Pagina's

zaterdag, juni 16, 2007

Voorbij goed en kwaad

Laat mij mezelf maar dichter noemen,
dan ben ik wel tevreden op mijn eiland, of waar
ik woon, in mijn hoofd of in het huis
dat mijn groter en sterkere lichaam is en

waar ik mezelf zal zijn tot ik later
van hier de hemel inga. Ik schrijf het meteen
op want het behoort tot de dromen die mij
bewaken dat het ook daar behaaglijk is, daar

achter de omheining van vergetelheid. Mijn pen
krast en roept mij uit de verte terug, ‘als je pas dán
terugblikt op je levensloop en er iets van leren
wil, is het te laat hoor’.

Laat mij mezelf maar dichter noemen want ik hecht
waarde aan deze wereld, al ben ik in wezen niets anders dan
dwaas. Ach, het zijn maar gedachten over troost en beperking,
zó fluister je en ze zijn al weer voorbij.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg of
What do I really value the most? (A hard question.)
Afbeelding: John Martin, “Manfred and the Alpine Witch.” In this painting Martin turned to the poem by Lord Byron in which Manfred is condemned to eternal life without sleep. He calls upon the witch to find peace, but she demands his soul, and so he dismisses her.]

donderdag, juni 14, 2007

In de argwaan van het lijden

Dicht tegen het gedicht van gisteren ligt een grens tussen mening en oordeel. Ik schrijf er met voorzichtigheid over. De broer van Tobias zei het hakkelend alsof hij zich schaamde het te durven zeggen, maar “Tobias had beter dood kunnen zijn, dit had hij niet gewild.”
“Was het maar fataal geweest”, beaamde zijn vriend. Ook de anderen in zijn omgeving spraken uit, dat bij een eventueel volgend hartinfarct de natuur zijn beloop zou moeten hebben, géén reanimatie. “Hoe kunnen we toestaan dat hij er zo bij zit”, vroeg zijn zus, “maar voor welke partij zeggen we dit?” Zij besefte, dat de omgeving het voor Tobias invulde – zoals heel vaak gebeurt, dat mensen die van hem/haar houden en wanhopig worden over zo’n leven, oordelen over de waardevolheid van dat leven. Niet de betrokkene zélf spreekt zich uit over het lijden, maar de omgeving, de anderen die het niet kunnen aanzien én menen zeker te weten dat de lijdende er precies zo over denkt. Er een morele mening over hebben is begrijpelijk, maar een oordeel kan het moeilijk zijn.
Hoewel zeer veel mensen bij gezondheid zeggen, dat een bepaalde (uitzichtloze) ziektesituatie voor hen onacceptabel lijkt, is het erg lastig werkelijk te anticiperen op zo’n situatie, vooral ook omdat er grote onzekerheid is over ‘wie je dán bent’ en je nú niet kunt vermoeden hoe bepaalde waarden in je leven kunnen veranderen. Bij die vijf, zes, verschillende zinnen die Tobias bijna onverstaanbaar sprak, zat ook deze: “Ik wil niet dood, ik wil wel honderd worden.” Het éérste dat ik de avond voor mijn derde toch zeer riskante operatie tegen de chirurg zei, was: “Houd me in leven hè!”, terwijl ik toch al heel goed doorhad dat het geen ‘gewoon leven’ meer zou worden (ofschoon in niets te vergelijken met dat van Tobias). De zinsvraag doet zich bij mij niet voor; ik ben eerder, soms, een angsthaas. “Ik” houd dit wel vol, mijn lichaam ook? Soms verlies ik mij de moed, maar het gaat om vrede in m’n hart beschermd door mijzelf, gesteund en aangemoedigd door anderen.
Ik denk dat als het er op aankomt, we liever zo lang mogelijk afstand bewaren tot de dood. We leven (ook) niet alleen, maar in relaties met anderen. Dat maakt in de eerste plaats het leven rijk en waardevol, maar het laat ook zien dat pure zelfbeschikking een wat misleidend begrip is, dat je samen met nabije anderen grenzen verkent, soms opschuift. Bovendien, en dat is niet alleen mijn indringende ervaring maar ook die van veel lotgenoten met wie ik contact heb, léér je je redelijk tot goed te schikken in een (blijvend) veranderde levenssituatie. Je hebt grote pech gehad dat het je is overkomen, maar je kunt er maar beter het beste van maken - anders is het leed onoverkomelijk, ook niet te verlichten en gaan we de mist in. (We kunnen immers een dergelijke gezondheidstoestand niet veranderen, die macht ontbreekt ons, maar we hebben wel de vrijheid om te bepalen hoe onze houding daarin is. In de aanvaarding van het onvermijdelijke ligt de vrijheid besloten.) Of het nu in de dwang der omstandigheden ligt of niet, je moet zelf de toekomst maken.
Het ene lijden is het andere niet, en medische factoren spelen een alleszins grote rol: behandelbaarheid, prognose, is een behandeling medisch zinvol. Maar in wezen gaat het om de draaglijkheid van lijden, wélk lijden het ook is, en om de draagbaarheid van zorg door de omgeving. De leefbaarheid van een invalide leven in een verpleeghuisomgeving is in de beleving van een buitenstaander vaak ondenkbaar, zo intriest, maar toch kan daarmee nooit gezegd zijn dat het beter zou zijn als de betrokkene al naar de overzijde was.
[ Schilderij: “Bound by the vast and fathomless” by Randall LaGro.]

