Pagina's

vrijdag, september 07, 2007

Verandering

Je bent méér dan al mijn kostelijke boeken. Dat leek
haar grootspraak, maar wat is geweest, is weg,
alleen de tijd is gebleven.

De kast, een ontvreemde ruimte, is nu zonder
taal, maar vol liefde, schoonheid en rechtvaardigheid,
voor ieder elk woord te ontdekken.

Het was maar toevallig van al die boeken, kom,
we beginnen opnieuw, je bent rein en
we staan aan de rand van de dag.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Ik moet toegeven, hoewel het niet onwaar is, dat “méér dan al mijn boeken” een hommage is aan de liefde, maar dat de boeken zijn gebleven.
Foto: van Natasja Gudermane.]

donderdag, september 06, 2007

Een kip legt geen eieren op het marktplein

Eergisteren tikte ik op mijn Garmin ‘Abdijweg 50 Valkenswaard’ en ik werd erheen gebracht, zo gaat dat in de moderniteit, om het even naar welke deur je wilt. Ik geloof na ongeveer vijf kwartier rijden vertoefde ik in de prachtige omgeving van de religieuze muren van het Cisterciënzer Trappistenklooster Achelse Kluis, ofwel de Sint Benedictusabdij in het stiltegebied tussen akkers en bossen ten zuiden van Valkenswaard. Er leven en werken 23 monniken naar de Regel zoals Benedictus die vijftienhonderd jaar geleden heeft gesteld. Waarom toch ‘buiten de wereld’, in afzondering? Is het niet dezelfde vraag als waarom ik naar bed ga als ik wil slapen? Zo leeft een monnik voor zijn vereniging met God in stilte, weg van het lawaai en weg van de talrijke verlokkingen, van de desillusies en obsessies, zodat er een innerlijke vrijheid en eenzaamheid ontstaat om het contemplatieve leven te beleven. “Een kip”, zo luidt een gezegde van de moslimsoefi’s, “legt ook geen eieren op het marktplein”. En zo is het klooster, dat bepaald geen vluchtplaats is of kan zijn – “het is eigenlijk een plaats waarin ik verdwijn voor de wereld”, zegt Thomas Merton -, de tegenpool van het moderne leven waar de mensen elkaar doorgaans voorbijlopen.
In een nis boven de grote poort staat een beeld van Benedictus. De muren van het klooster zijn bijna een meter dik, alle ramen en regenpijpen zijn van koper en het dak van leisteen. Het kan de eeuwen doorstaan. Er is een bierbrouwerij, een broodbakkerij, een galerie met religieuze cultuur – een krans aan devotionalia - en een kruidenierswinkel, zodat de gemeenschap zelfvoorzienend kan zijn. Ik kocht kaarten, Marjoleinolie en (teveel) boeken en heb spijt van die ik niét heb gekocht, wandelde er rond en voelde me rustig en tevreden, meer moet het niet zijn. Ik ben toch al voorbij de soberheid gegaan. De abt zei eens: “Als God niet bestaat, zijn wij de stomste mensen ter wereld.” En toen moest ik denken aan Amadeu de Prado, die zei dat we “de religie alleen maar geschapen hebben omdat de dingen voor ons, mensen, te groot zijn: pijn, eenzaamheid en dood, maar ook schoonheid, verhevenheid en geluk.”
Toen de kraaien hun groet krasten, viel de avond over de abdij en verliet ik de schil van het monastieke leven – kon ik mijn wagen even aan de hand nemen, dan zou dat geruisloos zijn gebeurd, maar ik startte de motor zonder dat het een protest kon zijn tegen de stilte.
[Thomas Merton, Louteringsberg (autobiografie), Ten Have/Lannoo. Amadeu de Prado is de dichter, arts, de hoofdfiguur in Nachttrein naar Lissabon van Pascal Mercier.]

woensdag, september 05, 2007


Wenn Sie das Leben kennen, geben sie mir doch bitte seine Anschrift.
Jules Renard

