag, oktober 05, 2007

Willen zien wat aandacht verdient
‘Neig het oor van uw hart’, zegt Benedictus


Het luide gedruis in alledaags leven,
in de afrekencultuur, is een bron van laksheid,
grofheid en verspilling. De vermaledijde gejaagdheid
voert tot cascades van kwaad en innerlijk geweld.

Waar is de stilte, het rustige geduld, waar is
de eerbied, is het met alle ambities verdreven
naar het isolement? Van alles is de gedaante tijdelijk,
we kunnen nog morgen beginnen.

De dichter voedt zijn verlangen, hij tracht
zich te verbinden met anderen in het besef van velerlei
beperking. Zijn lichaam gelijk een ruïne, geconserveerd
met schroeven, maar zieltogend, neen, dat is hij lang niet.

[© MN in ‘Met gespitste oren luisteren’, mede geïnspireerd

door Wil Derkse, auteur van ‘Gezegend leven’.
Afbeelding als ‘tegenbeeld’: “A silence like intimacy” by Jackie Morris.]

woensdag, oktober 03, 2007

Pascal Mercier, een schrijver, en ook nog de filosoof die hem hielp
Twee meesterwerken, met meer in aantocht

Voordat ik een paar regels schrijf, breng ik hulde aan de vertaalster, Gerda Meijerink. Het is buitengewoon knap hoe ze als het ware in de meesterhand van Mercier is kunnen blijven, zo subliem, minutieus, ademloos, is het vertaald. En alléén maar om hetzelfde nog eens anders te kunnen lezen, zal ik de ‘Nachttrein’ in de oorspronkelijke taal gaan lezen.
Soms leek het alsof ik de volgende bladzijde niet durfde om te slaan, maar vaak had ik de rechterpagina al in de hand terwijl ik aankwam op de eerste regels van die pagina en er dan zeker van was zonder haperen of pauze de laatste zin ervan op de volgende bladzijde meteen te kunnen vervolgen. Zo ging het met de Nachttrein, waar ik eerder over schreef, en precies zo met Perlmann’s zwijgen, allebei een roman als filosofie. De ‘Nachttrein’ is zachtmoediger en geheimzinnig, ‘Perlmann’, achtervolgd en bijna gewurgd door schuld en schaamte, ingemetseld in de tijd en in de ban van de verbeelding met slechts minuten van bevrijding, is onthutsend, aangrijpend en adembenemend en verbluffend gedetailleerd. (In een decor van academici zoals ik academici zelf heb leren kennen.) Soms wilde ik even niet verder met Philipp Perlmann precies zoals hijzelf soms zwijgend naar lucht snakte – misschien omdat hij zelf vond er geen recht meer op te hebben nog te bestaan -, terwijl de opwindende reis van Gregorius, 57 jaar, zijn rusteloze zoektocht naar Amadeu de Prado me niet lang genoeg duurde.
Hoe wie ook over Philipp Perlmann gaat denken, zo arm als hij is geweest aan het vermogen tot liefde, zo verschrikkelijk rijk zijn z’n intellectuele vermogens, zijn taal en hoe hij eraan vijlde, zijn observaties en scenario’s, zijn geheugen. Het is bijna niet te geloven dat hij niet is gestorven in slechts de dunste jas van de diepste crisis, keer op keer, geen douche of pil bracht er verandering in. Soms ging hij wel lachwekkend ver in de controle over de dingen, maar dat is Perlmann ten voeten uit, zeker zoals hij zich voortdurend in het nauw gedreven voelde in het gevang van zichzelf en door het academische toneel, het wantrouwen en de afgunst (niet in het algemeen, maar in de beleving van Perlmann). Het verwarmende is gelukkig, in beide boeken, dat alle mensen je aan het hart gaan. Philipp, krachtig en kwetsbaar, heus niet in de laatste plaats. En wat voor Philipp geldt, gold ook voor Gregorius – tezamen 1000 bladzijden: een akker ontginnen zonder te weten wat er op zou kunnen groeien, zodat uiteindelijk het inzicht misschien ontstaat hoe dwaas het is je op te sluiten in een innerlijke vesting, dat een dergelijke afbakening je van jezelf afhoudt en het je onmogelijk maakt toegang te krijgen tot de tegenwoordigheid en dus niet onbevreesd staat voor wie je bent. (Zag laatst ergens een zin: “mijn gedachten schreeuwen altijd, maar mijn mond zwijgt”.)
Hebben we het leven zelf in handen, kunnen we ons lot sturen of laten we het, alsof we op een schavot staan, zich voltrekken? Is het mogelijk onszelf te kennen? Hoe is het als je beroep je in je latere leven als in watten of sneeuw ontglipt en hoe krijg je dan weer vat op de tegenwoordigheid? Wat zou er gebeuren als we het leven mochten overdoen? Het leven wordt tot in de kern geraakt. Waarom kies ik wat ik kies? De vrijheid, dat is het centrale thema in al het werk van Pascal Mercier, alias Peter Bieri (1944), de Zwitsersduitse hoogleraar filosofie aan de Vrije Universiteit van Berlijn. Peter Bieri is evenals Mundus Gregorius, Amadeu de Prado en Philipp Perlmann een man gefascineerd door talen. Taalwerelden. Hoe begrijp ik de wereld waarin ik leef? “Wat begrijp ik van de verhalen op televisie als Irakezen over hun ervaringen vertellen en het voor mij abracadabra is?”, zei Mercier in een interview. Ik zie uit naar de vertalingen van De pianostemmer en Lea; Mercier, Mundus, Amadeu, Philipp, Leskov, het zijn onvergetelijke namen.
[Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon en Perlmann’s zwijgen, beide boeken bij de Wereldbibliotheek. Afbeelding: peinture de Pascale Mercier (1968), “Révenie”, maar mogelijk, voor mij, ook Maria João Ăvila.]

