Pagina's

dinsdag, november 06, 2007

De mens als boek
Steeds heet het: ‘Wie biedt ons uitzicht?’

Toen ik de lange kasteellaan opreed, met aan weerszijden de reusachtige beukenbomen met het gouden en rode en bruine blad als een oker gewelf over het eeuwenoude pad want het bos was nog niet ontkleed, zag ik in de verte een zwijgend kasteel, als een klein geluk. Ik zou gaan wonen op een zolderkamer waar ik ook al eerder verbleef, de Oosterkim, en vooral ’s avonds naar de Sint Willibrordsabdij gaan voor de dagsluiting, de Complete. Er was een vage gedachte ook eens werkelijk door de stilte gewekt te worden en naar de Mette te gaan om kwart over zes, maar mijn dageraad ving aan om half acht en al wat ik door het zolderraam zag, was een luchtige mist boven de velden en een koe die nog slaperig het eerste gras hapte. En ik meende zeker twee boeken te lezen, het ene waarin ik al halverwege was, Datumloze dagen van Jeroen Brouwers, en het andere van Antal Szerb, Reis naar het maanlicht, maar beide bleven onaangeraakt op de stapel paperassen. Iedereen heeft dezelfde tijd, maar voor mij was de tijd toch weer anders, wel geheel vervuld naar wens. Er bleek geen boek te lezen, wel veel mensen met verhalen die ik herkende of nimmer had gehoord, die me verrasten en lieten lezen dat het geluk zelden spoorloos is of die bij me binnendrongen omdat het lijden en soms ook de slechtheid van mensen vaak niet is te doorgronden. Ik ‘las’ over veiligheid, wederkerigheid, warmte en mededogen, over verlorenheid en heelheid, maar evengoed over hele alledaagse geschiedenissen.

Kasteel Slangenburg in Doetinchem dateert uit de 17e eeuw, heeft twee robuuste torens en rondom een brede slotgracht. Op de enige dag dat het regende, zag ik roerdompeenden roerloos met hun koppie in de veren op een bed van bijeengedreven, verouderend lelieblad. Het is hier zoals kastelen horen te zijn, een kasteel met krakende trappen en vloeren, kamers met metershoge muren die gedecoreerd zijn met oude muziekinstrumenten, met mollige engelen of, als je even omhoog kijkt dat me op afstand wel lukte, met een jongeman die op een trompet blaast in het oor van een andere schaars geklede man en met allerlei andere taferelen.
Het is een inspirerende en weldadige omgeving die even een beetje van jezelf wordt en die je deelt met ongeveer vijfentwintig andere gasten, een eiland in de wereld waarop je als het ware gediend wordt door de gastvrijheid. Ik houd van de rust en de stilte, mijn eigen stilte in de onrust van de wereld. Ik sta er middenin, precies zoals vele anderen, en verbind me met de mensen die er zijn, in het luisteren en in liefde en lijden. Nu ik zo vlak na thuiskomst een korte impressie schets, kan ik eigenlijk niet anders zeggen, dan dat je op Slangenburg mét elkaar de nieuwsgierigheid viert, de aandacht, het verlangen, de ontroering en de uitbundigheid. Ieder komt er voor zichzelf en er is niets dat moet en tegelijkertijd weet ieder veel van zichzelf te geven, juist dáár omdat het zo belangeloos kan gebeuren – en wéér is gebleken dat geluk onnastreefbaar is, onpeilbaar en een complexe, puur menselijke aangelegenheid. En een ogenblik dacht ik, kunnen we niet beter ophouden met denken, maar had ik geen gedachten dan vond ik niet de taal dit te schrijven.
[Eerder schreef ik over Slangenburg op 10, 16 en 29 november 2006 en op 12 maart 2007. 'Wie biedt ons uitzicht' is een regel uit psalm 4, gezongen bij de dagafsluiting. Afbeelding: Achterzijde kasteel Slangenburg Doetinchem.]

vrijdag, oktober 26, 2007

Bemoedig de barmhartigheid

We vormen een kring van mensen
zoals we zijn, mensen van passies, falen en
twijfels, maar ik kan niet in woorden gieten

wie we zijn. Maar hebben we niet gemeen
dat we allemaal door een woestijn gaan en onze
eigen oases vinden?

