Pagina's

donderdag, februari 26, 2009

Gewogen en te licht bevonden
Een schilderij vertelt zichzelf, dat is juist de schoonheid ervan (17)

Is het allemaal van nul en generlei waarde? Wat ben ik dan een ijdele man. Niet dat ik alles ‘even geweldig’ vind, maar voor mij wel het bewaren waard, ook al vinden gerenommeerde dichters het poëtisch gehalte verwaarloosbaar en verschijnt niets ervan in een bloemlezing - want wie neemt de maat? Is het van belang? Wie zal van eigen werk zeggen er geen zak aan te vinden? Het is niet aan mij te beoordelen in welke cirkel ik terechtkom.
(Toen ik de inleiding van mijn proefschrift had geschreven, noemde de ene hoogleraar het ronduit rommel en wierp het voor mijn ogen in de prullenbak, terwijl de ander mij aanmoedigde, “ … ga alsjeblieft zo door, het kan niet literair genoeg zijn.” De eerste was mijn meerdere en ik had – het leek wel op vroegere tijden thuis – slechts te gehoorzamen. In elk vervolg schrapte hij de fraaiste zinnen en krabbelde geïrriteerd in rood, “Vermijd deze onzin voortaan!” Van nul en generlei waarde. Andere kanttekeningen varieerden sterk: “beter beargumenteren”, “verder uitwerken”, “dit gelooft geen hond”, “zó, dus je kunt het wel”, “ik haal je zó onderuit”, “wát in hemelsnaam is morele nood?” Er is altijd iemand die de maat neemt. Hij had niet steeds ongelijk hoor want je moet eigenlijk een wonder van beknoptheid leveren en op z’n scherpst redeneren, - dan lijkt het wel of ik in een ander universum leef. Ach, ik heb het graag en met rede en eerbied geschreven.)
Nguyen Dinh Dang schilderde zijn vader en het werd een portret van treurige eenzaamheid, van verlies en vervreemding, of alles wat hij geschreven had van een andere tijd was, nooit begrepen zou worden, nooit waardering geoogst, niet serieus genomen. De ernstigste zaak van de ziel. Is iedereen al zijn werk ontgaan? Was er nimmer aandacht voor?
Hij smeet zijn oude Olivetti naar het offerblok. Het lijkt alsof hij op een stoïcijnse manier in zijn Cabrio zit en niet van slag is geraakt, niet in de puree zit, en op afstandelijke wijze afscheid neemt van zijn ‘kleine schepping’. Vergane glorie.
Maakt het hem gelukkig? Is zijn werkelijkheid verarmd?
Zit zijn taak er nu op? Heeft hij zichzelf stilgezet, van de kaart geveegd? Ik weet het simpelweg niet.
Pas aan het einde wordt een mens gekend.

[© MN. Afbeelding: “Father’s poems” by Nguyen Dinh Dang.
Het nieuwe sjabloon is speciaal voor wie het lezen van een zwart template te vermoeiend blijkt. Ik kon ook gaan voor een groter lettertype maar dan gaat de (in mijn ogen) chique stijl verloren. Men zegt wel vaak, ‘het gaat toch om de inhoud’, maar de vorm, de presentatie, vind ik van minstens even groot belang. “Weer licht in de duisternis”, “Opmars naar de lente”, goed, het is beter zó. Een ongelukkig dichter ben ik niet, eerder bevoorrecht. Verder ben ik dadelijk weer een dag of vier weg, altijd westwaarts naar mijn muze, waardoor het bezoek mijnerzijds verspreid zal zijn over die dagen, maar dat is een bekende traagheid geworden.]

