Pagina's

woensdag, november 14, 2007

Marius heeft een beroerte gehad.
De komende 24 uur zijn erg spannend.
Zo gauw zijn toestand verbetert zal ik zijn adres geven.
Bezoek is alleen toegestaan voor de familie...

dinsdag, november 13, 2007

De dichter ligt wegens algehele malaise (aldus zijn eigen woorden) in het ziekenhuis...
Duim of bid svp voor hem...

Met een groet voor al zijn lezers,

namens hem,

zijn vrouw

maandag, november 12, 2007

Laat ons eigen verleden toch spreken

Is niet elk woord nog teveel en rest ons de tranen van
het ogenblik, de tranen om gerechtigheid en géén innerlijke
vergrimming meer? Laten we het toch niet duiden als sentiment,

maar als morele aanraking van verantwoordelijkheid
voor de verschrikking van de nacht, de moordende steek in de middag,
de pest die waart in het donker van de mensheid – wat zei men niet

zestig jaar geleden? Wir haben es nicht gewusst. Zoeken wij
onder die vleugels onze toevlucht, - er kan toch geen huiver zijn
voor opkomende toorn en te tekenen met het bloed van solidariteit?

[© MN, in Darfur, mijn spiegel. Teken de petitie van rechtvaardigheid bij Amnesty.
Méér dan een aanmoediging kan het niet zijn! Photo bij Amnesty International.]

zaterdag, november 10, 2007


Het gave gebaar van een offer

Christus is tegelijk mooi en geschonden,
hier vlakbij in het voortdurende gebed, zo
groeit in de monnik de memoria Dei*.

Hoe doen zij dat? Zij strijden voor een sfeer
van aandacht voor God en soms zeggen zij
het vanbuiten geleerde zachtjes voor zichzelf op.

En dan hóór ik hen bidden, gevolgd
door een langdurig Gregoriaans gezang, tot
mijn oren er van tuiten. Zo luidt hun offer.

[© MN, *met je hart bij God zijn. Jesus Christ on the island. Iemand schrijft: is 'tot horen en zien vergaan' niet indringender? Dan komen we dichter bij onszelf. Misschien is dat waar. Alles is zoals het zich toont - of: zoals het tevoorschijn mag komen. ]

donderdag, november 08, 2007

Klein geluk in de Oosterkim

Ik ben een dichter die stil en
met de maan in de hand, zittend voor het raam
dat ook een spiegel is, mijmert over het kasteel

waarin ik luisterend woon. Daarginder
staat een paard. Kan een dier gelukkig zijn?
In een koude waterzon ben ik er langs gelopen

vanmiddag. Hij keek me slechts ’n seconde aan
en zweeg. Ik vergat de vraag en het paard,
het paard vergat wat hij zeggen wilde.

De stilheid is een vrijheid, maar het is niet zo
dat alle vragen in mij een kolfje naar mijn hand zijn,
sommige steken als een graat in mijn keel.

[© MN, in “De man en zijn ziel”. Painting by Duy Huynh, “Starry messenger”.]

dinsdag, november 06, 2007

De mens als boek
Steeds heet het: ‘Wie biedt ons uitzicht?’

Toen ik de lange kasteellaan opreed, met aan weerszijden de reusachtige beukenbomen met het gouden en rode en bruine blad als een oker gewelf over het eeuwenoude pad want het bos was nog niet ontkleed, zag ik in de verte een zwijgend kasteel, als een klein geluk. Ik zou gaan wonen op een zolderkamer waar ik ook al eerder verbleef, de Oosterkim, en vooral ’s avonds naar de Sint Willibrordsabdij gaan voor de dagsluiting, de Complete. Er was een vage gedachte ook eens werkelijk door de stilte gewekt te worden en naar de Mette te gaan om kwart over zes, maar mijn dageraad ving aan om half acht en al wat ik door het zolderraam zag, was een luchtige mist boven de velden en een koe die nog slaperig het eerste gras hapte. En ik meende zeker twee boeken te lezen, het ene waarin ik al halverwege was, Datumloze dagen van Jeroen Brouwers, en het andere van Antal Szerb, Reis naar het maanlicht, maar beide bleven onaangeraakt op de stapel paperassen. Iedereen heeft dezelfde tijd, maar voor mij was de tijd toch weer anders, wel geheel vervuld naar wens. Er bleek geen boek te lezen, wel veel mensen met verhalen die ik herkende of nimmer had gehoord, die me verrasten en lieten lezen dat het geluk zelden spoorloos is of die bij me binnendrongen omdat het lijden en soms ook de slechtheid van mensen vaak niet is te doorgronden. Ik ‘las’ over veiligheid, wederkerigheid, warmte en mededogen, over verlorenheid en heelheid, maar evengoed over hele alledaagse geschiedenissen.