Ik leerde uit een verhaal over Judas, dat we zo
gemakkelijk de ander de schuld geven. Betekent dit,
dat ik die eerst eigenlijk zelf had?

Het gewicht te weten wie wij zijn, ja warempel,
dat is toch groter dan te wijzen naar de ander
want ‘ik heb het nooit gedaan’.

[© MN, in ‘Jaag je niet van jezelf weg’, het deel “Exodus”. Afbeelding: “The messenger” by Robert Schoeller.
Ik ben overigens nu wel tot 6 november naar kasteel Slangenburg.]

woensdag, oktober 24, 2007

Menselijk, maar al te menselijk

Hier staan we, samen in hetzelfde beeld,
het zijn de dichter en de struisvogel die er
als een haas vandoor gaan.

De vluchteling zal vast niet ver komen. Maar nee,
hij vertoont geen kunstje, het enige dat hij bedacht,
is dat onwetendheid wel eens fijn kon zijn,

en zie toch die gespierde poten, die verende vacht,
soms is het een lust voor de gedachte, de blik
op oneindig, een idee dat me niet eens verveelt.

Zodra ik weer bij kennis kom, weet ik dat
het bestaan me lief is, laat ik er maar geduldig in
schrapen, dan keert de tederheid vast weer terug.


[© MN, in ‘Beeld van binnen, beeld van buiten’. Vat het niet op als teken van zwaarmoedigheid; we hebben soms niet op alle vragen antwoord bij de hand. Ik heb nog de tijd. ‘Volgende keer beter”, denk ik maar. “Escape of an artist” by Duy Huynh.]

maandag, oktober 22, 2007

Het broze wezen en de dienaar
“Die Zeit ist mein Besitz, mein Acker ist die Zeit”

Het kost heel wat kruim een dichter
en mezelf te zijn, maar is dat niet
juist al wat de moeite waard is?

Laat mij maar ploeteren, van vroeg
tot laat want vastzitten aan gewoonten
slijt, discipline niet, zo verzet ik mijn wegen.

Ik ben een dichter zonder lawaai, een zachte man
die sober is. Ja, ik ben allergisch voor een morsig
leven en zoek de moed om te dienen.

Een mens die mogelijk rijker is aan taal dan aan liefde,
maar mijn ziel noch eiland is een vreugdeloos
gevang. Ik ga er nog niet vandaan.


[© MN, in Met gespitste oren luisteren, in het deel ‘Zijn mijn leven en geluk nog wel gaaf?’,
met een wijsheid van Goethe. Afbeelding: “Tristan” van Stephane Fugier.]