dinsdag, februari 24, 2009

De wind waait de tijd als zandkorrels weg

In de zomer van 2007 reed ik nog naar Weimar, de stad van Goethe, dus het zal van vóór die tijd zijn geweest dat me zo’n zin binnenviel, stapsgewijs, als het ware trommelend op elk woord. De wind, hoor hem suizen. De wind waait alles weg. Ja, ik liep begin dat jaar over het Ossendaalsepad* met de hond, de naakte takken kraakten en kreunden. Het is een pad dat bestaat uit zand, hier en daar oud en in de verstreken tijd verhard bijna tot steen, en lange uitlopen van boomwortels. Grote stukken zijn opgevuld met donkere rulle aarde zodat ik zag hoe korrels met de wind meestoven. Ik noteerde het meteen in m’n zakboekje, “De wind waait de tijd als zandkorrels weg.”
Toen ik onlangs zestig werd en wij voor enkele dagen logeerden in hotel Noordzee, zat ik voor de open deur een sigaretje te roken – “De goddelijke sigaret”, zo heet een boek dat ik nu niet kan vinden – schoot me op zeker ogenblik die zin weer te binnen. Ik zag dat er slechts een dunne potloodlijn was tussen zee en lucht en hoorde de stem van de zee, de stem die zei dat alles een einde kent, maar dat niemand weet waar en wanneer. De zee was urenlang zacht kabbelend als een eeuwenoude natuur en ik tuurde naar de witte kraag van het slaan van de golven, daarachter hield de wereld op.
Ik zag dat de moderne strandjutter over een fourwheeldrive Toyota-pickup beschikt en dat bij opkomend getij een tractor met een fijnmazig sleepnet door het water rijdt – “ … jôh, dat is vast voor schelpen”, zei Margreet – en ik zag dat een paardenman, rechtop staand in zijn karretje, zijn twee paarden door de gebroken golven liet draven en hoorde dat het zeewater met zijn witte gebaren een ononderbroken minimal-music concert is.
Ik zag het strand dat niet zo geel en stralend was als in Mimizan toen de zon aan de hemel blikkerde en je de zandkorrels van je hand kon blazen. Een diepblauwe dag. “Ik ben wel zestig geworden vandaag, maar ik wil nog lang niet naar het houten jassenpark, ik wil eigenlijk net zoveel verjaardagen als zandkorrels. Of is mijn leven al uitgestippeld?”
“Ja, maar jij weet niet waarheen”, zo zingt een vogel in mijn hart, hier, in dit gerieflijke dal.

[© MN, in “Ooit gaat de dichter heen”. Foto van Margreet, Katwijk aan Zee, 2009. * Over het Ossendaalsepad schreef ik eerder op 13 januari, 22 en 24 mei 2007. Over Mimizan – onvergetelijk want mijn moeder heette Mimi – schreef ik op 8 juni 2007. Een kerkhof wordt ook wel een houten jassenpark genoemd.]

vrijdag, februari 20, 2009

Aan de voet van een berg, met mij moet ik het doen
Een schilderij vertelt zichzelf en dat is juist de schoonheid ervan (16)


Ja, dat schreef ik nog maar pas: “Ik bevind me in een diepgelegen dal en vind nergens een begaanbaar pad naar boven, zo er al een is, en daar ben ik treurig over. Gewikkeld in eenzaamheid, geborgen in het isolement van omringende dicht beboste bergen. Het is het kleinst denkbare privé-domein, een dal met uitgestrekte weiden, rijk aan veldbloemen, een gezoem van insecten, aan het strijken van het licht. Hoe kom ik er ooit weer bovenop? Ik zal me moeten verbeelden te grazen zoals met de kalmte van een paard, misschien dat ik dan niet verstrik raak in het struikgewas van mijn verleden, mijn onmogelijkheden. Misschien moet ik eens opnieuw naar de diepte van mijn hart want mij is toch ooit ook veel blijdschap geschonken. Dat zal het zijn waar ik in werkelijkheid om treur. Met mij moet ik het doen.”
Gekweld door fysieke pijnen voel ik mij een egocentrisch man die veel is kwijtgeraakt aan beweeglijkheid en vitaliteit, die soms met het onmogelijke niet weet te leven, die aan zijn veloren zoon denkt die wel bij hem is, maar hem niet toebehoort, die zoon is van het leven dat naar zichzelf verlangt. "Hij is uit haar en mij geboren, maar is niet van ons."


