Pagina's

woensdag, oktober 29, 2008


Twee gedichten voor Allerzielen, 2 november, elk in een eigen cel van het hart, van de ontmoeting, de ontroering en de herinnering. Allerzielen stamt uit de Benedictijnse traditie, waar het waarschijnlijk in de 10de eeuw voor het eerst werd gevierd.


Onder waakzame ogen haar reis gegaan

Toen eenmaal haar lichaam bewoond werd
door almaar teisterende pijn, brak haar geest
naar de grens van daarginder, anderhalf etmaal lang,

naar het land dat wij niet kennen,
het land van herkomst dat ook ons ooit
verwacht. Zij stak liever niet stil

en ongezien naar de overkant,
maar ze werd niet meer wakker, zij zag
niet ons treurig oog, maar voelde wel onze kus

van troost op haar zijdezachte huid. Zo wilde zij gaan,
in een onbekend besef, dat zij in ons woont,
zij, in ieder van ons zolang wij leven.


[© MN, “IM, Antje die wel voorgoed slapen wilde”,
23 juli 1920 - 16 oktober 2008, in “De wind waait de tijd als zandkorrels weg”, een gedicht over de ontroerende schoonheid van ouderdom, hoezeer wij het ook herkennen als menselijk lijden, als een slijtage die niets dan tranen wekt. Afbeelding: peinture “Le coeur” par Sophie Costa.]

Zoveel tederheid nu gedrenkt in droefenis

Elis, mijn lief, waer bestu bleven
mi lanct na di, gheselle mijn du coors
die doot, du liets mi ‘t leven.

Een milde herfstzon wenkte naar ons gesprek
ook al bleef een dikke traan onverborgen, “was
samen met haar gaan niet mooier geweest?”

Zie mijn oude, eenzame hart, Elis, het blijft vervuld
zoals in alle seizoenen en meer dan vijf decennia
verknocht aan jou, mijn zielsverwante, mijn zegen.

Je bent gehemeld, maar waer bestu bleven? Ik leef
de winter van mijn leven, het is het zwaarst wat ik ooit
torsen moest, in het geluk van de troost, dat wel. Ik wis

mijn ogen, wazig nog van al je tederheden, zet de kraag
omhoog en fiets naar huis, onze oude niche vol symbolen,
elke meter meisjelief herinnert mij aan gestorven rituelen.


[© MN, voor Dave. De eerste strofe is vrij naar Jan Moritoen, ca. 1400.
IM Elis 19 april 1926 – 24 augustus 2008. Afbeelding: schilderij van Wil Lof.]

zondag, oktober 26, 2008


Elk mens haar innerlijke oevers

Na elf maanden pijn en zichzelf willen zijn
kwam het gevreesde woord met zelfs
een explosieve groei. Welk mens kan zo’n schok

verdragen en tegelijk de hoop omhelzen waar
die niet te vinden lijkt, anders dan in de eigen ziel
en doorheen de tranenwaas in de getroffen blik

van man en dochters, van broers en zus - toch
is het die warmhartige nabijheid die het denkbeeldig
noodlot wil doen verbleken, haar helpen wil

het onvermijdbare pad draaglijk en begaanbaar
te maken, met zonlicht door de schaduw van haar leven,
zij, als een vroedvrouw delft zij alle verdwaalde kracht, als

een kwetsbaar wezen neemt zij uit onze handen,
tegen alle deernis komt troost en liefde, leest zij onze ogen,
traan tegen traan, jouw gevecht is ook het onze.


[© MN, ‘In een aaneengevlochten leven(sleed)’, fragment in Reken op wonderen. Afbeelding: painting by Deborah Walker “Fresh and timeless”.]

woensdag, oktober 22, 2008


Een sterven gekleed in liefde

Op de zesde dag na Dinsdag is zij begraven,
een oude, wijze vrouw met pijn en tegenzin aan het bed
gekluisterd, geweven in een krans van zorg en aandacht.

In de dood herkreeg zij weer haar pastelkleurige, zachte
huid van liefde, van zorg en gastvrijheid, hoe bevreemdend,
maar de dood is niet enkel wit of bleek, maar verlossing of vrede.

