Pagina's

vrijdag, oktober 30, 2009


Laat me tot je spreken, éven

Elk jaar weer hier bijeen
in deze kapel, trouw en met respect
vieren we je dood van hier.

Ouders, schoonouders, vrienden
werden weggescheurd van mijn leven,
zelfs mijn zus kraste reeds haar naam

in mijn ziel. Het is werken in deze kapel,
her-inneren, je nabij weten in stille woorden
van heimwee en diepe genegenheid, in

hoeveel pijn en tederheid is onze droefenis
niet gedrenkt, dit lot van mensen
komt mijzelf almaar dichterbij.

Voel de warmte hier bijeen, dat is wat
gedenken doet, de mensen van hier en daar
verbinden, dat doet ons goed, zo is het leven.

Terwijl het woord er luid naar roept,
is dat het wat we doen, zien hoe je in ons leven
was en weten wie jij en ik zijn geweest.

[© Marius Nuy, Slangenburg, Allerzielen 2009. Ja, daar is mijn weekend, en bij de abdij van de Benedictijnen. “Een rozenziel” van Amberoos.]

woensdag, oktober 28, 2009


Een morgen in oktober

De kersenboom is opnieuw geel,
het blad wordt almaar dunner en zal weldra
breken in het snijlicht van de zon.

In april overleed mijn zus, een
klaterend seizoen is zonder haar verstreken
en tot op het hartsbeen schreide

ik onze diepe eenzaamheid, terwijl vogels
de lange draden spinrag stuk prikten, en ik zag
nog de levende druppels dauw. Ze glinsterden.


[© MN, in ‘Aanraakbaar dichtbij’. Afbeelding: “Autumn dreams” by Jerry Berry.]

maandag, oktober 26, 2009


Gegijzeld door krakkemikkigheid

Ik ben geen uitblinker in geestigheid,
maar geniet van de ontroering die ik waarneem,
ogenschijnlijk onbewogen, maar dat is de draak
van de pijn die mij immer vergezelt

alsof ik al levend in de hel vertoef en de ander
op het verkeerde been zet. Die? Die leeft louter
in het kreupelhout van de ernst, maar zij weten niet
wat er gaande is in de kelder van mijn ziel.

Er is, toegegeven, het zwijgen uit onmacht
en verdriet, er zijn meer tranen dan ik mij herinneren
kan, huiver, en er is ook afgunst over de vrije beweeglijkheid
om me heen, en ik, het hoofd tolt van mijn romp

en de draak die zijn touwen strakker trekt
als ik ook maar even overmoedig ben, - alleen het lezen
kan hij niet beletten, het denken en dromen en fantaseren
blijven mij trouw alsof ik een gelukkig zondagskind ben.


[© MN, ‘Between dream and reality’. Geen zelfbeklag of ander gejammer, maar dagelijkse werkelijkheid.
Afbeelding: Drawing by Berend Zweers.]

zaterdag, oktober 24, 2009


Met mijn neus buiten de feiten

Op Israfel kom ik nog wel terug – de foto hangt trouwens al rechts in het halletje – maar in de verbeelding is dit de entree van mijn nieuwe huis ergens in de heuvels nabij Carrara en de Apuaanse Alpen, dat ik bij toeval vond en voor een appel en een ei heb kunnen kopen want de gemeente, die sinds de aan drank overleden laatste bewoner, een alleenstaande zonderling en versleten als dorpsgek, eigenaar was wilde maar wat graag dat er schoon schip gemaakt werd met deze aan verval ten prooi liggende optrek. Het was een ‘winnend lot’ want vorige week stond er een verbouwereerd kijkende man op de stoep, sprakeloos over de definitieve aankoop en struikelend over zijn wanhoop, die mij trachtte over te halen het met geringe winst weer van de hand te doen. Hij was door omstandigheden wat laks geweest naar de gemeente, maar had serieuze plannen. “C'est mon atelier rêvé!” Dat kon ik me wel voorstellen want in dit gehucht, Fiori, een charmante ambiance vlakbij het voor kunstenaars uit allerlei streken vermaarde Pietrasanta en Montéggiori, wil elk mensenleven zich wel vestigen. Mijn fascinatie won het van zijn vrees. “Je le regrette , c'est pour vous le désir inaccessible”, zei ik en keek in dreigende onweerswolken terwijl het aan de kust helder en warm is.