De profeet zei: "Je mag hen je liefde geven, maar niet je gedachten,want zij hebben hun eigen gedachten. .Je mag hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen." (De filosoof, dichter en schilder Kahlil Gibran.)

Ik voel me bedekt met littekens - en opeens moet ik denken aan “De dichter als strandjutter”* en het beeld ‘Wisdom” van Charmine. Maar in wijsheid is geen plaats voor tranen, zoals in liefde niet voor twijfel. Somberheid is geen wijsheid, het ene oog is open en het andere is dicht, vanzelf dat er geen uitzicht is wanneer je zo op jezelf bent gericht. Geestelijke blindheid, zo ben ik niet geboren. ‘Sta op dichter en zie je om je heen, voel en verenig je kracht, zie het beeld van Chris Lee, zo ongeveer, althans in je hart, wil je zijn.’ Ik ben omheind zoals nooit tevoren, het diepgelegen dal biedt warmte en bescherming en rust. Een omheinde jeugd heb ik niet gekend, en toch wil ik naar boven opdat ik perspectieven ontdek, uitzicht op bredere verlangens. ‘Baan je dan een weg …. en anders, bedenk dat als het perspectief niet reeds in je sluimert, kun je het ook niet onthullen, kun je tot in de eeuwigheid erop wachten.’ Dat merkte Kahlil Gibran toch op over de liefde, dat vaak wordt verondersteld dat je elkaar eerst moet leren kennen voordat er van liefde sprake kan zijn, maar “liefde kan alleen uit zielsverwantschap worden geboren en die moet in één ogenblik worden herkend.”
Niet gelukkig zijn betekent niet dat je ongelukkig bent. En plotseling kan het geluk weer tevoorschijn komen, zo, uit het niets. Ofschoon ‘het dal’ veelal wordt ervaren als een metafoor voor droefenis of uitzichtloosheid, is de schoonheid mij een en al bekoring. De paardenwei, een kabbelende beek, vleugels van vogels zoals van liefde. En er is geen dwingende reden de berg te beklimmen. ‘Doe wat je kunt, maar laat wat je teveel is’, dat is mijn motto. Maar ontwaak, kom uit je kerker van kleinzieligheid, leef met het schijnbaar onmogelijke zonder het te bagatelliseren, stap over de grenzen van je ego zoals die Franse monnik laatst zei, en er wacht je harmonie met de onmetelijke schoonheid van dit diepgelegen dal aan de voet van reusachtige bergen. Kahlil zei: “Pas als je de bergtop bereikt, zul je met klimmen beginnen.”

[© MN, in ‘De man en zijn ziel’. * verwijst naar het gedicht, 19 oktober 2007. Kahlil Gibran (1883-1931), de profeet van het hart. Zie Kahlil Gibran, "De profeet", uitg. Mirananda. (Oorspronkelijke uitgave 1923). Zie mogelijk eveneens het boek van de fotografe Lieve Blancquaert, "Voorbij de grens", uitg. Lannoo. Afbeelding: “Inspiring creativity” by Chris Lee.]

woensdag, februari 18, 2009


Schrijven schept ruimte, het drijft me niet in het nauw

De nacht heeft een wonderlijke kracht
want de slaap heeft mij verkwikt, zoals bij hitte
en hevige dorst een kruik fris water.

Zie het licht van de nieuwe dag, het licht
dat voor de wereld is opgekomen, mijn huis,
vannacht in de schaduw, thans badend in de zon.

Als de klokken luiden, voel ik me gerust, alsof
geen nieuwe plaag mij treffen kan en daarin lees
ik dat ook de taal een lichaam is,

het uiterlijke, pijnlijke lichaam, het huis
voor alle zieke woorden, en tegelijk het innerlijke,
het huis van de ziel dat niet gekwetst wil worden.

