Pagina's

donderdag, september 29, 2011

De vleugelslag van het denken

Dagboek  

Woensdag, 28 september
Het is 13u45, tot 16u05 geslapen; alleen de slaaptijd geeft verlichting, daarna is het alsof ik evengoed wakker had kunnen blijven. Vlak daarvoor is er een pakket bezorgd, maar zo stevig verpakt dat ik wel wacht op Orithia. Het is het schilderij van Fransesco Hayez, “The kiss”. Het is mooi, maar ik verkeer in ellendige staat en ben bang dat iedereen een hekel aan me krijgt. Ik doe werkelijk mijn best. Terwijl ik het boek van Gregorius de Grote (540-604) over het leven van Benedictus (480-547) en andere heiligen, een magnifieke uitgave in een al even zo vlot geschreven vertaling, het ene na het andere wonder krijg voorgeschoteld, gebeurt er vandaag de dag niets verbazingwekkends meer. Onze God is al lang door zijn wonderen heen, is de mensheid zat of … bestaat niet eens.

Isabelle zei niets maar maakte een Lungo voor hem klaar, en daarmee was de lucht weer geklaard. Jean hield niet van moeilijkheden, en toch, tot zijn spijt deden er zich geen incidenten meer voor. Een paar dagen later vertrok ze weer naar Tilburg. Tijdens de voor hem liggende maanden had hij afwisselend contact met Francoise en Lucia, maar geen van beiden voelde er iets voor straks vier maanden naar de Dordogne te gaan. “En dan ben ik het dienstmeisje Jean?” Hij lachte wat onhandig, betrapt. “Nee”, zei Lucia, “geen sprake van.” Nee, het was samen hard werken.

Ik moet weer stoppen. Heb weliswaar meer dan twee uur geslapen, maar voel me een gebroken man. Telkens vallen m’n ogen dicht, met gevolg een aardig brandgaatje, ter grootte van een oud dubbeltje, in de broekspijp van mijn nieuwe huispak; in een van de pyjama’s zitten er wel drie, maar dat vind ik niet erg. De broekzakken kun je zo naar buiten halen, dus stof genoeg. Pijn in m’n nek, mijn schouders, mijn billen, mijn voeten.
Echt, soms is dit een afschuwelijk beangstigend leven. Brakke grond. Er groeit niets, nog geen sprankje hoop. Zelfs de beste mest zou er een drassig zootje van maken. I’m less than a dazed butterfly. Leer je verlies te nemen, zeverende oude man. Nee, ik vind dit een zwartgallige kijk, het leven heeft nog steeds z’n bekoringen. Ik voel me minder bitter dan het hier lijkt. Ik zou dood willen gaan of dat de dood mij vindt terwijl ik aan mijn dagboek werk en dat ik me geen zorgen maak, noch over hem noch als over de regel die onvoltooid blijft.

Orithia kwam ’s avonds nog even en had van de Kringloop een mooi oud lijstje voor de kleurenprent die brengt ze morgen ook naar de lijstenmaker nu ze daar vlakbij bij de kleermaker moet zijn. “Dat blijf je altijd zien hoor.” “Dat is toch niet erg, op mijn huid heb ik al genoeg littekens.” Het is heerlijk als ze ’s avonds nog een poosje hier is.
Tot morgen misschien.

Donderdag, 29 september
Het zijn stralende nazomerse dagen deze week. Een vriendin schreef, dat ze dit een ‘ouwe wijvenzomer’ noemen. Nooit van gehoord, maar zijn er betere dan deze?
Het voornemen te gaan lezen, i.c. het boek HhhH (Himmlers hersens heten Heydrich) van  Laurent Binet, voelt als een belangwekkende beweging, de trage greep naar de zware debuutroman, ik lees het stofomslag en leg het boek naast me neer. In werkelijkheid blijkt de beweging, die ik vandaag al tweemaal maakte, loos. De pijn weerhoudt me ervan aan lezen te beginnen.

Aan het eind van de morgen zat ik een half uurtje voor buiten. Er zat een man die, terwijl hij doorging met het draaien van zijn sjekkie, zich naar mij toe draaide en vroeg: “Heb je wel eens van een meute honden gehoord?” Ik maakte een bevestigend geluid en keek naar zijn grote handen, tweemaal mijn formaat nagels met dikke zwarte randen. Tandeloos en een zeer chaotisch geknipt baardje. “Ik heb geen familie meer hoor, allemaal dood, verongelukt. Maar gewoon doorgaan met oud worden buurman.” Was dat het, dat hij als enige van de meute ….? Ik vroeg het hem, hij meteen, “Ja, dat zou ook kunnen, maar ik heet Jacob Johan Meute. Trouwens, kun je tegen rook? Ik wil je niet beschadigen hoor. Oh nee, ik zie het al, jij rookt nog echte. Duur geintje hè?”
“Ik heet vanaf nu Meutèr want jij lijkt precies op Sartre, ken je die? Die zat op ’t laatst ook in zo’n karretje en hij weigerde de Nobelprijs. Moet je nagaan, jij verdient hem maar je krijgt hem niet!” Jacob draaide een volgend sjekkie, weer zo’n grasspriet.
“Ik rijd op een driewieler. Ha ha, ik begon ermee vroeger en nu ga ik ermee heen.”

De dagen lijken zo op elkaar. De ene dag lijkt de andere te zijn, ze lijken inwisselbaar. Dat doen de pijn en de medicatie. Bij vrijwel elk ontwaken ben ik ‘de tijd’ kwijt. De tijdsoriëntatie ligt helemaal in de war.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. Sartre (1905-1980) weigerde in 1964 de Nobelprijs voor literatuur omdat hij vreesde zijn vrijheid te offeren. Collage interieur. Natuurlijk weet ik niet of dit ‘a diary of a dying man’ is. Ik weet niets. Dat was zo mooi aan Jacob vanmorgen; je denkt even met een domme vent van doen te hebben, zegt hij opeens: “Weet je wat mooi is? De eenvoud.” En dan kijk je weer in dat bulderende zwarte gat van z’n mond. Zegt Ati: “Kijk, daar is meneer. Laat ’s zien, kun je nog lachen? Je moet wel volhouden hoor.”] 

