Pagina's

zondag, oktober 07, 2007

Natuur. Een zelfportret

De zon schijnt door het transparante
kersenboomblad, verderop in het land zien
we plots de wereld van onze kindertijd,

de paddenstoelen, altijd dicht bijeen en
beschut door het warme groene schors. Er is geen
mensenhand aan te pas gekomen,

het is alleen hoe de aarde in zichzelf
voorziet, maar het blijft een oase
van verwondering en verhalen.

[© MN, in “Bladeren in een middag”. Foto van Chrisje.]

vrijdag, oktober 05, 2007

Willen zien wat aandacht verdient
‘Neig het oor van uw hart’, zegt Benedictus


Het luide gedruis in alledaags leven,
in de afrekencultuur, is een bron van laksheid,
grofheid en verspilling. De vermaledijde gejaagdheid
voert tot cascades van kwaad en innerlijk geweld.

Waar is de stilte, het rustige geduld, waar is
de eerbied, is het met alle ambities verdreven
naar het isolement? Van alles is de gedaante tijdelijk,
we kunnen nog morgen beginnen.

De dichter voedt zijn verlangen, hij tracht
zich te verbinden met anderen in het besef van velerlei
beperking. Zijn lichaam gelijk een ruïne, geconserveerd
met schroeven, maar zieltogend, neen, dat is hij lang niet.

[© MN in ‘Met gespitste oren luisteren’, mede geïnspireerd

door Wil Derkse, auteur van ‘Gezegend leven’.
Afbeelding als ‘tegenbeeld’: “A silence like intimacy” by Jackie Morris.]

woensdag, oktober 03, 2007

Pascal Mercier, een schrijver, en ook nog de filosoof die hem hielp
Twee meesterwerken, met meer in aantocht

Voordat ik een paar regels schrijf, breng ik hulde aan de vertaalster, Gerda Meijerink. Het is buitengewoon knap hoe ze als het ware in de meesterhand van Mercier is kunnen blijven, zo subliem, minutieus, ademloos, is het vertaald. En alléén maar om hetzelfde nog eens anders te kunnen lezen, zal ik de ‘Nachttrein’ in de oorspronkelijke taal gaan lezen.
Soms leek het alsof ik de volgende bladzijde niet durfde om te slaan, maar vaak had ik de rechterpagina al in de hand terwijl ik aankwam op de eerste regels van die pagina en er dan zeker van was zonder haperen of pauze de laatste zin ervan op de volgende bladzijde meteen te kunnen vervolgen. Zo ging het met de Nachttrein, waar ik eerder over schreef, en precies zo met Perlmann’s zwijgen, allebei een roman als filosofie. De ‘Nachttrein’ is zachtmoediger en geheimzinnig, ‘Perlmann’, achtervolgd en bijna gewurgd door schuld en schaamte, ingemetseld in de tijd en in de ban van de verbeelding met slechts minuten van bevrijding, is onthutsend, aangrijpend en adembenemend en verbluffend gedetailleerd. (In een decor van academici zoals ik academici zelf heb leren kennen.) Soms wilde ik even niet verder met Philipp Perlmann precies zoals hijzelf soms zwijgend naar lucht snakte – misschien omdat hij zelf vond er geen recht meer op te hebben nog te bestaan -, terwijl de opwindende reis van Gregorius, 57 jaar, zijn rusteloze zoektocht naar Amadeu de Prado me niet lang genoeg duurde.
Hoe wie ook over Philipp Perlmann gaat denken, zo arm als hij is geweest aan het vermogen tot liefde, zo verschrikkelijk rijk zijn z’n intellectuele vermogens, zijn taal en hoe hij eraan vijlde, zijn observaties en scenario’s, zijn geheugen. Het is bijna niet te geloven dat hij niet is gestorven in slechts de dunste jas van de diepste crisis, keer op keer, geen douche of pil bracht er verandering in. Soms ging hij wel lachwekkend ver in de controle over de dingen, maar dat is Perlmann ten voeten uit, zeker zoals hij zich voortdurend in het nauw gedreven voelde in het gevang van zichzelf en door het academische toneel, het wantrouwen en de afgunst (niet in het algemeen, maar in de beleving van Perlmann). Het verwarmende is gelukkig, in beide boeken, dat alle mensen je aan het hart gaan. Philipp, krachtig en kwetsbaar, heus niet in de laatste plaats. En wat voor Philipp geldt, gold ook voor Gregorius – tezamen 1000 bladzijden: een akker ontginnen zonder te weten wat er op zou kunnen groeien, zodat uiteindelijk het inzicht misschien ontstaat hoe dwaas het is je op te sluiten in een innerlijke vesting, dat een dergelijke afbakening je van jezelf afhoudt en het je onmogelijk maakt toegang te krijgen tot de tegenwoordigheid en dus niet onbevreesd staat voor wie je bent. (Zag laatst ergens een zin: “mijn gedachten schreeuwen altijd, maar mijn mond zwijgt”.)
Hebben we het leven zelf in handen, kunnen we ons lot sturen of laten we het, alsof we op een schavot staan, zich voltrekken? Is het mogelijk onszelf te kennen? Hoe is het als je beroep je in je latere leven als in watten of sneeuw ontglipt en hoe krijg je dan weer vat op de tegenwoordigheid? Wat zou er gebeuren als we het leven mochten overdoen? Het leven wordt tot in de kern geraakt. Waarom kies ik wat ik kies? De vrijheid, dat is het centrale thema in al het werk van Pascal Mercier, alias Peter Bieri (1944), de Zwitsersduitse hoogleraar filosofie aan de Vrije Universiteit van Berlijn. Peter Bieri is evenals Mundus Gregorius, Amadeu de Prado en Philipp Perlmann een man gefascineerd door talen. Taalwerelden. Hoe begrijp ik de wereld waarin ik leef? “Wat begrijp ik van de verhalen op televisie als Irakezen over hun ervaringen vertellen en het voor mij abracadabra is?”, zei Mercier in een interview. Ik zie uit naar de vertalingen van De pianostemmer en Lea; Mercier, Mundus, Amadeu, Philipp, Leskov, het zijn onvergetelijke namen.
[Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon en Perlmann’s zwijgen, beide boeken bij de Wereldbibliotheek. Afbeelding: peinture de Pascale Mercier (1968), “Révenie”, maar mogelijk, voor mij, ook Maria João Ăvila.]