Alles blijft in deze staat, alleen het gruis wordt opgeruimd en het noodzakelijke gerepareerd. Ik heb twee bekwame vrienden aan het werk, Antoine en Eppe. Behalve voor het sanitair zijn er binnenshuis geen deuren; alleen de slaapkamer heeft dit opstapje. Het trapje naar de voordeur is het vervelendste obstakel, maar wordt voorzien van een leuning van dun olijfbomenhout en de deur wordt vervangen en een halve meter naar voren verplaatst. De hier tegenoverliggende woonkamer is zo groot, dat ik met mijn ‘di Cabrio’ achter de boekenkasten langs naar mijn majesteitelijke werktafel rijd. Van de oorpronkelijk twaalf zitstoelen, alle met armleuningen, zijn er gelukkig nog drie over. Die boekenkasten nemen nauwelijks licht weg want ze worden in carrévorm geplaatst, als het ware in een omhelzend gebaar rond de zithoek. En verder zal hier alles zich wel voegen naar de gegeven werkelijkheid rond "sogni d'oro".

[© MN, ‘Met de trompet van Israfel’. Afbeelding: “Percorso della luce”, distance of the light by Sven Fennema.]

donderdag, oktober 22, 2009


Wat wijs is, blijft altijd de vraag

Het grote gevaar is het schrift van woorden
dat een geheel eigen betekenis krijgt,
ver van je oorspronkelijke vandaan
want het woord is scherper dan je vermoeden kunt;

voor je er erg in hebt, ontstaat in andermans begrip
een taal waarop een ander bouwwerk verrijst
dan je in je hart voor ogen stond, nu zie ik dat
het al mijn fouten zijn, ik herinner ze als van mijzelf.

Ik, man met een baard van ongepoetst zilver, ik hoor
aan de voetstappen dat alleen zij het kan zijn,
haar zorg heeft slechts de schijn van vanzelfsprekendheid,
maar het is een gave dát te doen wat zo ongewoon is.


[© MN; Voor C. ’Sinds een cruciaal deel van mijn lichaam uit een meccanodoos komt’. Elly kwam en poetste twee zilveren kannetjes; zo is ook mijn baard, dacht ik, ongepoetst zilver. Afbeelding: “Wonderland” by Jure Kravanja.]

maandag, oktober 19, 2009


Ten schreeuw om recht

‘Daar is hij weer, de witte duif’. dacht ik,
maar hij was nog ternauwernood waargenomen .
of hij was mijn woonstee helaas voorbij.

Ik mis de herinnering aan zijn laatste vlucht
naar hier, dat bood geen soelaas al bleef elke deur
op een kier. Van Agt heeft ze alle bijeengeroepen,

het Palestijnse volk is weggegooid, het beste motief
niet te treuren om eigen kleinmenselijkheid,
‘het heilig volk Israël is ook mij een doorn in ’t oog’.*

[© MN; * = schreef ik 11 juni 2009. Photo: ”Ra­ma­la” by Robert Hutinski. Het is uit bewondering en respect voor Dries van Agt. Hij schreef een groots pleidooi, Een schreeuw om recht. De tragedie van het Palestijnse volk, een uitgave van de Bezige Bij. En een man als Ruud Lubbers: hij beijvert zich voor een radicale ver­andering van het asiel­beleid, met het oog op de overal toenemende ille­galiteit. Europa kent talrijke illegale kampen, ne­der­zettingen eigenlijk, die ver­volgens met de grond gelijk gemaakt worden – ook de illegalen worden weggegooid. Een kille schep­ping. (Zie bij Nagolore voor een groot fragment.]

vrijdag, oktober 16, 2009


Dáár, bij “Harten drie” op een veld van eer
Als door wind gedragen

Zo reden we vaak naar Wijk
langs velden van ganzen en voorbij
roepende bomen met wilgentenen,

nooit meer te vergeten, de weg
van Wijk naar Amerongen, en
dáár, tijdloos in lief geborgen

in het zachte hout van wilgentenen,
zo is zij één geworden, zowel met licht
als het landschap van haar leven.