dinsdag, september 20, 2011


Dagboek  Aanvaard wat niet te ontlopen is

Vrijdag, 16 september
De ongenaakbare pijn zindert in gebrokenheid, in onwil, in vijandschap. Als ik haar nu eens de hand reik of in de ogen zie als blijk van erkenning, dat ze erbij hoort, zal ze dan anders zijn? Hoe vaak heb ik het niet gehad over de lijdende, de achtergestelde of de onderdrukte mens die wordt vernederd, naar wie niet wordt geluisterd, naar wie elk soort van erkenning uitblijft en welke gevolgen dit heeft? Als ik die lijn nu eens doortrek in plaats van bestrijden, van trachten te ontvluchten of te onderdrukken, zal ik haar dan kunnen aanvaarden, ofschoon als ongewenste gast? Dan zal ze wellicht verdraaglijk zijn. Zo goed als je bij de onderdrukte dan ‘een andere mens’ ontmoet, zo goed zul je dan ook zelf ‘een ander’ worden, als het ware verrijzen. De verrijzenis van de dichter, nogal grote woorden. (Het duurt wel lang voordat m’n reflectie tot zo’n inzicht lijkt …. a very long thinking.)

Elise zou het met me eens zijn. Vanmiddag te bed realiseerde ik me dat het goed is dat de psychotherapie is beëindigd. Ik stond op het punt haar te omhelzen. Dat is laakbaar gedrag, tegen de code, ze zou me onmiddellijk een berisping geven. Ja? Blij dat ik de rapportage daarvan schoon heb gehouden. Was ik dan verliefd? Nee, maar zij heeft zulke lieve lichtblauwe ogen, ze reageerde zo goed zonder meegaand te zijn, zij …. Elise werd onweerstaanbaar, niet om haar lokkend postuur, aber wegen das gegenseitig verstehen. Ik stond op het punt haar te omhelzen, en viel in slaap. Prompt, je kunt de klok er op gelijk zetten, twee uur later werd ik wakker. Maar, om geen misverstand te doen rijzen, het waren ernstige en waardevolle gesprekken.

Van de voorste twee bomen hier op het grasveld is al het gebladerte al geel, het zijn de bomen die ook het eerst in bloei staan. De prunis? Geel is de kleur van de vergankelijkheid, de dood. Dat zie je ook bij terminale patiënten, die zachte gele glans die uit hun huid tevoorschijn komt, zeker bij iemand met leverkanker.
Ja, mijn woon- en werkkamer heeft zijn ideale vormgeving bereikt, man en huis raken vergroeid. (Ik zal volgende week een keer ’n collage maken.) Dat gebeurt even spontaan als het ontstaan van een dagboek dat ik vooralsnog blijf voortzetten. Het wekt leven, toomt dat ik niet anders wil. Ik moet er niet aan denken dat Blogger zoiets in z’n hoofd haalt als Weblog-nl, dat je pardoes al je creatieve werk kwijt bent. Het woord ‘dagboek’ voert me ineens naar Leo Vroman en de hoop dat zijn laatste twee kostelijke dagboeken – ‘Vroeger donker dan gisteren’ en ‘Tot morgen misschien’ - nog eenmaal een vervolg krijgen. Vroman is niet de man die stilletjes zit te wachten op het onvermijdelijke, hij is nu 96. En wat verschijnt er nog uit de archieven van Claus, Mulisch en Wolkers? (Wolkers is in 1981 opgehouden met zijn dagboeken, dus zoveel verschijnen er niet meer. Twee, of misschien drie.) Morgen ga ik het boek van Onno Blom lezen, “Zo is het genoeg”, over het laatste jaar van Jan. Een klein requiem, een vitale ode. Van alle drie zal nog heel wat verschijnen; het is de crême brulez van hun bestaan. Van Gerard van het Reve en Frederik Hermans is bijna alles op, op het nu al vermaarde derde deel van Nop Maas na dan (mogelijk moet eerst matroos Vos het hoekje om), van Buddingh’ ook, - ‘Mijn stem is mijn woord’, zo zou de titel luiden als ik over laatstgenoemde een biografie zou schrijven. Remco Campert heeft ze allemaal overleefd. Mijn persoonlijke herfst moet nog maar een tijd wegblijven, misschien kan dat ook wel in de rust en harmonie met Orithia.
Nijhoff: “Het leven is een vreemde reis, maar wellicht leert een mens wat onderweg.”
“Zodra het paard de stal ruikt, zet hij het op een draf.” Ik wil nog even terugkomen op wat thuiskomen kan betekenen waarover een passage afgelopen woensdag, maar dat noteer ik nu als een pro memorie. Het is 22u50, mijn dag is ten einde. Niettemin waren Orithia en ik nog een uur in gesprek en toen zij naar huis ging, viel ik in de cabrio in slaap, tot half twee. In bed was ik meteen weer onder zeil.

Zaterdag, 17 september
Buiten de twee uurtjes slaap de hele dag gelezen in Onno Blom, die bewijst dat we te zijner tijd een schitterende biografie kunnen verwachten. “Zo is het genoeg” (Bezige Bij, 2008) is een uitstekende, ontroerende prelude daarop. In het verhaal over Wolkers laatste jaar komt leven en dood zo nabij, dat ik hem over het pad vol broze schelpen hoor schuifelen naar zijn atelier en zie hoe hij de laatste hand legt op zijn mensgrote doek over de vergankelijkheid. Het leven in Huize Pomona – de godin van het fruit, icoon van mildheid en vruchtbaarheid – moet verrukkelijk zijn geweest voor Jan en Karina (45 jaar samen) en hun tweeling Bob en Tom.
Jan Wolkers heeft er zeker aan bijgedragen dat het wat losser werd in onze samenleving. Hij sprak en schreef frank en vrij – mijn moeder vond hem walgelijk, obsceen, en verbood ons zijn boeken, zeker ‘Een roos van vlees’ -, niet uit vrijpostigheid of om opzettelijk te shockeren, maar omdat het zijn natuur was en ‘menselijke natuurlijkheid’ wilde verlossen van religieuze ketenen. Ik hield van die man, de man die 19 oktober 2007 overleed. Hij was het riet waar de wind van de tijd in blaast.

