Na de lunch ben ik meteen gaan rusten. Ik val elke keer prompt in slaap en zonder wekker word ik twee uur later weer wakker, altijd in verwarring over dag en tijd. Even koffie drinken bij Orithia die net doornat uit de stad was gekomen. In de lift naar beneden verhevigt de pijn. Ik zoek een aanleiding maar vind niks.
Open nu.nl om het nieuws te lezen. Daarna de nieuw verschenen titels gezien. Direct vallen mijn ogen op de biografie die Aleid Truyens over het kleine oeuvre van F.B. Hotz schreef: “Geluk kun je alleen maar schilderen”. Zoals je al reizend in verschillende weersomstandigheden terechtkomt, zo stuit je schrijvend over iemands levensloop op het geluk dat hem nu en dan ten deel is gevallen. Dat schets je ‘en passant’ want het is er nooit doorlopend.
Kort na negenen een plotselinge siddering van het raamwerk. Een vogel? Het was iets ongewoons, geen verbeelding. Ook op het balkon trof Orithia niets opmerkelijks aan, wel waren er meer mensen buiten en die hadden het over een aardbeving. Wat ook, het was een opvallende, vreemde en zeer kortstondige gewaarwording.
Vandaag ga ik anders naar bed dan gisteren.
Ik dacht er aan mijn collage van 17 schilderijen te vervangen door één groot doek, bijvoorbeeld “de Madonna’ van de Noorse schilder Edvard Munch of “Het lezend naakt” van Jozef Israëls, de schapen van William Hunt of een naakt van Gerhard Richter. De collage gaat uit elkaar en vindt verspreid elders wel een plaats. Een klein humoristisch doek, een glicée, van Marius van Dokkum is ook een wens, bijvoorbeeld “Het kippenhok”, but don’t hurry, live one day at a time. Ach, misschien kan het ook eenvoudiger want het gaat uiteindelijk om wat kleur en schoonheid en met éen zo’n groot schilderij komt de rekening al een stuk boven de 600 euro. Te gek.
Buiten is niets te zien. De wandelaars worden steeds schaarser.
Na het avondeten, macaroni, wel een uur in de cabrio zitten slapen. Als ik geeuw, grijpen de spieren zich aan me vast. De morfinepleister mag ik wel naar 100 verhogen, “maar ’t zal niet helpen, je wordt nog slaperiger.” Volgens de huisarts zal het pas merkbaar effect hebben, als de huidige 75 wordt verviervoudigd. “Dat is sedatie, dan kom ik mijn bed niet meer uit.” Waar is nog enige opgewektheid uit te putten?
Vanmiddag zat ik even hier voor buiten. Geen mens te bekennen. Een doods gesticht, - maar gelukkig ben ik thuis eigen baas. Beneden treft je een onbestemde, smakeloze entree aan, een recreatiezaal met een interieur uit de jaren vijftig. Als ik door de brede gangen trippel, is er evenmin enig teken van leven. Iedereen heeft het keukenraam geblinddoekt, alsof daarachter een leven wordt geleid waar je opgewonden van raakt. Het is eenvoudiger, niemand wil worden gezien. Alleen op vrijdag kun je hier tussen de middag gezamenlijk warm eten. Ieder heeft een eigen, vaste plek aan tafel, zoals voor ieder geldt, dat het wachten is op de laatste taxi, op de rook van de laatste sigaret, op de hoge vlam van het crematorium. “Het laatste laken dat ons toedekt is van zand”, schreef Freddy de Vree. Moet ik hier mijn almaar ouder wordende knoken verwarmen?
“Er groeien anders geen rozen uit uw schoot.”
De schoonheid van het lichaam letterlijk in de vlakte nabij kan iets oproepen van alledaagse, ik bedoel menselijke Sehnsucht, van intimiteit, van hartstocht, maar de diepere betekenis is als de verhevenheid van een berg: een symbool van overgave, vertrouwen, liefde, van thuis zijn. (We dienen de taal te doorgronden.) Het hogere heeft alleen maar zin als we de voeling met het leven dat eronder klopt niet verliezen.













