Onsterfelijkheid, een roman uit 1990
De grond waaruit ons lot opkomt
Het eerste deel van deze roman, die mogelijk door velen al is vergeten, beschrijft in dik vijftig pagina’s de pijn en de illusie van liefde, schuilgaand achter maskers van de realiteit. Het leven is een en al schets. Hier vooral het leven van Agnes, het bourgeois gezin waarin ze opgroeide, de symbolen in de relatie met haar vader die wat langer leefde dan ‘officieel gepland leek’, haar relatie met haar zus, later met de in huis afwezige Paul die veel van haar hield, die zozeer op zijn moeder leek dat Agnes, als ze eens de liefde bedreven, soms dacht dat er een oude vrouw op haar lag. Het woord ‘masker’ valt nergens, maar cruciaal in dit eerste deel is ‘het gezicht’ en wie daarachter schuilgaat. ‘Is mijn gezicht hetzelfde als ik’? Agnes koestert heimelijk andere levensplannen. Ze houdt van Paul vanuit de wil van hem te houden, maar de wil kan verslappen, zodat ‘de liefde kan wegvliegen als een vogel door de geopende deur van zijn kooi’. Aan het einde komt een vreemde vriendelijke man van een andere planeet haar zeggen dat ze in het volgende leven niet meer op aarde zal terugkeren, ook Paul niet. En dan herhaalt zich diezelfde cruciale vraag: ‘Wilt u in het volgende leven bij elkaar blijven of elkaar niet meer ontmoeten’? Na overpeinzingen zegt ze, tóch, met vaste stem: ‘We geven er de voorkeur aan elkaar niet meer te ontmoeten.” De illusie van liefde.
Van pagina 55-98 deel twee, het is december 1811. Bettina en ‘haar’ dichter Achim von Arnim logeren bij Goethe in Weimar. Goethe is dan 62, zijn vrouw Christiane 49. Bettina, 26 en zwanger, flirt met Goethe. De logeerpartij eindigt in een ruzie en Goethe ontzegt hen voorgoed de toegang tot zijn huis. Overal in Weimar klinkt Bettina’s onsterfelijke uitspraak, dat ‘die vette worst gek is geworden en haar heeft gebeten’.
Het gaat om de aardse onsterfelijkheid, om herinnerd te worden bijvoorbeeld als een groot staatsman, of veldheer zoals Napoleon, of zoals ik van Goethe en Slauerhoff houd als onvergetelijk grote dichters, zónder hen persoonlijk te hebben gekend. Zelf ben ik straks slechts onsterfelijk in de harten van mensen die mij hebben gekend, dat is anders en van heel korte duur. Dood en onsterfelijkheid zijn mooier dan Romeo en Julia of welk ander onscheidbaar paar ook. Ach, onsterfelijkheid, “het is wind die je vangt in een vlindernet.”
Het frappante is, dat Bettina, die haar leven lang leefde in een snoer van adoratie voor beroemde mannen, de dochter is van de vrouw op wie Goethe veertig jaar eerder verliefd was, Maximiliane, “Maxe”. De toen nog jonge dichter werd door haar man het huis uitgezet. Bettina, 22 toen ze Goethe voor het eerst ontmoette, verschool zich achter een geraffineerd schild van kinderlijkheid. Gevaarlijk ambitieus, en er volgen vele wonderlijke scènes.
Bettina, de scherpzinnige, wint en verliest, alleen is dit laatste haar bij leven bespaard gebleven, maar zij won méér dan Goethe, die er toch ook uitkomt als een “schijtebroek”, of, zoals Beethoven hem, in andere omstandigheden, uitmaakte voor ‘onderdanige lakei’. (Bettina stierf in 1859.) Drie jaar na Goethes dood, in 1835, verschijnt haar boek, haar hommage aan G, Goethes Briefwechsel mit einem Kinde. Het is een briefwisseling die tot 1912 voor authentiek werd gehouden, maar ontdekt werd, hoe kan het anders, hoezeer zij alle brieven tot verfijnd goud had gepolijst. Ze rekende op onsterfelijkheid, maar vergat de dood.