Ik zou het nog kort even hebben over de zegening van de thuiskomst. Veel mensen herkennen dit, ik ook, het is het mooiste moment van de reis: weer thuiskomen wordt ervaren als een opluchting, bijna als weergaloos geluk, hoe kort of lang de reis ook was. Dat ik het lariekoek noemde hoe Colette vertelde twee weken lang met dat euforische beleven thuis op de bank bleef om blij en dankbaar om haar heen te kijken, komt omdat ik dit kon plaatsen in haar context en daardoor wist dat het onmogelijk waar kon zijn. Het is ook trouwens niet een louter veinzen van haar, maar het ‘moeilijke’ in haar leven zo snel mogelijk te verdringen of, als dat niet lukt, te sublimeren, waar ‘haten’ het tegendeel van is. Ik keek ook niet op van de blijdschap weer in je persoonlijke niche te zijn, maar van de tijd die het duurde, twee weken is ongewoon lang. Een of twee dagen, en dan vangt het gewone leventje doorgaans weer aan; beide herkennen we maar al te goed. En verder, je probeert de verhalen van mensen toch te begrijpen?

Jean, een rechter in ruste gesteld, leeft sinds het overlijden van zijn vrouw vorig jaar september alleen, maar verdraagt die eenzaamheid niet. Jean lijkt als een god het lot met een onzichtbare hand te schikken. Hij zorgt ervoor dat de kracht van de liefde alles overwint. Al snel na de begrafenis van Mireille heeft hij twee kortdurende affaires en aansluitend daarop leert hij Colette kennen. Jean is een vermogend man. Zijn vrouw dreef een goedlopend advocatenkantoor, maar hield zichzelf meer bezig met hun ‘hobby’: een prachtig gastencomplex ergens in de Dordogne brengt in de zomer veel geld in het laatje en zo leidden de twee een druk maar welvarend leven.

Zondag, 18 september
Plotseling gaf ik er gisteravond de brui aan, het leek wel of de pijn me in mootjes sneed. Orithia zat te lezen en ik te schrijven, beiden in zo’n behaaglijke rust ofschoon de pijn me aldoor tartte … en uiteindelijk vloerde. Ik viel in bed en zei haar niet eens welterusten.
We hebben de woensdag begonnen klus afgemaakt, wat gekletst en heerlijk gegeten. Méér heb ik niet gedaan, zelfs niet gelezen. Ja, de tweede nieuwe boekenkast gevuld, allemaal teveel werk voor ‘iemand met pensioen’.

Maandag, 19 september
Temidden van al die boeken die ik weer in handen kreeg, vond ik een oude kleurenprent die ik ergens toch de moeite waard vind om in te lijsten; het gaat om de eerste transportabele bloeddrukmeter, geconstrueerd door Samuel Siegfried Karl Ritter von Basch (1837-1905) in de beginjaren tachtig van de negentiende eeuw. Na vele proeven construeerde hij zijn “me­ta­len sphygnomanometer”. Hierbij wordt de arteria radialis dichtgedrukt door een gum­mi­kus­sen, dat door een slang met een aneroïde-barometer is verbonden. Het gummikus­sen, de slang en het metalen omhulsel van de barometer zijn met water gevuld. De druk, die nodig is om de arteria radialis te comprimeren, kan worden afgelezen met behulp van een wijzer, die door een hefboom is verbonden met de deksel van de metalen huls. Door palpatie wordt het ogen­blik vastgesteld waarop de pols niet meer is te voelen wanneer met de duim van de ande­re hand het gummikussen wordt ingedrukt. (De tekenaar van de foto hierboven is onbekend, het knipsel is afkomstig uit een Weens medisch weekblad uit 1883.)

Een en ander doet me denken aan een jaar of tien geleden, toen ik bij De Slegte het boek vond van Sherwin Nuland: De arts. Een biografie van de geneeskunde. Ik kocht ze alle vjftien voor f 12,50. De volgende dag gaf ik een college ethiek en niertransplantatie. Geen van de vierdejaars had er ooit over gehoord en dus was ik ze die middag al allemaal kwijt. Gelukkig hadden ze er bij De Slegte in Arnhem nog een stuk of acht die ik ook kocht. Eén exemplaar hield ik zelf en gaf ik vorig jaar vlak voor mijn verhuizing aan Jacqueline, mijn huisarts, - het is helaas nergens meer verkrijgbaar. Jacqueline bleek het achteraf met haar achterbakse ‘pappen en nathouden’ niet waard. “Lief van je, ik lees nooit.” Nu staat het zinloos op haar plank, ‘als dank voor je zorgzame zorg voor een ‘lastige’(?) patiënt, een met een argeloze vogelkop’. Zelfs de naam Sherwin N. kende ze niet, hoewel hij, behalve chirurg, een briljant auteur is van verscheidene geneeskundige boeken, zoals “De wijsheid van het lichaam”, “Hoe gaan wij dood” en nog een paar. “Hoe worden wij oud” heb ik net bij Bol besteld.
Het is 13.u00, ik ga lunchen en even ? slapen. Moniek van Hartingbank kan bellen voor de nieuwe rolstoel en een zekere Linda Seysner, fysiotherapeute ter voorbereiding op de scootmobiel. Nu schiet me te binnen hoeveel vrouwen hier wel niet over de vloer komen: Grada, Maaike, Janneke, Cora, Hildewien, Teunie, Monique, Christina, Thea,Yvonne, Petra, Moniek, Natasja, Rieky, Serpil, Marjolein, Milou, Annerieke, Elise, Linda. Allemaal functionele contacten natuurlijk, maar met sommigen is de band duidelijk anders gesmeed. ‘Langdurig houdbaar’.