zaterdag, oktober 20, 2007

IM Jan Wolkers

Een generatie ouder, maar natuurlijk de schrijver van mijn tijd. De rebel van Rottumerplaat*, de zachtmoedige van het eiland. De openhartige man, de hartstochtelijke en gulle man is 19 oktober 2007 in zijn slaap overleden, oud en broos naast zijn vrouw Karina. 81 Jaar. In het diepst van zijn ziel een schilder en beeldhouwer, schrijver en dichter.
De kruidenierszoon uit Oegstgeest, geboren 26 oktober 1925, werd beeldend kunstenaar en ging, zoals Maarten ’t Hart zei, “als een wervelwind door de literatuur”, met zijn ‘Kort Amerikaans’, (1962), ‘Een roos van vlees’ (1963) en ‘Turks fruit’(1969). Maar zo ging hij ook door het leven, hij is mede de schepper geweest van een nieuwe moraal. Met zijn openheid, zijn tomeloze energie, dwarsigheid en lef stootte hij door alle muren van opvattingen. En tegelijk was daar de liefde, zijn uit tallozen te herkennen stem, zijn ontzag voor het verleden en zijn immense respect voor de natuur die tekenend waren voor de zachtmoedigheid, voor de man die het verstond van zijn leven een kunst te maken. Een vriendin schreef me: “Ik dacht altijd, hem hebben we tot in de eeuwigheid. Dat is ook zo, maar anders nu.” Een dijk van een man, wiens lichaam slonk zoals eens bij ons tot een laatste soms onhoorbare zucht, een man die een spoor van liefde achter zich laat, een spoor dat over een eeuw nog niet is uitgewist en graag gelezen wordt. Zo gaat dat met les résonances de l'amour.
[* Denk aan de legendarische radioreportages in juli 1971 toen Jan Wolkers en Godfried Bomans achtereenvolgens een week op het onbewoonde eiland vertoefden. Voor Jan was het een triomftocht, maar voor de geestrijke Godfried een drama.
Collage van rechts naar links: Foto van Monique Baan: Jan Wolkers op Texel, vervolgens een foto van Steye Raviez, een omslagfoto voor zijn ‘Dagboek 1974’ en het boek ‘Terug naar Oegstgeest’, het boek dat voortkwam uit de dood van zijn broer in 1944.]

vrijdag, oktober 19, 2007

De dichter als strandjutter

Dagenlang worstel ik met het beeld
van de strandjutter alsof ik op geen ander
kan komen. Het is niet slechts van dit eiland,

maar van de twijfel die ieder kent. Ik stel vragen,
sprokkel halve antwoorden en weeg elk ervan in stilte,
zie wat waar is voor de tijd dat ik leven mag.

De strandjutter neemt zelfs op ‘t oog het onaanzienlijke
en daarin is hij gelijk een dichter die later wel weegt
welke waarden hem binden of breken.

Hoe ook de onvolmaaktheid ons eigen blijft, ik moet
wel mijn meester zijn want als ik daarin verzaak,
word ik de knecht van onechtheid.

[© MN, in Tot je een ons weegt, Afbeelding: painting “Wisdom” by Charmine.]

woensdag, oktober 17, 2007

Hoop, geloof en liefde, daar moeten we het van hebben

Bij vrijwel elk bezoek is zij er ook, een vrouw van gezet postuur met een eigenwijze maar alleraardigste uitstraling, het is alsof ze leest, is soms druk met allerlei formulieren en tal van kortingsbonnen. Ze is alleenstaand, heeft een kleine WAO-uitkering en gaat vaker naar Dudok dan ik. Ze drinkt één koffie verkeerd met honing en een glaasje water. Ze eet heimelijk haar meegebrachte boterham.
Het bleef altijd bij een vriendelijke groet, maar dit keer zocht ze contact. Nee, dat deed ze telkens, maar onhoorbaar, nu kwam voorzichtig het luide woord. Het was half acht en ik las juist in HP/De Tijd een kwade brief van Van der Heijden aan Arnon Grunberg omdat die het proza van A.F.Th. niet te pruimen vindt en zij beiden voor dezelfde prijs zijn genomineerd. Prompt komt laatstgenoemde met enkele duidelijke inconsistenties in de roman Tirza. “Wat is het vroeg donker.” Het was alsof ze even hardop een gedachte kwijtraakte, zo luidde haar stem. “Over een paar weken gaat de wintertijd in en dan gaan we gaan langzaam naar vijf uur, half zes”, zei ik. Wat een pessimistische boodschap, maar goed, na enig gekeuvel hierover vertelde ze te leven met het verre vooruitzicht naar het paradijs. “We komen steeds weer terug, tot we allemaal volkomen zijn, gered van alle tekorten. Daar zie ik naar uit. Je keert terug in en met jezelf, en je herkent ook je stem, dat is het mooie.”
“Is met het leven van nu niet te leven dan?”
“Nee, als ik dit geloof op het oneindig goede niet had, zou ik niet willen leven. Maar wat ook zo mooi is hè, nu zie je allemaal overlijdensadvertenties, dán niet meer. Dan staat er: ‘Opstanding’. Já”, zei ze en keek me doordringend aan. “We zijn hier om te leren, net zo lang tot we ‘er zijn’.” Ik keek haar aan en lachte haar toe.
“Wat herinnert u zich van vorige levens?”
“Niets. Dat is nu juist het mystieke. Móói toch!”
Daar kan ik niet omheen, maar waag het toch. “Merkwaardig. Hoe weet je dan welke les je nog niet snapte? En leren we niet allemaal in een zéér verschillend tempo, zullen we wel ooit tegelijk aankomen?”
Ze haalt haar schouders op. “Maar er kómt een paradijs! Daar wacht ik op.”
(Is dit nu de uitzichtloosheid van het huidige leven? De teleurstelling en tegelijk de hoop? De overbodigheid? Ik weet het niet. Ze heeft in elk geval een manier gevonden haar leven te leven.) Ik zei wat ik al een minuut of acht eerder had opgemerkt, dat ik nu echt naar huis wilde en moest gaan afrekenen.
“Dank voor uw aandacht. Dat maak je niet vaak mee hoor. Men vindt het klare onzin wat ik vertel.”
“Hoe kan ik weten of de toekomst ons onzin brengt? Een fijn weekend mevrouw.”
[Fresco “The last judgement” by Nardo di Cione, ca. 1350.]