[© MN. In “Nog vóór de korte, klamme dagen, in tijdloze liefde voor Antje en haar dochter”, IM Antje 16 oktober 2008 (jaarbericht), bij een foto van Janusz Wanczyk, “Morning Willow”.]

maandag, oktober 12, 2009


Het Goddelijk sigaretje is gebroken

Het roken van een sigaretje kan eigenlijk maar beter voorgoed worden gemeden. Het is een schandelijk onderwerp geworden, vanuit welke gezichtshoek ook. Behalve dat het ónbegrijpelijk is dat iemand als ik er nog van houd, bestaat er geen enkel argument meer dat een roker op z’n gemak stelt. Zodra is opgemerkt dat iemand nog rookt, is elke mogelijke sympathie al verspeeld. Niet-rokers, ook die er jarenlang geen last van hebben gehad, zijn massaal opgestaan en hebben de strijd gewonnen. Zij hebben immers ‘grote, onoverkomelijke hinder’, zowel buiten als binnenshuis. De roker is een ongewenst vreemdeling geworden, een domme, karakterloze figurant met een rokershuid die de meeste anderen in zijn omgeving letterlijk pijn doet met zijn stinkende, verwerpelijke gewoonte, waarvoor ook geen enkele acceptabele oplossing meer bestaat. Ook op buitenterrassen stapelen de moeilijkheden en ergernissen zich op.

Ik heb nu nog enkele losse sigaretten en nog wat onaangebroken pakjes. Van de schadelijkheid hoef ik niet overtuigd te worden. De last van de psychologische oorlog die ook het eiland is binnengedrongen, wordt evenredig aan de ondraaglijkheid die de tegenpartij ervaart. Er loert het gevaar de kracht van een verslaving te onderschatten, maar er wordt alom beweerd dat het een wilskwestie is. Natuurlijk, tegen heug en meug is zinloos en het wapen van de wil heeft ook z’n beperkte bereikbaarheden – dat toont de wereld op grootschalige wijze waar het gaat om honger en armoede, maar dat noemen we politieke en economische vraagstukken waartegen we niet zijn opgewassen. Is dat zo, een rechtvaardige verdeling van elementaire levensbehoeften is niet een wilskwestie? ‘Het is appels en peren meneer’, dat is iets van een heel andere orde dat uw pet te boven gaat.
Ik verkoop die vijf pakjes, stop het geld in een glas en ga de komende tijd eens na hoe sterk de wil is geen vreemdeling meer te willen zijn in eigen huis en of de wil – de persoonlijke ruggengraat - mijn marginaliteit kan terugbrengen naar het middenveld. Ik doe dit niet om de niet-rokers te behagen en vervolgens te veranderen in een fanatiek medestrijder. Het zware motief is om niet gekleed en in rook op te gaan, om niet beschimpt te worden, hoe subtiel ook, waar ik ook verschijn zodra blijkt dat ik van een sigaretje houd.

[© MN, in ‘Het bewustzijn’, bij een foto van sterke symbolen op mijn eiland, zoals Aïda, het klokje dat ik van mijn zus kreeg en die na veertig jaar roken toch ook de volharding toonde er vanaf te zien, de roos als krans om elke wil, Hans Warren die er een grote altijddurende afkeer van had, het paard als de verbeelding van schoonheid, statigheid en kracht, Hygeia als godin van de gezondheid, Jezus als voorbeeld elk lijden te doorstaan en het laatst: het beeld van Vrouwe Justitia, de Romeinse godin Iusticia als personificatie van het recht. Ik kan me met zoveel omringen als ik wens, maar uiteindelijk gaat het om de individuele wil, niet de wil van het ‘gemakkelijke ogenblik’, maar om de wil om stand te houden tegenover welk voornemen ook. Elk voornemen is er een ten gunste van het goede.]

vrijdag, oktober 09, 2009


Huize Welgelegen aan het Pijkesweggetje in Kloetinge

Zeven jaar geleden verscheen feitelijk het allerlaatste dagboek, dus 22ste deel, niet als deel maar als afzonderlijk “Geheim dagboek 2001”, omdat het jaar 2001 de ontluisterende laatste sleeptocht is geweest van Hans Warren, geboren op 20 oktober 1921 en gestorven 19 december 2001, een echte Zuid-Bevelander, een vogelkenner, een estheet, een dichter. Een dichter van verlangen en lust, van schoonheid en verval. (Over dit aparte deel, een ware exodus, schreef ik 5 januari 2007, ‘Zijn hart tierde’.)