De gepensioneerde rechter werd gek van eenzaamheid, ondanks dat zijn hele huis vol hing met foto’s en schilderijportretten van Mireille. Hij hield er al lang een stoet van vriendinnen op na want zij was elke zomer immers in Frankrijk. De eerste weken na de begrafenis voelde hij zich genoodzaakt die levensstijl even op te schorten. Jean veinsde diepe rouw, maar werd gekweld door zijn opstandige libido. Zijn al lang uitwonende zoon en dochter hadden nooit argwaan gevoeld en dat moest vooral zo blijven. Hij was stapelgek op zijn dochter Isabelle, een verblindende schoonheid. Ze vond het heel normaal onder de douche te gaan terwijl hij zich met de kwast nog stond te scheren. Hij waagde het niet ooit avances te maken, maar sinds Mireilles dood vond hij het een onverdraaglijke confrontatie en twijfelde hij tussen treuzelen of er zo snel mogelijk vandoor gaan. Een opkomende erectie dwong hem tot het laatste. Als ze even later naar beneden kwam, gedroeg hij zich humeurig, op het norsige af.  (Moet hier stoppen, hoewel het pas 18u40 is. De lucht is lichtgrijs en neigt naar lichtblauw. De zon schijnt zodanig over de boomkruinen dat ik de schaduw er in zie van tegenove­r­lig­gen­de bomen. Fascinerend. Wordt vervolgd.)

Waar ik, zij het op de valreep - maar een laatste zin blijft altijd hangen – nog op wil wijzen, dat is de website van Anmaro Performing Arts voor mensen die zijn geïnteresseerd in Aziatische, Chinese en Latijns-Amerikaanse theaterproducties. De voorstellingen blijken steevast een succes, zowel in werkelijkheid als hoe de pers er vervolgens over schrijft. Mijn broer zag qualitate qua het afgelopen weekend driemaal een Chinese voorstelling, maar had hem nog wel een paar keer willen zien.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’.Ofschoon ik werkelijk ‘genekt. ben, voel ik me een gelukkig mens. Photo: ‘Ritter’s bloeddrukmeter’, tekening van onbekende kunstenaar in Weens medisch weekblad uit 1883.]

vrijdag, september 16, 2011


Dagboek Sommige mensen raken verregaand tussen wal en schip

Maandag, 12 september
Henk aan het eind van deze gang is broodmager, zijn ogen staan bol van verwarring en hulpeloosheid. Ik heb zeer met hem te doen. Hij schijnt wel bemiddeld te zijn dankzij de verkoop van een groot huis jaren terug, maar hij slijt per jaar vele kilo’s aan eenzaamheid. In zijn appartement kan een paard nog geen kwaad doen. Er staan twee versleten fauteuils, een dressoirtje, een tv en een halve eettafel, alle uit de kringloop. Hij staat voor dag en dauw op want langer houdt hij het ‘thuis’ niet vol. Hij verlaat dan het huis in de hoop her en der iemand tegen te komen voor een praatje, hoewel het geen man is vol samenhangende of geloofwaardige verhalen. Bovendien praat hij zacht in moeilijk te volgen dialect zodat je maar wat meemurmelt in de hoop dat het ergens nog iets raakt. Tegenwoordig zijn er twee punten van waarschijnlijk houvast: naar het schijnt heeft hij een ongeneeslijke hersentumor én hij verhuist vermoedelijk naar een verzorgingshuis, waarover hij nu zegt dat ze hem niet willen omdat hij te slecht zou zijn. Het is eigenlijk te ernstig om hem niet te geloven. Ik kan me gruwelijk vergissen, niet in zijn diepe eenzaamheid, maar in wie hij nu feitelijk is. Een rusteloze, melancholieke man die alles is verloren en naar wie niemand nog omkijkt? Zo wordt hier in de geesten van velen een trieste leegte teweeggebracht.
De mens moet vele machten ondergaan: de vertwijfeling, de eenzaamheid, de vervreemding, de ontreddering en de dood.

Dinsdag, 13 september
De kamer staat al direct in het volle zonlicht. Een prachtige cd op radio 4, een opera van Jean Philipe Rameau, en dan, heel opgewekt, het vioolconcert van Sibelius.
Vol trots kijk ik naar de zo mooi ingelijste ets van Marieke. Het ochtendgeluk kan niet op. Ik zou het fijn vinden wanneer ze meer van dit figuratieve, verhalende werk zou maken.
Tot mijn verrassing wordt ook nog de ingelijste ‘Madonna’ van Edvard Munch (1863-1944) bezorgd. Dit naakt, dat eerder kalmte en vertrouwen uitstraalt dan ook maar iets van frivoliteit, stelt Maria voor, hoe ongebruikelijk deze ongeklede pose ook is. Ze heeft niet de normale gouden halo, maar een rode, die liefde en pijn symboliseert, Edvard Munch zei: "We should no longer paint interiors with men reading and women knitting. We should paint living people who breathe, feel, suffer and love."
Vriend Walter komt vanavond. Hij was eerst alleen maar mijn boekhandelaar, maar onze gesprekken hebben ons aan elkaar verbonden. Tegelijk neemt hij natuurlijk de boeken mee die ik bestel. Dat zou vlotter en goedkoper gaan via Bol, maar dit is onbetaalbaar plezieriger.
Ik voel me rijk en bevoorrecht, maar ook gesloopt als ik om middernacht mijn bed instap.
Laurent Binet met zijn fenomenale debuutroman over Reinhard Heydrich – “de kwaad­aar­dig­ste figuur uit de geschiedenis” – staat nog op het lijstje, evenals Onno Blom, de vaste biograaf van Jan Wolkers, en Michel Houellebecq die al een tijd wordt vermist. Het gebeurt wel vaker dat hij een poosje onbereikbaar is, maar hij is onder de schrijvers een van de trouwste promo-bezoekers. In Nederland en België is hij echter niet komen opdagen en hij blijft ontraceerbaar.