Voor dag en dauw elke morgenstond omhelsd door haar dochter
want zoals anders, het zou haar aan niets ontbreken. En zo werd zij
in het mooiste licht van het seizoen in de aarde gelegd,

door de zon op de klok van twaalf waren alle kleuren te geef, de
wind was stil, de saamhorigheid veegde de tranen van ieders wangen
Het einde van een vaarwel met bloemen voor daarginder.

[MN, in "Een laatste ademtocht". Painting Past-Present-Future by Julie Ann Smith.]

zaterdag, oktober 18, 2008


Das Heimweh

Für die Speise nahmen wir in die Schweiz am liebsten Karbonade mit grüne Bohne und Apfelpaste, en nadat een eenvoudige receptuur was gevolgd, "néé, niet zoals hier in Nederland dus hè, karbonades die zó dun zijn dat je er de krant doorheen kunt lezen."
In de lange verdrietige uren van een sterven was dit een van die onmisbare ogenblikken van de lach. De verteller is een meester-kok, een man van oneindige verhalen over De Lage Vuursche en zijn jarenlange geschiedenis als meester-kok in een chique hotel-restaurant aan de Bodensee.
Uren van waken in de stille spanning van de slaapkamer zijn in de woonkamer tevens uren van verzuchten, van ijsberen, van emoties en van herinneringen. Een stervensweg lijkt op een uiterst moeizame voettocht over een voor het eerst betreden en schamel verlicht kronkelend en oneffen pad dat je machteloos en in een volle maar duistere nabijheid volgt. Het leven in huis lijkt dan letterlijk een boek geworden, een boek, hier en daar wat beduimeld en met kleine soms wat vergeelde foto’s, een boek met vele episodes uit de jaren vijftig en zestig waarin je met elkaar bladert en door de nacht heen nog eens opnieuw leest in oude handschriften over het jeugdplezier, over winters die we niet meer kennen, over de nu ondenkbare eenvoud van het huishouden, over de veel strengere rituelen in en buitenshuis en terugdenkt aan sobere maar mooie vakanties aan Katwijk aan Zee. Vertellingen als naalden op het water, kijkend en luisterend met een kloppend hart van aandacht.
Een waken en herinneren in een sterk vertraagde tijd, waarin de actualiteit van het leven lijkt uitgeschakeld, behalve dan de schrik van soms vermeende veranderingen aan het sterfbed. Je staat gezamenlijk buiten elk vertrouwd ritme en zit met elkaar rillend en warm aan dezelfde tafel waarover ’s morgens het gele herfstlicht strijkt en de blauwe walm van de nacht wordt verdreven, daar word je geleefd naar het toch nog overrompelende en alles ontladende eindpunt, langzaam gevolgd door opeenvolgende gebeurtenissen die markant zijn voor de te ruste legging in het familiegraf, - ooit het laatste rustbed van alle heimwee.
[MN, "Een fragment uit stervensdagen" - IM Antje, 23 juli 1920 - 16 oktober 2008.]

dinsdag, oktober 14, 2008


Mijn moeder, mijn broze bron van tederheid
Hoelang kunnen we elkaar nog vasthouden?*

Eenmaal oud en mijmerend op de zetel
van al uw verhalen, ik zie u aan en luister, nee,
uw zuchten hinderen niet, het is de adempauze

in uw geschiedenissen, zilvergrijs maar levend
en van belang ze te horen, of zullen we stil zijn en
samen … “Ja, thee graag”, zegt ze gretig, “ze denken

soms dat ik gek ben.” “U bent mooi en oud en kleurrijk”,
ik zie de dunne huid van haar hand, haar ogen zien
een verte die ik niet ken. “Zou ik al dicht bij de dood zijn?

Die hortensia’s daar wel, verlept en bleek zoals ik. Ik ga
nog niet, maar ben er dichterbij dan u.” Ze drinkt haar thee
en morst, ze veegt het weg met de tissue in haar vuistje,

ze zwijgt, ze wacht niet op mijn woord. “Gaat u al weg?”
“Ik blijf zolang u wilt of tot u slapen gaat.” Het is de stille
aanwezigheid die haar deugd doet, mijn ontroering

is een belofte, vol rimpels, zij maakt nu de tijd, haar tijd
zo broos als zij spreekt of de stilte die mij luidkeels
roept, ‘wij raken aan geduldige innigheid’, er is geen haast.