Nu heb ik zijn recent verschenen laatste dagboek gelezen, deel XXI, 1998-2000, met veel genoegen, compassie en verbijstering. Het genoegen komt door de vertrouwdheid die er door de jaren heen, sinds in 1981 het eerste deel verscheen over 1942-’44, is ontstaan, een geraaktheid die niet meer verdwenen is. De compassie is er sinds hij de laatste jaren van steeds méér kwalen ernstige hinder ondervindt, van dementie tot incontinentie, en zoals hij dat nuchter, afstotelijk maar ook met verdriet beschrijft, dat is wel de scherpste, confronterende en schrijnende slijtage in de ouderdom, waar zijn veertig jaar jongere partner, Mario Molegraaf, voortdurend woedend, wanhopig en met de diepste verwensingen op reageert en tegenaan schopt. Dat ‘blinde en gemene bijten’ is onvoorstelbaar grof en verbijsterend, elk tegendeel van wat liefde heet, eerder en bijna in z’n geheel een complete menselijke ravage waaraan niet is te wennen. Mario toont zich een egoïst, geen geliefde, maar een boosaardige man die van ziekte niets weten moet en van verzorging en bekommernis al helemaal niet. En toch, middenin zijn (Hans) gevecht om waardigheid, worden er talrijke uitstapjes gemaakt naar musea en veilingen, is er de voortdurende jacht op nieuwe aanwinsten – hun verzameling is spectaculair te noemen – want beiden kennen een mateloze passie voor etnografica en een al even grote gretigheid naar exclusieve en waanzinnig dure maaltijden.

Vaak tracht hij allerlei oneffenheden, keutels en angsten en tranen te verdoezelen, troost hij zich met zijn rijke leven, met de prachtige veelal Oost-Afrikaanse en Oost-Aziatische beelden, maskers en sieraden – de uitbundige verzameling is tot eind januari te zien in het Zeeuws Museum in Middelburg - tot wie hij bidt en voor wie hij smeekt dat ze ook na hem zo vertroeteld, zo geëerd zullen worden. En natuurlijk, er zijn ook ontroerende momenten tussen hem en Mario, hoewel almaar schaarser. Samen vertaalden ze werk van vele dichters, vooral Kaváfis (1863-1933) en ook het Verzameld Werk van Plato, maakten ze verscheidene bloemlezingen en poëziekalenders

Mario (1960) is een wijnkenner en recensent voor het (meen ik te ziele gegane) tijschrift “Lekker” – ja, vandaar ook die eindeloze restaurantbezoeken die er meestal weinig genadig van afkomen - , is vertaler van de vier evangeliën en medesamensteller van de “Spiegel van de Nederlandse dichtkunst” en schreef “Het wekkertje van 23:34”, waarin hij zijn avonturen beschrijft als weduwnaar die inmiddels met een vrouw door het leven gaat in plaats van met een man. (Toch getuigt dit boek vooral van Molegraafs trouw. Want ondanks alle ogenschijnlijk radicale veranderingen in zijn leven richt hij met dit veelzijdige geschrift een monument op voor Hans Warren.)
Een monument voor Hans Warren, ja, zo’n hommage is deze dichter en dagboekanier, vaak zo eenzaam als een blauwe reiger, warmhartig gegund, voor ál die dagboeken, tezamen een ware, unieke levensroman.

Op de uiterste punt van het fietspad van Kattendijke naar Goes is een gedenkteken geplaatst, een spiegelend boek met daarop het beroemdste gedicht van Hans Warren.

Thuiskeer in Zeeland

Hart van mijn land ik ben terug
in ’t waaien van uw volle zomer,
lig lui en languit op mijn rug,
weer thuis en nog dezelfde dromer.

Ver als de blik gaat, ver als wolken
ruisen de popels ijl en licht;
als water koeren duiven onder
het bloesemdek van uw gezicht.

Ik ben terug, ik lig te rusten
in ’t bruidsbed van uw welig kruid
en luister, nooit was ik bewuster
van onze eenheid van geluid.

’t Vernis van licht om alle halmen,
het boomscherm dat de einder sluit,
de klokken wier verwaaiend galmen
tegen de zilte hemel stuit –

klank, geur en kleur, zinlijk herkennen:
de karper op de waterplas,
het hooi, zingende Zeeuwse stemmen,
de zoete bonen, ’t prille vlas –

Ik lig, ik ben terug, ik droom
uw dromen in een blijde schemer;
ik werd weer kind, ik werd een boom,
een plant, een lied, een stukje hemel.