[© MN, in ‘De man en zijn ziel’. Afbeelding: “Hands of earth” by Mehmet Ozgur.]

zaterdag, februari 14, 2009

Nulla dies sine linea

Onze dagen kennen doorgaans vanaf het daadwerkelijk opstaan vaste patronen, zeker voor wie in de ‘externe tijd’ leeft – je brood verdienen, je plicht niet verzaken, je ontplooien – maar ook voor mij en vele anderen in het geluk van de vertraagde, innerlijke tijd zijn patronen welhaast ondenkbaar, ook al voel ik me soms als een kalm paard grazend in de uitgestrekte weiden in een diepgelegen dal, - tenminste, ik moedig mij daartoe dikwijls aan om niet verstrikt te raken in het struikgewas van vele onmogelijkheden.
Die patronen bieden de contouren van de dag, een lichte en onmisbare structuur, en zijn ons, mij althans, onvoldoende. Ofschoon de metafoor van het paard anders doet vermoeden, zoek ik dagelijks een lijn, een lijn naar betekenis, zingeving, zodat ik aan het eind, als het kussen onder mijn hoofd goed is geschikt, met enige voldoening het licht uitknip, soms in de hoop, dat de nieuwe dageraad mij met het uitzicht op brede verlangens omhelzen zal.
De lijn hoeft niet ‘groots’ te zijn. Het stille lezen van een boek kan mij genoeg zijn, maar liever is me de ontmoeting. Een goede ontmoeting is zo weldadig als het pad dat iemand wegvoert van ‘de bewaarde kalmte’ en een reden om niet te schrijven, de laptop een etmaal te sluiten want de dag zal zich verenigen met de nacht.

[© MN, ‘De man en zijn ziel’. Om 14:20 uur stap ik op de bus westwaarts, ver voorbij de City of Life Sciences. Ik wil niet genesteld zijn in somberheid, want dan heb je slechts één oog open en het andere dicht. "Somberheid is geen wijsheid", las ik ergens. En nu het Valentijn is, wens ik ieder de oprechte nabijheid van al zijn of haar hartefijn. Afbeelding: “Nulla dies sine linea” (geen dag zonder lijn) by Mikel Arrizabalaga.]

dinsdag, februari 10, 2009

Voor alles dat bloeit of woekert, is er taal

Het huis, mijn lichaam waarin ik woon, is niet een winkeltje. Er staan hier geen vitrines met naar thema gerangschikte verhalen en poëzie. Als ik voor een kale akker sta, zoals nu en meestal zit ik dan dromend in mijn ‘di Cabrio’ en is die akker me al genoeg, heb ik geen idee waarmee aan te vangen. Ploegen hoeft nog niet, dat zie ik nu wel, dus moet ik dadelijk met de stok almaar op en neer wandelen, letter voor letter vanuit het innerlijk uit mijn mouw schudden en achterlaten, het is het ene woord dat tot het andere leidt, woorden en stilte.
Ben ik eenmaal aan het eind, plof ik in m’n rolstoel en zie ik wat er is ontstaan, het woord is immers aan de gedichten, “niet aan de dichter”, zei Rutger Kopland. Vaak moet ik nog wel een paar keer terug want er is altijd wel een omgevallen letter of een woord dat niet deugt of liggen er scherven die er niet thuishoren. Soms is het veel erger maar daar kan ik niet over spreken, daar zwijg ik over.
Het dromen neemt de meeste tijd. Het is behaaglijke, maar noodzakelijke en wakkere tijd. Het woord hoeft niet te glanzen, maar of het nu een tedere herinnering is of bittere realiteit, het dient voor de versten verstaanbaar te zijn. Als ik denk het gevonden te hebben en de woorden zijn geplant, dan ga ik op zoek naar een decor dat ik met stokken aan de horizon van de akker neerzet. Het is geen omheining, geen kijkdoos, maar een geïllustreerde gedachte of symbool. Zelden, behalve vandaag, laat ik aan de lezer wat er staat geschreven. Het is deel 15 in de reeks “Een schilderij vertelt zichzelf, dat is nu juist de schoonheid ervan.”


