Pagina's

maandag, maart 31, 2008


De man van het ogenblik

Er zijn onvoorspelbare momenten dat mijn handschrift recht en leesbaar is, dat ik plots iemand kan aankijken of net een paar regels meer kan lezen dan de krantenkop. Typen lukt redelijk omdat ik de toetsen nog meer blind weet te vinden dan ik vermoedde, maar teruglezen vereist dan weer de loep en dat geef ik dan weer snel op want met een dichtgeknepen linkeroog en de neus op vijf centimeter van het scherm vergt meer energie dan ik heb, maar misschien blijkt het toch de aanhouder die wint.


(Ik ben na vier maanden Klimmendaal dan wel weer thuis, maar ik mis het wel als dagelijks vast baken en ofschoon steeds kritisch, vervulde ik er een eigen en gewaardeerde rol. Ik mis de lotgenoten, hun soms zonderlinge aard en geestigheid, en mijn therapeuten: zij zijn de koningen van de kliniek, niet alleen wat betreft professionaliteit maar vooral in bejegening! Ik mis mijn overzichtelijke eenzame kamer met alles bij de hand, ook mijn heilige Benedictus en het kleine sieraad Maria. Stapels post, cd’s, schitterende foto’s en elke week meer boeken – zoals van Mercier/Bieri, Jan Mankes, Co Westerik, Edward Hopper -, een veilige kamer, maar niet een die de verrukkelijkheid van mijn eiland ooit zou kunnen evenaren.
Een revalidatiecentrum is bij uitstek een wereld van de tijdelijkheid, het is een komen en gaan waardoor het leefklimaat soms ook op slag verandert, onrustig wordt of onbehaaglijk zelfs – maar dan loop of trippel je met de rolstoel door “de gang der kreupelen” naar het eigen kleine gevang. Tekenend voor ‘het ogenblik' is, is dat als mensen weg zijn, ze ook gauw vergeten lijken. Een opvallende eigenaardigheid was ook, dat tussen vijf uur en kwart over vijf iedereen in de huiskamer was. “Hier zitten we dan”, zei ik tegen Adriaan, “als wachtend vee bij de voedertrog.” Het duurde meestal nog wel een minuut of tien voordat de etenskar arriveerde en dan was het niet te begrijpen ingewikkeld om de bakjes en schotel op het juiste blad te krijgen. Daarna volgde het uitdelen van de medicijnen – al die tijd wachtten vermoeide stille gezichten op het laatste moment, één minuutje stilte. Ik vroeg eens wat iedereen nou zoal bidt, maar de meesten haalden licht hun schouders op. "Ik tel tot dertig”, zei Henk, “dat is vaak wel voldoende.” “En jij dan?”, vroeg Rina. Verlegen maar onontkoombaar antwoordde ik: “Heer, geef alle ontmoetingen het meest vrije karakter, hier en overal elders, dat bidden wij u.” (Weg met de vernedering, de onderdrukking et cetera.) Het eten was soms wat flauw, maar het smaakte goed, het roomyoghurttoetje niet het minst.)

Ik wil liefhebben zoals in het leven van nu, mensen ontmoeten, lezen en schrijven, maar het lukt allemaal in mindere mate dan ik wens. Ik wil het boek “Kruizen der aarde” voltooien, mijn gedichten bijeenbrengen en dan nog een veel grootser plan realiseren, namelijk een boek schrijven over Amadeu de Prado, de man die ik maar niet kan vergeten. Ik moet dus ieder ogenblik benutten maar het zijn er zo weinig; ik ben het brein van een ogenblik. Een brein op wielen, het enig uiterlijke invalideteken dat mijn beroerte naliet. (En niemand weet hoeveel tijd nog resteert, maar dat is ook geen reële dagelijkse gedachte.) Dus als ik maar niet teveel wil en geen haast heb, kan ik best gelukkig zijn. Ik moet het hebben van de liefde voor ’t leven, voor de taal en alle gedachten, voor de stilte, de inkeer, de overgave, de saamhorigheid - dat geeft me allemaal meer dan één dag vreugde over duizend euro.