[© MN, naar aanleiding Van ‘Geheim dagboek 1998-2000’, uitg. Bert Bakker. Afbeelding: Hans Warren, een portret door Reynier de Myunk. “Het wekkertje van 23:34” (Balans, 2004) is zeker lezenswaardig te noemen, misschien niet omdat het literair een uitblinker is, maar wel vanwege de kaleidoskopische aard van de bundel; Molegraaf kijkt terug op zijn leven met Warren, op diens werk, op de literaire wereld, op de nalatenschap, op zijn rouw en zijn nieuwe leven; het boek bevat essays, lezingen, dagboekfragmenten en brieven en mooie denkbeelden over rouwverwerking en het herijken van de betekenis van hun relatie. Vorig jaar verscheen overigens bij Prometheus de door Mario samengestelde ‘honderd jonge gedichten over oud worden’, “M’n opa, in heel Europa is er niemand zoals hij”.]

dinsdag, oktober 06, 2009



Simeon ten Holt
De memoires van een Nederlands componist, “Het woud en de citadel”, een boek waarin ik vanwege de erg ingehouden stijl moeizaam binnenkwam maar toen ik opnieuw luisterde naar de cd’s, zijn composities van Canto Ostinato, veranderde dit en vond ik het een buitenkans te lezen over allerlei gebeurtenissen, sociale en muzikale ontdekkingen en werd ik geraakt door die Bergense kunstenaarswereld. Simeon ten Holt, geboren in 1923, gehuwd (geweest) met Riet Dagnelie die uit Amerongen kwam waar haar vader de baas was van een grote boomkwekerij op de Amerongsche Berg. Maar er volgden meerdere liefdesgeschiedenissen … en het dagboek wordt opener, krijgt steeds meer innerlijke eigenheid, de dwalende onrust in New York, het zoeken naar stabiliteit. Zeer boeiend, maar ook heel moeilijk – een componist, in elk geval Simeon ten Holt, heeft een heel eigen, ingewikkeld idioom -, is het organische groeiproces naar het befaamd geworden Canto Ostinato, dat eerst ‘Perpetuum’ heette. Ik ben ook helemaal niet vertrouwd met die door het vak getekende, ‘bezeten’ taal, heb het wel gelezen, de filosofie van de speelpraktijk, maar stuit op een onvermogen het na te vertellen.
Ontroerend te lezen over de verhouding tot zijn ouders, de dood van zijn moeder, zijn broze inspanningen tot nabijheid, - maar de door jaren heen ontstane kloof tussen haar en de kinderen bleef tot op het laatst een heikel punt.
Ja, dat is het, het is een met toenemende sympathie luisterend lezen … het lyrisch zijn over nieuwe compositieopdrachten, zijn gepassioneerde verhouding met Betty en Colette, over zijn bewegingskracht doorheen het verlies van vrienden en zijn jongste zusje, zijn gang door de ouderdom, veel melancholie en schrikbeelden … en geleidelijk naar de overbodigheid van compositorische activiteiten. Hij is nu 86.

http://www.youtube.com/watch?v=Bo2Jykabe0M
http://www.youtube.com/watch?v=GfcgBU9DoxQ&feature=related



[© MN, naar aanleiding van “Het woud en de citadel. Memoires van een componist”, een uitgave van Balans, 2009.]

zaterdag, oktober 03, 2009


De geest van de liefde werd lichtzinnig gespeeld

Een opvallende maar voorbijgaande ‘idee’ van Erik Satie, geboren in Honfleur in 1866, was dat alles licht moest zijn, zowel in zijn kleding – wit tot hooguit grijze pantalon, witte schoenen et cetera - als in zijn eetgewoonten, alleen “blank voedsel”, witte wijn, vis, eieren, suiker, asperges, lams- en kalfsvlees, kokosnoten. Hij schiep een imago om zich te onderscheiden van anderen, een heel gewone menselijke eigenschap, maar ook om zich te tonen als een zonderling, als een man die de wereld minachtte.

Satie genoot van de stimulerende atmosfeer in het artistieke Montmartre, deze van alle maatschappelijke dwang bevrijde omgeving. Uit een welgestelde familie afkomstig, leefde hij een groot deel van zijn leven in armoede. Hij was gedwongen om zich als cabaret- en barpianist in leven te houden. Hij trad voornamelijk op voor café- en varietépubliek, bijvoorbeeld in het cabaret “Le Chat Noir” en later in de "Auberge du Clou". Het is een goed gedocumenteerd feit dat Satie elke werkdag zijn appartement in het achtste arrondissement van Parijs verliet om de hele stad door te wandelen op weg naar zijn studio (een afstand van ca. vijftien km), waar hij de dag al componerend doorbracht. 's Avonds liep hij de hele afstand weer terug. Velen hebben met hem gecorrespondeerd. Zij kregen in de regel prompt antwoord, maar na Saties overlijden ontdekte men achter zijn vleugel stapels nooit geopende enveloppen: Satie las zijn post nooit.