Woensdag, 14 september
De dag van de metamorfose. De werktafel gaat bij het raam vandaan want nu benut ik overdag slechts 10% van de ruimte en zit met de rug naar al het moois toe. De tafel gaat naar een lijn op 75%, de schilderijen krijgen hun plaats en in een hoek van de slaapkamer komen nog twee extra boekenkasten. Ik ben benieuwd of het gaat lukken en of het naar m’n zin zal zijn. Het ellendigste is dat ik hoofdzakelijk toeschouwer ben. Orithia deinst nergens voor terug.
Zojuist gegeten. Orithia is naar Ikea voor de twee kasten. Naar m’n zin? Meer dan dat! Alles is te overzien, het is ruimtelijker, de zithoek is plezierig, ik kan bij de vensterbank. Mijn enthousiasme wordt echter steeds gekruisigd door de irrationele angst er niet lang meer te zullen zijn. M’n gezicht transpireert, mijn ogen vallen om de haverklap dicht van pijn en vermoeidheid. De tegenstellingen zijn ruw en groot. Waarom haal ik me dit alles op de hals? Omdat het me inspireert en zie dat het geen illusie is. Omdat ik er van geniet, - waarom dan voortdurend terneergeslagen? Het glicée van Marius van Dokkum is gearriveerd, dat moet morgen direct naar de lijstenmaker want ik had me niet gerealiseerd dat je het opgerold thuisbezorgd krijgt. Walter vroeg nog naar de vakantieplannen. Ik durf (nog) niet. We forceren niets. Het zou, zeker voor Orithia, zo fantastisch zijn als het haalbaar zou blijken. Misschien word ik ook wel geremd door het besef dat de hotelervaring zo totaal anders zal zijn dan vroeger. “Doe waar je bang voor bent”, dat zal de enige manier zijn om mezelf te verlossen.
Gisteren was een vriendin van Orithia er. Zij vertelde onder meer na vier maanden Frankrijk zó blij te zijn weer thuis te zijn, dat ze, “werkelijk waar hoor”, benadrukte ze nog, twee volle weken in huis was gebleven en zich alleen maar tevreden op de bank had genesteld. “Alleen maar om me heen kijken en het goed hebben”, en nog wat van dergelijke holle details. Het kostte haar geen moeite het overtuigend te vertellen en het kan best waar zijn, maar voor mij is het volstrekt ongeloofwaardig. Zoiets houdt ze ook vol naar O., terwijl ze urenlang met el­kaar praten. Ze is heel intelligent en innemend, maar die façades maken iemand lelijk, vooral wanneer het zo schril afsteekt tegenover het gevoel van ‘echtheid’. Lariekoek!

Donderdag, 15 september
De zon schijnt behaaglijk de kamer in. Orithia gaat straks eerst naar yoga, maar vooraf nog naar de lijstenmaker. Vanmiddag worden dan die twee kasten in elkaar gezet en wordt alles voorlopig voltooid. Aangezien er weer heel wat boeken door mijn handen gingen, heb ik er ook weer teruggevonden die ik dacht kwijt te zijn. Over mijn status moet ik maar zwijgen. Laat ik dadelijk eerst maar de al lang voorgenomen kaarten schrijven. Morgen komt Rieky. Ze heeft het al wekenlang weten uit te stellen om de ramen te doen, maar morgen moet het toch echt. Ze heeft hoogtevrees.
Ruim twee geslapen, maar zit al meer dan twintig minuten voor me uit te staren omdat ik het er niet over zou hebben. Die höhe Schmerzwelle, der Schmerz und die Ewigkeit, es ist unerträglich. Mittlerweile kommt der erste Bücherschrank. An die Arbeit, - “Ja bitte, du auch.”
Het is 21u10 en we zijn eindelijk klaar en tevreden en moe. Lola Eddie is geboren, een dochter van negen pond. Voorheen zou ik opa zijn geworden maar die rol zal ik helaas nooit vervullen. Waarom mijn leven zo heeft moeten gaan, is me een raadsel, maar goddank ben ik niet tussen wal en schip geraakt. En oma en dochter zijn zielsgelukkig, zo is het ook goed.

Vrijdag, 16 september
Rieky heeft de ramen alleen aan de binnenkant gedaan, maar daar schiet je niets mee op – ze zijn nog even smerig. Wat moet ik hier nou mee? “Dat kan Orithia dan toch doen?” “Nee, zij is mijn huishoudelijke hulp niet!”
De tijdloze pijn suddert maar door. Ze is een ongenode gast, maar woont al jaren in m’n lichaam. Zij schuilt in ieder mens. Vlijmscherp schrijft ze haar naam in mijn ziel. Voor mij is zij geen vreemde meer. Ik zei ’t al, de koploper zal wel winnen.

[© MN. ‘Les jours de l’âme’. Op de foto, dat is al duidelijk, het schilderij ‘Madonna’ van Edvard Munch (1895). Lola Eddie, wat een mooie naam. Ik zal haar de grote keramische spaarkoe nalaten en tot die tijd er telkens wat kleingeld in doen.]

maandag, september 12, 2011


Dagboek  Bewaar de heelheid alsof het je enige goudstuk is

Woensdag, 7 september
Al dagenlang zit ik hopeloos in mezelf. Het maakt Orithia zo machteloos. Vaak is wel te traceren waarmee het begon en als dan de bron een onveranderbaar feit blijkt, dan is de treurnis absurd en zo zinloos. Vervolgens gaat het niet meer om die bron, maar om het onvermogen me te bevrijden uit die treurigheid of uit de boosheid niet toch een daad te kunnen stellen. De enige daad die ik kan stellen, is loslaten wat me belemmert. Dat lijkt zo’n gezocht gezegde of cliché, maar het is de kern van wat ‘moet’; het verdriet ergens over mag er best zijn, maar niet onnodig lang zodat het zich kan vastzetten. Ik kan er met Orithia over praten en die opluchting moet me genoeg zijn. Het is een wonde die litteken zal worden, maar laat ik mezelf toch verbieden in een vicieuze cirkel terecht te komen. Dat vergroot de schade alleen maar. Het enthousiaste lezen stagneert, ik raak geïrriteerd omdat ik niet uit de voeten kan en telkens afhankelijk ben en daarmee creëer ik zoveel stress dat de pijn de vrije loop krijgt en wat nog heel is verder stukbreekt. Zie hoe betrekkelijk het onvermogen in feite is, ofschoon inzicht en ernaar handelen twee verschillende wegen zijn. Het is geen kwestie van een knop omdraaien, maar met motivatie en geduld naar boven klimmen. Het zou wel veel schelen als je dat met een activiteit kunt ondersteunen, bijvoorbeeld, wat ik al een tijdje graag wil, met het herordenen van mijn boekenkast, maar vanuit een rolstoel is dat een hachelijke onderneming.

Het is 23u10. Een warme omhelzing maakt een einde aan de dag. We zijn beiden zielsgelukkig met onze trouwe en innige verbinding, een onmisbaar plaveisel naar iets dat toekomst heet. Onze liefde is een behaaglijke, bonte tuin. Telkens word ik voorzichtig en liefdevol toegedekt. Ik lig daar en zij heeft me lief. Ik voel haar warme adem. Haar huid is tederheid. Zij en de liefde zijn één, wij ook. Ik voel een geluk dat sinds lang hier niet meer thuis was. “Geluk is gevaarlijk”, zo luidt de titel van een verzameling gedichten van Rutger Kopland.

