De mens als boekSteeds heet het: ‘Wie biedt ons uitzicht?’
Toen ik de lange kasteellaan opreed, met aan weerszijden de reusachtige beukenbomen met het gouden en rode en bruine blad als een oker gewelf over het eeuwenoude pad want het bos was nog niet ontkleed, zag ik in de verte een zwijgend kasteel, als een klein geluk. Ik zou gaan wonen op een zolderkamer waar ik ook al eerder verbleef, de Oosterkim, en vooral ’s avonds naar de Sint Willibrordsabdij gaan voor de dagsluiting, de Complete. Er was een vage gedachte ook eens werkelijk door de stilte gewekt te worden en naar de Mette te gaan om kwart over zes, maar mijn dageraad ving aan om half acht en al wat ik door het zolderraam zag, was een luchtige mist boven de velden en een koe die nog slaperig het eerste gras hapte. En ik meende zeker twee boeken te lezen, het ene waarin ik al halverwege was, Datumloze dagen van Jeroen Brouwers, en het andere van Antal Szerb, Reis naar het maanlicht, maar beide bleven onaangeraakt op de stapel paperassen. Iedereen heeft dezelfde tijd, maar voor mij was de tijd toch weer anders, wel geheel vervuld naar wens. Er bleek geen boek te lezen, wel veel mensen met verhalen die ik herkende of nimmer had gehoord, die me verrasten en lieten lezen dat het geluk zelden spoorloos is of die bij me binnendrongen omdat het lijden en soms ook de slechtheid van mensen vaak niet is te doorgronden. Ik ‘las’ over veiligheid, wederkerigheid, warmte en mededogen, over verlorenheid en heelheid, maar evengoed over hele alledaagse geschiedenissen.
Kasteel Slangenburg in Doetinchem dateert uit de 17e eeuw, heeft twee robuuste torens en rondom een brede slotgracht. Op de enige dag dat het regende, zag ik roerdompeenden roerloos met hun koppie in de veren op een bed van bijeengedreven, verouderend lelieblad. Het is hier zoals kastelen horen te zijn, een kasteel met krakende trappen en vloeren, kamers met metershoge muren die gedecoreerd zijn met oude muziekinstrumenten, met mollige engelen of, als je even omhoog kijkt dat me op afstand wel lukte, met een jongeman die op een trompet blaast in het oor van een andere schaars geklede man en met allerlei andere taferelen.
Het is een inspirerende en weldadige omgeving die even een beetje van jezelf wordt en die je deelt met ongeveer vijfentwintig andere gasten, een eiland in de wereld waarop je als het ware gediend wordt door de gastvrijheid. Ik houd van de rust en de stilte, mijn eigen stilte in de onrust van de wereld. Ik sta er middenin, precies zoals vele anderen, en verbind me met de mensen die er zijn, in het luisteren en in liefde en lijden. Nu ik zo vlak na thuiskomst een korte impressie schets, kan ik eigenlijk niet anders zeggen, dan dat je op Slangenburg mét elkaar de nieuwsgierigheid viert, de aandacht, het verlangen, de ontroering en de uitbundigheid. Ieder komt er voor zichzelf en er is niets dat moet en tegelijkertijd weet ieder veel van zichzelf te geven, juist dáár omdat het zo belangeloos kan gebeuren – en wéér is gebleken dat geluk onnastreefbaar is, onpeilbaar en een complexe, puur menselijke aangelegenheid. En een ogenblik dacht ik, kunnen we niet beter ophouden met denken, maar had ik geen gedachten dan vond ik niet de taal dit te schrijven.
[Eerder schreef ik over Slangenburg op 10, 16 en 29 november 2006 en op 12 maart 2007. 'Wie biedt ons uitzicht' is een regel uit psalm 4, gezongen bij de dagafsluiting. Afbeelding: Achterzijde kasteel Slangenburg Doetinchem.]