[© MN, in “De wind waait de tijd als zandkorrels weg”, een gedicht over de ontroerende schoonheid van ouderdom, hoezeer wij het ook herkennen als menselijk lijden, als een slijtage die niets dan tranen wekt.
De ondertitel is van Uvi, mijn dichter nabij.
Afbeelding: painting “Old age” by Magda Wieclawska.]

maandag, oktober 13, 2008


Rainer Werner Fassbinder zei eens: liefde bestaat niet, alleen hoop op liefde
Muziek: Eleni Karaindrou, “The weeping meadow”

Wederom bij een van mijn akkervelden, het is er stil en aan de rand hoor ik dwarrelvluchten van vallend blad. (Adelheid zei, “ … zelfs het gefluister van beekgefezel ontgaat me niet.”) Een begin van herfst. Mijn hersens zijn vol warm bloed en rijk aan zuurstof. Hier zit ik weer, alleen voor een nieuwe akker en weet dat ik ergens gelezen heb wat die Duitse filmmaker eens stelde. ‘Liefde be­staat niet, alleen hoop op liefde’. Is dat de ontgoocheling van het leven, is dat het waarom wij terug­hou­dend zijn als een angstig dier wanneer de liefde ons nadert, altijd en in feite alleen, is dat het waarom wij het niet weten en telkens zeg­gen het te hopen, al is het voor de duizendste keer. Als de liefde niet bestaat, tuimel ik in eeuwig verdriet. Als de liefde niet bestaat, hoef ik ook geen geld. Heb ik geld, dan geef ik het aan de liefde. Maar ‘liefde bestaat niet’?
“Ga je nu al weg? Verlaat me toch niet.” Is het dan een illusie, de liefde? Dromen we slechts van liefde? Is de verrukking van liefde voor ieder van ons apart of van ons samen? Is het dan egoïsme als we denken dat er wel liefde is? Als de hoop op liefde bestaat, moet ze ergens zijn. Alleen de hoop is toch niet voldoende? We weten toch ook wat het is: de spanning van de liefde in te gaan, hoe uniek en verkwikkend dat is, een verloren liefde, een onbeantwoorde liefde en opnieuw hunkeren naar liefde? Bouwen met liefde? Het verdriet, de verlokking. We weten toch ook wat het is: een liefde verscheuren, een liefde dringt zich op, een liefde blijkt niet waar­achtig te zijn, van een liefde die ontwricht, van een liefde bevrijd zijn, om met rust en los gelaten te worden en toch radeloos te zijn? Gaan we soms dood aan de liefde? We weten, al is het een raadsel, dat de grens tussen liefde en haat zo dun is als een plaat staal, dat opeens het wederzijdse respect kan zijn verdwenen, dat het plezier is gedood. De troosteloosheid. Het is toch dat ik de liefde heb gekend, ik herinner ’t me alsof het me vertrouwd is dit te beleven, zoals ik veel zonneschijn en donkere wolken al zo vaak heb gezien, zoals ze zich samenpakken in mijn kleine geschiedenis.
We weten wat het is: zuchten of roddelen over de liefde, de liefde die kennelijk bestaat. De liefde die ons beïnvloedt. Compassie, mededogen, tederheid, ontroering. Liefde kent vele gedaanten. “Weet een vis dat hij nat is?” Wanneer kan ik eens rustig ademen, in het vertrouwen dat er liefde is, dat er aandacht is, dat er naar me wordt ge­luisterd, dat er tijd voor me is, dat ik word aangeraakt. Blijft het levenslang zoeken, tasten en ho­pen, houdt deze innerlijke worsteling ooit op of begrijp ik het gewoon niet en blijf ik daarom eenzaam ploegend op deze akker, dag na dag mijn woord strooiend in de hoop dat er een verhaal over liefde ont­staat? Ik kijk hier om me heen naar honderden boeken, in niet één ontbreekt de liefde. Waarom zou Japin zeggen dat de liefde hem liever is dan vrijheid? Als de liefde niet bestaat, is er dan ook geen schaamte, geen waarheid en leugen of bedrog? Mijn ak­ker zwijgt, er staat alleen: voor wie weet wat liefde is. Ik voeg er nog een regel aan toe: en voor een dichter die weet dat hij geen ver­geefse tocht gaat. En voor twee andere dichters, die, net als ik, de slotregel: wie hun liefde lezen als een boek.
Liefde. Ja, we kennen haar in tal van gestalten, maar wie weet waarop we hopen?