maandag, oktober 15, 2007

15 oktober Milieudag
World Blog Action Day

Dit beeld, Gaia, is zowel een prachtige figuurstudie als een krachtig sociaal commentaar. Gaia is in de Griekse mythologie de godin van de aarde.
Gaia werd altijd afgebeeld als een mollige vrouw, vaak oprijzend uit de grond en op die wijze verbonden met de natuur. Ian Norbury koos er echter voor om haar in een waandood uit te beelden maar ook oersterk zoals moeders zijn, achterover over een zwart gemaakte aarde als signaal over onze oneerbiedige en vaak hypocriete, zelfs vernietigende houding ten opzichte van de wereld waar wij wonen.


We hebben een toenemende honger naar energie, maar het wordt steeds duidelijker dat we via de achterdeur de wereld vervuilen. Kan dat leiden tot een schoon geweten?
“’Groen’ is goed, dat verbetert de wereld”, wordt er gezegd, maar geld moet geld opleveren en de kwartaalcijfers zijn nog immer van immens belang. We leven op de wals van het groeicijfer. (En pixels, steeds meer pixels.) Zou het een gewetenszaak zijn? Dat ‘groen’? Ander voorbeeld: precies een week geleden vertelde iemand, werkzaam bij een grote textielonderneming, over een staaltje van misleiding. “De Dolle Dwaze dagen van de Bijenkorf? Wij leveren een grote partij overhemden, dezelfde als anders, kant-en-klaar met de sticker erop: ‘van zoveel … vóór zoveel’.” ’s Anderendaags lees ik in de krant dat die dagen voor relatief het grootste deel van de omzet zorgen.
We verlangen ernaar te houden wat we hebben, liefst wat meer erbij. Groeien we ook in welzijn? Zit de werkelijke schaarste juist niet in de dingen die we niét kunnen kopen?
De bronnen zijn talrijk en tegenstrijdig. Velen denken dat het de eigen kruimel niet waard is. Het moment van het besef dat het allemaal maar een verhaaltje is, wordt denk ik zo lang mogelijk uitgesteld.
[Sculpture by Ian Norbury.]

zaterdag, oktober 13, 2007

Een vliegwiel van geluk en lijden

Soms zijn we eenzaam in ons verdriet,
in onze fouten en verlangens
is het lastig wonen.

Soms lezen we enkele zinnen en
herkennen plots ons leven
als uit een diepe put gewonnen.

Het leven is bij tijd en wijle mooi,
maar als huilen en troost ons kan
bevrijden, is weer wat lijden voorbij.