Een levensgroot opschrift op een buitenmuur in Weimar. Jules Renard (1864-1910). “Hij had een aangeboren misantropie in zich en iets knoestigs en solitairs”, schreef Sartre. Maar ik bewonder zijn twee dagboeken, verschenen in de reeks Privé-domein van de Arbeiderspers, en herinner me regels, zoals: “De aarde die inslaapt trekt de nacht over zich heen.” “Er zijn momenten dat alles goed gaat, maar wees niet bang, dat gaat wel voorbij.” “Ik houd van je zoals van de zin die ik in mijn droom heb bedacht en die ik niet meer kan terugvinden.”
Ich wünsche Dir das wir solange wir atmen, das Staunen über das Wunder Leben und die Freude das wir leben niemals aufgeben, zo luidt een zin die ik ergens las in het Goethe-Haus. Zie je, zo leeft bij ieder in alle tijden het menselijk verlangen, enerzijds juichend over de vreugde die het leven is, anderzijds te willen weten hoe het mogelijk is het leven te leven. Dat is elke dag werken, ook voor hen die alles lijken te hebben waarvan wij denken dat het hen zo eenvoudig lijkt te maken om goed te leven. Het is, denk ik, als een vuur dat je moet weten aan te steken zonder dat je je vingers brandt.
[Afbeelding: Jules Renard par Jack Rollan. De genoemde twee delen in de PD-reeks, nr. 140, zijn getiteld Dagboek 1887-1899 en Dagboek 1900-1910. Denk niet, omdat het van meer dan 100 jaar geleden is, dat het niet meer leesbaar zou zijn, integendeel – het is met een flinke teug ontzag op te snuiven!]

