De tijd is een verwarrend begrip gewordenAlle haast is weg uit mijn leven en meestal ook de klok, of beter misschien, de kalender. Ik moet alles noteren anders ben ik het zo vergeten en de agenda blijven volgen om te weten wat voor dag het is. Meestal ben ik vrij. Wat een genade dat ik kan schrijven en sinds kort ook weer lezen. Binnenkort ga ik verder in Bieri’s ‘handwerk van de vrijheid’. Wat een geluk om zo vrij te zijn.
De regen gisterenavond was een kortdurende zegen, gelukkig want tegen de avond komen twee vrienden hier om te tafelen en nu het goede weer dan toch heeft ingezet, doen we dat het liefst in de binnentuin, nu nog nabij de blauwe regen die wél iets van haast heeft want de bloesem waait al rijkelijk weg.
Geregeld word ik overvallen door de angst en dan weet ik plots weer wat haast is want dan weet ik me geen raad met de teksten die al klaar zijn, dan is het alsof elke blijdschap erover van me wordt gestolen, maar ik doe niets met dergelijke ongerustheid. Ik denk aan wat Jan Wolkers ongeveer zei, dat een dichter zijn laatste gedicht schrijft vlak voordat de kist wordt dichtgetimmerd. Dat gedicht schreef ik al, het ligt klaar, ik wil alleen niet in een kist het graf in, maar gewikkeld in een groot doek, een troostdoek van vilt – ik weet wie ze maakt, vervuld van liefde, het voelt als een volheid van zachtmoedig geluk zo de aarde in te gaan.
“Hoe is het als je beroep je in je latere leven als in watten of sneeuw ontglipt en hoe krijg je dan weer vat op de tegenwoordigheid?” Het is een zin die ik schreef naar aanleiding van de twee romans van Pascal Mercier. Het is een vraag aan mezelf. In een vingerknip immers ben ik al mijn werk en bijbehorende plannen kwijtgeraakt, op een morgen in 2005. Is het gemis van werk kwaliteitsverlies?
Het is een vraag die al heel lang niet meer speelt, overbodig is geworden. De gewaarwording, de ervaring, niet meer te werken, heeft een korte periode aan me gevreten als door een zwarte rat. Ik was een ‘bevlogen werker’. Het heeft me, na dat drama in maart 2005, geholpen een zeker dagritme te volgen en van meet af aan te blijven schrijven. Toen ik alleen nog met dat vastgeschroefde hoofd van doen had, wat me wel genoeg leek, en mobiel was, ontwikkelde mijn leven zich naar een andere, meer autobiografische kwaliteit, een die de vorige als het ware leek te vervolgen. Ik ben weliswaar blijven schrijven, maar de gevolgen van het herseninfarct zijn onvergelijkbaar ingrijpender dan de eerste kwade aanval op mijn gezondheid. Pas nú ervaar ik kwaliteitsverlies, een verlies zonder enig verband met arbeid. Het is de onafhankelijkheid.
De tijd is veranderd. Voorgoed. Soms besef ik dat zo hevig, dat ik opeens wél alle haast heb. Het is een idee dat mogelijk niet strookt met de werkelijkheid. Sommigen noemen dit ‘uitgesproken pessimisme’, maar nee, ik trek me niet terug naar een eindigheid en ik weet dat nooit, voor wie ook, alle dromen zijn te verwezenlijken, maar de gedachte, plots in het alledaagse, aan haastige spoed is daarom niet minder beklemmend. Misschien is het ook een idee dat te veranderen is, zoals in wezen alle menselijke ideeën te herzien zijn. Maar heb ik voldoende vat op de tegenwoordigheid? Ik strijd tegen mijn lot, niet om me ervan los te maken maar om er in te leven.
Het is tijd, tijd voor mijn vrienden, twee lotgenoten, en van ons alledrie wordt gezegd dat ‘het nog een geluk bij een ongeluk’ is hoe we er vanaf gekomen zijn. We weten dus van iets ernstigs toch nog iets moois te maken, ‘geluk’.
[© MN, in “Elk leven een troostdoek”. Afbeelding: ‘Troostdoek’ van Yvette Cals.]