woensdag, juni 13, 2007

De tragiek van een bewoonbare ziel

Daar stond ze. Als een aangewaaid papiertje
uit Duitsland, verloren en radeloos, haar
jongste zoon na hartstilstand in coma. Tobias,
een chaotisch maar begaafd en gevierd cellist.

De telg van 39 uit een artistiek ambitieuze
familie, ‘musisch angehaucht’, keerde
weken later zwaar geschonden, bijna als
een kind weer terug, even kwetsbaar als immer.

Het ontroerende beeld van een man, terug
in een luier, geketend in spasmen en in de spraak
verloren, hulpeloos in een ledikant, maar hij wist zeker
dat hij nog bij zijn verstand was.

De echte Tobias was van zijn leven weggescheurd, als
een zegening van laag bewustzijn, of vergiste men zich?
“Had ik geen verstand, zou ik gek worden, dan zou ik hard
huilen”, murmelde de man wiens weerloze ziel is verstopt.

Door een gordijn van zorg en liefde omsloten en zo
leeft hij op het kleinste podium dat er is, maar zijn ogen
scheurden het tranenvol open en ik wéét niet of hij leeft in
de genade van niet-weten, maar wel van schrijnende eenvoud.


[© MN, in De man en zijn ziel, naar aanleiding van documentaire “Ik wil nooit beroemd worden” van Mercedes Stalenhoef. Schilderij “The Sleepers and the One Who Watcheth” by Simeon Solomon (1840-1905). Laat het Tobias' broer zijn, Paul, en zijn vriend Rudolf.]

dinsdag, juni 12, 2007

Als een schoenlapper op bloeiend hout

Zie je, iemand is zoveel méér
dan zij zich laat kennen - en toch heb
ik steeds de jonge dichter eerder begrepen,
zij zoekt en tast en weet soms zeker, dat

de liefde die zij is en leeft, grenzen heeft,
maar ook openstaat want op zekere dag verscheen
de oude dichter en zij beiden voerden het woord
en konden zwijgen zoals het hoort.

Zo gaat dat tussen vrienden, met tederheid
en respect, “dank je wel voor dit lieve woord.”

[© MN, in Geluk is zelden spoorloos. Het 250ste log. Foto: Jelle de Plaa.]

maandag, juni 11, 2007


Voilà la vie. Het is verbeelding

In de stilte, de volstrekte rust
van de zwarte nacht, daar verlaat ik alle
schijn, al wat overbodig is. Ik leef voor even

in het bestaan alsof het een werkelijkheid
is zonder kleed want “de natuur heeft er toch
geen mening over”, zei Nietszche.

We verlangen naar een en al duurzaamheid
van het goede, maar zo de maan vele gezichten heeft,
zo is het leven onophoudelijk eb en vloed.

In de stilte van het eiland, op het laatste uur, terwijl
mijn voeten tintelen van slaap, schrijf ik dat
de ‘rustige vreugde’ maar een dunne schil is over

een dagelijks hinderlijk lichaam. En soms gebeurt het
dat de vreugde er in één klap van wordt afgescheurd, zoals
je een aluminium strip van een pot appelstroop afscheurt.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: schilderij “Perched” van Clive Smith.]

zaterdag, juni 09, 2007

Een oase van troost

Ik herinner me graag
de geschreven regels van Machado.
“Reiziger”, zei hij zacht maar luidkeels,
“er is geen weg,
de weg maak je zelf, door te gaan.
Door te gaan maak je de weg
en als je achterom kijkt,
zie je het pad dat je nooit
meer zult hoeven betreden.”
De metafoor van deze dichter is mijn
werkelijkheid. Al ging ik letterlijk een lange dag
op reis, ik keerde terug onder een mantel
van tevredenheid over mijn bestaan, ja,
het is de wind van de tijd.

[Het citaat is van Antonio Machado (1875-1939). Gedicht, MN, in De wind waait
de tijd als zandkorrels weg
. Schilderij “Der Wind der Zeit” van Amelie Welt.]

vrijdag, juni 08, 2007


’s Morgens de haan, ’s avonds de uil

Wanneer ik nu een beeld van lichtheid
schets, zal het dan zo echt zijn dat ik het kan
schenken, of heb ik dan een hart van steen?