dinsdag, september 04, 2007


Onsterfelijkheid, een roman uit 1990
De grond waaruit ons lot opkomt

Het eerste deel van deze roman, die mogelijk door velen al is vergeten, beschrijft in dik vijftig pagina’s de pijn en de illusie van liefde, schuilgaand achter maskers van de realiteit. Het leven is een en al schets. Hier vooral het leven van Agnes, het bourgeois gezin waarin ze opgroeide, de symbolen in de relatie met haar vader die wat langer leefde dan ‘officieel gepland leek’, haar relatie met haar zus, later met de in huis afwezige Paul die veel van haar hield, die zozeer op zijn moeder leek dat Agnes, als ze eens de liefde bedreven, soms dacht dat er een oude vrouw op haar lag. Het woord ‘masker’ valt nergens, maar cruciaal in dit eerste deel is ‘het gezicht’ en wie daarachter schuilgaat. ‘Is mijn gezicht hetzelfde als ik’? Agnes koestert heimelijk andere levensplannen. Ze houdt van Paul vanuit de wil van hem te houden, maar de wil kan verslappen, zodat ‘de liefde kan wegvliegen als een vogel door de geopende deur van zijn kooi’. Aan het einde komt een vreemde vriendelijke man van een andere planeet haar zeggen dat ze in het volgende leven niet meer op aarde zal terugkeren, ook Paul niet. En dan herhaalt zich diezelfde cruciale vraag: ‘Wilt u in het volgende leven bij elkaar blijven of elkaar niet meer ontmoeten’? Na overpeinzingen zegt ze, tóch, met vaste stem: ‘We geven er de voorkeur aan elkaar niet meer te ontmoeten.” De illusie van liefde.
Van pagina 55-98 deel twee, het is december 1811. Bettina en ‘haar’ dichter Achim von Arnim logeren bij Goethe in Weimar. Goethe is dan 62, zijn vrouw Christiane 49. Bettina, 26 en zwanger, flirt met Goethe. De logeerpartij eindigt in een ruzie en Goethe ontzegt hen voorgoed de toegang tot zijn huis. Overal in Weimar klinkt Bettina’s onsterfelijke uitspraak, dat ‘die vette worst gek is geworden en haar heeft gebeten’.
Het gaat om de aardse onsterfelijkheid, om herinnerd te worden bijvoorbeeld als een groot staatsman, of veldheer zoals Napoleon, of zoals ik van Goethe en Slauerhoff houd als onvergetelijk grote dichters, zónder hen persoonlijk te hebben gekend. Zelf ben ik straks slechts onsterfelijk in de harten van mensen die mij hebben gekend, dat is anders en van heel korte duur. Dood en onsterfelijkheid zijn mooier dan Romeo en Julia of welk ander onscheidbaar paar ook. Ach, onsterfelijkheid, “het is wind die je vangt in een vlindernet.”
Het frappante is, dat Bettina, die haar leven lang leefde in een snoer van adoratie voor beroemde mannen, de dochter is van de vrouw op wie Goethe veertig jaar eerder verliefd was, Maximiliane, “Maxe”. De toen nog jonge dichter werd door haar man het huis uitgezet. Bettina, 22 toen ze Goethe voor het eerst ontmoette, verschool zich achter een geraffineerd schild van kinderlijkheid. Gevaarlijk ambitieus, en er volgen vele wonderlijke scènes.
Bettina, de scherpzinnige, wint en verliest, alleen is dit laatste haar bij leven bespaard gebleven, maar zij won méér dan Goethe, die er toch ook uitkomt als een “schijtebroek”, of, zoals Beethoven hem, in andere omstandigheden, uitmaakte voor ‘onderdanige lakei’. (Bettina stierf in 1859.) Drie jaar na Goethes dood, in 1835, verschijnt haar boek, haar hommage aan G, Goethes Briefwechsel mit einem Kinde. Het is een briefwisseling die tot 1912 voor authentiek werd gehouden, maar ontdekt werd, hoe kan het anders, hoezeer zij alle brieven tot verfijnd goud had gepolijst. Ze rekende op onsterfelijkheid, maar vergat de dood.
Tot slot van deel twee verzint Kundera Ernest Hemingway, geworteld in het symbool van journalistieke roem, aan de zijde van Goethe. Wie is, eenmaal aan gene zijde, niét meer bij elkaar te brengen? Wat deden de een en de ander met het oog op onsterfelijkheid zonder het te weten?
In deel drie, het middenschip en de strijd van het boek, keert Agnes gelukkig terug. Pas later ook weer Goethe, Bettina, Beethoven en Rilke. Agnes en haar zus Laura, en hun respectievelijke geliefden Paul en Bernard – we lezen fascinerende psychologische portretten. Waar strijd je voor, tegen wie of wat? Voor het werkelijke leven? Zoals bij Laura, ziekelijk strevend naar het onsterfelijke, ‘opdat ze leeft in de gedachten van de ander’, onophoudelijk, want ná hem, haar minnaar, komt de woestijn, en dan moét je wel strijden, desnoods dreigen met zelfmoord. Ze wilde zich onvergetelijk maken, want zonder dat, waar leef je dan voor? Is zelfmoord een manier om te verdwijnen, of om voorgoed te blijven, gegrift te staan in het hart van de ander? Achter het ene doel ligt weer een ander. Strijden vóór iets kan deugdzaam zijn, strijden tégen iets vrijwel altijd vernederend of vermorzelend.
Nee, ik ga niet elk deel beschrijven, in hoe weinig regels ook. Dat is niet alleen lastig, maar ik wil ook niet de lijn van het verhaal blootleggen, die moet ontdekt worden, (dus) laat maar slapen tot het in het lezen wakker wordt. Ik wil slechts zeggen, dat deel vier over het voelende ik gaat, het lijden, de ziel. Een vrouw kan zeggen: “Mijn lichaam heb je gehad, maar mijn ziel krijg je nooit.” Of: “Mijn lichaam heb je nog niet gehad, maar mijn ziel behoort je reeds toe.” En over nog zoveel meer, tot we in het volgende deel naar professor Avenarius en het toeval gaan en naar Agnes, de heldin van dit boek. Avenarius die veel eerder al Laura uit een benarde maar onvergetelijke scène met twee clochards redde, en Agnes, Agnes draagt haar pijnlijke ik door de wereld, het dichtst bij de werkelijkheid … en sterft, na een absurd ongeval, tragisch omdat ze op de drempel stond van een ander leven. Maar zou het niet op het voorgaande leven hebben geleken? Ze bleef gebouwd van dezelfde bakstenen.
Na deze droefenis belanden we bij de schilder Rubens en vanaf dan wordt (voor mij) het boek anders. Rubens wordt verplaatst naar de twintigste eeuw, en we lezen over de ontdekking dat in alle mannen en vrouwen dezelfde stroom vloeit, één enkele gemeenschappelijke rivier van erotische fantasieën, en dat ieder er zijn deel uit krijgt. Hoewel bij flarden boeiend en geestig, raak ik hier het spoor bijster, vind ik het gekunsteld, zou ook zeggen bijna overbodig. Ik meen dat Thomas Roosenboom eens zei, ‘alles heeft zijn noodzaak’. Soms lezen we in het begin van een boek een tekst waarvan je je afvraagt wat je ermee moet, maar die blijkt dan verderop heel belangrijk te zijn. Precies dit element mis ik bij Milan Kundera, vooral (dus) tegen het einde, alsof hij toch verdwaald is in zijn verbeelding en in de complexiteit van het verhaal. Hij is een postmodernist, een kritisch en begaafd schrijver met een lyrische, poëtische stijl en een fascinerend wijd besef van de geschiedenis van het menselijk bestaan. Ondanks mijn bedenkingen aan het einde waren het allerminst tevergeefse leesuren.
[Milan Kundera, Onsterfelijkheid, Ambo 1990. Afbeelding: “Venus immortal” by Wolfgang Steiner. Ik koos voor deze illustratie, omdat aan het einde staat, dat we ons moet laten doordringen van het Ewigweibliche wil de wereld niet aan kilte en berekening ten onder gaan. “Het eeuwig vrouwelijke trekt ons omhoog!”]

