Pagina's

vrijdag, september 14, 2007


De oude dag is niet zo als ze lijkt

Alsof de naam van het gelag me ertoe dwong, volgde
ik in "Buitenlust" even de heupen van de serveerster, ze handelde
zo prompt, totdat ik twee senioren zag van fors postuur, zij en hij,
beiden een grijze Hazewind aan de hand, en onwillekeurig vergeleek
ik de ribbenkasten met de grote borsten, geborgen in een puntige beha,
misschien nog van oudroze satijn, dat zou melodieus zijn.

[© MN, in Aging, living, dying; this all poetically reference the beauty and vulnerability that characterize human experience. Afbeelding: by MAX, nadere gegevens ontbreken, maar het is a piece of my mind.]

donderdag, september 13, 2007

De atheïst en de monnik

Wie het denken de hoofdzaak vindt, kan het daarin weliswaar ver brengen, maar verwart toch de grond met het water; er komt een ogenblik dat hij verdrinkt.

Hermann Hesse

Mijn broer, ook een familieman, leidt een druk bestaan. Hij is ongelovig. Voor hem is geloof niet te funderen op verhalen of een overlevering. “Het plaatsen van de Godsidee bij alles dat niet rationeel verklaard kan worden beschouw ik als existentiële zwakte en gemakzucht.” Het behoort tot de logica van de rede dat voor denkbeelden een wetenschappelijke of een empirische verklaring is want anders ontbreekt het fundament, dan is er sprake van iets dat je je in je hoofd hebt gehaald maar niet kan kloppen. Maar kan alles gedacht worden? Verklaard? Is de rede in de war? Daarom dacht ik aan Hesse. Het geloof is geen wetenschap. Geloof is mensenwerk.
God bindt en splijt.
Hij is atheïst, hij is iemand die zich beweegt binnen de grenzen van de rede en die heel goed weet dat de rede – zoals Kant zei – maar een eilandje is in een grote oceaan. “Atheïst. Vreemd eigenlijk”, zei hij laatst met een lach van verlegenheid, “met dit woord ben ik toch weer met hem verbonden.” En nog iets. Waar hij woont, is het prachtig. Maar het is de tweede keer achtereen dat hij ergens woont met direct zicht op een kerk. Hij is ook gefascineerd geraakt door het werk van Heinrich Böll, toch een gelovig man - hoewel hij de onfeilbaarheid van de paus verwierp en een groot wantrouwen had naar de officiële kerk en haar autoriteiten, die hij verweet geen weerstand te hebben geboden tegen het Nazi-regime en dus medeverantwoordelijk achtte voor de menselijke problemen in de toen miserabele Duitse samenleving. De kerk weet het goede niet steeds van het kwade te onderscheiden. Een gelovige en een atheïst evenmin. Morele kwaliteiten zijn gelukkig niet gebonden aan welk geloof ook.
Mijn broer is evenals ik een humanist, een stille strijder. Het is zijn identiteit, maar hij verlangt niet dat iemand hem volgt, of misschien ook wel, maar hij zal niet willen dat ik op hem lijk. Dat zou me ook niet lukken. Geloof is geen rationele zekerheid en ik houd niet van het leven zonder verrukking, zonder hoop, en dat is ook het wonderlijke, het goede schemert overal doorheen, door het ergste dat is geweest of ons nog te wachten staat.
Hier op mijn eiland leef ik eigenlijk al een soort van monnikenbestaan. Ik geloof in God maar weet niet exact waarin ik geloof want God blijft een mysterie. Ik ken het onzienlijke niet, evenals hij, de atheïst, het onzienlijke niet kent en daarom binnen zijn grenzen blijft. Dus wij beiden kennen de grenzen van de rede. De monnik en de atheïst, mijn broer en ik zijn meer en anders verwant dan we zouden vermoeden, aangenomen dat ook hij eerbied heeft voor wat boven de rede uitgaat.
[Beeld uit “Into Great Silence”, een documentaire van Philip Gröning door de seizoenen heen over kartuizer monniken in het klooster Grande Chartreuse in de Franse Alpen.]