[© MN, in ‘Troostvolle brieven’. (Wat speelt er niet in ons o zo kwetsbare brein.)
Afbeelding “Sleep well” by Mihai82000.]

donderdag, oktober 11, 2007

Is ons leven een zelfgekozen gevangenschap?

Zie voor mijn raam een zorgvuldig geweven web met achttien spaken, gespannen met zes draden in een kozijn van 60 x 80. Het web, 40 x 55, is al meer dan tien dagen oud, de kleverige draden als sporen van begeerte, dunner dan het dunste garen, trillen in de zachte ochtendwind en er vallen gaten in. Het is een verlaten huis geworden, in korte tijd een versleten doek, zelfs geen gevangenis voor vliegjes. De kruisspin, die ik meermalen van noord naar zuid zag gaan, is verdwenen. Ik zie dat hij in de vrije hoek van het raam nog even geprobeerd heeft opnieuw te beginnen, een veel fijnmaziger wielweb, maar na tien rondjes hield hij het voor het gezien.
Is ons leven niet ook een zacht wiegend web, sterk en kwetsbaar, een weefsel waarin wij wonen? Beven we niet ook soms als een haas in een strik? Is het soms ook niet een onontwarbare knoop waaruit we ons nauwelijks kunnen bevrijden? Worden onze gedachten niet vaak overweldigd door twijfels, vermoedens en felle hartstochten? Hoeveel onkruid als haat of ongenoegen en hebzucht hebben we niet te wieden? En zo gaan we van geboorte naar ouderdom.
[Afbeelding: “Fairy on a spider’s web” by Arthur Rackham.]

woensdag, oktober 10, 2007


William Soutar, Het dagboek van een stervende
Vaak scheert een gedachte eerst een poosje als een mot rond