maandag, oktober 01, 2007


Zo uit het dagelijks leven
Een kleine onbeduidende metamorfose

(Ik schrijf vandaag) opnieuw de eerste onwennige regels met de vulpen die ik van Chrisje kreeg toen ik doctor werd, een Mont Blanc met de inscriptie “De odyssee 1998”. Ik heb er zeker al drie jaar niet mee geschreven, terwijl het een pen is van enkele honderden guldens, geschonken als eer aan een schrijver, een schrijver die zijn pennen al lang had verruild voor een toetsenbord en voor veel vluchtige notities of observaties een van zijn ballpoints gebruikte, bij voorkeur de Charles Hubert en in de marge van teksten zijn vertrouwde vulpotlood, een Cross.
Sinds de operaties in 2005 is mijn handschrift verknoeid, voor anderen wellicht onleesbaar, voor mezelf wel herkenbaar maar onaantrekkelijk. ‘Hij heeft een vreemd geworden hand van schrijven.’
Er staat hier nog een potje inkt, Königsblau, nu onmisbaar want met een langdurig genegeerde vulpen is niet te schrijven, ook met een Mont Blanc niet. Nee, onvindbaar was hij niet want ál die tijd lag de set pennen en het vulpotlood als het evidente attribuut van een schrijver op mijn werktafel. Voor de Mont Blanc had ik altijd zwarte inkt, in cartridges, en voor de Waterman het potje Pelikan 4001. ‘Hij schrijft vandaag de dag vaker over volstrekt nutteloze gegevens, alsof hij alleen maar hoeft te controleren of hij nog wel schrijven kan, dat wil zeggen, in leesbare zinnen.’
Tegenwoordig gaat dat moeizaam en soms lijkt mijn woordenschat te zijn vermagerd omdat er geen argumentatie meer nodig is, geen vergelijk of overtuiging. Maar tegelijk is elke tekst ook soepel en vrij want hij is bevrijd van reputatie of ambities. ‘Hij is als schrijver veranderd omdat hij leeft in een ander landschap van de taal, maar hij is niet veranderd als een mens die hij niet kent.’ (People don't remember what you tell them, they remember what they experience.)
Ik leef in een sterk veranderde werkelijkheid en beschouw deze als de gelukkigste van mijn leven. De crises zouden anders doen vermoeden, ze waren uitputtend en leken soms verpletterend, maar zaten vastgeklonken aan een traumatische levensgebeurtenis en ééns zouden de klokken ervan gaan luiden. Hopelijk hebben we ze nu alle gehoord. Is er iémand een leven zónder beloofd? En, daarbij, een ander lichaam krijg ik niet en ongelukkig met mezelf ben ik evenmin, tenzij anderen mij nog zouden willen kneden naar een beeld dat zij liever zien.
Achter in dit oude schrijfblok ligt een gedicht van de Zenleraar Dōgen – jaren geleden, in the hope of finding a quieter, more calm existence – het gedicht “Mountain Seclusion”: ‘I won't even stop/ at the valley’s brook/ for fear that my shadow/ may flow into the world.’ Ik liep op het aardedonkere eikenbomenpad, dacht aan een nachtegaal, maar vond ook de woorden voor dit eeuwenoude gedicht. Zelfs daar zal ik niet aarzelen/ daar bij de beek in het dal/ ook daar zal de vrees mij niet weerhouden/ dat mijn schaduw in de wereld stroomt.
[Uit een handgeschreven tekst, MN. Dōgen Zenji (1200 - 1253) was een leraar, meester, Zen Boeddhist, geboren in Kyōto in zijn tijd een befaamd religieus leider en filosoof. Afbeelding: “De Wodanseiken” van J.J. Cremer, 1849.]