Donderdag, 8 september
Bij het opstaan voelde ik al dat het een wat betere dag zou gaan worden. Ik ben beter gehumeurd, maar de pijn is nog hetzelfde. Weinig uitgevoerd. De lucht is de hele dag in beweging, massa’s grijze plukken komen voorbij, infinitum. Het miezert urenlang.
Na de lunch ben ik meteen gaan rusten. Ik val elke keer prompt in slaap en zonder wekker word ik twee uur later weer wakker, altijd in verwarring over dag en tijd. Even koffie drinken bij Orithia die net doornat uit de stad was gekomen. In de lift naar beneden verhevigt de pijn. Ik zoek een aanleiding maar vind niks.
Open nu.nl om het nieuws te lezen. Daarna de nieuw verschenen titels gezien. Direct vallen mijn ogen op de biografie die Aleid Truyens over het kleine oeuvre van F.B. Hotz schreef: “Geluk kun je alleen maar schilderen”. Zoals je al reizend in verschillende weers­om­stan­dig­he­den terechtkomt, zo stuit je schrijvend over iemands levensloop op het geluk dat hem nu en dan ten deel is gevallen. Dat schets je ‘en passant’ want het is er nooit doorlopend.
Kort na negenen een plotselinge siddering van het raamwerk. Een vogel? Het was iets ongewoons, geen verbeelding. Ook op het balkon trof Orithia niets opmerkelijks aan, wel waren er meer mensen buiten en die hadden het over een aardbeving. Wat ook, het was een opvallende, vreemde en zeer kortstondige gewaarwording.
Vandaag ga ik anders naar bed dan gisteren.

Vrijdag, 9 september
De Doetinchemse zon laat zich niet zien. Mijn zon evenmin.
Ik dacht er aan mijn collage van 17 schilderijen te vervangen door één groot doek, bijvoorbeeld “de Madonna’ van de Noorse schilder Edvard Munch of “Het lezend naakt” van Jozef Israëls, de schapen van William Hunt of een naakt van Gerhard Richter. De collage gaat uit elkaar en vindt verspreid elders wel een plaats. Een klein humoristisch doek, een glicée, van Marius van Dokkum is ook een wens, bijvoorbeeld “Het kippenhok”, but don’t hurry, live one day at a time. Ach, misschien kan het ook eenvoudiger want het gaat uiteindelijk om wat kleur en schoonheid en met éen zo’n groot schilderij komt de rekening al een stuk boven de 600 euro. Te gek.
Buiten is niets te zien. De wandelaars worden steeds schaarser.
Na het avondeten, macaroni, wel een uur in de cabrio zitten slapen. Als ik geeuw, grijpen de spieren zich aan me vast. De morfinepleister mag ik wel naar 100 verhogen, “maar ’t zal niet helpen, je wordt nog slaperiger.” Volgens de huisarts zal het pas merkbaar effect hebben, als de huidige 75 wordt verviervoudigd. “Dat is sedatie, dan kom ik mijn bed niet meer uit.” Waar is nog enige opgewektheid uit te putten?

Zaterdag, 10 september
De dichte mist van vannacht is helemaal opgetrokken. Het wordt vast een benauwde dag, het is nu, kort na achten, al drukkend, ik word er zo godvergeten moe van.
Vanmiddag zat ik even hier voor buiten. Geen mens te bekennen. Een doods gesticht, - maar gelukkig ben ik thuis eigen baas. Beneden treft je een onbestemde, smakeloze entree aan, een recreatiezaal met een interieur uit de jaren vijftig. Als ik door de brede gangen trippel, is er evenmin enig teken van leven. Iedereen heeft het keukenraam geblinddoekt, alsof daarachter een leven wordt geleid waar je opgewonden van raakt. Het is eenvoudiger, niemand wil worden gezien. Alleen op vrijdag kun je hier tussen de middag gezamenlijk warm eten. Ieder heeft een eigen, vaste plek aan tafel, zoals voor ieder geldt, dat het wachten is op de laatste taxi, op de rook van de laatste sigaret, op de hoge vlam van het crematorium. “Het laatste laken dat ons toedekt is van zand”, schreef Freddy de Vree. Moet ik hier mijn almaar ouder wordende knoken verwarmen?

Zondag, 11 september
Als de man met de vogelkop wakker wordt, vindt hij naast zich een vrouw. Het is Orithia, zijn geliefde, zijn muze voor elk spinsel van dag en nacht. Het zonlicht strijkt over haar lichaam. Zij kent wel zijn cabrio, maar slaat er geen acht op. Zij weet niet wat ze kwijt zijn, alleen wat ze rijk zijn en dat is haar genoeg. Hij beseft dat de liefde anders is dan ooit tevoren, hij is somber en juichend tegelijk. “Ik zie u zo graag”, zegt de Vlaming.
“Er groeien anders geen rozen uit uw schoot.”
De schoonheid van het lichaam letterlijk in de vlakte nabij kan iets oproepen van alledaagse, ik bedoel menselijke Sehnsucht, van intimiteit, van hartstocht, maar de diepere betekenis is als de verhevenheid van een berg: een symbool van overgave, vertrouwen, liefde, van thuis zijn. (We dienen de taal te doorgronden.) Het hogere heeft alleen maar zin als we de voeling met het leven dat eronder klopt niet verliezen.

[© MN. ‘Les jours de l’âme. Photo: ‘Running horses’ by Allan Wallberg.]

woensdag, september 07, 2011


Dagboek Kijken naar de toekomst

Zaterdag, 3 september
Vannacht was ik er een half uurtje uit, veel pijn en ongerust over mijn leven. Het was mistig buiten. Aangezien de balkondeur hier altijd openstaat, was ik de onzichtbare getuige van een bijzonder tafereel bij het meer. Ik kon alleen op mijn gehoor afgaan. Een groepje jongeren gaf elkaar een voordracht. Een paar vrouwenstemmen galmden melodieus over het water. Stil. Een fluitist leidde een kort gedicht in dat volgde, dan een onverstaanbare dialoog die een einde kreeg in een harmonieus gezang, en dat herhaalde zich een paar keer, van gedicht naar dialoog en dwarsfluit. Denkend aan vaak bezochte en ook zelf gecreëerde nachten van de poëzie viel ik in slaap. Hours released from pain and fear. De dageraad in volle zon.