Hij was een buitenstaander en provocateur, maar ook een heel bescheiden man.
Tijdens een concert van Debussy zei iemand tegen Satie:
- Hé! Dit is een zin van Debussy die erg op Satie lijkt!
Waarop Satie antwoordde:
- Ja, het is Satie, maar Debussy doet het veel beter dan ik!

“Hij was een soort clown – de verrukte intellectueel. Een cynicus, een misantroop”, lees ik bij John Storm in zijn boek over het stormachtige leven van de kunstenares Suzanne Valadon, met wie hij een verhouding had. Satie sloot zich aan bij de Rozenkruisers, maar uiteindelijk vond hij bij geen enkele occulte stroming of godsdienst voldoening en stichtte een eigen kerk, de Metropolitane Kerk van de Kunst met Jezus als Gids. Hij had twaalf gelovigen. Na een van de eerste bijeenkomsten trof hij Suzanne, die hem direct inpalmde. Satie dacht, dan moeten we ook maar meteen trouwen, en zei: “Ik haal heel voorzichtig adem, telkens een beetje, en ik dans maar zelden.”
Een verbijsterende scène, ’s morgens om drie uur, en van trouwen is het nooit gekomen. Suzanne, die al een minnaar had, werd zijn maîtresse. Een wankel bestaan, en hoezeer zij – een volbloed bohemienne - ook het plechtanker was van zijn geestelijke gezondheid, de hartstocht brandde kort. Toen de breuk zich een half jaar later voordeed, schreide “de meester en viel flauw”, maar hij bleef haar dertig jaar lang brieven schrijven, waarin hij telkens herhaalde dat zijn liefde onverwoestbaar en eeuwig was.

http://www.youtube.com/watch?v=WIVp05sEPhE
(Cntr + Klik)

[© MN. Erik Satie, 1866- 1925, componist en pianist en Suzanne Valadon, 1865-1938. De Elsevier pocket van Storm, ‘Straten van Montmartre’, verscheen in 1962. Afbeeldingen: “Morning silence” by B. Neeleman; “Suzanne Valadon” by Theophile Alexander-Steinlen; Erik Satie, found by ‘Luckythree’ and “The time is to reach for the moon” by Serban Mestecanneanu.]

donderdag, oktober 01, 2009


Elk beeld vertelt zijn eigen verhaal, dat is juist de schoonheid ervan (39)
Is dit niet een interieur van de individuele passie?

Musiceren, lezen, schilderen, ambachtelijk werk, sporten en in elk ervan weer een eindeloze reeks deels verwante variaties en afgeleiden daarvan. Er speelt altijd meer, meer dan je kunt waarnemen of bedenken. Wanneer ik me terugtrek in het labyrint van de met herinneringen, fantasieën en observaties volgebouwde verbeelding, dan hoor ik de Moonlight Sonata van Beethoven, een bastion tegen mijn chaos en zo, zo houd ik mijn ziel bewoonbaar terwijl ik onderweg ben, God mag weten waarheen. Deze zin valt misschien somber in ’t gehoor, maar een vriend die ik onderweg ontmoette, sloot een briefje in mijn hand met enkele regels van Slauerhoff, gezongen door Cristina Branco.

Stil sta ik in de steppe,
de doffe zon gaat onder,
de schrille maan verschijnt.

Het gras dampt, klam en vochtig,
de grond blijft stijf bevroren.
In heete korte zomer:

het blijft winter in de zomer,
de klokjes zijn nog hoorbaar,
het rulle spoor nog zichtbaar.

De kar is al verdwenen, ja, alles gaat,
verdwenen …. Wat over is gebleven, is lief
maar onvoldoende om op te leven.

http://www.youtube.com/watch?v=WaCAR6juSq4
(CTRL + “klik”)

[© MN, in ‘De reeks verhalende …’nr. 39. Van links naar rechts: “The pianist” by Ursula I Abresch, “The Champ” by Geoff Roughton, “Interesting book” (Argentinië) by Kambrosis, “The thor’s hammer” by Claude Bour, “Dans aan de rand van de hemel”, paint by Amberoos, “The gitarist Jimmy Moliere” (ooit bij Fats Domino) by Piet Flour. Een korte reis op mijn eiland en ik kreeg de vreugde en de weemoed en de vriendschap geschonken. Cristina Branco,”Os solitáros”.]