zaterdag, september 29, 2007


Verwonderd over de wereld

Er zit niet een regelmaat in, maar nu en dan komen we bij de kringloop, dan eens bij de sjacheraar op de Schaapsdrift en dan eens bij die van de St. Vincentiusvereniging aan de Rozendaalsestraat. Als geld moet rollen, dan goederen ook. Laat ik het er maar niet over hebben waarom we kleding niet dragen tot het op de draad is versleten of de televisie niet blijft staan tot de gloeibuizen zijn gesprongen. Een enkele keer gaan er schoenen mee waar tevoren nog even de poetslap overheen gaat, ik frons dan m’n wenkbrauwen maar ben al blij dat ze naar de kringloop gaan. Er moet nog veel meer naar toe.
Er staan ongeveer twintig mensen te wachten tot de deur opengaat. Nog een minuut of zeven. Drie mannen draaien nog een shagje. De meesten staan zwijgend bij elkaar, tussen ieder een armlengte afstand zodat het duidelijk is dat ieder er voor zichzelf is. Alleen een paar vrouwen met helaas jengelende peuters aan de hand vinden elkaar. Het leven is niet geëgaliseerd, misschien bij de Aldi een beetje, maar niet bij de kringloop, op een enkeling na.
Vlak voordat de deur opengaat, komt er een jonge vrouw door de poort, gevolgd door haar moeder, een graatmagere vrouw die de slagen van het leven wel kent want de rimpels liggen als opgewaaid duinzand in haar gepoederd gezicht, zwart haar, paarse lippenstift en aan elke vinger een ring. Haar dochter, smakkend op haar kauwgum en een bleek, verveeld en ongelukkig gezicht, draagt een verkeerde broek. “Dat je dat ziét”, zegt m’n lief. “Waarom?” De broek zit zo strak om haar billen dat de stof daar dunner is dan langs de benen, de billen als het ware een opgeblazen bol vormen waar geen enkele bekoring meer van uitgaat en omdat ze teveel patat eet, wordt de stof aan de voorzijde zo in het nauw getrokken dat het haar schaamheuvel ongetwijfeld pijnigt. Dat kon je zien. Sommigen denken dat een mannenoog dit boeiend vindt. Ze kon onmogelijk aandacht voor zichzelf hebben want ik zag even later dat ze verdrietige ogen had, en haar gezicht toonde geen verveling, maar leed waarover ze misschien nauwelijks kon spreken.
Een gesluierde Marokkaanse moslima blijkt een zeer geïntegreerde Nederlandse. Ze pakt telkens een rok die niet haar maat is. “Deze is me ook weer te klein, ziet u?” “U hoeft toch niet uw levenlang maatje 36 te houden!”, zeg ik, denkend dat het toch maar een muf boeltje is. Ze gaat hardop pratend door met zoeken en telkens blijkt de rok aan beide kanten een vuistbreedte te smal. “Jammer, want deze is zo mooi”, en ze kijkt met ogen die zeggen ‘ja toch!?’ “Ja, het is een batikstof.” Heb ik hier verstand van? Ze is een aardige vrouw, donkere, warme ogen, haar leven gediend aan man en kinderen. Ze was zelf denk ik weinig in tel en terwijl de tijd niet zorgeloos verstreek, werd haar lijf ongemerkt een beetje een boomstam, een die overal tegen kan. Sommigen vinden dit weerzinwekkend, maar wie zien we eigenlijk als we in de spiegel kijken?
[Painting by Fernando Botero.]