Tot slot van deel twee verzint Kundera Ernest Hemingway, geworteld in het symbool van journalistieke roem, aan de zijde van Goethe. Wie is, eenmaal aan gene zijde, niét meer bij elkaar te brengen? Wat deden de een en de ander met het oog op onsterfelijkheid zonder het te weten?
In deel drie, het middenschip en de strijd van het boek, keert Agnes gelukkig terug. Pas later ook weer Goethe, Bettina, Beethoven en Rilke. Agnes en haar zus Laura, en hun respectievelijke geliefden Paul en Bernard – we lezen fascinerende psychologische portretten. Waar strijd je voor, tegen wie of wat? Voor het werkelijke leven? Zoals bij Laura, ziekelijk strevend naar het onsterfelijke, ‘opdat ze leeft in de gedachten van de ander’, onophoudelijk, want ná hem, haar minnaar, komt de woestijn, en dan moét je wel strijden, desnoods dreigen met zelfmoord. Ze wilde zich onvergetelijk maken, want zonder dat, waar leef je dan voor? Is zelfmoord een manier om te verdwijnen, of om voorgoed te blijven, gegrift te staan in het hart van de ander? Achter het ene doel ligt weer een ander. Strijden vóór iets kan deugdzaam zijn, strijden tégen iets vrijwel altijd vernederend of vermorzelend.
Nee, ik ga niet elk deel beschrijven, in hoe weinig regels ook. Dat is niet alleen lastig, maar ik wil ook niet de lijn van het verhaal blootleggen, die moet ontdekt worden, (dus) laat maar slapen tot het in het lezen wakker wordt. Ik wil slechts zeggen, dat deel vier over het voelende ik gaat, het lijden, de ziel. Een vrouw kan zeggen: “Mijn lichaam heb je gehad, maar mijn ziel krijg je nooit.” Of: “Mijn lichaam heb je nog niet gehad, maar mijn ziel behoort je reeds toe.” En over nog zoveel meer, tot we in het volgende deel naar professor Avenarius en het toeval gaan en naar Agnes, de heldin van dit boek. Avenarius die veel eerder al Laura uit een benarde maar onvergetelijke scène met twee clochards redde, en Agnes, Agnes draagt haar pijnlijke ik door de wereld, het dichtst bij de werkelijkheid … en sterft, na een absurd ongeval, tragisch omdat ze op de drempel stond van een ander leven. Maar zou het niet op het voorgaande leven hebben geleken? Ze bleef gebouwd van dezelfde bakstenen.
Na deze droefenis belanden we bij de schilder Rubens en vanaf dan wordt (voor mij) het boek anders. Rubens wordt verplaatst naar de twintigste eeuw, en we lezen over de ontdekking dat in alle mannen en vrouwen dezelfde stroom vloeit, één enkele gemeenschappelijke rivier van erotische fantasieën, en dat ieder er zijn deel uit krijgt. Hoewel bij flarden boeiend en geestig, raak ik hier het spoor bijster, vind ik het gekunsteld, zou ook zeggen bijna overbodig. Ik meen dat Thomas Roosenboom eens zei, ‘alles heeft zijn noodzaak’. Soms lezen we in het begin van een boek een tekst waarvan je je afvraagt wat je ermee moet, maar die blijkt dan verderop heel belangrijk te zijn. Precies dit element mis ik bij Milan Kundera, vooral (dus) tegen het einde, alsof hij toch verdwaald is in zijn verbeelding en in de complexiteit van het verhaal. Hij is een postmodernist, een kritisch en begaafd schrijver met een lyrische, poëtische stijl en een fascinerend wijd besef van de geschiedenis van het menselijk bestaan. Ondanks mijn bedenkingen aan het einde waren het allerminst tevergeefse leesuren.
[Milan Kundera, Onsterfelijkheid, Ambo 1990. Afbeelding: “Venus immortal” by Wolfgang Steiner. Ik koos voor deze illustratie, omdat aan het einde staat, dat we ons moet laten doordringen van het Ewigweibliche wil de wereld niet aan kilte en berekening ten onder gaan. “Het eeuwig vrouwelijke trekt ons omhoog!”]