Kasteel Slangenburg in Doetinchem dateert uit de 17e eeuw, heeft twee robuuste torens en rondom een brede slotgracht. Op de enige dag dat het regende, zag ik roerdompeenden roerloos met hun koppie in de veren op een bed van bijeengedreven, verouderend lelieblad. Het is hier zoals kastelen horen te zijn, een kasteel met krakende trappen en vloeren, kamers met metershoge muren die gedecoreerd zijn met oude muziekinstrumenten, met mollige engelen of, als je even omhoog kijkt dat me op afstand wel lukte, met een jongeman die op een trompet blaast in het oor van een andere schaars geklede man en met allerlei andere taferelen.
Het is een inspirerende en weldadige omgeving die even een beetje van jezelf wordt en die je deelt met ongeveer vijfentwintig andere gasten, een eiland in de wereld waarop je als het ware gediend wordt door de gastvrijheid. Ik houd van de rust en de stilte, mijn eigen stilte in de onrust van de wereld. Ik sta er middenin, precies zoals vele anderen, en verbind me met de mensen die er zijn, in het luisteren en in liefde en lijden. Nu ik zo vlak na thuiskomst een korte impressie schets, kan ik eigenlijk niet anders zeggen, dan dat je op Slangenburg mét elkaar de nieuwsgierigheid viert, de aandacht, het verlangen, de ontroering en de uitbundigheid. Ieder komt er voor zichzelf en er is niets dat moet en tegelijkertijd weet ieder veel van zichzelf te geven, juist dáár omdat het zo belangeloos kan gebeuren – en wéér is gebleken dat geluk onnastreefbaar is, onpeilbaar en een complexe, puur menselijke aangelegenheid. En een ogenblik dacht ik, kunnen we niet beter ophouden met denken, maar had ik geen gedachten dan vond ik niet de taal dit te schrijven.
[Eerder schreef ik over Slangenburg op 10, 16 en 29 november 2006 en op 12 maart 2007. 'Wie biedt ons uitzicht' is een regel uit psalm 4, gezongen bij de dagafsluiting. Afbeelding: Achterzijde kasteel Slangenburg Doetinchem.]

vrijdag, oktober 26, 2007

Bemoedig de barmhartigheid

We vormen een kring van mensen
zoals we zijn, mensen van passies, falen en
twijfels, maar ik kan niet in woorden gieten

wie we zijn. Maar hebben we niet gemeen
dat we allemaal door een woestijn gaan en onze
eigen oases vinden?

Ik leerde uit een verhaal over Judas, dat we zo
gemakkelijk de ander de schuld geven. Betekent dit,
dat ik die eerst eigenlijk zelf had?

Het gewicht te weten wie wij zijn, ja warempel,
dat is toch groter dan te wijzen naar de ander
want ‘ik heb het nooit gedaan’.

[© MN, in ‘Jaag je niet van jezelf weg’, het deel “Exodus”. Afbeelding: “The messenger” by Robert Schoeller.
Ik ben overigens nu wel tot 6 november naar kasteel Slangenburg.]

woensdag, oktober 24, 2007

Menselijk, maar al te menselijk

Hier staan we, samen in hetzelfde beeld,
het zijn de dichter en de struisvogel die er
als een haas vandoor gaan.