maandag, september 03, 2007

De dichtervorst Goethe
Den Gefühlsausdruck in den Mittelpunkt: “Sturm und Drang”

Johann Wolfgang Goethe werd op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main geboren. Hij studeerde rechten in Leipzig en Strassburg, maar interesseerde zich vooral voor de schone kunsten, voor poëzie en tekenen. Zijn vader was jurist en raadsheer van de keizer.
In Strassburg leerde hij Johann Gottfried Herder kennen, een vriend die hem in contact bracht met andere jonge schrijvers, een ‘groep’ die zich bewust distantieerde van de heersende regels der dichtkunst. In het prachtige Goethemuseum in Weimar las ik ergens: Sie betonten die schöpferische Freiheit des Dichters und stellten den Gefühlsausdruck in den Mittelpunkt, was ihrer literarischen Strömung die Bezeichnung „Sturm und Drang“ eintrug. Deze nieuwe toon is reeds te lezen in de gedichten die Goethe schreef voor Friederike Brion aus Sesenheim, maar overtuigend in zijn eerste succesvolle drama „Götz von Berlichingen”.


In 1772 trof hem wat je zou kunnen noemen een historische hartstocht. Hij werd verliefd op Charlotte Buf, de verloofde van zijn vriend Johann Christian Kestner. Johann Wolfgang raakte tevens bekend met de droevige zelfmoordgeschiedenis van Karl Wilhelm Jerusalem en vervlocht elementen uit diens biografie in zijn eigen hoogst ongelukkige liefdeservaring. Zo ontstond binnen enkele weken zijn beroemde briefroman „Die Leiden des jungen Werthers“. Das Buch erlangte einen regelrechten Kultstatus. Het gaat over Werther, de intelligente, romantische jongeman, die in Lotte zijn grote liefde ontmoette, maar moest ervaren dat die niet beantwoord kon worden want zij had haar hart aan een ander geschonken. Wanneer Werther zich dat tenslotte heeft gerealiseerd, maakt hij een eind aan zijn leven. In zijn dagboek schrijft hij over het geluk dat hem deelachtig werd voor háár te kunnen sterven. Aan zijn schrijftafel gezeten schiet hij zich een kogel door het hoofd.
In 1775 werd hij jurist te Weimar, aangesteld door de hertog Carl-August, maar hij bleef ook als dichter actief, zij het dat zijn werk zijn poëtische leven vaker dan hem lief was naar de achtergrond dreef. Zijn liefdesleven vervolgde een moeilijke en onmogelijke weg. Hij kreeg een intieme relatie met Charlotte von Stein, een invloedrijke hofdame van de hertoginmoeder Anna Amalia; Charlotte was getrouwd met Gottlob Friedrich von Stein, maar goed, Goethe had zich een plaats veroverd in deze kleine elite-kring en zijn omgang met Charlotte, waar niemand lucht van mocht krijgen, inspireerde hem tot vele lyrische gedichten. “Ich bin bei dir, du seist auch noch so ferne, du bist mir nah! Die Sonne sinkt, bald leichten mir die Sterne. O wärst du da!”
Na elf jaar brak dit benauwende leven hem op. Hij vertrok voor twee jaar naar Italië en ervoer zijn belevenissen als een bevrijding, als een ‘Wiedergeburt’. Niemand was tevoren van zijn reisplannen op de hoogte, maar in Italië verbrak hij het zwijgen en correspondeerde met Charlotte, Frau von Stein, met de Herders en ook met de hertog. Hij beschreef zijn nieuwe ervaringen en werkte aan oude teksten, zoals het drama „Iphigenie auf Tauris“ en de „Wilhelm Meister“-roman.
In 1788 keerde hij terug naar Weimar. Het viel hem niet gemakkelijk zich opnieuw te schikken in het meer vormelijke levensritme, maar zijn vriendschap met Herder en vooral de ontluikende liefde voor Christiane Vulpius zorgden er voor dat hij zich ‘erneut heimisch’ voelde. Al na enkele weken trok Christiane bij hem in. Een jaar later werd hun zoon August geboren. Hun vier daarna geboren kinderen stierven allen zeer jong. Maar ook August werd slechts 41, hij stierf twee jaar voor de dood van zijn vader. (Ik kom een andere keer kort terug op de te eerbiedige relatie vader-zoon.)