Wanneer ik terugdenk aan Mimizan, dan neem ik
mijn lot op de koop toe, niets van al dat schoons, niets
van zee en wind, van warmte en geluk is gestorven.

Ach, ik ben de gerieflijk gehuisveste dichter, en hoewel
het eiland op den duur geen verrassingen kent, voel
ik me vurig en vastgeschroefd verankerd.


[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Aan het strand
van Mimizan – zo heette mijn moeder, Mimi – in september 2006,
de vakantie met vier vrienden in Au Cap Blanc, Corneillan,
waar het zo stil was dat je oren gespitst bleven.]
(Ik ben een dagje weg.)

donderdag, juni 07, 2007


Wenen in gesneden eenzaamheid

Er lijkt niemand die haar lijden erkent.
Zij, met botten zo broos als beschuit, zij die
een verleden torst met onuitwisbare tranen want
een zoontje is haar dood ontvallen, een dochter die

in haar bloei verongelukte en nóg een die in misère
leeft en voor haar kind niet zorgen kan. Kleinzoon
is nu bij haar, oma is weer moeder, maar zij is een en
al gebroken goed, heeft kanker en een man die een herseninfarct

kreeg. De jongen haar oogappel, de man haar zorg en
toch, zij woont in een huid vol pijn en droefenis, in
een huis dat van stilte wankelt want haar man

gaat vissen en er komt niemand op bezoek. Uit
het zwijgen van de muren vallen stenen, zij wordt oud,
een lieve zielenvrouw in een nog niet verlaten lijf.

[© MN, in De wind waait waarheen hij wil.
Schilderij “A woman’s soul” by Gevorg Yeghazaryan.]

woensdag, juni 06, 2007

We need words to keep us human

Kunnen we nog vrijmoedig spreken, nee
niet direct met ‘t hart op de tong, maar
met de tong van de geest,

of leven we toch in een wereld van veinzerij?
Parrèsia is een symbool van vrijuit spreken, schrijven, maar niet
een vrijbrief voor modder en pek, zelfs niet blootgefluisterd.

Kritiek boven vleierij, maar ook dit: voel
het als een innerlijke plicht om anderen met waarachtigheid
te helpen en te verbeteren, en ook jezelf.

Wees vrij, zei de lang geleden gestorven dichter, wees
moedig en ga desnoods stroomopwaarts,
maar ga nooit zielloos tekeer.

[© MN, geschreven naar aanleiding van de noodgedwongen ‘silence of Smiling Cobra’.
De titel is een zinsnede uit een boek van Michael Ignatieff.
Parrèsia is een begrip uit de Oudheid.]

dinsdag, juni 05, 2007

“La plupart du temps”
zij zegt het me

Zachtmoedige dichter, ik lees
je tederheid, en om je woord van droefenis
en angst zou ik je willen troosten.

Jij, dichter van ver, je gevederde woord
maakt me soms verdrietig, maar meestal
laat je me vliegen van vreugde.

Maar, zegt ze, denk je ook niet dat als
ik eenmaal in de hemel ben, het wordt pas
láter tijd, “tu seras près de moi.”

[© MN, Naar het woord van ‘son ange gardien’, later, véél later.
In De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: “Hold me”, ets van Marcelle Hanselaar.]

zondag, juni 03, 2007

Liefde die redt

Ieder beschikt over wonderen
zich te weer te stellen; sommigen vechten,
anderen vluchten en weer anderen gaan gemaskerd
verder of zuchten, dat kan ook, eens een diepe

huilbui. Toch zijn we niet tegen alles bestand en
dan rest ons de kunst met het onmogelijke te
leven. Is dat vrijheid?

Wie alleen is, aangedaan door leed
en vele passies heeft begraven, vraagt de hond
om een troostrijk opkijken. Zij verstaat hem en de straffe
strandwind waait haar wakker. Een traan over haar wang want hij

tovert, steeds opnieuw, de zin van opstaan en
telkens naar buiten gaan. Ik weet het antwoord niet, maar
zij weet in zichzelf een herberg.

[© MN, in Maak me menselijker. Schilderij “Met het licht op weg”, Jorieke Putman.]

vrijdag, juni 01, 2007


Bezieling valt niet uit de lucht

De hemel kan ook de finish
zijn waar de te blussen begeerte
ons heen voert. Ach ja, zei de dichter, die
de verrukkingen ook niet vreemd

zijn, met een plat woord is een cliché
gauw gesneden, maar laat het waar zijn,
liefde en lust zijn de vleugels
van de grote daden.

[© MN, in Een goede daad gaat niet in rook op. Afbeelding: “Lovers” by Bernard Perroud.]