De vluchteling zal vast niet ver komen. Maar nee,
hij vertoont geen kunstje, het enige dat hij bedacht,
is dat onwetendheid wel eens fijn kon zijn,

en zie toch die gespierde poten, die verende vacht,
soms is het een lust voor de gedachte, de blik
op oneindig, een idee dat me niet eens verveelt.

Zodra ik weer bij kennis kom, weet ik dat
het bestaan me lief is, laat ik er maar geduldig in
schrapen, dan keert de tederheid vast weer terug.


[© MN, in ‘Beeld van binnen, beeld van buiten’. Vat het niet op als teken van zwaarmoedigheid; we hebben soms niet op alle vragen antwoord bij de hand. Ik heb nog de tijd. ‘Volgende keer beter”, denk ik maar. “Escape of an artist” by Duy Huynh.]

maandag, oktober 22, 2007

Het broze wezen en de dienaar
“Die Zeit ist mein Besitz, mein Acker ist die Zeit”

Het kost heel wat kruim een dichter
en mezelf te zijn, maar is dat niet
juist al wat de moeite waard is?

Laat mij maar ploeteren, van vroeg
tot laat want vastzitten aan gewoonten
slijt, discipline niet, zo verzet ik mijn wegen.

Ik ben een dichter zonder lawaai, een zachte man
die sober is. Ja, ik ben allergisch voor een morsig
leven en zoek de moed om te dienen.

Een mens die mogelijk rijker is aan taal dan aan liefde,
maar mijn ziel noch eiland is een vreugdeloos
gevang. Ik ga er nog niet vandaan.


[© MN, in Met gespitste oren luisteren, in het deel ‘Zijn mijn leven en geluk nog wel gaaf?’,
met een wijsheid van Goethe. Afbeelding: “Tristan” van Stephane Fugier.]

zaterdag, oktober 20, 2007

IM Jan Wolkers

Een generatie ouder, maar natuurlijk de schrijver van mijn tijd. De rebel van Rottumerplaat*, de zachtmoedige van het eiland. De openhartige man, de hartstochtelijke en gulle man is 19 oktober 2007 in zijn slaap overleden, oud en broos naast zijn vrouw Karina. 81 Jaar. In het diepst van zijn ziel een schilder en beeldhouwer, schrijver en dichter.
De kruidenierszoon uit Oegstgeest, geboren 26 oktober 1925, werd beeldend kunstenaar en ging, zoals Maarten ’t Hart zei, “als een wervelwind door de literatuur”, met zijn ‘Kort Amerikaans’, (1962), ‘Een roos van vlees’ (1963) en ‘Turks fruit’(1969). Maar zo ging hij ook door het leven, hij is mede de schepper geweest van een nieuwe moraal. Met zijn openheid, zijn tomeloze energie, dwarsigheid en lef stootte hij door alle muren van opvattingen. En tegelijk was daar de liefde, zijn uit tallozen te herkennen stem, zijn ontzag voor het verleden en zijn immense respect voor de natuur die tekenend waren voor de zachtmoedigheid, voor de man die het verstond van zijn leven een kunst te maken. Een vriendin schreef me: “Ik dacht altijd, hem hebben we tot in de eeuwigheid. Dat is ook zo, maar anders nu.” Een dijk van een man, wiens lichaam slonk zoals eens bij ons tot een laatste soms onhoorbare zucht, een man die een spoor van liefde achter zich laat, een spoor dat over een eeuw nog niet is uitgewist en graag gelezen wordt. Zo gaat dat met les résonances de l'amour.
[* Denk aan de legendarische radioreportages in juli 1971 toen Jan Wolkers en Godfried Bomans achtereenvolgens een week op het onbewoonde eiland vertoefden. Voor Jan was het een triomftocht, maar voor de geestrijke Godfried een drama.
Collage van rechts naar links: Foto van Monique Baan: Jan Wolkers op Texel, vervolgens een foto van Steye Raviez, een omslagfoto voor zijn ‘Dagboek 1974’ en het boek ‘Terug naar Oegstgeest’, het boek dat voortkwam uit de dood van zijn broer in 1944.]

vrijdag, oktober 19, 2007

De dichter als strandjutter

Dagenlang worstel ik met het beeld
van de strandjutter alsof ik op geen ander
kan komen. Het is niet slechts van dit eiland,

maar van de twijfel die ieder kent. Ik stel vragen,
sprokkel halve antwoorden en weeg elk ervan in stilte,
zie wat waar is voor de tijd dat ik leven mag.