woensdag, september 12, 2007


Zijn naam is Amadeu de Prado, je ne peux pas vous oublier

Zodadelijk lees ik de laatste twee pagina's, met opzet almaar uitgesteld omdat ik er aan dacht dat De Prado echt heeft bestaan. Ik vind het de knapste roman die ik ooit las. En het is vermoedelijk de enige die ik nogmaals ga lezen. Het leven van Gregorius ‘eindigt’ onzeker, dat heb ik al gezien, eigenlijk wel jammer, maar een 'happy end' of iets dergelijks zat er ook helemaal niet in en zou ongeloofwaardig zijn. Laten we maar geloven dat Doxiades gelijk had, dat het uiteindelijk allemaal meeviel en goedkwam en dat hij de Spaanse geschiedenis is gaan bestuderen want hij was zeer geïmponeerd door Estafania. Ten slotte zou hij een boek schrijven over het Portugese verzet en daarin zou Amadeu weer terugkeren, Joao Eca ook. Maria João Avila, de schatbewaarder van zijn gedachten eveneens, maar de geschiedenis zou beginnen met het drama rond Mendes en de diepe vernedering die er op volgde.
Amadeu de Prado, mijn grote held, de dichter, de kluizenaar van de liefde, de man met een drang om geheimen te doorvorsen, de goede arts die tijd, medegevoel en begrip met gulle hand wist toe te dienen.
Gregorius die de boeien lossloeg van het zwaar vergrendelde hart van Adriana.
Ooit verandert alle pijn in oud zeer.
Merci Pascal.
[Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon, Wereldbibliotheek.]

dinsdag, september 11, 2007

Postvogel II
Hij zei dat het op z’n route lag


Mijn eiland staat voor iedereen open. Hij zat daar rustig op de rand van mijn leren fauteuil, zei niets maar pikte met zijn snavel tussen zijn tenen zoals ik dat vroeger mijn kanarie zag doen en wat ik beschouw als een bewijs van thuis zijn. (Hoewel, thuis zijn en gekooid, gaat dat samen?) Ik was net klaar met het schrijven van een kaart die ik op de tafel voor het Mariabeeld legde. Voor ik er erg in had, was hij ermee verdwenen.

“De vogel vloog op het juiste adres binnen maar trof niemand thuis. Hij fladderde wat rond en veroorzaakte wat rommel. Het lieve dier kan van niets weten en is er toch zeker van dat jullie thuiskomen. Schrik dus niet, hij brengt wat geluk, wat troost, wat geduld, en vliegt weer weg.”
[Foto van Jaap van de ansichtkaart die ik hem stuurde; “Brieftaube” Gerhard Glück.]

maandag, september 10, 2007

Ik hoor de kist nog niet knarsen
Geen vonnis dat mijn mond verzegelt


Wat mensen aan ziekte overkomt, kan
soms nooit meer kantelen naar hoe het
eens was. Dat te weten, is eerst als dwalen

in een diep bos, je weet niet waar je bent
noch waar je gaat. Met geduld komt er licht en
gewoonte tevoorschijn en eenmaal daar

wil je zó niet meer kijken naar de tijd
die je nog niet kent. Zo wordt het mogelijk
het onmogelijke te leven

want eens verlaten we elkaar, vroeg of laat,
een van beide, maar allemaal. Staan we er teveel
bij stil, dan komen we tijd tekort.

[©MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Jan Wolkers schreef: “Je laatste gedicht schrijf je pas als de kist hoort knarsen.” (Ziekte is metaforisch voor alle lijden dat zich in littekens vastzet. “Het lijden is de universiteit van het egocentrisme”, zegt Kundera.) Uit een Ierse song: So stick to the fight when you're hardest hit, It's when things seem worst that you must not quit.
Afbeelding: “The music of the soul” by Victor Safonkin.]

zaterdag, september 08, 2007

Is muziek niet net als een boek
De componist die kunstenaar is, music … the intelligent emotion