Het gaat om de innerlijke krachtbronnen die we zwijgend bereiken, en als die stilte er is, door te graven, te graven zoals de ‘vroedvrouw Socrates’, naar het almaar zoekende antwoord naar wie ik kan zijn, hoe het leven ook is. Ik blijf een zoekend zelfgesprek. Meer dan een uur lang lichtjes schommelend in mijn karretje draai ik elk gevonden woord wel drie keer om en vind niets anders dan dit: ‘wil toch niet méér dan mogelijk is.’ Dat moet de geestelijke vonk zijn die ik moet integreren. Misschien komen die boeken er wel niet, ook goed. En daarbij, het eigene is wel van belang – je identiteit – maar of alles dat je wilt ook werkelijk kan en uitmaakt wat van waarde is voor je leven, dat is wat je tot de mens van het ogenblik maakt omdat je kennelijk overal buiten staat. Alleen in een sociaal weefsel is te leven – en de wederkerige verbinding met anderen staat buiten de tijd. In het niet meer geraakt worden door wat er om ons heen gebeurt, verpulvert elke materie.

[© MN, in “Elk mens een verhaal”. Het dateert uit de laatste weken van Klimmendaal, maar het is nog even actueel. Het is wennen, mijn nek is genoeg voor een half dozijn hoofden en ik kan geen sikkepit lezen. Maar terug naar het Engelengeduld van Kerstmis. Painting by Vladimir Moldavsky. Met dank aan de onmisbare redactionele steun van Chrisje.]

donderdag, maart 27, 2008


De vader der filosofen
(En de alertheid van een man die om zich heen kijkt)

Geen vraag was er te stellen en op geen enkele zou er antwoord zijn. De filosoof moest handelen. Normaal voor geen kleintje vervaard en wist hij wel raad met de prooi die hij op het oog had, maar ditmaal zat hij in de strik van een onbekende vijand. Slaan met zijn krachtige vleugels bracht hem schade, snijdend te keer gaan met zijn snavel mocht niet baten en ook zijn grijpklare klauwen lieten hem in de steek. Hij was, hoewel hongerig, sterk en verweerde zich uit alle macht. Er ontstonden onherstelbare mazen in het net, maar het scherpe draad ervan snoerde zich almaar dieper onder zijn veren en bonden zo een strakke niet meer te klieven doodsstrik. Het ogenblik van de wrede dood was onontwijkbaar.
Het was een koude nacht. Alle muizen bleven daar waar ze waren, behaaglijk en veilig. Dat werd de kerkuil toch te gortig. Zou er vis te grijpen zijn? Het was mistig dus hij scheerde laag over het water. Hij vroeg zich wel af of de vis zich met deze koude aan de oppervlakte zou wagen, maar van biologie had hij geen kaas gegeten. Zijn humeur werd er niet beter op en hij dacht er al aan terug te keren maar zag plots wat zonder twijfel een vis moest zijn – wat kunnen toevalligheden toch ongelukkig samenvallen. Precies op het moment dat hij met beide klauwen zijn prooi dacht te grijpen, dook deze als de bliksem naar de diepte, niet wetend dat hem daar een andere dood stond op te wachten, tenzij hij rechtsomkeer had gemaakt. Maar de lotgevallen van vissen doen niet vermoeden dat de meeste op een natuurlijke wijze een ‘sterfbed’ vinden. Het lot van de uil was weinig anders. Toen de vis nipt op tijd wegdook, zag de uil een barricade, hij spreidde zijn vleugels om af te remmen, maar het net was niet meer te mijden. Met een harde smak vloog hij zich vast en het gevecht dat volgde, was onmogelijk te winnen.
De filosofie kent vele vaders, maar het verlies van deze vader is uitzonderlijk treurig, gesneuveld in het harnas van zijn jacht. Gehavend en getekend door strijd keert hij terug naar het stof, het stof dat wij ooit met hem delen want in de dood wordt elk onderscheid teniet gedaan.