donderdag, september 27, 2007


De ongesproken taal

Bo, onze hond, was al driemaal naar het eiland gekomen met het zichtbare verzoek wanneer we nu eens uitgingen. “Nog even Bo, ik ben bezig.” Hij keek me aan en het leek alsof hij zijn schouders ophaalde en wat verontwaardigd bij me wegliep. De derde keer keek hij enkel even om het hoekje, zag dat ik nog bezig was en liep terug alsof hij niet gezien was. Het duurde nog tot elf uur, zeker een uur later dan gewoonlijk.
Tijdens die wandeling realiseerde ik me hoe fascinerend de ongesproken taal van een dier is. Aan het voorbeeld in de eerste alinea zijn nog talloze toe te voegen, waaruit blijkt dat de wederkerigheid tussen mens en dier heel bijzonder is. We doen het vaak wel af met de idee dat het bij een dier slechts ‘gewoonte’ is, of conditionering, maar de houding en gelaatsexpressie, en de alertheid van het dier op het ongewone dat zich kan voordoen, toont een ‘tegenwoordigheid’ die wij mensen vaak missen.
Het tweede dat mij tijdens dit kortdurende uitstapje opviel, was de maan. Een krachtige, warme maan. Het wonderlijke is, dat de volle maan precies boven Rozendaal lijkt te staan, ‘zie, pal boven mijn eiland’, maar Gerhard die in een kleine plaats in Friesland woont of Inge in Zandvoort of Gerda in het Vlaamse Gent, ze kunnen allen op dezelfde gedachte komen, ‘zie, wat een juweel deze volle maan, pal boven mij’. Ik ben niet bekend met maanrituelen, maar weet dat deze koningin van de nacht toch ook, evenals de boom van gisteren, een symbool van vruchtbaarheid is, en ik ben blij het te hebben opgemerkt want het heeft me even weggehaald uit de droevige geschiedenis van Philip Perlmann. Eigenlijk zou ik de postvogel moeten terugroepen en hem met een paar regels over de ‘beangstigende gewaarwording van een existentiële crisis’ erop uitsturen, maar misschien zijn deze twee zinnen al even veelzeggend. De postvogel heeft intussen een andere meester te dienen.
[Een verwijzing naar de roman van Pascal Mercier, Perlmann’s zwijgen, Wereldbibliotheek 2007 (623 p, € 24,90). Foto van het www, onbekend van wie maar met eer geplaatst.]

woensdag, september 26, 2007

A rose for each of you
Op het eiland heerst nu een andere stilte dan voorheen. Ik heb verwarring gesticht in mijn leven maar twijfel er niet aan dat die vruchtbaar zal zijn. Ik zie hier bijvoorbeeld een ansichtkaart, daarop staan vijf in leer gebonden boeken gestapeld en het is natuurlijk alleen maar symbolisch, maar op die stapel staat een boom met de wortels langszij maar ongetwijfeld ook naar binnen, al is dat onzichtbaar. Het geheel verbeeldt de vruchtbaarheid.
[Photo BC Gal.]

donderdag, september 20, 2007

Postvogel V

De geschiedenis van mijn lichaam


“De auteur van deze weblog is voor onbepaalde, vermoedelijk lange tijd op reis. Het eiland blijft zijn boekenkast en alleen wanneer hij ongelukkig wordt, keert hij terug.”