Zijn vriendschap en samenwerking met Friedrich Schiller leidde tot een literair actief leven, denk maar aan die “Römischen Elegien”, die italienische Eindrücke en zijn poëtische omhelzingen van Christiane. Bovendien werd “Torquato Tasso” voltooid en hervatte hij zijn werk aan “Faust”. Voor Schillers tijdschrift “Die Horen” schreef Goethe onder meer de novellereeks “Unterhaltungen deutscher Ausgewanderten”, die eindigde met het beroemde en zo gul ontvangen “Märchen”.
Johann Goethe stond zeer sceptisch tegenover alle politieke veranderingen in het kader van de Franse revolutie en de oorlog van Napoleon. Na de gewelddadige plunderingen in Weimar door Franse troepen, in 1806, trouwde Goethe dan eindelijk met Christiane. Hij was toen 57 en leefde al achttien jaar met haar samen.
In 1809 ontstond de roman “Die Wahlverwandtschaften”, dat een wending markeert in zijn werk. Hij werkte aan zijn verzamelde briefwisselingen en zette zich aan het schrijven van zijn biografie. De gedichtencyclus “West-östlicher Divan” werd evenals “Faust II” zeer lauw ontvangen. Vooral met “Wilhelm Meisters Wanderjahren” wisten zijn tijdgenoten geen raad, maar wel weer met “Der Mann von funfzig Jahren”. Grote bekendheid verwierf hij met zijn poëtisch-idealistische “Novelle” en met de tragische “Marienbader Elegie”.
Johann Wolfgang Goethe stierf op 22 maart 1832, in zijn oude leunstoel.
[Krijttekening van Johann Joseph Schmeller. Dit portret siert ook het boekomslag van De Goethe-industrie door Boudewijn Büch.]

zaterdag, september 01, 2007

Een gevoel dat verblijdt en pijn doet

Voor mij bestaat op dit eiland de wereld
van de boeken, lepels vol woorden neem ik,
vol verbeeldingen en gebeurtenissen.

Door mijn venster zie ik de Duitse pijp en
de Catalpa’s, de kraag van onze kersenboom
als een schets van mijn leven,

maar ook is er de morele wereld van de deugd,
de liefde, het lijden, de landelijkheid van bomen en
beken en de tuin voor de roos, de tedere Rilke-roos.

[© MN, in Mijn leven als schets. Afbeelding: “Jaro” van Wszystkie.]

donderdag, augustus 30, 2007

Uit het einde komt het begin voort
altijd kan alles herbeginnen

Het echte beminnen is als een stem die woorden
zoekt in een diepe put, roepend naar overgave want
leven bestaat in ontdekken.

Alleen vanuit een lange tocht naar onszelf
vinden we kracht ons te vellen, hoewel met bijna stilstaand
bonzend hart, zij, met wie ik dit korte leven delen zal.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: “Venus riddle” by Susan Madsen.]

woensdag, augustus 29, 2007

Postvogel I
Um ourives das palavras

Deze vogel is hier eerder geweest. Hij blijkt een wonderlijke, soms poëtische boodschapper. Van de week trof ik hem op de rand van mijn versleten leren stoel. Op de naar mij toegekeerde enveloppe stond ‘Um ourives das palavras’, maar ik ken geen Portugees. We keken elkaar aan, enkele seconden later wipte hij in een atletische sprong hier op tafel en dropte de post. Het betekent ‘Een goudsmid van woorden’. Op het ingesloten kaartje staan maar enkele regels. “Als archeologen van onze ziel kunnen we ontdekken hoe verwarrend we zijn. Als het zo is dat wij slechts een klein deel kunnen leven van wat er in ons zit – wat gebeurt er dan met de rest?”
Kan ik mijn eigen archeoloog zijn? Ik keek opzij, maar de vogel was al gevlogen. Mijn blik ging terug naar het kaartje en toen pas zag ik onderaan in het vet gedrukt wat mij te doen stond.
Koop de “Nachttrein naar Lissabon” van Pascal Mercier.
[Foto van Jaap van een ansichtkaart die ik hem stuurde; “Brieftaube”, Gerhard Glück.]