Muziek is vooral een kwestie van smaak en daarom kan ik er vrijmoedig over schrijven, ook al zei ik Ferdinand, “Ik heb er geen verstand van, alleen, ‘Exploratie’, ja, dat is goud”. Zonder professionele kennis (weet ik veel wat octaven en driekwartsmaten zijn) stel ik vast dat het ‘goud’ is – bij een kwestie van smaak is alles geoorloofd; ‘smaak’ is niet iets van alleen de tong, maar appelleert aan al je zintuigen.
‘Exploratie’ van Ferdinand Groos. Iemand die dit magnifieke pianospel ‘zenuwengepingel’ noemt – dat is heel beroerd want degene die dit goud noemt, verdraagt zo’n oordeel niet (je wilt dat het gedeeld wordt, dan mag de muziek ook op ‘hard’) – die heeft denk ik niet de rust, of niet het geduld, te luisteren en soms te zoeken naar wat hier gebeurt. Ik ken Ferdinand van veel vroeger dan zijn muziek, en toch is het andersom want er verstreek meer dan vijfendertig jaar voordat ik zijn muziek hoorde en pas daarna ontmoetten we elkaar weer. Toen ik me dit realiseerde, ging ik mijn herinneringen eens na, en in die enorme verzameling ontdekte ik plots een element dat er ook vandaag weer is. Ik keek natuurlijk in het laatje ‘muziek’, waar luisterde ik naar, wat vond ik mooi? Nou, the Moody Blues bijvoorbeeld, the Beatles, Fats Domino, Garfunkel, David McWilliams (“Can I get there by candlelight” kan ik nog neuriën), later ook veel Cohen, maar géén van deze muziek won het van Jean Philippe Rameau, daar zette ik de ramen wijd bij open. Nu, ditzelfde zou ik bij ‘Exploratie’ ook weer doen – het is in mijn leven dus vrij zeldzaam dat muziek zo in mij doordringt dat ik de vensters opengooi, dat ik anderen wil laten delen in mijn geluk, in mijn ontroering, in iets dat echt is, dat roffelt op je ziel. Tonen en ritmes, klanken, melodieën die zich vastzetten, zodat de muziek er ook op stille momenten is en doen verlangen naar het luide uur. Als tekst levende muziek zou kunnen bevatten, zou ik het nu doorgeven, zo prachtig, zo vol van klank en hartstocht, op momenten zo feestelijk dat het de blijdschap, die altijd ergens in mensen huist of verborgen is, onmiddellijk tevoorschijn tovert. Telkens weer raak ik opgetogen, na honderd maal wel meer vertrouwd maar nog even hevig.
Een leek heeft het wel moeilijker dan een professional als hij een ‘kritiek’ schrijft over een muziekstuk. Ik ken het ambacht van de musicus niet en kan de virtuositeit nauwelijks vergelijken, maar tegelijk betwijfel ik of dat nou zo belangrijk is. Als ik maar kan uitleggen waarom het mij boeit, waarom die dubbel-cd hier soms de hele avond is te horen en me geen minuut verveelt. Menig cd zet ik halverwege uit, of vergeet ik, al kan ik ook gerust zeggen te kunnen genieten van ‘Canto Ostinato’ van Simeon ten Holt, pianospel dat verwant is aan het werk van Ferdinand. Niét verwant, al is het eveneens minimal music, en mooi is het werk van Philip Glass.
Nu eerst iets over de achtergrond van Ferdinand – zijn muziek heeft, evenals hij zelf en ieder van ons, een geschiedenis. Ferdinand Groos begon met piano spelen toen hij amper vier jaar oud was. Als getalenteerd kind kreeg hij vlot toegang tot allerlei faciliteiten om voor hem muziek te laten zijn wat het nog steeds is: de mogelijkheid om wat niet meer met taal kan worden uitgedrukt te verklanken in emotievolle thema's. Na zijn gymnasium beëindigde hij zijn piano-opleiding aan het conservatorium, waarna hij, daartoe aangezet door zijn ouders, filosofie studeerde in Nijmegen. Maar van meet af aan was al duidelijk dat (direct na het beëindigen van deze studie) de aantrekkingskracht van de 88 toetsen toch sterker was dan welke andere bezigheid ook. Wel zou de filosofiestudie zich later duidelijk manifesteren in zijn werken. Ferdinand reisde over de hele wereld. De ontmoeting met de vele verschillende culturen zette hem er toe aan deze ervaringen op latere leeftijd te ordenen in de studie Cultuurwetenschappen. Want juist deze ontmoetingen met andere landen en culturen in combinatie met zijn filosofieopleiding zouden opgeld doen in zijn werken voor meestal twee of drie vleugels. Uiteindelijk zouden zijn werken gekenmerkt kunnen worden door mooie melodische lijnen, ontrold in een ‘minimal-musicachtige’ omgeving. Deze vorm werd bewust gekozen omdat tijd een centraal begrip is in al zijn werken.