[© MN, in “Weer een vader verloren”. De foto is gemaakt door fotograaf Jan Wamelink in het eerste weekend van maart 2008. De foto verscheen op 4 maart in De Gelderlander. Overigens staat daar de foto verticaal afgebeeld, vermoedelijk ook volgens de bedoeling maar dan klopt mijn verhaal niet; met alle respect voor de fotograaf heb ik hem dan toch maar gedraaid. De belangrijkste regel van het onderschrift: “Een kerkuil is in een achtergelaten vistuig verstrikt geraakt en heeft een lange doodsstrijd gestreden en verloren
.”]

vrijdag, maart 21, 2008


Beperkt zijn is ook valide

De dag van de lente, ons symbool
van nieuw leven, zet de deur voor mij
open, goodbye Klimmendaal.

Veel ervaringen rijker, het verdriet
is verslagen of verdund in de levensstroom,
want zelfs in ziekte kun je gelukkig zijn.

De dichter is niet herboren, maar
weet te leven met wat hij kwijt is –
in de hoop dat dit geen overmoed is.

De dood is hem genadig geweest. Dat
hij moeizaam kan lezen, is twee, maar hij
en het woord blijven onverbreekbaar op één.

Dit alles vóór mijn dood geschreven,
in het verlangen dat het rustig blijft in ’t hoofd
en ik niet ooit verder leef als wrak.

[© MN, in “Elk mens een verhaal”. Ontslag 21 maart 2008, een dag in verwarring, ook innerlijk, veilig thuis in liefde en in boeken maar node enkele vrienden achterlatend. Afbeelding: Malerei von Quint Buchholz.]

vrijdag, maart 14, 2008


Over mijn lippen niets dan verlangen

Het ervaren van gemis, of het erkenning is of liefde of de dood, van er-niet-meer-zijn, is een bron van verdriet, van onbegrip, van verlangen, van wanhoop, soms van gekte want dan is het leven niet meer zoals het hoort te zijn. “Liefe papa ik wil je weer zien papa. Wil je mijn ook zien papa.” Nadja had het briefje met een rode knopspeld in het behang boven haar bed geprikt want haar vader was dood door zichzelf, een aardverschuiving van donker verdriet. Zo was er wel meer aan de muur toevertrouwd. Een paar tekeningen, een foto van haar vader, nog een briefje waarin ze vertelde “Ik heb twee liefe broers en een Mama, ik hou van jullie” en ook wat sprookjesachtige prenten van paarden en feeën en zelfs een foto van een brandende kaars.

Isabelle, haar moeder, ontdekt het briefje alsof het opvalt als een ster tussen de tientallen andere in het behang gehaakte plaatjes en versieringen. Nadja doet haar nachthemdje aan - verschoten en al veel te kort, amper over haar jongemeisjesbillen – en gaat haar tanden poetsen. (‘Mijn hemel, langs welke klippen en afgronden ben ik zelf niet gegaan? Maar Wout leeft in me. Hij is meer dan een herinnering. Soms is hij ook een vraagteken, ik weet het, dan verstrengelen boosheid en verlangen zich. Wil ik eigenlijk niet hetzelfde als Nadja?’) “Hoe lang hangt dat er al?” “Oh, van de week … papa heeft me geschreven dat hij een ster is geworden en dat hij elke avond naar me knipoogt … Ik hoop dat hij het een keer leest, maar ik zie hem nooit”, riep ze huilend.
Elke avond voor het slapen zegt ze ‘Truste papa’ en blaast ze een kusje naar de sterren. Ik vertelde haar dat als je bent overleden en dat je hem daarom ook wel niet kunt zien, misschien wel in onze dromen. Ik streelde haar gezicht en streek door haar haren. “Hier leeft hij Nadja, zoals we aan hem denken.” Ze huilde.
“Neen mama, ook niet in mijn dromen, hij heeft gewoon geen zin bij mij te zijn.” “Dat is niet waar lieverdje.” (‘Hemeltjelief, ik weet ’t ook niet. Was Wout maar gewoon hier.’) “Weet je schat, we laten het briefje gewoon hangen, en als hij dan een keer dicht genoeg bij je raam is en jouw mooie briefje ziet dan komt hij naar je toe, in het kamertje van je dromen. En zal hij je knuffelen, zoals vroeger.”
Nadja bleef maar huilen. Ik nam haar in mijn armen, haar wang tegen mijn borst. Een tranendal van troost en verlangen. Ze werd rustiger en opeens merkte ik dat ze in slaap was gevallen.

