Pagina's

dinsdag, september 04, 2007


Onsterfelijkheid, een roman uit 1990
De grond waaruit ons lot opkomt

Het eerste deel van deze roman, die mogelijk door velen al is vergeten, beschrijft in dik vijftig pagina’s de pijn en de illusie van liefde, schuilgaand achter maskers van de realiteit. Het leven is een en al schets. Hier vooral het leven van Agnes, het bourgeois gezin waarin ze opgroeide, de symbolen in de relatie met haar vader die wat langer leefde dan ‘officieel gepland leek’, haar relatie met haar zus, later met de in huis afwezige Paul die veel van haar hield, die zozeer op zijn moeder leek dat Agnes, als ze eens de liefde bedreven, soms dacht dat er een oude vrouw op haar lag. Het woord ‘masker’ valt nergens, maar cruciaal in dit eerste deel is ‘het gezicht’ en wie daarachter schuilgaat. ‘Is mijn gezicht hetzelfde als ik’? Agnes koestert heimelijk andere levensplannen. Ze houdt van Paul vanuit de wil van hem te houden, maar de wil kan verslappen, zodat ‘de liefde kan wegvliegen als een vogel door de geopende deur van zijn kooi’. Aan het einde komt een vreemde vriendelijke man van een andere planeet haar zeggen dat ze in het volgende leven niet meer op aarde zal terugkeren, ook Paul niet. En dan herhaalt zich diezelfde cruciale vraag: ‘Wilt u in het volgende leven bij elkaar blijven of elkaar niet meer ontmoeten’? Na overpeinzingen zegt ze, tóch, met vaste stem: ‘We geven er de voorkeur aan elkaar niet meer te ontmoeten.” De illusie van liefde.
Van pagina 55-98 deel twee, het is december 1811. Bettina en ‘haar’ dichter Achim von Arnim logeren bij Goethe in Weimar. Goethe is dan 62, zijn vrouw Christiane 49. Bettina, 26 en zwanger, flirt met Goethe. De logeerpartij eindigt in een ruzie en Goethe ontzegt hen voorgoed de toegang tot zijn huis. Overal in Weimar klinkt Bettina’s onsterfelijke uitspraak, dat ‘die vette worst gek is geworden en haar heeft gebeten’.
Het gaat om de aardse onsterfelijkheid, om herinnerd te worden bijvoorbeeld als een groot staatsman, of veldheer zoals Napoleon, of zoals ik van Goethe en Slauerhoff houd als onvergetelijk grote dichters, zónder hen persoonlijk te hebben gekend. Zelf ben ik straks slechts onsterfelijk in de harten van mensen die mij hebben gekend, dat is anders en van heel korte duur. Dood en onsterfelijkheid zijn mooier dan Romeo en Julia of welk ander onscheidbaar paar ook. Ach, onsterfelijkheid, “het is wind die je vangt in een vlindernet.”
Het frappante is, dat Bettina, die haar leven lang leefde in een snoer van adoratie voor beroemde mannen, de dochter is van de vrouw op wie Goethe veertig jaar eerder verliefd was, Maximiliane, “Maxe”. De toen nog jonge dichter werd door haar man het huis uitgezet. Bettina, 22 toen ze Goethe voor het eerst ontmoette, verschool zich achter een geraffineerd schild van kinderlijkheid. Gevaarlijk ambitieus, en er volgen vele wonderlijke scènes.
Bettina, de scherpzinnige, wint en verliest, alleen is dit laatste haar bij leven bespaard gebleven, maar zij won méér dan Goethe, die er toch ook uitkomt als een “schijtebroek”, of, zoals Beethoven hem, in andere omstandigheden, uitmaakte voor ‘onderdanige lakei’. (Bettina stierf in 1859.) Drie jaar na Goethes dood, in 1835, verschijnt haar boek, haar hommage aan G, Goethes Briefwechsel mit einem Kinde. Het is een briefwisseling die tot 1912 voor authentiek werd gehouden, maar ontdekt werd, hoe kan het anders, hoezeer zij alle brieven tot verfijnd goud had gepolijst. Ze rekende op onsterfelijkheid, maar vergat de dood.