In de partituur ‘Exploratie’ draait het in wezen om datgene wat Hegel bedoelde: steeds wanneer een kunstenaar een werk schept, zal er sprake zijn van een kenbaar maken van zijn eigen (gedeeltelijke) waarheid. Ook Groos ontvouwt zijn ‘waarheid’, uitgedrukt in een scala van melodische lijnen in verschillende toonsoorten en in figuren gecomponeerd in de traditie van de ‘klassieke’ minimal music: melodische lijnen om het gevoelsleven welluidend naar voren te brengen, om rationeel bezig te blijven met zijn ‘muzikale zoektocht’ naar het tijdsbegrip. Daardoor gebeurt het steeds weer, dat de toehoorder verrast is door de werkelijke digitaal af te lezen lengte van het werk, terwijl het gevoelsmatig een veel kortere tijdsspanne omvat.
Naar verluidt hadden luisteraars vaak de idee dat de tijd was stilgezet. Dat het steeds weer gebeurt, dat de melodie zich herhaalt, en wéér en wéér, wijst erop dat muziek een taal is in klanken die je moet leren verstaan – dat vraagt een openheid die alleen denk ik mogelijk is
als je er door wordt geraakt. Smaak, zintuigen, gevoel; woord en klank vallen niet samen en toch wordt er een verhaal verteld, alleen een verhaal dat ieder voor zichzelf mag navertellen omdat ze niet, zoals bij proza, nagenoeg identiek zal zijn. Zeker als het muzische verhaal niet geraffineerd is, niet doortrokken van wat in de mode is, maar belangeloos en zo puur dat het ‘navertellen’ niet wijst naar een bepaalde geschiedenis of plot, maar meer een expressie is van persoonlijke fascinatie.
‘Exploratie’ staat aan, ik ken de tonen, weet op welk ogenblik ze heftig worden, ik ben aan het schrijven en vind zo de woorden die ik nodig heb en waar ik anders veel graafwerk voor moet doen, ik ben rustig, kalm, tevreden, gelukkig. Warmte, veiligheid – misschien, daar moet ik nu opeens aan denken, lijkt mijn grote genoegen wel op dat van de fervente boswandelaar die je niet hoort over de duizend zelfde bomen die hij tegenkwam, maar wel over de kalmte, over het tot zichzelf komen, over inspiratie, over ‘persoonlijke inzichten’, over kwetsbaarheid. Muziek als natuur … luister naar de tweede, de vierde, de veertiende minuut, naar de zeventiende, naar de achttien punt dertig – en zo verder -‘wandel er heen’, dan gebeurt wat ook de wandelaar zegt, “Ik weet niet, dat moet je meemaken. Ga erheen.”
[Podiumfoto van Ferdinand. Zie
www.fjmgroos.nl/]

vrijdag, september 07, 2007

Verandering

Je bent méér dan al mijn kostelijke boeken. Dat leek
haar grootspraak, maar wat is geweest, is weg,
alleen de tijd is gebleven.

De kast, een ontvreemde ruimte, is nu zonder
taal, maar vol liefde, schoonheid en rechtvaardigheid,
voor ieder elk woord te ontdekken.

Het was maar toevallig van al die boeken, kom,
we beginnen opnieuw, je bent rein en
we staan aan de rand van de dag.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Ik moet toegeven, hoewel het niet onwaar is, dat “méér dan al mijn boeken” een hommage is aan de liefde, maar dat de boeken zijn gebleven.
Foto: van Natasja Gudermane.]

donderdag, september 06, 2007

Een kip legt geen eieren op het marktplein

Eergisteren tikte ik op mijn Garmin ‘Abdijweg 50 Valkenswaard’ en ik werd erheen gebracht, zo gaat dat in de moderniteit, om het even naar welke deur je wilt. Ik geloof na ongeveer vijf kwartier rijden vertoefde ik in de prachtige omgeving van de religieuze muren van het Cisterciënzer Trappistenklooster Achelse Kluis, ofwel de Sint Benedictusabdij in het stiltegebied tussen akkers en bossen ten zuiden van Valkenswaard. Er leven en werken 23 monniken naar de Regel zoals Benedictus die vijftienhonderd jaar geleden heeft gesteld. Waarom toch ‘buiten de wereld’, in afzondering? Is het niet dezelfde vraag als waarom ik naar bed ga als ik wil slapen? Zo leeft een monnik voor zijn vereniging met God in stilte, weg van het lawaai en weg van de talrijke verlokkingen, van de desillusies en obsessies, zodat er een innerlijke vrijheid en eenzaamheid ontstaat om het contemplatieve leven te beleven. “Een kip”, zo luidt een gezegde van de moslimsoefi’s, “legt ook geen eieren op het marktplein”. En zo is het klooster, dat bepaald geen vluchtplaats is of kan zijn – “het is eigenlijk een plaats waarin ik verdwijn voor de wereld”, zegt Thomas Merton -, de tegenpool van het moderne leven waar de mensen elkaar doorgaans voorbijlopen.
In een nis boven de grote poort staat een beeld van Benedictus. De muren van het klooster zijn bijna een meter dik, alle ramen en regenpijpen zijn van koper en het dak van leisteen. Het kan de eeuwen doorstaan. Er is een bierbrouwerij, een broodbakkerij, een galerie met religieuze cultuur – een krans aan devotionalia - en een kruidenierswinkel, zodat de gemeenschap zelfvoorzienend kan zijn. Ik kocht kaarten, Marjoleinolie en (teveel) boeken en heb spijt van die ik niét heb gekocht, wandelde er rond en voelde me rustig en tevreden, meer moet het niet zijn. Ik ben toch al voorbij de soberheid gegaan. De abt zei eens: “Als God niet bestaat, zijn wij de stomste mensen ter wereld.” En toen moest ik denken aan Amadeu de Prado, die zei dat we “de religie alleen maar geschapen hebben omdat de dingen voor ons, mensen, te groot zijn: pijn, eenzaamheid en dood, maar ook schoonheid, verhevenheid en geluk.”
Toen de kraaien hun groet krasten, viel de avond over de abdij en verliet ik de schil van het monastieke leven – kon ik mijn wagen even aan de hand nemen, dan zou dat geruisloos zijn gebeurd, maar ik startte de motor zonder dat het een protest kon zijn tegen de stilte.
[Thomas Merton, Louteringsberg (autobiografie), Ten Have/Lannoo. Amadeu de Prado is de dichter, arts, de hoofdfiguur in Nachttrein naar Lissabon van Pascal Mercier.]