Gisteren schreef ik nog dat dit (de dagboekreeks) het maximaal haalbare is, vandaag dat ik me er achter verberg om een sterke en misschien wel moedige indruk te maken, terwijl ik me zwak voel en er voortdurend aan denk dat ik de laatste etappe rijd. Het kan waar zijn, maar ik kan er ook volslagen naast zitten. Niemand die het weet. Het enige dat ik ken, is de ononderbroken pijn, de ijskoude voeten, dat als ik even sta om m’n broek op te hijsen bijna omdonder. Dat ik me mogelijk anders voordoe dan ik voel, gebeurt niet opzettelijk, ik ben me er niet van bewust. De titel van de kleurenets confronteert me met de onmogelijkheid: ik zie geen toekomst, ik ken hooguit een verlangen, natuurlijk, alles van elk gisteren, ik ken vandaag, steeds vandaag. Het is ook de waanzin van het almaar hier binnen zitten.

Zondag, 4 september
We hebben lang geslapen, tot 10u15, maar ik voel meteen een zwaar hoofd. Het blijft zo, ook na half drie als ik wederom twee uur heb geslapen. Ik kom tot niets, heb nergens zin zin. Orithia zegt geen woord teveel. Is lief en zorgzaam. Ze wijst me op komende dinsdag, “kijk dan heel serieus naar een scootmobiel liefje, met alleen een nieuwe cabrio verandert er niet veel.” Dat was ik ook zeker van plan, heb ik begin mei al aangevaagd en zie hoe lang je moet wachten. Ik laat de dag maar zo. Orithia ging om half acht naar huis, ze was moe. Om te benadrukken dat schuldgevoelens misplaatst zijn, ben ik rond een uur of negen met een boeket rozen dat hier stond voor een kwartiertje naar boven gegaan. Ze fleurde op.

Zij: “Zag je dat net in de lift, kon wel een plaatje zijn van Margritte, zat een blote man in een rolstoel, er groeiden rozen in zijn schoot.”
Andere zij: “Jij fantaséért altijd zo. Een gewone man die een vaas met bloemen vasthield.”

[© MN. ‘Les jours de l’àme’ bij een kleurenets van Marieke Nijhof, 1992. Het blijft een aantal dagen stil; pijn stemt me moedeloos en passief. Ik kom zo snel mogelijk terug.]

zondag, september 04, 2011







Dagboek  Put all my feelings in a blender and you’ll get happiness and tiredness

Woensdag, 31 augustus
Gisteren nog veel gelezen: 45 bladzijden in het boek van Hans Dütting over Mulisch, goed geschreven maar ik heb weinig zin een documentaire nu, liever zoiets als ‘Mijn getijdenboek’, maar dat is nogal gedateerd, van 1975. Daarna nog 31 bladzijden in Emma Tennant, meteen intrigerend, en nog wat in Jan Toorop. Toen ik een klein uurtje bij Orithia op de koffie was en we in enkele kunstboeken aan het bladeren waren, elk zo zwaar dat je bijna een hijskraan nodig hebt om ze bij je op schoot te krijgen, koos ik voor Toorop en/of voor Eugène Delacroix.

Vandaag. Ja, die derde Cymbalta heb ik vervroegd ingenomen, maar het werkte niet zoals ik hoopte en of ik vanavond de vierde erbij zal nemen, betwijfel ik . . . . als ik de moed heb. Grada heeft nog contact met mijn huisarts en zal hem vragen of de morfinepleister naar 100 kan zonder gevolgen voor mijn tegenwoordigheid van geest.

Tussen de in Indië geboren Jan Toorop (1858-1928) en pater Charles Raaymakers van het Canisiuscollege in Nijmegen, een markant gebouw aan de Berg en Dalseweg, bestond al jarenlang een vriendschap. Charles was Toorop’s biechtvader, maar stond ook wel eens model en introduceerde de veel jongere pater Anton Reichling bij Toorop. Reichling was een bekend neerlandicus die volgens zijn Provinciaal Overste de aangewezen persoon was om een biografie te schrijven op grond van Toorop’s eigen verhalen over allerlei facetten van zijn leven. Uiteindelijk kwam het ervan – het had ook niet veel langer moeten zijn uitgesteld – dat Jan in de periode februari – november (1927) de veertig jaar jongere Anton zijn levensverhaal vertelde. Toorop sprak levendig en ongeremd, maakte van zijn hart geen moordkuil. De memoires kregen een wijds en rijk karakter, maar helaas kwam er een abrupt einde aan de vertelsessies doordat de boezemvriendin van Jan, Mieke Jansssen, zich opwierp als de enige en exclusieve biograaf. En inderdaad, vijf jaar na zijn dood publiceerde zij een boekje met “Herinneringen aan Jan Toorop”, maar het was volgens derden de naam biografie niet waardig. Veel citaten, dat wel, maar vooral veel losse impressies in een volgens pater Paul Begheyn vermoeiend en adorerend proza. Het achtergebleven onvoltooide manuscript werd eerst door Anton – “mijn speciale vriend”, zei Jan op zijn sterfbed – en later door diens familie zorgvuldig bewaard, en zo verscheen bij uitgeverij Waanders in 2009 dit boek: “Autobiografische herinneringen 1858-1886 Jan Toorop”, zoals gedicteerd aan Anton Reichling SJ in 1927 en bezorgd door Paul Begheyn SJ. (Foto links, klik, is een krijttekening van Anna Masthof met wie hij zich verloofde, maar een jaar of vier later is hij getrouwd met Annie Hall.) Maar of Waanders had hier niet voor moeten buigen of het had de eer van de Jezuïeten te na moeten zijn want het is ‘ekelhaft’, ook jegens Anton Reichling, dat het manuscript in deze ongewijzigde staat als ruwe notitie, als vlugschrift, is uitgegeven. Had Mieke Janssen zich niet zo op de borst geslagen of als Jan zelf haar tussenkomst niet had geduld, dan was er ongetwijfeld een mooi en leesbaar boek ontstaan. Geen wonder dat het in de ramsj verdween en dat er zelden of nooit uit wordt geciteerd. Het is wel fraai geïllustreerd. Pater Paul Begheyn roemt de kwaliteit, “een aanwinst voor de Nederlandse kunstgeschiedenis”, maar ik vind het een aanfluiting. Pulp.