Tot slot van deel twee verzint Kundera Ernest Hemingway, geworteld in het symbool van journalistieke roem, aan de zijde van Goethe. Wie is, eenmaal aan gene zijde, niét meer bij elkaar te brengen? Wat deden de een en de ander met het oog op onsterfelijkheid zonder het te weten?
In deel drie, het middenschip en de strijd van het boek, keert Agnes gelukkig terug. Pas later ook weer Goethe, Bettina, Beethoven en Rilke. Agnes en haar zus Laura, en hun respectievelijke geliefden Paul en Bernard – we lezen fascinerende psychologische portretten. Waar strijd je voor, tegen wie of wat? Voor het werkelijke leven? Zoals bij Laura, ziekelijk strevend naar het onsterfelijke, ‘opdat ze leeft in de gedachten van de ander’, onophoudelijk, want ná hem, haar minnaar, komt de woestijn, en dan moét je wel strijden, desnoods dreigen met zelfmoord. Ze wilde zich onvergetelijk maken, want zonder dat, waar leef je dan voor? Is zelfmoord een manier om te verdwijnen, of om voorgoed te blijven, gegrift te staan in het hart van de ander? Achter het ene doel ligt weer een ander. Strijden vóór iets kan deugdzaam zijn, strijden tégen iets vrijwel altijd vernederend of vermorzelend.
Nee, ik ga niet elk deel beschrijven, in hoe weinig regels ook. Dat is niet alleen lastig, maar ik wil ook niet de lijn van het verhaal blootleggen, die moet ontdekt worden, (dus) laat maar slapen tot het in het lezen wakker wordt. Ik wil slechts zeggen, dat deel vier over het voelende ik gaat, het lijden, de ziel. Een vrouw kan zeggen: “Mijn lichaam heb je gehad, maar mijn ziel krijg je nooit.” Of: “Mijn lichaam heb je nog niet gehad, maar mijn ziel behoort je reeds toe.” En over nog zoveel meer, tot we in het volgende deel naar professor Avenarius en het toeval gaan en naar Agnes, de heldin van dit boek. Avenarius die veel eerder al Laura uit een benarde maar onvergetelijke scène met twee clochards redde, en Agnes, Agnes draagt haar pijnlijke ik door de wereld, het dichtst bij de werkelijkheid … en sterft, na een absurd ongeval, tragisch omdat ze op de drempel stond van een ander leven. Maar zou het niet op het voorgaande leven hebben geleken? Ze bleef gebouwd van dezelfde bakstenen.
Na deze droefenis belanden we bij de schilder Rubens en vanaf dan wordt (voor mij) het boek anders. Rubens wordt verplaatst naar de twintigste eeuw, en we lezen over de ontdekking dat in alle mannen en vrouwen dezelfde stroom vloeit, één enkele gemeenschappelijke rivier van erotische fantasieën, en dat ieder er zijn deel uit krijgt. Hoewel bij flarden boeiend en geestig, raak ik hier het spoor bijster, vind ik het gekunsteld, zou ook zeggen bijna overbodig. Ik meen dat Thomas Roosenboom eens zei, ‘alles heeft zijn noodzaak’. Soms lezen we in het begin van een boek een tekst waarvan je je afvraagt wat je ermee moet, maar die blijkt dan verderop heel belangrijk te zijn. Precies dit element mis ik bij Milan Kundera, vooral (dus) tegen het einde, alsof hij toch verdwaald is in zijn verbeelding en in de complexiteit van het verhaal. Hij is een postmodernist, een kritisch en begaafd schrijver met een lyrische, poëtische stijl en een fascinerend wijd besef van de geschiedenis van het menselijk bestaan. Ondanks mijn bedenkingen aan het einde waren het allerminst tevergeefse leesuren.
[Milan Kundera, Onsterfelijkheid, Ambo 1990. Afbeelding: “Venus immortal” by Wolfgang Steiner. Ik koos voor deze illustratie, omdat aan het einde staat, dat we ons moet laten doordringen van het Ewigweibliche wil de wereld niet aan kilte en berekening ten onder gaan. “Het eeuwig vrouwelijke trekt ons omhoog!”]