maandag, augustus 27, 2007

Voorbij de wazigheid II
Het zelfbeeld blijft een mysterie


Ik heb al eens eerder geprobeerd een schets van mezelf te geven. Stelde mezelf de vraag ‘wie ben ik?’ en ‘wie ben ik niet?’ Terwijl ik eigenlijk een stille man ben, vroeg geleerd pijnlijk te zwijgen, dacht ik misschien toch een te openhartige man te zijn, of vooral, juist niet zoals een man hoort te zijn: stoer, altijd vol vertrouwen vóóruit kijkend, niets aan de hand, op de keper beschouwd weinig van zichzelf (durven) to­nend. Iets van stoerheid ken ik overigens wel: de auto – toen ik nog werkte, mijn ontsnapping en onafhankelijkheid in een ‘deftige slee’, een Citroën CX 25gti, verkocht omdat ik dacht dat het voorbij was. (Het is waar, vroeger viermaal een Deux Chevaux, een GSA en een BX.) Maar niets blijft zoals het is, nu, na de Saab die het onlangs begaf, rijden we in wat een Chevrolet heet, een automaat. Dit geluk, het rijden, heeft iets van mijn oude trots gered. Zodra we onder de rook van het (eigen) huis vandaan zijn, weet ik dat geen stad mij te ver is. (Bo, onze Labrador, gaat vaak mee.) Petrus, de zwarte kat, zocht alles zelf wel uit, maar hij is dood.
Ik ben een man van het hart, maar ook sterk van het hoofd, denkend en gravend. Vaak komen de opmerkingen die ik paraat had willen hebben pas later.
Een man van de emotie, de gehechtheid, de nuance, iemand van eb en vloed maar die soms zijn getijdenboek niet kent. Een man van de verwondering en metaforen, met ideeën onder het hart.
Intellectueel, sensitief, een schrijver, een dromer, een denker, een man met passie voor rechtvaardigheid en mensenrechten, met een hekel – elk woord is te flauw - aan verlorenheid en sociale overbodigheid, met liefde voor esthetiek, literatuur en kunst en lyrisch over landschappen. Ben ik soms een dichter? Een humanist. Een trou­we en liefhebbende man, een man met sociale tekorten (soms ‘rijk aan taal, arm aan liefde’), een familieman, zoals elk mens een man met sym­pa­thieën en antipathieën, een ernstige man, een waarnemer, een man die terugkijkt op ‘goede werken’, een lezen­de man, een ‘ kalm religieuze’ man. Een geïnspireerde man, als het om muziek gaat, opent zich een waaier aan geluid: pianoconcerten van Beethoven tot Simeon ten Holt, Eleni Karaindrou, Anouar Brahem en Arvo Pärt, maar zeker ook Leonard Cohen, Bruce Springsteen, Lou Reed, Van Morrison, The Moody Blues – en er zou een traan van melancholie kunnen vallen bij de stem van Nick Lowe.
Iemand zei eens, “een slimme man, een sociaal georiënteerde man.” “Een zielenman”, lang haar met vele lokken grijs. Ik ken mijn zorgen, maar leer dat ze overbodig zijn. Een man met een variatie aan verlangens. Een man met een pacifistische instelling, een af­keer van agressie, toch een man die heftig kan zijn in emotie, soms brandend van onmacht. Allergisch voor onrecht, macht en vernedering, een man met een scherp verzet te­ge
n bureaucratie, hypocrisie en aan al wat de geesteloze gewoonte voorschrijft. Ik voel minachting voor de hedendaagse afrekencultuur: targets, scores. “U bent onder de maat.” Een man die zijn hoofd moet vasthouden; het is vastgezet met vier schroeven, ik ben mijn nek, pijnlijk getroffen, maar een mens die in dat beeld niet wil worden vastgezet. Vroeger versleet ik sandalen, maar de laatste jaren is het de halfhoge schoen die mij houvast geeft.
Een man met een vogelhoofd. We gingen graag naar Portugal. Het lijkt me soms een kwestie van moed nog zo ver van huis te gaan, maar het is wat ingewikkelder sinds van schedeldak tot schouderblad mijn wereld ‘anders’ is. Niettemin noteer ik alvast dat we naar Berlijn en Praag gaan.