De strandjutter neemt zelfs op ‘t oog het onaanzienlijke
en daarin is hij gelijk een dichter die later wel weegt
welke waarden hem binden of breken.

Hoe ook de onvolmaaktheid ons eigen blijft, ik moet
wel mijn meester zijn want als ik daarin verzaak,
word ik de knecht van onechtheid.

[© MN, in Tot je een ons weegt, Afbeelding: painting “Wisdom” by Charmine.]

woensdag, oktober 17, 2007

Hoop, geloof en liefde, daar moeten we het van hebben

Bij vrijwel elk bezoek is zij er ook, een vrouw van gezet postuur met een eigenwijze maar alleraardigste uitstraling, het is alsof ze leest, is soms druk met allerlei formulieren en tal van kortingsbonnen. Ze is alleenstaand, heeft een kleine WAO-uitkering en gaat vaker naar Dudok dan ik. Ze drinkt één koffie verkeerd met honing en een glaasje water. Ze eet heimelijk haar meegebrachte boterham.
Het bleef altijd bij een vriendelijke groet, maar dit keer zocht ze contact. Nee, dat deed ze telkens, maar onhoorbaar, nu kwam voorzichtig het luide woord. Het was half acht en ik las juist in HP/De Tijd een kwade brief van Van der Heijden aan Arnon Grunberg omdat die het proza van A.F.Th. niet te pruimen vindt en zij beiden voor dezelfde prijs zijn genomineerd. Prompt komt laatstgenoemde met enkele duidelijke inconsistenties in de roman Tirza. “Wat is het vroeg donker.” Het was alsof ze even hardop een gedachte kwijtraakte, zo luidde haar stem. “Over een paar weken gaat de wintertijd in en dan gaan we gaan langzaam naar vijf uur, half zes”, zei ik. Wat een pessimistische boodschap, maar goed, na enig gekeuvel hierover vertelde ze te leven met het verre vooruitzicht naar het paradijs. “We komen steeds weer terug, tot we allemaal volkomen zijn, gered van alle tekorten. Daar zie ik naar uit. Je keert terug in en met jezelf, en je herkent ook je stem, dat is het mooie.”
“Is met het leven van nu niet te leven dan?”
“Nee, als ik dit geloof op het oneindig goede niet had, zou ik niet willen leven. Maar wat ook zo mooi is hè, nu zie je allemaal overlijdensadvertenties, dán niet meer. Dan staat er: ‘Opstanding’. Já”, zei ze en keek me doordringend aan. “We zijn hier om te leren, net zo lang tot we ‘er zijn’.” Ik keek haar aan en lachte haar toe.
“Wat herinnert u zich van vorige levens?”
“Niets. Dat is nu juist het mystieke. Móói toch!”
Daar kan ik niet omheen, maar waag het toch. “Merkwaardig. Hoe weet je dan welke les je nog niet snapte? En leren we niet allemaal in een zéér verschillend tempo, zullen we wel ooit tegelijk aankomen?”
Ze haalt haar schouders op. “Maar er kómt een paradijs! Daar wacht ik op.”
(Is dit nu de uitzichtloosheid van het huidige leven? De teleurstelling en tegelijk de hoop? De overbodigheid? Ik weet het niet. Ze heeft in elk geval een manier gevonden haar leven te leven.) Ik zei wat ik al een minuut of acht eerder had opgemerkt, dat ik nu echt naar huis wilde en moest gaan afrekenen.
“Dank voor uw aandacht. Dat maak je niet vaak mee hoor. Men vindt het klare onzin wat ik vertel.”
“Hoe kan ik weten of de toekomst ons onzin brengt? Een fijn weekend mevrouw.”
[Fresco “The last judgement” by Nardo di Cione, ca. 1350.]