[© MN, in “Terugkeer naar mijn akkers”. Afbeelding: 1. “Dreams” by Michal Giedrojc; 2. “Duinlandschap, freudiaans landschap” van Henk Bloemhof. In mijn uitvoerige reactie aan de staart van allle bij het voorgaande log schreef ik al traag van start te gaan en de daar vermelde roman heb ik vanmorgen met trillende vingers gevonden; het blijkt echter een voorpublicatie van 80 pagina’s. Ik zal zo rechtop mogelijk gaan zitten, mijn keel schrapen en gaan lezen.]

dinsdag, februari 03, 2009

Anno 1949

Het staat vastgelegd in onze akte,
zestig jaar geleden geboren, zij als een wollig
meiske, ik als een fragiel manneke en we
kregen een handvol doopnamen mee.

Het jaar van Mao Tse Tung, de DDR
werd een onafhankelijke staat en Meryl Streep
zag het daglicht, maar mijn moeder maakte
van dit al nog maar een derde mee.

Ik las Winnetou en Arendsoog en Kapitein Rob,
wilde zelfs bisschop worden, en monnik,
maar toen zag ik blote prenten van Bantzinger
en ging mijn missie dood:

ik wilde minnaar worden.
Maar nu ben ik zestig geworden en
rijst daaraan de twijfel, was ik niet aldoor
rijk aan taal, arm aan liefde?

Een harde, bevlogen werker zoals
een ouderwetse zeeman op volle zee, totdat hij
plotsklaps overboord sloeg, op een druk eiland
aanspoelde en onmiddellijk in elkaar geschroefd werd.

Nochtans zijn de schriften nog niet vol
en is van smeulend vuur geen sprake,
al zal ik niet voltooien waarover ik droom,
ik ben trots met zes medailles, met 21.900 dagen.

Nu het einde nog niet getekend is,
kerf ik in al mijn hout dat het de verwondering
is over het weinige dat ik weet maar
zoveel van houd.


[© MN, in ‘De man en zijn ziel’. 4 februari 1949 – heden. Afbeelding: schilderij van de Iraakse kunstenaar Vian Sora. (Warm) “Reflections”. In my soul is a temple, an island of the mind, where I kneel today. Ach, zo slecht zit ik nog niet in elkaar. Ik plaats het nu reeds, want ik ga op vakantie en heb tot en met 9 februari geen Internet, komen mijn arm en nek ook meer tot rust aangezien ik de pc maar niet weet te laten voor wat hij is. Geen surfen, geen weblogs, geen emails.
Ergens in Katwijk aan Zee brandt een licht waar ik zestig jaarringen zal tellen.
Met een speciale energiekaars voor Yvette en allen die ‘hard times’ kennen. We moeten vooruit!
Bij uitzondering twee gedichten; zie, als je wilt, ook hierna, voor het in de vergeethoek raakt.]
Een biografische waarneming

De trein arriveerde op zijn tijd,
stopte honderd meter verder en sloot
drie meter voor mijn neus zijn deuren.

Perrons zijn de meest onvriendelijke
verblijfplaatsen, alleen in toegewijde dromen
staat er eens een rozenperkje. Een unicum.

Op je bestemming aankomen is het beste wat
je kan overkomen en dan ook nog leert dat je
de zwaarste stormen zelf tot bedaren kunt brengen.

[© MN, voor mijn zus, een heldin. Een notitie van 2 februari. Ik zal een “brief aan Beethoven” schrijven, zo heet dit schilderij van Amberoos.]