Wie ben ik niet? Een mislukte man. Een gelukkige man die denkt dat het leven een feest is. Een stoere, optimistische man. Een zakelijke man. Fysiek groot met forse handen, ik heb vaak gedacht een jongen te zijn gebleven. Een man met bizarre wensen evenmin. Een succesvolle man, althans als we denken aan het tegenwoordige affiche van succes. Een man strak in het pak. Een uitbundige man.
Ik ben iemand met een romantische gedachtewereld, zo’n man verwacht meestal teveel, dus omgekeerd ervaar ik vaak de teleurstelling. Ik herstel mijn kompas.
Ik zie mezelf maar ben er niet zeker van dat anderen mij ook zo zien. Zij zien mij weer anders. Ben ik eigenlijk zoals anderen mij zien? Hier raken we het mysterie want we weten nooit precies hoe dat beeld van anderen er uitziet. “Wees daar maar zeker van”, zegt Kundera. “We zullen nooit te weten komen waarom en waarmee we anderen irriteren, wat ze lief en lachwekkend aan ons vinden.” Ons ik is waziger dan ik dacht. En ik geloof Kundera, want “we kunnen proberen het zelf te schilderen, maar één gemene kreet en je bent voor altijd veranderd in een deerniswekkende karikatuur.” We zijn wat zij van ons denken, maar wat zij wérkelijk denken, weten we vaak niet.
Gisteren las ik, zoals elke dag, het dagboek van Gérard van Eyk en hij haalt Hillel aan, een Joods wetgeleerde en afstammeling van koning David: “Als ik er niet voor mezelf ben, wie zal er voor mij zijn? Maar als ik er alleen maar voor mezelf ben, ben ik er dan zelf nog?”
Ik heb met toenemende verlegenheid jullie reacties gelezen. Een feestelijke en wederkerige hartelijkheid, dank állemaal. Het heeft me verheugd dat we geen vreemden blijken.
[Afbeelding: “Het zwaarst valt het afscheid van een deel van jezelf” van Albert Robbe. Het citaat van Kundera komt uit diens roman ‘Onsterfelijkheid’.]

zaterdag, augustus 25, 2007

Voorbij de wazigheid I
Die Bildung dauert ewig

Het weblogland, (‘blogland’ is eveneens een veel gebezigde en wat tenenkrommende aanduiding), is een landschap dat enkele trekken heeft van een hartelijke leefbare buurt, maar tevens wijds en gevarieerd genoeg dat ieder er zichzelf kan zijn en zich langzamerhand voor elkaar ook herkenbaar ontplooit. De taal waarin we schrijven, de beelden en de schetsen die onze impressies nog versterken, zijn voor niemand, dat wil zeggen voor ons onder elkaar, vreemd en toch is het vaak weer een verrassing. Al die webloggers die je zo bekend worden in hun regels en aan de hand waarvan je kleine portretjes zou kunnen schrijven, die bekendheid genieten en per week vele schouderklopjes, die schrijvers van koetjes en kalfjes, van gewone en ontroerende observaties en fantasieën, al die penvoerders over deskundigheden waar ik weinig kaas van heb gegeten, de moeders, de reizigers, de fotografen, de musici, de schilders, de poëten, de dromers, de hobbyisten, de wandelaars en zeilers, de digital scrabdesigners niet te vergeten en de optimisten evenmin, ze maken op een wonderlijke wijze deel uit van je bestaan terwijl ze er nooit zijn en, maar dat is niet mijn stijl, met één enkele druk op delete te wissen zijn. Hierachter ligt dus de vraag hoe we met elkaar omgaan.
Soms, zou ik denken, ligt in al ons dagelijks werk al bindmiddel genoeg, maar nu en dan komen er ideeën die ons nog nadrukkelijker naar voren willen halen, ik bedoel het stokjesfenomeen waar ik niet zo weg van ben maar waar ik me tegelijk ook niet van wil distantiëren – terwijl ik op de tweede dag van dit jaar al een “reis in het binnenland” schreef (en daarin weer verwees naar eerdere ‘zelfportretten’). De tijd. Wat doet die al niet met ons? Wat willen we weten? Plato, Inge en Julia gingen me voor. “Ach, gewoon wat concrete maar typische ‘dingen’.” Tien op het oog simpele vragen: 1. Heeft Marius een auto? Zo ja, welk merk? 2. Woont hij in een huur- of koophuis? 3. Aan welke huisdieren geeft hij de voorkeur? 4. Welk soort vakanties vindt hij het fijnst? 5. Van welke muziek houdt hij het meest, denken jullie? 6. Welke stemming hoort het meest bij hem? 7. Wat denken jullie dat het belangrijkste is in zijn leven? 8. Speelt hij een muziekinstrument en zo ja, welk? 9. Draagt hij wel eens sandalen? 10. Welke levensfilosofie denk je dat het meest bij hem past?
Vrijheid, blijheid voor wie me volgt.

donderdag, augustus 23, 2007

”Ich lehre euch den Übermenschen. Der Mensch ist etwas, das überwunden werden soll.”