Veel liever had ik gezien, dat dit boek gebracht was met de titel Het brood van de ervaring want dat komt heel wat dichter bij de realiteit van dit proza dan de gekozen titel die eerder afschrikt dan aantrekt -, of: De dichter en ik, beiden naast de hoofdweg van het leven (te lang), beter nog De greep op dode jaren. Het zijn titels die intrigeren, zeker als het een dagboek is. Het zijn dagboekbladen uit de jaren 1930 – 1943. Ten onrechte wordt een sterfbed gesuggereerd van zo lange tijd, terwijl dat pas het geval wordt van eind 1942, tot het net zich rond de innemende, eigenzinnige dichter sluit en hij in oktober 1943 sterft. (Ook al bedacht hij al in augustus 1932 een bepaald tragisch grafschrift: ‘Hier ligt een man die niet kon beminnen’, - maar dat sloeg in feite vooral op zijn karakter, niét op zijn fysieke conditie of mogelijkheden.) Meestal was hij een blozende strijder. Bovendien, pas een dag na zijn ‘doodvonnis’, toen zijn huisarts in juli 1943 tuberculose constateerde, begon hij aan The diary of a dying man.
Ik kocht het boek op 21 mei (zie weblog) en in juni schreef ik er nogmaals kort en terloops over. Maar het thema ‘tegenwoordigheid’ van Pascal Mercier deed me plots denken aan een zin van Soutar uit maart 1936. “Wanneer je bedenkt hoe kort ons verblijf op deze aarde is en hoe betrekkelijk saai en betekenisloos ons leven verloopt, verbaast het je hoe bekrompen en weinig geïnspireerd we met elkaar omgaan.” Ik pakte het boek uit een van de stapels hier op tafel. De zin klopt, en hij voegt er nog dit aan toe: “Wij komen bij elkaar, praten over algemeenheden en draaien de lappenmand met clichés keer op keer om. Alles wat voor bespreking in aanmerking komt kennen we van buiten.”
Als gevolg van een wervelontsteking een bedlegerige man, een man van kwatrijnen, een eenzelvige man maar wel een met humor, een man met ogenschijnlijk conservatieve opvattingen over de zinnelijkheid (maar hij bewonderde het werk van D.H. Lawrence, zijn grote literaire voorbeeld) en dit boek is vooral de selectie van Alexander Scott, gemaakt in 1954. Trouwens, nu ik opnieuw in het boek lees, treft mij in de inleiding de zin van Harry Oltheten, de vertaler: “Op 14 mei had hij in zijn Journal geschreven: ‘To accept life is to give it beauty’.” De uitgever – Vorroux, bracht het in een prachtige uitgave – had er veel beter aan gedaan een nieuwe selectie te laten maken want Scott bleef met zijn keuze te sterk in de moraal van de tijd.
William Soutar wordt uitmuntend verzorgd, krijgt veel bezoek. Veel geklets. “Ik zou wel eens willen uitrekenen hoeveel jaren van iemands leven worden besteed aan het laten wapperen van de tong.” Zelfmedelijden kent hij niet – ‘en laat me nooit uit zijn op medelijden’ - , hij is kritisch, strooit droge humor en is scherp in zijn observaties. Hij schrijft en leest en andersom, voorgoed gestationeerd op een soort eiland, vaak in een beperkte kring van doodsaaie respectabele geesten, op een enkele vriend na en van een of twee vrouwen die wars zijn van het gebruikelijke geroddel. Hij voelt zich vaak in beter gezelschap als zijn bezoekers weer vertrokken zijn. Soutar is een meester van de korte typeringen, een meester in soms grillige humor, maar het was ook afzien want elke seksuele impuls had wel iets avontuurlijks maar bleef slechts wonen in de verbeelding. En die was rijk. Dan besteeg hij Pegasus – het paard in de Griekse mythologie – waarmee hij als dichter de werkelijkheid ontvluchtte, maar daarover staat vrijwel niets in dit boek. Wel dat hij gezegend was met een volbloedige viriliteit, helaas in een immobiel lichaam.
Evenmin komen we veel te weten over de aard van zijn ouders. Ze waren zorgzaam, en zijn vader liet William’s kamer flink uitbouwen, met een extreem groot raam, ‘a room with a view’. “Hoe dan ook”, schrijft hij, “ons gezinsleven is altijd heel aangenaam geweest, geschraagd als het werd door de stille aanvaarding van onze onderlinge afhankelijkheid. Demonstratieve liefkozingen kwamen bij ons niet voor.” Een ingetogen familie.
William Soutar, een intellectueel, kritisch over zijn tijd van sociale chaos en materialisme, een man van het woord, van de nadenkendheid, van symbolen die het bewustzijn beroeren, een dichter die iets van een kind heeft behouden en vragen stelt. Soms dezelfde als in de romans van Mercier. “Wat zou er gebeuren als we onze geheime gedachten en woorden zouden opbiechten?” Hij las alle poëzie van zijn tijd en zijn eigen werk werd goed ontvangen. Poëzie is een kwestie van beleving, dat vond hij, en pas dan ben je een goede dichter.
Ik besluit dit klassieke meesterwerk in de dagboekliteratuur met een passage die hij negen dagen voor zijn dood schreef. “Wat schijn ik in een slakkentempo te leven, terwijl mijn tijd toch in een rap tempo opraakt. Ik geloof dat geen van mijn vrienden nog vermoedt dat ik ten dode opgeschreven ben en het zou mij goed uitkomen als zij nog een behoorlijke tijd zouden denken dat ik een aanval van bronchitis heb of iets dergelijks. Wanneer zij er uiteindelijk toch achterkomen, zal er in een eerst open vriendschap een ondefinieerbare terughoudendheid sluipen.” (WS, 1898 – 1943.)
[William Soutar, Dagboek van een stervende, Uitgeverij Vorroux. Afbeelding: “Pegasus” van Karl Heinz Metzger. Ik schreef het eerst met de vulpen, weldadig om te doen, maar het wordt al gauw te lang, zo blijkt: 900 woorden, 400 teveel. Mijn excuus.]

maandag, oktober 08, 2007

Klik voor de leesbaarheid