Neen, zo afstandelijk zou ik het nooit willen zeggen. Er is meer aan de hand. ‘Op reis gaan’ is de metafoor voor een ontdekkingsreis, voor opnieuw een reorganisatie van mijn bestaan. De eerste was dringend nodig nadat ik min of meer was hersteld maar nooit meer zou gaan werken. Om kort te gaan: het werd een weblog en mijn eiland werd gelijk een kippenren waarin ik dag en nacht vertoefde. Natuurlijk is dit beeld sterk overdreven. Maar het lezen van talrijke weblogs, het almaar langdurig peinzen, mediteren, over eigen thema’s, over taal, het verdwijnen als het ware in de virtuele wereld, leidde tot een soort van afwezigheid in het huis dat aan dit eiland vastzit en waar ik feitelijk woon. Het ligt deels in mijn aard zo te leven, maar mijn verlangen, beter gezegd, ons verlangen, het ervaren van harmonie is sterker. Daarom moet ik deze ‘vorm’ verlaten en, nog in verwarring, een vorm vinden die mij meer integreert met het huis waar ik woon. Het is geen gedachtespel, het is een levendige wens.

‘Whisperings of my soul’ heeft mij ongelooflijk veel geboden en in dat opzicht is het virtuele aspect grotendeels schijn, dat is het namelijk minder dan we denken en elkaar steeds voorhouden. Zijn warmte en aanmoediging dan slechts lucht? Ik voel een verbondenheid die ik niet verliezen kan, maar wil nu een andere weg inslaan. Ik heb van jullie met gulle hand gekregen, maar je kunt niet alles hebben.
Plots denk ik aan een passage uit mijn Hals over kop en nog langzamer: Een van de verpleegsters van de eerste hulp waar ik om 9 uur aankwam (op 7 maart 2005) en van waaruit ik ’s middags tegen de klok van vier werd opgenomen op traumatologie, zocht mijn ogen en keek me aan, “Wees gerust, wat er ook gebeurt, ik volg het en wijk geen moment van uw zijde, ook niet als er dadelijk allerlei onderzoek gaat plaatsvinden.” Fluisterend vervolgde ze: “Er gebeurt alleen wat goed is voor u, daar let ik op.” De geschiedenis van mijn lichaam heeft me geleerd dat het leven niet licht is, maar ik ben niet ziekelijk geworden en dat is de verdienste van heel veel anderen.

Wat kan ik jullie wensen anders dan het versleten woord ‘Alle goeds’? Zo luidt de wens uiteindelijk wel, maar wanneer alle namen me als levend geworden portret voor de geest verschijnen en weet dat alle littekens in ons mee blijven ademen, dan zeg ik liever: “Adieu. Dank je … adieu.”

Het is de kunst ervoor te zorgen dat het verlangen niet je meester wordt.
Ik schreef iemand laatst, dat het nu de beste jaren zijn. Zou ik ze dan zelf in de greppel rond mijn eiland moeten gooien omdat ik ze niet leven kan? Zoals Jeroen Brouwers het zegt: “Je schrijft terwijl het leven aan je venster voorbij waait, zonder dat jij eraan deelneemt.”
[© MN, in De wijsheid van het lichaam. (Log nr. 305.) Ik wilde er eigenlijk nog veel aan toevoegen, maar ik realiseer me dat dit zogenaamde toevoegen alleen voortkomt uit reële pijn, dankbaarheid en onthechting rondom en in het leven van mensen met een weblog, waarvan het in de kern maar één eigenschap heeft: we doen het ieder voor onszelf. Laat ik dus als dichter maar gewoon de reis maken die ik me voorneem, zonder precies te weten hoe dat zal zijn. Foto: “Brieftaube” Gerhard Glück]

