Pagina's

maandag, januari 23, 2012

Het wonder van de dingen van alledag

Dagboek

Vrijdag, 20 januari
Gezien het lawaai zou je denken dat het wat anders was, maar het was regen, harde regen die loodrecht uit hemel op de stoep kletterde. Het was muisgrijs. De stoom rees van de aarde, het leek me ijzig koud.
Gezien de pijn zou je denken dat het een zojuist opgelopen ernstige verwonding was, maar elk spoor daarvan ontbreekt. Maar het is pijn van jarenoud, ik zit al vroeg in de morgen, 08u15, als verslagen in mijn cabrio, en zo blijft het, ook als het buiten weer opknapt. De wer­ke­lijk­heid is een wonder dat je op andere gedachten zet dan de werkelijkheid is.
Pijn, pijn die objectief niet is te meten en daarom vaak zo moeilijk invoelbaar is voor anderen. Niemand kan een trapje in mijn ziel afdalen om te zien hoe het ermee gesteld is. Iedereen ziet mijn lichaam, maar kan nooit weten wat er binnen in me omgaat. Wat een vreemde eenzaamheid. Maar ook troost: als niemand het kan weten, kan ook niemand eraan twijfelen.
“Laat je het licht aan lieveke?”
“Ja schat, - een andere macht zal het ooit doven. Wat een prachtige rozen nam je voor me mee, rozen van vlees en bloed, even uitdagend als je borsten.”

Zaterdag, 21 januari
De dag begint druilerig. Jammer, het is zo’n wonder als je de zon mag zien verschijnen.
Wim’s hart is van de week gekatheterisseerd. Ze gaan dan bij de lies al naar binnen. Links kwam men niet ver; dat leek aanvankelijk ook rechts zo, maar uiteindelijk is het gelukt. Hij is weer thuis, maar moet heel binnenkort terug om gedotterd te worden. Hopelijk gaat het goed, hij is al 88, maar zo aardig en attent; hij en zijn Willy leven nog altijd in de volle bloei van liefde. Annemarie, ook hier op de gang, heeft longkanker, maar is vrij stabiel. Ik zal het Ben eens vragen, die kijkt veel naar haar om. Jaap en Atie komen volgende week ook weer thuis. Zijn belangrijkste wens is dan vervuld.
Het had er alle schijn van dat het de zon lukte om door te breken, eventjes zagen we enkele stralen, eventjes kreeg de wereld een ander gezicht, maar bij het opzijschuiven van de wolken braken er een paar en sindsdien regent het.
Het heeft er alle schijn van dat ik hier maar vorstelijk en zorgeloos zit te genieten van mijn vrijheid. Maar ik weet al enkele uren niet meer hoe ik moet zitten of m’n hoofd moet houden. De continue aanwezigheid van vreemde indringers heeft me allang beroofd van wat de er­va­ringsbetekenis is van zorgeloosheid en genieten. Beide begrippen hebben iets onbe­perkts, zijn hedonistisch van kleur. Dan komt er iemand binnen en voor hij gaat zitten, heeft hij op­ge­merkt dat ik er goed uitzie. Schijn, verwarring, ‘de taal, de dwalende gids’ – Wittgenstein. Natuurlijk ken ik het geluk van enkele goede vriendschappen en word ik alledag intens en boei­end getroffen door het leven met mijn geliefde en door de getoonde compassie van an­de­ren. Dat is gewoon wáár, en toch, woorden als fijn, genieten, gelukkig, lol, blijheid, vrolijk­heid, en­thou­sias­me, ik gooi ze maar op een hoop, het is net alsof het voor mij onbruikbare of kaalgevreten woorden zijn, ik kan ze niet laten merken, me er niet in uitdrukken. Ik herinner me een voor­val van enkele jaren terug, dat een groepje mensen zat te gieren van de lach en dat ik er gort­droog bij zat. Lachen doet zeer, ik vond het gênant, alsof ik hen openlijk ver­oor­deel­de als stomp­zin­nig. (Ze dachten het vast, of dat ik me helemaal afsloot en dat was beide niét waar; misschien dachten ze dat niet, wisten ze er geen raad mee, lieten me maar. Niemand hoefde zich schuldig te voelen, dat zou absurd zijn. Het was mijn realiteit waarvan men maar een fractie begreep.) Ik trippelde naar mijn eiland, voelde me dood­on­ge­lukkig, een­zaam, op­ge­slo­ten, niet te verwarren met buitengesloten. Hoewel (dus) mijn bestaan de nodi­ge zege­nin­gen kent, is mijn levenswijze volstrekt onbenijdenswaardig, mens­onmo­ge­lijk. Het is een won­der dat ik nog niet ben ge­sneu­veld.