woensdag, september 05, 2007


Wenn Sie das Leben kennen, geben sie mir doch bitte seine Anschrift.
Jules Renard

Een levensgroot opschrift op een buitenmuur in Weimar. Jules Renard (1864-1910). “Hij had een aangeboren misantropie in zich en iets knoestigs en solitairs”, schreef Sartre. Maar ik bewonder zijn twee dagboeken, verschenen in de reeks Privé-domein van de Arbeiderspers, en herinner me regels, zoals: “De aarde die inslaapt trekt de nacht over zich heen.” “Er zijn momenten dat alles goed gaat, maar wees niet bang, dat gaat wel voorbij.” “Ik houd van je zoals van de zin die ik in mijn droom heb bedacht en die ik niet meer kan terugvinden.”
Ich wünsche Dir das wir solange wir atmen, das Staunen über das Wunder Leben und die Freude das wir leben niemals aufgeben, zo luidt een zin die ik ergens las in het Goethe-Haus. Zie je, zo leeft bij ieder in alle tijden het menselijk verlangen, enerzijds juichend over de vreugde die het leven is, anderzijds te willen weten hoe het mogelijk is het leven te leven. Dat is elke dag werken, ook voor hen die alles lijken te hebben waarvan wij denken dat het hen zo eenvoudig lijkt te maken om goed te leven. Het is, denk ik, als een vuur dat je moet weten aan te steken zonder dat je je vingers brandt.
[Afbeelding: Jules Renard par Jack Rollan. De genoemde twee delen in de PD-reeks, nr. 140, zijn getiteld Dagboek 1887-1899 en Dagboek 1900-1910. Denk niet, omdat het van meer dan 100 jaar geleden is, dat het niet meer leesbaar zou zijn, integendeel – het is met een flinke teug ontzag op te snuiven!]