[© MN, “Ik adem liefde en hoop.” Het korte citaat, ‘weet een vis dat hij nat is’, is van Nilgün Yerli, ‘Weg van Nederland’, literaire juweeltjes, B for Books 2008. Er volgt te zijner tijd nog een tweede deel, een Ode aan de Liefde. Afbeelding: Painting by Albert Kyle Pace “What will I know when the apple falls?”]

zaterdag, oktober 11, 2008


Dichter, blijf waakzaam over je ziel

Gelukkig, het is zo zonnig,
mijn ogen glanzen alsof ze geboend zijn,
er is zo’n zon die precies past

in dit seizoen, zie je, alles is hier op maat,
de schepping toont ongekende en nerveuze chaos
maar ook veel wonderen.

Ik ben een dichter die zijn ravijnen
kent, maar ook de zachte wind die me streelt, zó,
dat geen pijn mijn ziel nog schuurt,

het is de geest van verwondering
die gewekt wordt, een stijl van innerlijk leven
waarin elke vrijheid en vrede landen kan.


[© MN, in ‘De man en zijn ziel’. En Loesje zei: “Het is herfst, maar het stoerste blaadje valt pas
in maart van de boom.” Afbeelding: “Logging Trail”, october, by Connie Tom. Vandaag is het familiedag, maar morgen ben ik er weer.]

woensdag, oktober 08, 2008


Nooit zomaar weer ‘het heertje’

Wel galant hoop ik, maar wie men ‘heer’ noemt, zo
was ik nimmer, maar gisteren op reis werd het mij
te kwaad, laat in de avond. Voelde ik me nog

een dichter, eerder een mens aan de verloren kant,
het was minstens 1500 meter lopen, inclusief hoge trappen
in een onneembare, tochtige vesting, ik zag iedereen

in draf de trein halen, maar zelf bleef ik achter,
als enige op een guur perron, terwijl dieselmotoren ronkten,
roerde alles van deze maanden alsof ik aan de kook moest komen,

zo van slag raakte ik, dat ik thuis prompt in slaap
tuimelde, terwijl met de recessie mijn kleine geld in de
rookoven was gedaan. Heb ik geen geld, dan heb ik de liefde.

[© MN, “De troost”, vandaar deze afbeelding, “Ontmoeting in levende ziele” van Amberoos.]