11 opmerkingen:

Anoniem zei

Kijk Marius, hoe jij een boek bespreekt... dat doet je direct verlangen om het zélf te gaan lezen. Blij met de dagelijkes portie cultuur die ik hier mag opsnuiven!
PS: elke dag terug frisse moed opbrengen om het leven te leven... inderdaad, ook dàt is werken!

Anoniem zei

Onsterfelijkheid..
De bizarre gezagshebbers hebben eeuwigen naam, in bloed geschreven.Schilders en kunstenaars crepeerden vaak zelf een duizend doden en leefden eveneens ook meestal bizar, hun leven wijdend aan het vastleggen van.. hun emotie,s, hun zinnen, hun tonen. Vaak hebben ze zelf of hun naasten grote offers moeten maken.Juist omdat ze opvielen door anders te zijn, en staande moesten houden om..geniaal /geschift.
Tja... om op te vallen dien je wel anders te zijn dan anderen... Heyboer met zijn harem is bekend, maar zijn schilderkunst ken ik niet..zou er geen titel van kunnen noemen.
Uiteindelijk beland je ergens hooguit als straatnaam.
Of het krijgt een andere betekenis...
Dagobert en Hiawatha zijn meer bekend van de Donald Duck.
Waren ooit staatsmannen.

Anoniem zei

"de liefde kan wegvliegen als een vogel door de geopende deur van zijn kooi" Bij deze uitspraak bleef ik hangen. Het willen bezitten van de liefde is onmogelijk. Toch wordt vaak, van wat zo schoon is, gekooid. En alles wat gekooid is verliest zijn schoonheid.

Anoniem zei

Ik zet dit boek op de lijst'ooit aanschaffen'

Liefde valt niet te bezitten
Te ervaren is de kunst
Wat men opsluit zal altijd trachten te ontsnappen, aan de muren er omheen..

Anoniem zei

is er iets dat we niét voor eventjes hebben ? - vroeg je mij vanmorgen en deze vraag kwam terug in m'n hoofd terwijl jij mensen (vrouwen) beschreef die hiermee geen genoegen wilden nemen... je 'boekbespreking' is bijna een boekje an sich. ik denk dat jij je talent niét voor eventjes hebt. na jouw ultieme confrontatie met de sterfelijkheid zal alles wat je gedeeld, uitgedeeld hebt, doorwerken en zo zal dat stukje van jou verder doorleven dan de werken die je zelf achter zult laten.

Anoniem zei

PS lieve Marius: gelukkig ben jij een begaafd woordenkunstenaar!!!

Julia zei

Ik denk dat over 100 jaar jouw gedichten nog steeds besproken worden en je blogposten in boekvorm zal verplichte kost zijn op scholen :)

Anoniem zei

Las pas nog een gedicht van Toon Tellegen en vond het wel passend bij 'liefde', 'onsterfelijkheid', 'zelfmoord' etc.en tussen dit en en het volgende log ivm Jules Renard.

Een mooi gedicht met als titel : Zal ik weggaan ?

Zal ik verdrietig worden en weggaan ?
Zal ik het leven eindelijk eens onbelangrijk vinden,
mijn schouders ophalen
en weggaan ?
Zal ik de wereld neerzetten (of aan iemand anders geven), denken :
zo is het genoeg,
en weggaan ?
Zal ik een deur zoeken,
en als er geen deur is : zal ik een deur maken, hem voorzichtig opendoen
en weggaan - met kleine zachtmoedige passen ?
Of zal ik blijven ?

Zal ik blijven ?

Toon Tellegen

Anoniem zei

Ondanks die frons tussen je wenkbrauwen aan het einde van dit boek :-), heb je het voor mij wel helder, met zinnen waar ik bij stil sta, geschreven.
Dat is het mooie en onbeschrijvelijke van boeken, je leest de gedachten.
In real live, dat ik wel eens "denk" wat zou die man nu "denken".

Goeie zondag lieve Marius en lees je over een week weer, 'k ga genieten van die mooie oneindige zee.

Bloem

K. Bender zei

Kan u mij iets meer vertellen over 'Venus immortal' by Wolfgang Steiner?
Datum van creatie? afmetingen, soort schilderij? bezit van?
Dank!

Marieke zei

Helaas meneer of mevrouw Bender, u zou moeten googlen, dat deed ik ook, maar dan is het nog veel zoekwerk. Dit is het enige dat ik kon vinden.
Hartelijke groet, Marieke


Wolfgang Steiner
31.03.1935
geboren in Crimmitschau / Sachsen

1941-1948
Schulzeit in Crimmitschau

1948-1951
Lithographenlehre in der Kunstanstalt Etzold & Kissling

1955-1957
Tätigkeit als Lithograph bei Fa. Schött AG in Reith

1957-1979
Fa.Dr.Karl Höhn GmbH, Ulm, Lithograph u. Abteilungsleiter der Reproduktions-Fotografie sowie 3-D-Fotografie

1990
selbständig als Maler und Grafiker, Hauptgebiet in der Malerei: Aquarell- und Ölmalerie, Mischtechniken, sowie Druckgrafik, Radierung, Holzschnitt und Kleinplastiken

Bis 1990
Dozent an mehreren Akademien.

Viele Auszeichnungen und Preise

Kunst am Bau: z.B. Ausgestaltung von Schwimmbädern in Stuttgart, Haubersbronn, und Oberelchingen Bilder für Stadtwerke Ulm, etc.