
Een mens in de tijd
Een idee van een leven alleen III
Een schuilplaats van levensverdriet
Het beste dat je kunt doen, is het in balans houden van je dag- en nachtritme en je geïnteresseerd voelen naar wat er gebeurt in het leven buiten jezelf.
Zo volg ik de journalist Jelle Brandt Corstius die in een oude Volga van Noord naar Zuid door Rusland trekt en in plaatsje terechtkwam dat voor buitenstaanders officieel nog steeds verboden gebied is, omdat door de vroegere chemische wapenindustrie het water daar 17 miljoen keer zwaarder is vervuild dan waar ook ter wereld. Het stadje maakte een ‘normale’ indruk, maar er zijn veel misgeboorten en de meeste mannen hebben een levensverwachting van 42 jaar, vrouwen een jaar of vijf meer. ‘Men’ leeft er, heeft het er niet over, improviseert met filters of kookt het water eerst. Milieudeskundigen die zich nog altijd (tevergeefs) in de zaak vastbijten, brengen Jelle naar de dode zwarte of witte meren, plekken waar je beslist niet langer dan een uur kunt verblijven zonder misselijk te worden. Sommigen beschikken over een indrukwekkend archief en wat me opviel, is dat de correspondentie daar begint met brieven naar de laagste ambtenaar en zo de ladder opklimt naar wie de hoogste baas is, zoals Poetin.
De reis met de Beagle, het schip ‘naar Darwin, voerde ditmaal naar Tahiti en ontmaskerde de mythe van dat magnifieke eiland aan de Stille Zuidzee tussen Australië en Zuid-Amerika, een mythe, al geënsceneerd ingezet in de 18de eeuw, die niettemin nog altijd veel toeristen lokt. Iedereen valt nog voor de heupwiegende halfnaakte vrouwen, de levendige borsten, de gespeelde vrije moraal, maar zoals elk idool, volkomen misleidend.
Wat ik me ook – naast vele vervelende politieke debatten, nooit iets origineels, maar dat geldt wat mij betreft ook voor de journalistiek - herinner van deze week, is de verbluffende architectuur van de Amerikaan John Lautner (1914-1994). Elke woning lijkt een uniek ambachtelijk en tijdloos paradijs, terwijl hij de bouwers aan de hand van slechts ruwe schetsen ‘de weg wees’.
Sam, de buurjongen, laat het nog wel eens afweten, dus moest ik van de week toch echt zelf voor de vuilcontainer zorgen. Zwaar werkje, maar het lukte. Het terras moet nodig worden geveegd en de voortuin aangeharkt, de gevierde kerstboom in stukken gezaagd, het is echt een na-winterse rommel. De helft van de vetbolletjes is op, de netjes hangen er als een oud condoom bij.
Intussen belanden we – zeker als de huidige trend zich voortzet – in een vreemd, onzeker land, in een tijdperk van nieuwe polarisatie, een soort reproductie van de Fortuinperiode. Verheugd over de winst van D’66 en vooral GroenLinks, maar verbijsterd over de Zege van Wilders. Politiek volgen er nu twee onvergetelijke seizoenen en – voor de goede verstaander – de SP heeft het motief al gegeven: de man is een bedreiging voor de samenleving.
‘Een idee van een leven alleen’, maar wat heb ik dat tot nu toch prachtig omzeild. Dadelijk ga ik met Chrisje lunchen, ik cirkel nog wel eens boven de Amerongse polder en als symbool van warmte gebruik ik nog dagelijks een Amerongs theelepeltje, maar onbeduidend, is het niet? Maar zo is het leven, een riante, onzekere wachtkamer, meestal doordringend alleen. Ik ben een van velen. Honderdduizenden singles zeggen het ‘zo prima te vinden’, maar sinds ik niet meer van de liefde drink … zoals ooit met Chrisje. Rijdt ze weer weg, dan ben ik uit m’n doen want van veel heb ik veel verdriet.
Een leven alleen met pijn en mobiliteitsbeperkingen is niet een leven om over te jubelen, en al die positivisten kunnen me de pot op, ze weten niet waarover ze het hebben, hoe goed bedoeld hun woord ook is, meer of anders ligt buiten hun vermogen. Er zijn ook mensen die me innig nabij zijn, zeer dierbaar en toegenegen, in zachte moed aanwezig, innerlijk betrokken en in de realiteit van dat besef krabbel ik na uren van nietsdoen dan weer op. Eigenlijk leef ik op de rand van het ravijn, maar val er niet in. A song of love … for myself.
[© MN, Te weten wat leven is. Afbeelding: “A song for love” by A. Madestra W.]