maandag, oktober 06, 2008


“Haar lichaam weet het” revisited

De oorspronkelijk geschreven recensie is verloren gegaan, spijtig, maar dat kan gebeuren als je even onoplettend of ongeduldig aan het werk bent. Het (tevergeefse) zwoegen want zó zit ik toch wel steeds achter mijn akkers, als ze nog leeg en nieuw zijn. Tijdens mijn reis deze week ben ik de trap afgegaan naar mijn geheugen, en deep down schreef ik regel na regel, in slow motion, alsof het in scherven lag en ik alles weer lijmde. Wonderlijk.
Dit onvergetelijke boek van David Grossman bestaat uit twee novellen, de eerste heet ‘Waanzin’ en de tweede ‘Haar lichaam weet het’. De recensie ging/gaat over de eerste, waanzinnig knap en spannend geschreven, met duizenden zorgvuldige penseelstreken over het innerlijk leven van vooral Shaoel en Elisjeva en Esti, ook dat van Mischa en Paul, maar dan meer in de marge.
Wie dit boek leest, moet in de stemming zijn zich te willen afsluiten en heel geconcentreerd te lezen, je moet je ‘kop’ erbij houden en niet verdwalen in de kronkelwegen van de eigen gedachten of associaties die als bloed door je heen stromen, maar waarachtig oplettend, aandachtig aanwezig zijn. Mij overkwam het, dat ik, eenmaal op pagina 24, van voren af aan kon beginnen want ik begreep er niets meer van, gedeeltelijk doordat zinnen soms meer dan een halve bladzijde lang zijn, maar natuurlijk vooral doordat ik afdaalde naar dozen vol herinneringen in mijn eigen leven. Je kunt het boek dan ook terzijde leggen en denken dat het niets voor jou is, dit boek, maar dat deed ik niet. Ik dacht bijvoorbeeld over het fatsoen, over ‘niet gezien willen worden’ als anderen erbij zijn, maar zonder die anderen alle mores naast je neerleggen, ik dacht aan mijn eigen moeizame leertocht met toch ook een heel gelukkige ‘barenszee’, maar laat ik in hemelsnaam bij het boek blijven dat ik uiteindelijk toch ademloos heb gelezen.
Shaoel is meer dan vijfentwintig jaar getrouwd, een mijlpaal die ik nooit meer zal halen als oudere, krakende man op wielen, en zijn Elisjeva – wat een prachtige naam, een naam als een lied – heeft een minnaar. Maar Shaoel is verschrikkelijk jaloers en fantaseert er op los, tot in de kleinste en meest gezochte maar nog heel geloofwaardige details – met uitvoerige herinneringen vol warm bloed van triomfen, vol heimwee en weinig genade voor zijn nederlagen - bouwt hij een stiekem, hartstochtelijk leven dat hem zowel opwindt als deprimeert. Dit laatste nog het meest.
‘De werkelijkheid is het verhaal dat we er van maken’, schreef Flaubert.
Dat klopt. Shaoel’s verbeelding is buitensporig, is schrijnend en schroeit, en de realiteit van Elisjeva zo eenvoudig. Zijn visoenen boden hem kennelijk méér dan het werkelijke leven, dan in zijn verbleekte alledaagsheid mogelijk zou zijn, maar dat ga je op het laatst pas begrijpen, evenals Esti die ooit met Shaoel samenleefde – maar dat ligt onder een dikke laag stof – en die bloost van verlangen en nieuwsgierigheid want deze Shaoel kende ze niet.
Het is fascinerend hoe Grossman de innerlijke levens zo diepgravend weet binnen te dringen en ervoor te zorgen dat zijn lezers hem niet ontsnappen. Dat is haast ondenkbaar want de geheimzinnige en langdurige autotocht van Esti met de in zichzelf weggekropen Shaoel op de achterbank, gek, geniaal, heftig, mallotig en zuchtend, bestaat uit een heleboel stukjes mens.

[© MN, Over de novelle Waanzin in “Haar lichaam weet het” van David Grossman, uitgeverij Cossee 2004, 2de druk 2008. Painting by Jacqueline Devreux (1963).]

woensdag, oktober 01, 2008


(Helaas is vanmorgen mijn prachtige recensie over het boek van David Grossman, "Haar lichaam weet het", om onverklaarbare redenen verloren gegaan en zelfs na systeemherstel niet teruggekeerd. Het was een lange, intensieve tekst en niet meer zomaar weer tevoorschijn te halen. Treurig. Daarom nu een gedicht, terwijl ik dat juist nog even wilde bewaren.)


Noeste, stugge arbeid en op ’t oog nietsdoen

Het lot van de schrijver is het volle
behagen van de stilte, niet die van het hart
van verlatenheid of andere chaos, maar de stilte

van een gerust hart. Soms is een brief
of wat tekst heet als brandhout, elk vlammend woord
erin zet je in vuur, je leest enkele regels en het is er, het

kan een vuur zijn van woede, van fascinatie, maar
ook van lust, geen mens die zo’n hitte niet kent, of de stilte
als het is geblust, het verlangen is vervuld, als

er weer een akker is ontstaan, waar niet in het wilde
weg is geploegd, maar is nagedacht over elk te poten
woord, woorden waaraan is geschaafd zo te zien, de uren

verstrijken. Doorstrepen en polijsten, dat zijn woorden,
alsof een vroedvrouw ze heeft gehaald, en pas dan
een verhaal tonen dat je toevoegt aan alle vorige.


[© MN, in "De man en zijn ziel". Afbeelding: painting “Lifeline” by Japi Honoo. Zoals ik bij een van de laatste reacties van zondag al schreef, ga ik er nu weer voor enkele dagen vandoor. Graag tot maandag.]