Ik keek naar een donkere hemel, geen ster te bekennen, “Wout, als je daar soms ergens bent, schenk haar het gevoel dat je in haar leeft, bezoek ons meissie met de mooiste dromen die je kunt bedenken, ze mist je zo.” ‘Ik ook’, dacht Isabelle, ‘over mijn lippen niets dan verlangen, maar nu de legers van zin en betekenis zich hebben teruggetrokken, wordt het rustiger. Het was een barre, jankende tocht van koestering en vijandschap, van eenzame waanzin, woede en omhelzing. In mij woont ook de dood, maar hij is nog ver van huis.’

[© MN, in “Altijddurende liefde van de moeder”. Fragment uit een werkelijkheid. De ziel gaat nergens heen, hij verrijst in de harten die voor hem openstaan. Afbeelding: een houtskooltekening van Anna Catharina Geijp.]

vrijdag, maart 07, 2008


Fantasie is méér dan onmisbare individuele compensatie
De mens als verhalend landschap III

Fantasieën hebben meestal iets bevrijdends, ze zijn niet beklemmend. Ze zijn nogal eens geheim, niet omdat ze moreel niet door de beugel zouden kunnen maar anderen in hun beeldvorming over ons wel op het verkeerde been zouden kunnen zetten, bijvoorbeeld door te denken dat we in werkelijkheid heel iemand anders zouden willen zijn dan degene die zij kennen – ze zijn vermoed ik geheim omdat ze zo diep en soms onbereikbaar persoonlijk zijn en grenzen noch wetten kennen. Er kan een verlangen uit spreken, maar dat hoeft helemaal niet samen te vallen met de wil dat verlangen ook te realiseren. Ik kan zijn wie ik eventueel wil zijn zonder dat ooit te willen. Fantasieën kunnen ons troosten of ons verlossen uit de dagelijksheid, ze kunnen ons verstrooien, maar ze kunnen ook de kiem zijn van wat nog moet worden. De kiem van een scheppingsdaad.
Fantasieën hebben een inspirerende kracht. En het woord ‘kracht’ is op zichzelf al van grote betekenis want meestal zijn we sterker, daadkrachtiger, spreken we ons beter uit dan we in werkelijkheid doen en dát zouden we wel vaak willen. Of toch liever blijven wie we zijn? Fantasieën die verwarrend, pijnlijk en bizar kunnen zijn omdat ze voor realiteit worden gehouden, vormen een bron van onmacht, ernstige frustratie, angst, agressie en waanzin, van zorg, mededogen en isolement.
Fantasie is noodzaak en bruggenbouwer. Het kan moeizaam gepieker tegengaan, het kan ongebruikelijke of onvermoede oplossingen helpen vinden en ze verbinden je vaak met de creativiteit van anderen, bijvoorbeeld om een concept meer handen en voeten te geven of omdat het ’t begin is van een duurzame relatie.
Ik schreef eens het aforisme ‘Liefde en lust zijn de vleugels van grote daden’, maar vlak de verbeelding niet uit. Wie zouden we zijn zonder verbeelding? Fantasieën zijn anderzijds helemaal niet geheim want onze hele wereld is gebouwd op basis van fantasie over nut en vormgeving, over macht en solidariteit en op ideeën over wat voor een aangename, leefbare, helende en rechtvaardige omgeving nodig is. Ze zorgen voor het sociale weefsel waarin we wonen. De verbeelding is het begin van samenhang en variatie.
De fantasie kan en mag een verleider zijn, maar is ons idool omdat het brein zonder fantasie, om naar ik meen met Elliott te spreken, is als ‘wasted land, cactusland’.

[© MN, in “De wereld waarin het aan niets en aan alles ontbreekt”. Afbeelding: “Fantasie”van Liesbeth Optendrees.]