dinsdag, september 04, 2007


Onsterfelijkheid, een roman uit 1990
De grond waaruit ons lot opkomt

Het eerste deel van deze roman, die mogelijk door velen al is vergeten, beschrijft in dik vijftig pagina’s de pijn en de illusie van liefde, schuilgaand achter maskers van de realiteit. Het leven is een en al schets. Hier vooral het leven van Agnes, het bourgeois gezin waarin ze opgroeide, de symbolen in de relatie met haar vader die wat langer leefde dan ‘officieel gepland leek’, haar relatie met haar zus, later met de in huis afwezige Paul die veel van haar hield, die zozeer op zijn moeder leek dat Agnes, als ze eens de liefde bedreven, soms dacht dat er een oude vrouw op haar lag. Het woord ‘masker’ valt nergens, maar cruciaal in dit eerste deel is ‘het gezicht’ en wie daarachter schuilgaat. ‘Is mijn gezicht hetzelfde als ik’? Agnes koestert heimelijk andere levensplannen. Ze houdt van Paul vanuit de wil van hem te houden, maar de wil kan verslappen, zodat ‘de liefde kan wegvliegen als een vogel door de geopende deur van zijn kooi’. Aan het einde komt een vreemde vriendelijke man van een andere planeet haar zeggen dat ze in het volgende leven niet meer op aarde zal terugkeren, ook Paul niet. En dan herhaalt zich diezelfde cruciale vraag: ‘Wilt u in het volgende leven bij elkaar blijven of elkaar niet meer ontmoeten’? Na overpeinzingen zegt ze, tóch, met vaste stem: ‘We geven er de voorkeur aan elkaar niet meer te ontmoeten.” De illusie van liefde.
Van pagina 55-98 deel twee, het is december 1811. Bettina en ‘haar’ dichter Achim von Arnim logeren bij Goethe in Weimar. Goethe is dan 62, zijn vrouw Christiane 49. Bettina, 26 en zwanger, flirt met Goethe. De logeerpartij eindigt in een ruzie en Goethe ontzegt hen voorgoed de toegang tot zijn huis. Overal in Weimar klinkt Bettina’s onsterfelijke uitspraak, dat ‘die vette worst gek is geworden en haar heeft gebeten’.
Het gaat om de aardse onsterfelijkheid, om herinnerd te worden bijvoorbeeld als een groot staatsman, of veldheer zoals Napoleon, of zoals ik van Goethe en Slauerhoff houd als onvergetelijk grote dichters, zónder hen persoonlijk te hebben gekend. Zelf ben ik straks slechts onsterfelijk in de harten van mensen die mij hebben gekend, dat is anders en van heel korte duur. Dood en onsterfelijkheid zijn mooier dan Romeo en Julia of welk ander onscheidbaar paar ook. Ach, onsterfelijkheid, “het is wind die je vangt in een vlindernet.”
Het frappante is, dat Bettina, die haar leven lang leefde in een snoer van adoratie voor beroemde mannen, de dochter is van de vrouw op wie Goethe veertig jaar eerder verliefd was, Maximiliane, “Maxe”. De toen nog jonge dichter werd door haar man het huis uitgezet. Bettina, 22 toen ze Goethe voor het eerst ontmoette, verschool zich achter een geraffineerd schild van kinderlijkheid. Gevaarlijk ambitieus, en er volgen vele wonderlijke scènes.
Bettina, de scherpzinnige, wint en verliest, alleen is dit laatste haar bij leven bespaard gebleven, maar zij won méér dan Goethe, die er toch ook uitkomt als een “schijtebroek”, of, zoals Beethoven hem, in andere omstandigheden, uitmaakte voor ‘onderdanige lakei’. (Bettina stierf in 1859.) Drie jaar na Goethes dood, in 1835, verschijnt haar boek, haar hommage aan G, Goethes Briefwechsel mit einem Kinde. Het is een briefwisseling die tot 1912 voor authentiek werd gehouden, maar ontdekt werd, hoe kan het anders, hoezeer zij alle brieven tot verfijnd goud had gepolijst. Ze rekende op onsterfelijkheid, maar vergat de dood.