maandag, oktober 01, 2007


Zo uit het dagelijks leven
Een kleine onbeduidende metamorfose

(Ik schrijf vandaag) opnieuw de eerste onwennige regels met de vulpen die ik van Chrisje kreeg toen ik doctor werd, een Mont Blanc met de inscriptie “De odyssee 1998”. Ik heb er zeker al drie jaar niet mee geschreven, terwijl het een pen is van enkele honderden guldens, geschonken als eer aan een schrijver, een schrijver die zijn pennen al lang had verruild voor een toetsenbord en voor veel vluchtige notities of observaties een van zijn ballpoints gebruikte, bij voorkeur de Charles Hubert en in de marge van teksten zijn vertrouwde vulpotlood, een Cross.
Sinds de operaties in 2005 is mijn handschrift verknoeid, voor anderen wellicht onleesbaar, voor mezelf wel herkenbaar maar onaantrekkelijk. ‘Hij heeft een vreemd geworden hand van schrijven.’
Er staat hier nog een potje inkt, Königsblau, nu onmisbaar want met een langdurig genegeerde vulpen is niet te schrijven, ook met een Mont Blanc niet. Nee, onvindbaar was hij niet want ál die tijd lag de set pennen en het vulpotlood als het evidente attribuut van een schrijver op mijn werktafel. Voor de Mont Blanc had ik altijd zwarte inkt, in cartridges, en voor de Waterman het potje Pelikan 4001. ‘Hij schrijft vandaag de dag vaker over volstrekt nutteloze gegevens, alsof hij alleen maar hoeft te controleren of hij nog wel schrijven kan, dat wil zeggen, in leesbare zinnen.’
Tegenwoordig gaat dat moeizaam en soms lijkt mijn woordenschat te zijn vermagerd omdat er geen argumentatie meer nodig is, geen vergelijk of overtuiging. Maar tegelijk is elke tekst ook soepel en vrij want hij is bevrijd van reputatie of ambities. ‘Hij is als schrijver veranderd omdat hij leeft in een ander landschap van de taal, maar hij is niet veranderd als een mens die hij niet kent.’ (People don't remember what you tell them, they remember what they experience.)
Ik leef in een sterk veranderde werkelijkheid en beschouw deze als de gelukkigste van mijn leven. De crises zouden anders doen vermoeden, ze waren uitputtend en leken soms verpletterend, maar zaten vastgeklonken aan een traumatische levensgebeurtenis en ééns zouden de klokken ervan gaan luiden. Hopelijk hebben we ze nu alle gehoord. Is er iémand een leven zónder beloofd? En, daarbij, een ander lichaam krijg ik niet en ongelukkig met mezelf ben ik evenmin, tenzij anderen mij nog zouden willen kneden naar een beeld dat zij liever zien.
Achter in dit oude schrijfblok ligt een gedicht van de Zenleraar Dōgen – jaren geleden, in the hope of finding a quieter, more calm existence – het gedicht “Mountain Seclusion”: ‘I won't even stop/ at the valley’s brook/ for fear that my shadow/ may flow into the world.’ Ik liep op het aardedonkere eikenbomenpad, dacht aan een nachtegaal, maar vond ook de woorden voor dit eeuwenoude gedicht. Zelfs daar zal ik niet aarzelen/ daar bij de beek in het dal/ ook daar zal de vrees mij niet weerhouden/ dat mijn schaduw in de wereld stroomt.
[Uit een handgeschreven tekst, MN. Dōgen Zenji (1200 - 1253) was een leraar, meester, Zen Boeddhist, geboren in Kyōto in zijn tijd een befaamd religieus leider en filosoof. Afbeelding: “De Wodanseiken” van J.J. Cremer, 1849.]