Zondag, 22 januari
Zo verrukkelijk als het is om samen wakker te worden, zo verschrikkelijk is het als dat altijd maar weer gepaard gaat met het bekende euvel. Mijn lichaam lijkt er niet meer op berekend nog bewoond te worden, laat staan zich tot de ander te keren.
Anderhalf uur geslapen. “Ja, het is een ernstige zaak meneer Buis.” Ach, ik mis dat guitige lachje van hem.
“Wat je zegt. Ik sliep ook zo lang, en weet je, toen ik daarnet wakker werd, wist ik toch heel niet waar ik was, bizar hoor. Ken u dat begrijpen?”
“Misschien. Eerder begreep ik dat u ’s middags nooit sliep en nu plotseling wel. Verdraait, waar ben ik?”
“Klopt. Ja, ik ging wel liggen hoor, daar niet van, maar altijd begon het weer te malen.”
Even later opnieuw een uur geslapen. Ik ben stil van pijn – naar Marieke vind ik dat diep ellendig, al begrijpt ze het en wil ze juist dan niet naar huis, maar het moet haar uitputten want ook dit daarom aanwezig willen zijn heeft grenzen. Mijn voeten zijn aanhoudend ijskoud, ook de rechtervoet waar Marieke, beter dan Gertruida, gisteren een hielkompres om deed. O, ik heb haar zo lief maar tegelijk zo weinig te bieden dat haar immense liefde mij niet toekomt. Jij, vreugde van mijn hart/ koninkrijk van mijn ziel/ je hebt mijn belofte van trouw/ zonder jou zou mijn adem gif zijn. Zal er nog een andere tijd aanbreken?

Maandag, 23 januari
Gertruida belde me uit bed, het bleek al 9u55, ze zou een half uurtje later terugkomen. Het eigen ritueel. Toen de lieve ‘ochtendzuster’ terugkwam, inspecteerde ze mijn voet, “dat heeft Marieke keurig gedaan”. Ik ben een en al pijn. Olivier belt en komt in de tweede helt van de middag een tamelijk nieuwe laptop brengen die ik zelf grotendeels heb betaald. Toch is het hartstikke lief dat hij aan mij denkt. Hij hoeft alleen nog maar een halfjaar stage te lopen en heeft aansluitend een contract. Hij is ontzettend goed in IT; vorig jaar was hij student van het jaar!
Ga nu verder lezen in het tijdschrift ‘Relevant’, een artikel van de ethicus Dorothea Touwen over wat het betekent in het belang van de patiënt te handelen, juist bij een doodswens. Daarna lees ik verder in Wittgenstein.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. Photo van het web, “A course of miracles”.]

5 opmerkingen:

orithyia zei

Hey wat fijn, wat een verrassing, alweer een dagboek-vervolg. En dat we er niet een hele week op hoeven wachten.
Op deze manier lezen we de pure actualiteit van je leven.
Met éénmaal in de week lezen we voornamelijk het verleden, niet dat dat onbelangrijk of achterhaald zou zijn, maar je ademhaling is juist vandáág zo hoorbaar tussen de woorden door en je lichaamswarmte nog voelbaar in elke letter. Het is alsof je 'dichterbij' bent dichter, mijn dichter!

Óf er nog een ándere tijd zal aanbreken lief?
Er IS al een andere tijd aangebroken, je hebt zélf de keuzes daarvoor gemaakt; ik was er altijd al en já, eindelijk ben jij ook gearriveerd in de toekomst, in ónze toekomst. Onze tijd IS al aangebroken, zoet als die lange streek rozenbotteljam aan de ochtendlijke hemel...
Pijn of geen pijn, het leven ligt hoe dan ook ingebed in de liefde, in het huis van tederheid.

De tijd voltrekt zich,laten we haar op de voet volgen, huid tegen huid. De liefde komt ons wél toe, anders was ze er niet zó in deze bestendige groei.
- Dan was ze vluchtig als de wind en alweer voorbij niet levensvatbaar -
Kom, je hebt me alles te bieden, ál je zaligheden doen me leven als een Elf in de wolken, als een verlegen Faun dansend op het mos ... leven als je vrouw, stamelend thuisgekomen.


.

Walter zei

Hallo Marius..
Hoe te reageren op iets persoonlijks als een dagboek?
Gewoon weer eens een groet aan jou, dat leek me het beste!
Walter...(Groet!)

inge zei

marius, het lezen van je dagboeken maakt me soms verdrietig en blij tegelijk. al die pijn, al die jaren, alle dagen, een niet te strijden strijd, maar ook die Liefde, die Liefde waar menigeen zo naar verlangt, maar het maar niet kan vinden..
een dubbel leven.
een leven.
jouw leven.
jullie leven.
mijn hoop is bij je.

Anoniem zei

.

"...Wat een prachtige rozen nam je voor me mee, rozen van vlees en bloed, even uitdagend als je borsten.”
...

En dan wat zon op uwen baard,
een al te late merel tegen de avond,
het ruisend gemis dat zij achterlaat

en dan de maan die schuivend over uw woorden vaart,
uw nachten toedekt met verlangen
en u verder ploegt door uw pijn ...

Uvi
.

Anoniem zei

Wat prachtig omschreven Uvidius*