Tot slot van deel twee verzint Kundera Ernest Hemingway, geworteld in het symbool van journalistieke roem, aan de zijde van Goethe. Wie is, eenmaal aan gene zijde, niét meer bij elkaar te brengen? Wat deden de een en de ander met het oog op onsterfelijkheid zonder het te weten?
In deel drie, het middenschip en de strijd van het boek, keert Agnes gelukkig terug. Pas later ook weer Goethe, Bettina, Beethoven en Rilke. Agnes en haar zus Laura, en hun respectievelijke geliefden Paul en Bernard – we lezen fascinerende psychologische portretten. Waar strijd je voor, tegen wie of wat? Voor het werkelijke leven? Zoals bij Laura, ziekelijk strevend naar het onsterfelijke, ‘opdat ze leeft in de gedachten van de ander’, onophoudelijk, want ná hem, haar minnaar, komt de woestijn, en dan moét je wel strijden, desnoods dreigen met zelfmoord. Ze wilde zich onvergetelijk maken, want zonder dat, waar leef je dan voor? Is zelfmoord een manier om te verdwijnen, of om voorgoed te blijven, gegrift te staan in het hart van de ander? Achter het ene doel ligt weer een ander. Strijden vóór iets kan deugdzaam zijn, strijden tégen iets vrijwel altijd vernederend of vermorzelend.
Nee, ik ga niet elk deel beschrijven, in hoe weinig regels ook. Dat is niet alleen lastig, maar ik wil ook niet de lijn van het verhaal blootleggen, die moet ontdekt worden, (dus) laat maar slapen tot het in het lezen wakker wordt. Ik wil slechts zeggen, dat deel vier over het voelende ik gaat, het lijden, de ziel. Een vrouw kan zeggen: “Mijn lichaam heb je gehad, maar mijn ziel krijg je nooit.” Of: “Mijn lichaam heb je nog niet gehad, maar mijn ziel behoort je reeds toe.” En over nog zoveel meer, tot we in het volgende deel naar professor Avenarius en het toeval gaan en naar Agnes, de heldin van dit boek. Avenarius die veel eerder al Laura uit een benarde maar onvergetelijke scène met twee clochards redde, en Agnes, Agnes draagt haar pijnlijke ik door de wereld, het dichtst bij de werkelijkheid … en sterft, na een absurd ongeval, tragisch omdat ze op de drempel stond van een ander leven. Maar zou het niet op het voorgaande leven hebben geleken? Ze bleef gebouwd van dezelfde bakstenen.
Na deze droefenis belanden we bij de schilder Rubens en vanaf dan wordt (voor mij) het boek anders. Rubens wordt verplaatst naar de twintigste eeuw, en we lezen over de ontdekking dat in alle mannen en vrouwen dezelfde stroom vloeit, één enkele gemeenschappelijke rivier van erotische fantasieën, en dat ieder er zijn deel uit krijgt. Hoewel bij flarden boeiend en geestig, raak ik hier het spoor bijster, vind ik het gekunsteld, zou ook zeggen bijna overbodig. Ik meen dat Thomas Roosenboom eens zei, ‘alles heeft zijn noodzaak’. Soms lezen we in het begin van een boek een tekst waarvan je je afvraagt wat je ermee moet, maar die blijkt dan verderop heel belangrijk te zijn. Precies dit element mis ik bij Milan Kundera, vooral (dus) tegen het einde, alsof hij toch verdwaald is in zijn verbeelding en in de complexiteit van het verhaal. Hij is een postmodernist, een kritisch en begaafd schrijver met een lyrische, poëtische stijl en een fascinerend wijd besef van de geschiedenis van het menselijk bestaan. Ondanks mijn bedenkingen aan het einde waren het allerminst tevergeefse leesuren.
[Milan Kundera, Onsterfelijkheid, Ambo 1990. Afbeelding: “Venus immortal” by Wolfgang Steiner. Ik koos voor deze illustratie, omdat aan het einde staat, dat we ons moet laten doordringen van het Ewigweibliche wil de wereld niet aan kilte en berekening ten onder gaan. “Het eeuwig vrouwelijke trekt ons omhoog!”]