woensdag, september 19, 2007

Postvogel IV
De tijd die ons gegeven wordt, is kort


Als het regent en er is wind dan word je geslagen. Ga de wind niet uit de weg, maar jaag hem ook niet na. Ik weet het, soms is de wind zachtmoedig, als een frisse zijwind. “Had je de wind in de rug zoals wij dat het liefst hebben?”, vroeg ik de vogel. Of versta je me niet, waait mijn woord weg in de wind, zoals de wind ook de tijd wegwaait? Hij zat daar weer even parmantig en zwijgend als vorige week en ik vroeg me af of ik in zijn tijdschema zit, tot de vaste adressen behoor. “Nu ja, als je maar niet op mijn boeken landt!”, zei ik terwijl ik mijn hand uitstak toen hij naar me toeboog met de post.

Soms ben ik zo traag als Amadeu de Prado, maar laat me maar denken en schrijven, dan blijf ik in leven. Alleen zo kan ik hier wonen, zo meende ook Slauerhoff. Ik zet Arvo Pärt aan, de cd Alina, dat zou de melodie kunnen zijn van de Portugese filosoof, de man die voortdurend koos voor een stukje eeuwigheid. “Het komt aan op partij kiezen voor de ziel aan de gevoelens voorbij.”
Amadeu vroeg zich af, “waarvan het afhangt als we een maand als een gevulde tijd, als ónze tijd hebben beleefd, in plaats van als een tijd die langs ons heen is gegleden, die we alleen maar hebben ondergaan, die ons door de vingers is geglipt zodat we het idee hebben dat het een verloren, een gemiste tijd was waar we niet om treuren omdat die voorbij is maar omdat wij niets van die tijd hebben kunnen maken? De vraag is dus, hoe je voor jezelf iets kunt maken van de tijd van een maand? Wanneer is het zo dat ik de indruk heb dat deze maand helemaal van mij is geweest?”

Wat wil ik toch graag dat u Gregorius leert kennen, de begaafde classicus uit het Zwitserse Bern, die door een toevallige ontmoeting álles achter zich laat, zelf nauwelijks beseffend wat hij nu eigenlijk tegemoet gaat, en dan in Portugal het leven van Amadeu de Prado leert reconstrueren. Hij krijgt als het ware stapvoets de weg gewezen naar indringende ontmoetingen waardoor hij in de loop van de maanden een andere kijk op zichzelf creëert en tegelijkertijd het zachtmoedige, standvastige en respect afdwingende intellectuele leven van Amadeu openbaart. Amadeu de Prado.
[Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon, Wereldbibliotheek 2006. Overigens is een nieuwe roman verschenen: Perlmann’s zwijgen en begin volgend jaar verschijnt Lea. Alle boeken van tafel, alleen nog Mercier. Foto: “Brieftaube” Gerhard Glück.]

dinsdag, september 18, 2007


Postvogel III
De wolken schetsen weer hoe weinig heel de wereld is


Om wat ze zijn, je woorden, zal ik ze branden. Om wat ze zijn, zal ik ze verstrooien, als as over een bevroren grasland. Zie, het is nog even een donkere vlek. Zo reizen dichters soms met het woord.

Heeft stilte niet juist de toon die we zoeken?

Toevallig vond mijn postvogel wat andere woorden, ik begreep zijn gekwetter, pakte mijn pen, schreef ze op en verbaasde me erover waar hij dat schoons vandaan haalt. “Een gouden zon schenkt al het bomenblad het geluk waar wij van leven. Ik hoop dat hij rustig ergens in je tuin wacht tot je thuiskomt want hij maakt er nog wel eens een zootje van”, schreef ik en deed het briefje in een enveloppe. Het is wonderlijk hoe hij weet dat mijn kleine werk gereed is en hoe hij zonder dralen de post zo vast in zijn snavel grijpt, héél anders dan de broodkruimels die hij hier vliegensvlug oppikt.
[“Brieftaube” Gerhard Glück.]