Nee, voor de vierde (tezamen met de derde) Cymbalta had ik niet de moed; ik had al genoeg met de nek te stellen om er ook nog een portie duizeligheid bij te krijgen. Er zal gewoon geen verbetering optreden, dat weet ik toch onderhand. Alleen wanneer ik terminaal ben dan weten ze wel raad met de pijn, maar dan bladdert er ook geen woord meer van je lippen en ben je binnen een paar dagen van deze nu zo zure aarde verdwenen. “Pappen en nathouden”, zei mijn Rozendaalse huisarts achter mijn rug om tegen Orithia, ik was onthutst toen ik dat pas veel later hoorde, en die halfslachtige houding wordt volgehouden. Deze verschrikking kent geen enkel behagen.

Juist wanneer ik de laptop heb afgesloten, komt er tot verwondering van Orithia nog een email binnen. “De moderniteit schat, mijn mobiel dient me dag en nacht.” Een vroegere collega, Gert, wijst me onder meer op het boek “How to be sick” van Toni Bernhard. Het is een door het Boeddhisme geïnspireerde gids voor chronisch zieken en hun verzorgers, een boek waar ik niet direct warm voor loop, wel voor Gert.

Donderdag, 1 september
Het hoogste gebouw van de wereld staat in Dubai, 828 meter, meer dan 1000 appartementen vanaf drie miljoen euro. In een andere Arabische staat wordt nu een bouwwerk neergezet van ruim 1000 meter. Dan leef je denk ik werkelijk in de wolken. Wat doet dat met je brein? Het gekke is, dat het een realiteit is die we niet kennen, maar die we toch geneigd zijn te veroordelen, simpelweg vanwege de ongekende luxe en dat het, zo denken we dan, om ongewoon zelfgenoegzame mensen gaat die zich vereenzelvigd hebben met het gouden kalf. Maar we kunnen ons deerlijk vergissen, en wel van twee kanten: we kunnen zowel een irreële voorstelling hebben van de werkelijkheid dáár én van de bronnen van onze oordelen. Ik moet er maar eens naar toe gaan, neem ik een kamer met balkon, of zou ik dan gewoon wegwaaien? Blijf ik dan hangen in een wolk? Of land ik in een wolk vol ijskristallen en zal ik bevriezen?
Het gaat allemaal om de maat, een maat die ons volkomen vreemd is. De best betaalde schrijver ter wereld is James Patterson. Vorig jaar verdiende hij 54 miljoen dollar met zijn trhillers, de schrijfster van Harry Potter, J.K. Rowling, 24 miljoen, terwijl Jeroen Brouwers een prijs weigert vanwege het geringe bedrag: 16.000 euro.
Nee, ik vind het fascinerend om er allerlei foto’s van te zien (Dubai et cetera), maar mijn hart gaat er niet van bonzen, mijn bloed gaat er niet van gloeien en het kijken is vluchtig, terwijl foto’s van India veel sterker appelleren en me werkelijk doen verlangen daar eens te mogen zijn (klik foto rechts). Daar kan ik nou echt lang naar kijken, mijn ogen sluiten en opnieuw.

Na de middag een klein uur geslapen. Na een kopje koffie in de salon van Orithia zijn we even naar de garage gegaan omdat haar berging tot aan de deurplint vol stond met van alles maar vooral met haar atelier. Honderden tekeningen halfrond in dozen, tientallen ingelijst werk et cetera, waaruit ze nog moet selecteren wat ze wil bewaren, en dat gaat dan weer terug naar een speciale stelling in de berging. Ik heb een prachtige kleurenets gekregen en nog een klein schilderij dat haar vader heeft gemaakt. Een heel vermoeiend uur. Terwijl ik aan de koffie zat, had TNT een pakket afgegeven bij de buurvrouw, het bleek de lang verwachte kleding te zijn. Pas na negenen was ik weer voldoende bijgeladen er naar om te zien. Alleen het zwarte huispak en de jeans gaan terug, maar met het loungewear-pak, de sjaal en de schoenen ben ik zeer in m’n schik. Eindelijk eens wat nieuws, ik straalde van geluk terwijl de pijn me al lang naar bed dwong.

Vrijdag, 2 september
Orithia, happy birthday. Our love is reality, but the way it is possible, is like a dream. I wish you many years in health, in prosperity and wisdom, but most of all in love. Het is meteen een zonnige dag.
Ik ga pas vanavond want vanmorgen is Rieky hier, de huishoudelijke hulp en vanmiddag gaan de drie generaties dames even de stad in en kan ik een uiltje knappen. Ik verheug me op de avond, met het boek van Claus en Nicolas Bouvier.

Twee uur geslapen. Nadien het boekje uitgelezen van Jacques Bonnet, “Een boekenkast vol geesten” (gedrukt in een fraaie letter, in 2009 verschenen bij uitgeverij Mouria), geschreven met humor en liefde en een ongelooflijke kennis, de kennis van een verwoed verzamelaar. (In dit opzicht tel ik echt niet mee, bij tien-, vijftien- of twintigduizend begint het er een beetje op te lijken.) Alberto Manguel heeft er meer dan dertigduizend, schitterend, en dan komt het echt aan op inruimen en klasseren want een echte verzamelaar moet een bepaald boek blindelings tevoorschijn kunnen halen. Bonnet zelf is ook een gepassioneerd bibliofiel en weet uit een fabelachtig geheugen daar buitengewoon boeiend over te schrijven, als het ware met de stem van een ongekende liefde voor de literatuur.
Na de risotto fris ik me op en ga naar mijn muze, mijn engel van het evenwicht.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. (Zonder duivelse pijn en ijskoude voeten kan ik zeker niet leven?) Links de tekening van Anna van Jan Toorop en rechts India, ‘Rural life’ by Writwik Chakraborty. Het zint me niks geen andere weblogs te bezoeken, maar neem van me aan, dit is het maximaal haalbare!]