
Als een porseleinen hazewind naar de stilte
Waarom trekken mij de kloosters zoals de holen de vossen? Ik reed naar de abdij van de Norbertijnen en in de boekwinkel vertoefde ik, hoe uitzonderlijk, slechts vier, vijf minuten. Ik zag het portret van Miek Pot, nam haar boek in de hand en rekende af. Een warm gezicht van een moderne vrouw, ze is 47. Haar zachtmoedige maar zekere, wilskrachtige gezicht deed me blozen, dat viel me op toen ik buiten was en de wind het niet kon zijn, die was straf en guur. Ik wilde de Vespers bijwonen, maar de kerk was nog gesloten. In een als het ware ver naar binnen gevouwen erker van het immense bouwwerk eromheen, windstil maar nog net in de zon van het laatste middaguur, begon ik te lezen alsof ik buiten adem was van mijn vondst. Haar boek viel in mijn hart.
Miek Pot, die sinds 2002 als meditatie-contemplatielerares in een klein appartement in een besloten beluik van het Brugse begijnhof woont, leefde twaalf jaar in een wit habijt met daarover een witte kovel met puntmuts, haar haren verborgen maar tot aan haar billen, een ongeziene levendige vrouw als moniale in een kluizenaarsklooster. Eerst het strenge kartuizerklooster in Marche-les-Dames, net onder Namen, later, van dezelfde orde, in Zuid-Frankrijk aan het einde van de wereld en onder de rook van de beroemde abdij van Le Thoronet. Daar woonde ze met dertien andere kluizenaars op een domein van vijftig hectare, ieder zwijgend als een graf in eigen kluis, het hart van de monnik.
Haar intuïtieve keuze voor eenzaamheid volgde na een wild en gemakkelijk studentenleven, een tijd zonder één minuut stilte, een leven dat nog alle kanten uitkon maar ook een bron van onbehagen werd, een leven dat haar tegelijk ook zo voorspelbaar leek verder te gaan, misschien als moeder van enkele kinderen, lid van de hockeyclub en als dat er niet inzat wandelen met een labrador, in elk geval een mondain leven dat haar leeg en zinloos leek en dat botste met het in haar verborgen innerlijk proces, nog lang niet te duiden maar zoals een verboden liefde waarover je niet spreekt.
Uit het kluizenaarsleven is een innerlijk vrije vrouw geboren. Zij maakte een lange en voor wie er het hart voor heeft fascinerende reis door de woestijn, maar wat een veilige wereld was, werd uiteindelijk een niemandsland. Zij voelde zoals Jezus het haar zei: ‘Word voorbijganger’, keer terug naar de wereld, naar het marktplein. Haar uittrede werd onvermijdelijk, maar betekende geen afscheid waarin zij gelooft. Zij wil een trouwe berggids zijn, trachten mensen naar de stilte te brengen, bewust te maken en bij zichzelf te laten komen. Haar portret staat hier, telkens zie ik de titel en is er een oogwisseling alsof ze me aanmoedigt.
[Miek Pot, Naar het hart van mijn ziel, uitg. Ten Have, 128 pag., € 15,-.]