maandag, september 03, 2007

De dichtervorst Goethe
Den Gefühlsausdruck in den Mittelpunkt: “Sturm und Drang”

Johann Wolfgang Goethe werd op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main geboren. Hij studeerde rechten in Leipzig en Strassburg, maar interesseerde zich vooral voor de schone kunsten, voor poëzie en tekenen. Zijn vader was jurist en raadsheer van de keizer.
In Strassburg leerde hij Johann Gottfried Herder kennen, een vriend die hem in contact bracht met andere jonge schrijvers, een ‘groep’ die zich bewust distantieerde van de heersende regels der dichtkunst. In het prachtige Goethemuseum in Weimar las ik ergens: Sie betonten die schöpferische Freiheit des Dichters und stellten den Gefühlsausdruck in den Mittelpunkt, was ihrer literarischen Strömung die Bezeichnung „Sturm und Drang“ eintrug. Deze nieuwe toon is reeds te lezen in de gedichten die Goethe schreef voor Friederike Brion aus Sesenheim, maar overtuigend in zijn eerste succesvolle drama „Götz von Berlichingen”.


In 1772 trof hem wat je zou kunnen noemen een historische hartstocht. Hij werd verliefd op Charlotte Buf, de verloofde van zijn vriend Johann Christian Kestner. Johann Wolfgang raakte tevens bekend met de droevige zelfmoordgeschiedenis van Karl Wilhelm Jerusalem en vervlocht elementen uit diens biografie in zijn eigen hoogst ongelukkige liefdeservaring. Zo ontstond binnen enkele weken zijn beroemde briefroman „Die Leiden des jungen Werthers“. Das Buch erlangte einen regelrechten Kultstatus. Het gaat over Werther, de intelligente, romantische jongeman, die in Lotte zijn grote liefde ontmoette, maar moest ervaren dat die niet beantwoord kon worden want zij had haar hart aan een ander geschonken. Wanneer Werther zich dat tenslotte heeft gerealiseerd, maakt hij een eind aan zijn leven. In zijn dagboek schrijft hij over het geluk dat hem deelachtig werd voor háár te kunnen sterven. Aan zijn schrijftafel gezeten schiet hij zich een kogel door het hoofd.
In 1775 werd hij jurist te Weimar, aangesteld door de hertog Carl-August, maar hij bleef ook als dichter actief, zij het dat zijn werk zijn poëtische leven vaker dan hem lief was naar de achtergrond dreef. Zijn liefdesleven vervolgde een moeilijke en onmogelijke weg. Hij kreeg een intieme relatie met Charlotte von Stein, een invloedrijke hofdame van de hertoginmoeder Anna Amalia; Charlotte was getrouwd met Gottlob Friedrich von Stein, maar goed, Goethe had zich een plaats veroverd in deze kleine elite-kring en zijn omgang met Charlotte, waar niemand lucht van mocht krijgen, inspireerde hem tot vele lyrische gedichten. “Ich bin bei dir, du seist auch noch so ferne, du bist mir nah! Die Sonne sinkt, bald leichten mir die Sterne. O wärst du da!”
Na elf jaar brak dit benauwende leven hem op. Hij vertrok voor twee jaar naar Italië en ervoer zijn belevenissen als een bevrijding, als een ‘Wiedergeburt’. Niemand was tevoren van zijn reisplannen op de hoogte, maar in Italië verbrak hij het zwijgen en correspondeerde met Charlotte, Frau von Stein, met de Herders en ook met de hertog. Hij beschreef zijn nieuwe ervaringen en werkte aan oude teksten, zoals het drama „Iphigenie auf Tauris“ en de „Wilhelm Meister“-roman.
In 1788 keerde hij terug naar Weimar. Het viel hem niet gemakkelijk zich opnieuw te schikken in het meer vormelijke levensritme, maar zijn vriendschap met Herder en vooral de ontluikende liefde voor Christiane Vulpius zorgden er voor dat hij zich ‘erneut heimisch’ voelde. Al na enkele weken trok Christiane bij hem in. Een jaar later werd hun zoon August geboren. Hun vier daarna geboren kinderen stierven allen zeer jong. Maar ook August werd slechts 41, hij stierf twee jaar voor de dood van zijn vader. (Ik kom een andere keer kort terug op de te eerbiedige relatie vader-zoon.)

Zijn vriendschap en samenwerking met Friedrich Schiller leidde tot een literair actief leven, denk maar aan die “Römischen Elegien”, die italienische Eindrücke en zijn poëtische omhelzingen van Christiane. Bovendien werd “Torquato Tasso” voltooid en hervatte hij zijn werk aan “Faust”. Voor Schillers tijdschrift “Die Horen” schreef Goethe onder meer de novellereeks “Unterhaltungen deutscher Ausgewanderten”, die eindigde met het beroemde en zo gul ontvangen “Märchen”.
Johann Goethe stond zeer sceptisch tegenover alle politieke veranderingen in het kader van de Franse revolutie en de oorlog van Napoleon. Na de gewelddadige plunderingen in Weimar door Franse troepen, in 1806, trouwde Goethe dan eindelijk met Christiane. Hij was toen 57 en leefde al achttien jaar met haar samen.
In 1809 ontstond de roman “Die Wahlverwandtschaften”, dat een wending markeert in zijn werk. Hij werkte aan zijn verzamelde briefwisselingen en zette zich aan het schrijven van zijn biografie. De gedichtencyclus “West-östlicher Divan” werd evenals “Faust II” zeer lauw ontvangen. Vooral met “Wilhelm Meisters Wanderjahren” wisten zijn tijdgenoten geen raad, maar wel weer met “Der Mann von funfzig Jahren”. Grote bekendheid verwierf hij met zijn poëtisch-idealistische “Novelle” en met de tragische “Marienbader Elegie”.
Johann Wolfgang Goethe stierf op 22 maart 1832, in zijn oude leunstoel.
[Krijttekening van Johann Joseph Schmeller. Dit portret siert ook het boekomslag van De Goethe-industrie door Boudewijn Büch.]

zaterdag, september 01, 2007

Een gevoel dat verblijdt en pijn doet

Voor mij bestaat op dit eiland de wereld
van de boeken, lepels vol woorden neem ik,
vol verbeeldingen en gebeurtenissen.

Door mijn venster zie ik de Duitse pijp en
de Catalpa’s, de kraag van onze kersenboom
als een schets van mijn leven,

maar ook is er de morele wereld van de deugd,
de liefde, het lijden, de landelijkheid van bomen en
beken en de tuin voor de roos, de tedere Rilke-roos.

[© MN, in Mijn leven als schets. Afbeelding: “Jaro” van Wszystkie.]