maandag, september 17, 2007


Als een porseleinen hazewind naar de stilte

Waarom trekken mij de kloosters zoals de holen de vossen? Ik reed naar de abdij van de Norbertijnen en in de boekwinkel vertoefde ik, hoe uitzonderlijk, slechts vier, vijf minuten. Ik zag het portret van Miek Pot, nam haar boek in de hand en rekende af. Een warm gezicht van een moderne vrouw, ze is 47. Haar zachtmoedige maar zekere, wilskrachtige gezicht deed me blozen, dat viel me op toen ik buiten was en de wind het niet kon zijn, die was straf en guur. Ik wilde de Vespers bijwonen, maar de kerk was nog gesloten. In een als het ware ver naar binnen gevouwen erker van het immense bouwwerk eromheen, windstil maar nog net in de zon van het laatste middaguur, begon ik te lezen alsof ik buiten adem was van mijn vondst. Haar boek viel in mijn hart.
Miek Pot, die sinds 2002 als meditatie-contemplatielerares in een klein appartement in een besloten beluik van het Brugse begijnhof woont, leefde twaalf jaar in een wit habijt met daarover een witte kovel met puntmuts, haar haren verborgen maar tot aan haar billen, een ongeziene levendige vrouw als moniale in een kluizenaarsklooster. Eerst het strenge kartuizerklooster in Marche-les-Dames, net onder Namen, later, van dezelfde orde, in Zuid-Frankrijk aan het einde van de wereld en onder de rook van de beroemde abdij van Le Thoronet. Daar woonde ze met dertien andere kluizenaars op een domein van vijftig hectare, ieder zwijgend als een graf in eigen kluis, het hart van de monnik.
Haar intuïtieve keuze voor eenzaamheid volgde na een wild en gemakkelijk studentenleven, een tijd zonder één minuut stilte, een leven dat nog alle kanten uitkon maar ook een bron van onbehagen werd, een leven dat haar tegelijk ook zo voorspelbaar leek verder te gaan, misschien als moeder van enkele kinderen, lid van de hockeyclub en als dat er niet inzat wandelen met een labrador, in elk geval een mondain leven dat haar leeg en zinloos leek en dat botste met het in haar verborgen innerlijk proces, nog lang niet te duiden maar zoals een verboden liefde waarover je niet spreekt.
Uit het kluizenaarsleven is een innerlijk vrije vrouw geboren. Zij maakte een lange en voor wie er het hart voor heeft fascinerende reis door de woestijn, maar wat een veilige wereld was, werd uiteindelijk een niemandsland. Zij voelde zoals Jezus het haar zei: ‘Word voorbijganger’, keer terug naar de wereld, naar het marktplein. Haar uittrede werd onvermijdelijk, maar betekende geen afscheid waarin zij gelooft. Zij wil een trouwe berggids zijn, trachten mensen naar de stilte te brengen, bewust te maken en bij zichzelf te laten komen. Haar portret staat hier, telkens zie ik de titel en is er een oogwisseling alsof ze me aanmoedigt.
[Miek Pot, Naar het hart van mijn ziel, uitg. Ten Have, 128 pag., € 15,-.]

zaterdag, september 15, 2007

Dus jij denkt dat je een mens bent?
Ook hier, op de mogelijkheid van een eiland?

Ik dacht, kom, neem de nachttrein naar Lissabon,
hoewel ik droom naar het einde van de wereld
naar het hart van mijn ziel.

Ben ik niet een van die denkende schrijvers,
levend in de schaduw van de wind, almaar
in de stilte van de wereld voor Bach?

Het leven heeft geen geheimen, soms
is het een dubbeltje op z’n kant, en ik weet ‘t,
de regen verandert niets aan de begeerte.

Heb ik liever liefde dan gedichten, ik, de ander,
hoeveel geheime kamers telt mijn hart, zijn het wel
werken van barmhartigheid die ik leef?

Het zijn niets dan proeven van liefde, fluisteringen
langszij het ebbenhout, mijn leven een voorval. Misschien
tot morgen, ik ben afgemat als een eendagsvlieg bij avond.

[© MN, Het eiland, mijn gedachtenwereld. In de reeks ‘Stapelgedichten’, als felicitatie
aan Eric van Hoof, alias Gobboe, voor zijn gedichtenbundel ‘Droomkleur’.]