
De man van het ogenblik
Er zijn onvoorspelbare momenten dat mijn handschrift recht en leesbaar is, dat ik plots iemand kan aankijken of net een paar regels meer kan lezen dan de krantenkop. Typen lukt redelijk omdat ik de toetsen nog meer blind weet te vinden dan ik vermoedde, maar teruglezen vereist dan weer de loep en dat geef ik dan weer snel op want met een dichtgeknepen linkeroog en de neus op vijf centimeter van het scherm vergt meer energie dan ik heb, maar misschien blijkt het toch de aanhouder die wint.
Er zijn onvoorspelbare momenten dat mijn handschrift recht en leesbaar is, dat ik plots iemand kan aankijken of net een paar regels meer kan lezen dan de krantenkop. Typen lukt redelijk omdat ik de toetsen nog meer blind weet te vinden dan ik vermoedde, maar teruglezen vereist dan weer de loep en dat geef ik dan weer snel op want met een dichtgeknepen linkeroog en de neus op vijf centimeter van het scherm vergt meer energie dan ik heb, maar misschien blijkt het toch de aanhouder die wint.
(Ik ben na vier maanden Klimmendaal dan wel weer thuis, maar ik mis het wel als dagelijks vast baken en ofschoon steeds kritisch, vervulde ik er een eigen en gewaardeerde rol. Ik mis de lotgenoten, hun soms zonderlinge aard en geestigheid, en mijn therapeuten: zij zijn de koningen van de kliniek, niet alleen wat betreft professionaliteit maar vooral in bejegening! Ik mis mijn overzichtelijke eenzame kamer met alles bij de hand, ook mijn heilige Benedictus en het kleine sieraad Maria. Stapels post, cd’s, schitterende foto’s en elke week meer boeken – zoals van Mercier/Bieri, Jan Mankes, Co Westerik, Edward Hopper -, een veilige kamer, maar niet een die de verrukkelijkheid van mijn eiland ooit zou kunnen evenaren.
Een revalidatiecentrum is bij uitstek een wereld van de tijdelijkheid, het is een komen en gaan waardoor het leefklimaat soms ook op slag verandert, onrustig wordt of onbehaaglijk zelfs – maar dan loop of trippel je met de rolstoel door “de gang der kreupelen” naar het eigen kleine gevang. Tekenend voor ‘het ogenblik' is, is dat als mensen weg zijn, ze ook gauw vergeten lijken. Een opvallende eigenaardigheid was ook, dat tussen vijf uur en kwart over vijf iedereen in de huiskamer was. “Hier zitten we dan”, zei ik tegen Adriaan, “als wachtend vee bij de voedertrog.” Het duurde meestal nog wel een minuut of tien voordat de etenskar arriveerde en dan was het niet te begrijpen ingewikkeld om de bakjes en schotel op het juiste blad te krijgen. Daarna volgde het uitdelen van de medicijnen – al die tijd wachtten vermoeide stille gezichten op het laatste moment, één minuutje stilte. Ik vroeg eens wat iedereen nou zoal bidt, maar de meesten haalden licht hun schouders op. "Ik tel tot dertig”, zei Henk, “dat is vaak wel voldoende.” “En jij dan?”, vroeg Rina. Verlegen maar onontkoombaar antwoordde ik: “Heer, geef alle ontmoetingen het meest vrije karakter, hier en overal elders, dat bidden wij u.” (Weg met de vernedering, de onderdrukking et cetera.) Het eten was soms wat flauw, maar het smaakte goed, het roomyoghurttoetje niet het minst.)
Ik wil liefhebben zoals in het leven van nu, mensen ontmoeten, lezen en schrijven, maar het lukt allemaal in mindere mate dan ik wens. Ik wil het boek “Kruizen der aarde” voltooien, mijn gedichten bijeenbrengen en dan nog een veel grootser plan realiseren, namelijk een boek schrijven over Amadeu de Prado, de man die ik maar niet kan vergeten. Ik moet dus ieder ogenblik benutten maar het zijn er zo weinig; ik ben het brein van een ogenblik. Een brein op wielen, het enig uiterlijke invalideteken dat mijn beroerte naliet. (En niemand weet hoeveel tijd nog resteert, maar dat is ook geen reële dagelijkse gedachte.) Dus als ik maar niet teveel wil en geen haast heb, kan ik best gelukkig zijn. Ik moet het hebben van de liefde voor ’t leven, voor de taal en alle gedachten, voor de stilte, de inkeer, de overgave, de saamhorigheid - dat geeft me allemaal meer dan één dag vreugde over duizend euro.
Het gaat om de innerlijke krachtbronnen die we zwijgend bereiken, en als die stilte er is, door te graven, te graven zoals de ‘vroedvrouw Socrates’, naar het almaar zoekende antwoord naar wie ik kan zijn, hoe het leven ook is. Ik blijf een zoekend zelfgesprek. Meer dan een uur lang lichtjes schommelend in mijn karretje draai ik elk gevonden woord wel drie keer om en vind niets anders dan dit: ‘wil toch niet méér dan mogelijk is.’ Dat moet de geestelijke vonk zijn die ik moet integreren. Misschien komen die boeken er wel niet, ook goed. En daarbij, het eigene is wel van belang – je identiteit – maar of alles dat je wilt ook werkelijk kan en uitmaakt wat van waarde is voor je leven, dat is wat je tot de mens van het ogenblik maakt omdat je kennelijk overal buiten staat. Alleen in een sociaal weefsel is te leven – en de wederkerige verbinding met anderen staat buiten de tijd. In het niet meer geraakt worden door wat er om ons heen gebeurt, verpulvert elke materie.
[© MN, in “Elk mens een verhaal”. Het dateert uit de laatste weken van Klimmendaal, maar het is nog even actueel. Het is wennen, mijn nek is genoeg voor een half dozijn hoofden en ik kan geen sikkepit lezen. Maar terug naar het Engelengeduld van Kerstmis. Painting by Vladimir Moldavsky. Met dank aan de onmisbare redactionele steun van Chrisje.]