
William Soutar, Het dagboek van een stervende
Vaak scheert een gedachte eerst een poosje als een mot rond
Veel liever had ik gezien, dat dit boek gebracht was met de titel Het brood van de ervaring want dat komt heel wat dichter bij de realiteit van dit proza dan de gekozen titel die eerder afschrikt dan aantrekt -, of: De dichter en ik, beiden naast de hoofdweg van het leven (te lang), beter nog De greep op dode jaren. Het zijn titels die intrigeren, zeker als het een dagboek is. Het zijn dagboekbladen uit de jaren 1930 – 1943. Ten onrechte wordt een sterfbed gesuggereerd van zo lange tijd, terwijl dat pas het geval wordt van eind 1942, tot het net zich rond de innemende, eigenzinnige dichter sluit en hij in oktober 1943 sterft. (Ook al bedacht hij al in augustus 1932 een bepaald tragisch grafschrift: ‘Hier ligt een man die niet kon beminnen’, - maar dat sloeg in feite vooral op zijn karakter, niét op zijn fysieke conditie of mogelijkheden.) Meestal was hij een blozende strijder. Bovendien, pas een dag na zijn ‘doodvonnis’, toen zijn huisarts in juli 1943 tuberculose constateerde, begon hij aan The diary of a dying man.
Ik kocht het boek op 21 mei (zie weblog) en in juni schreef ik er nogmaals kort en terloops over. Maar het thema ‘tegenwoordigheid’ van Pascal Mercier deed me plots denken aan een zin van Soutar uit maart 1936. “Wanneer je bedenkt hoe kort ons verblijf op deze aarde is en hoe betrekkelijk saai en betekenisloos ons leven verloopt, verbaast het je hoe bekrompen en weinig geïnspireerd we met elkaar omgaan.” Ik pakte het boek uit een van de stapels hier op tafel. De zin klopt, en hij voegt er nog dit aan toe: “Wij komen bij elkaar, praten over algemeenheden en draaien de lappenmand met clichés keer op keer om. Alles wat voor bespreking in aanmerking komt kennen we van buiten.”
Als gevolg van een wervelontsteking een bedlegerige man, een man van kwatrijnen, een eenzelvige man maar wel een met humor, een man met ogenschijnlijk conservatieve opvattingen over de zinnelijkheid (maar hij bewonderde het werk van D.H. Lawrence, zijn grote literaire voorbeeld) en dit boek is vooral de selectie van Alexander Scott, gemaakt in 1954. Trouwens, nu ik opnieuw in het boek lees, treft mij in de inleiding de zin van Harry Oltheten, de vertaler: “Op 14 mei had hij in zijn Journal geschreven: ‘To accept life is to give it beauty’.” De uitgever – Vorroux, bracht het in een prachtige uitgave – had er veel beter aan gedaan een nieuwe selectie te laten maken want Scott bleef met zijn keuze te sterk in de moraal van de tijd.
William Soutar wordt uitmuntend verzorgd, krijgt veel bezoek. Veel geklets. “Ik zou wel eens willen uitrekenen hoeveel jaren van iemands leven worden besteed aan het laten wapperen van de tong.” Zelfmedelijden kent hij niet – ‘en laat me nooit uit zijn op medelijden’ - , hij is kritisch, strooit droge humor en is scherp in zijn observaties. Hij schrijft en leest en andersom, voorgoed gestationeerd op een soort eiland, vaak in een beperkte kring van doodsaaie respectabele geesten, op een enkele vriend na en van een of twee vrouwen die wars zijn van het gebruikelijke geroddel. Hij voelt zich vaak in beter gezelschap als zijn bezoekers weer vertrokken zijn. Soutar is een meester van de korte typeringen, een meester in soms grillige humor, maar het was ook afzien want elke seksuele impuls had wel iets avontuurlijks maar bleef slechts wonen in de verbeelding. En die was rijk. Dan besteeg hij Pegasus – het paard in de Griekse mythologie – waarmee hij als dichter de werkelijkheid ontvluchtte, maar daarover staat vrijwel niets in dit boek. Wel dat hij gezegend was met een volbloedige viriliteit, helaas in een immobiel lichaam.
Evenmin komen we veel te weten over de aard van zijn ouders. Ze waren zorgzaam, en zijn vader liet William’s kamer flink uitbouwen, met een extreem groot raam, ‘a room with a view’. “Hoe dan ook”, schrijft hij, “ons gezinsleven is altijd heel aangenaam geweest, geschraagd als het werd door de stille aanvaarding van onze onderlinge afhankelijkheid. Demonstratieve liefkozingen kwamen bij ons niet voor.” Een ingetogen familie.
William Soutar, een intellectueel, kritisch over zijn tijd van sociale chaos en materialisme, een man van het woord, van de nadenkendheid, van symbolen die het bewustzijn beroeren, een dichter die iets van een kind heeft behouden en vragen stelt. Soms dezelfde als in de romans van Mercier. “Wat zou er gebeuren als we onze geheime gedachten en woorden zouden opbiechten?” Hij las alle poëzie van zijn tijd en zijn eigen werk werd goed ontvangen. Poëzie is een kwestie van beleving, dat vond hij, en pas dan ben je een goede dichter.
Ik besluit dit klassieke meesterwerk in de dagboekliteratuur met een passage die hij negen dagen voor zijn dood schreef. “Wat schijn ik in een slakkentempo te leven, terwijl mijn tijd toch in een rap tempo opraakt. Ik geloof dat geen van mijn vrienden nog vermoedt dat ik ten dode opgeschreven ben en het zou mij goed uitkomen als zij nog een behoorlijke tijd zouden denken dat ik een aanval van bronchitis heb of iets dergelijks. Wanneer zij er uiteindelijk toch achterkomen, zal er in een eerst open vriendschap een ondefinieerbare terughoudendheid sluipen.” (WS, 1898 – 1943.)
[William Soutar, Dagboek van een stervende, Uitgeverij Vorroux. Afbeelding: “Pegasus” van Karl Heinz Metzger. Ik schreef het eerst met de vulpen, weldadig om te doen, maar het wordt al gauw te lang, zo blijkt: 900 woorden, 400 teveel. Mijn excuus.]