Nietzsche’s woord Übermensch wordt ten onrechte vaak verward met een veredelingstechniek, met de eugenetica en dus met het onvergetelijk gemene woord van de Nazi’s, met ‘supermens’, het ‘herenras’. Nietzsche (1844-1900) echter bedoelde ermee de over de mens heen reikende, jezelf overwinnen, dan word je iets anders dan mens. De Übermensch neemt zijn eigen leven ter hand, zoals verwoord in de woorden ‘amor fati’ – die mens is voor Nietzsche het toonbeeld van de mens die zichzelf verwerkelijkt. “Streef ik dan naar geluk? Ik streef naar mijn werk.” Aan Nietzsche’s ‘Übermensch’ ontbreekt dus een biologisch fundament.
Overigens is de droom om het handwerk van God te verbeteren, om mensen te herontwerpen, al heel oud. De voorstellen van Plato’s ideale samenleving berustten voor een deel op de aanname dat er sprake zou zijn van ideale individuen. Daaruit volgde het weerzinwekkende idee, dat alleen de beste burgers zouden worden aangemoedigd zich te vermenigvuldigen en dat de kinderen van de dommen en mismaakten zouden worden vernietigd om verdere voortplanting te voorkomen.
Eeuwen later, in 1885, beschreef Francis Galton, de neef van Darwin, de idee van eugenetica. “Als 20 procent van het geld en de moeite die besteed worden aan de verbetering van paarden en vee, worden gebruikt voor de verbetering van het menselijke ras, wat zouden we dan een enorme hoeveelheid genieën kunnen maken!”
Bovenaan in de Humboldstrasse in Weimar – vanuit het centrum een dik half uur lopen én klimmen - is het Friedrich Nietzsche Archiv, een statig pand dat van buiten gezien binnenshuis meer belooft dan het biedt. (Het Archief is in 1894 gesticht door Nietzsche’s zus Elisabeth die er tot aan haar dood in 1935 de leiding had. Het ‘kwaad’ hiervan is, dat ze de nagedachtenis van haar broer heeft besmet met vele vervalste teksten, opdat ze in overeenstemming kwamen met haar politieke overtuigingen, met de nationalistische en antisemitische ideologie. Het vergde veel manipulatief werk om Nietzsche als antisemiet en racist te kunnen presenteren. Het duurde tot 1960 voordat Nietzsche’s denken weer opgegraven kon gaan worden van onder een dikke laag van vertekende interpretaties.)
We hadden misschien beter kunnen doorrijden naar Naumburg, niet zo heel ver van Weimar vandaan. Nietzsche verbrachte den Großteil seiner Kindheit und Jugend in Naumburg. Hier besuchte er die Elementarschule und das Domgymnasium und auch nachdem er 1858 die Freistelle im nahegelegenen Internat Schulpforte erhalten hatte, blieb das Naumburger Mutterhaus ein Lebensmittelpunkt. Maar we bleven in Weimar en omgeving. In de Humboldstrasse bevinden zich enkele vitrines met teksten en boekuitgaven en een naar ‘zijn tijd’ fraai ingerichte kamer, een zogenaamde ‘Vortragsraum’, waar ik ook de schitterende houtskooltekening van Hans Olde zag, “Nietzsche als Kranker” (1899). Een mooi ingelijste kopie hiervan vond ik bij een fotograaf in Weimar, om de hoek van Frauenplan, nu dus toegevoegd aan de kleine rijkdom van mijn eiland.

[Foto van de genoemde tekening van Olde. Het citaat van Galton, Sir Francis G., is afkomstig uit het boek van Fernández-Armesto, ‘Dus jij denkt dat je een mens bent?’ (zie 27 oktober 2006). Zeer lezenswaardig is het boek van Jaap Hagen Nietzsches weerklank in nazi-Duitsland.]

maandag, augustus 20, 2007


Buchenwald, het dieptepunt der mensheid
Jedem das Seine


De zon schijnt op mijn paarse rouwkleed, hier diep
in het woud, aan de Blutstrasse, waar het duister de aarde
smoort en al het verdriet der wereld bijeenligt.

De koudste ongenade, de wreedheid, de vernedering,
het stilste veld van de hel, aan een warm
woord is niet te denken bij diep en donker

leed, dat ieder mens voorgoed verbond met wat
buiten hen leefde aan hellemacht en waanzin, hier, op dit veld
voor het eerst en het laatst verpletterd en verenigd.

Ik zie niets dan vlammende bladeren, de krankzinnigheid
is nooit opgehouden, het meedogenloos bliksemsnel geheven
zwaard, één dag en een volk is uitgeroeid.


[© MN, in Overpeinzing over het lelijkste ter wereld. Het concentratiekamp Buchenwald ligt ongeveer 7 km van Weimar, een groot complex op de Ettersberg met vooraan een reusachtig gedenkmonument (‘Gedenkmal’ van Fritz Cremer), verderop de kazernegebouwen van de SS toentertijd, een veld van verdwenen barakken en het wrede interieur van de dokterskamer, de douches en de kruisweg naar het crematorium. De foto komt van www, maar verdere gegevens zijn onbekend.]