Pagina's

donderdag, mei 31, 2007


When a man sits with a pretty girl
for an hour, it seems like a minute. But
let him sit on a hot stove for a minute – and
it’s longer than any hour. That’s relativity.
Albert Einstein
1879 – 1955

[Let me start slowly. Image: “The little butterfly and Einstein”van Jan Bollaert.]

vrijdag, mei 25, 2007






Geen waan van de dag


Het zal enkele dagen stiller zijn dan gewoonlijk want ik moet nodig tijd maken om te lezen, na te denken, lief te hebben. Het is de enige tijd die ik heb, voor niemand volgt er nog een andere hoewel we er niets van kunnen weten. Het is al heel wat te weten waar we vandaan komen, ik zei wel eens, uit het land van verwondering maar soms neemt de rauwe verbijstering het over, but I cannot live on the darkside, not now. Give me four, five days.






[Beeld: "Stilte" van Margot Homan.]

donderdag, mei 24, 2007

De tweede geboorte lijkt op waaghalzerij

Dagelijks loopt daar de dichter
over het pad met oude eikenbomen,
hoge bomen, reuzenbomen, oude bomen,

standvastige bomen, met moeite door twee mensen
omarmd, dat is het Ossendaalse pad, een pad
van keien en verdroogde paardenstront, zoals er

vele zijn, maar van deze dichter is er één, een man
met een vogelhoofd. Zié, langs een stam dwarrelen drie
Vlaamse gaaien loodrecht met gespreide vleugeltjes naar beneden,

alsof hun propeller het begeven heeft, maar nee, als
de dichter hen met een troostend woord nader komt, vliegen
zij hun eerste vlucht en strijken ooit weer neer waar liefde is.

[© MN, in Observaties op het Ossendaalsepad. Schilderij is van Theo Bijkerk, 1928.]

woensdag, mei 23, 2007

Waar leven is, is strijd

Dansend tussen dag en nacht fladderen
vleermuizen, nergens door belast, evenals
de kleine kat hier naast me, hij zoekt eenvoudig

het behagen van de avondkoelte, en ik,
ik woon op een eiland vol boeken en ideeën
en leef zoals ik me ken, in strijd en aanbidding.

Kom waaiend om mijn hoofd en
blaas het stof uit mijn gedachten, al
is niets ten kwade.

Ik ken mijn hart en weet wie
daar wonen, maar ben soms ongerust over
wat zich nestelt in mijn hoofd.

[MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: schilderij “Wind der in das Zimmer weht” von Ameli Welt.]

dinsdag, mei 22, 2007

Guten Morgen meine Freunde

Al mijmerend over het Ossendaalsepad herinnerde ik me plotseling een leraar Duits van in de jaren zestig, een in alle opzichten onappetij­te­lijke man. Een kleine magere man altijd in hetzelfde smoeze­li­ge en te ruime combinatiepak, een kreukelig overhemd en stropdassen als wurgsnoertjes. Haren achterover in toentertijd ver­maarde glanzende bril­crê­me. Een pokdalig smal gezicht, een hoornen bril die veelal half op de neus hing en opval­lend grote tanden. Altijd een bloot ge­lig gebit, een spu­gende mond. Lange bruin geworden nagels, met vuil eronder, alsof hij te gierig is om zelfs die schoon te maken. Hij rookte Golden Fiction en liet de rook onbe­kommerd langs zijn vingers omhoog krin­ge­len terwijl hij in diezelfde hand een versleten leren tas met zich meesjouwde. Er zat niet meer in dan een leer­boek en een lichtgroen broodtrommeltje, dichtgehouden met het rode elastiek van een wekfles. Zijn gebaren waren stijf, alsof het zijn lichaam was ontzegd zich te bewegen, alsof hij geen eigen ik had. Alsof hij nooit zon heeft gekend.
Dan zei hij Guten Morgen meine Freunde, haalde een paar maal flink z’n neus op waardoor de bril er tevens wat beter op kwam en schreef, nee, kraste op het bord in vette luidruchtige letters wat we behoorden terug te zeggen, Guten Morgen, Herr van Klein.
So, das ist schön … und jetzt gehen wir nach Seite – spugend – Sechsundzwanzig.
[Afbeelding gevonden bij
www.worth.com]

maandag, mei 21, 2007

Liever de bevalligheid dan een wijs woord

“De schoonheid van het lichaam moet de kunstenaar er altijd aan herinneren dat kunst slechts de bloesem is van de levensvrucht.” Dit is het woord van William Soutar, een regel uit het onlangs verschenen Dagboek van een stervende, uitgeverij Vorroux.
William Soutar (1898-1943), was een Schot, een levendige man, een dichter, die aan het eind van zijn dienstperiode in 1918 vage klachten kreeg aan voeten en benen. Het waren de eerste symptomen van een ziekte die hem in een kwart eeuw zou slopen. De laatste veertien jaar van zijn leven was hij aan zijn bed gekluisterd. Hij schreef een prachtig poëtisch oeuvre, journaals en gedurende de laatste vier maanden van zijn leven The Diary of a dying man. Uit al dit werk stelde zijn biograaf Alexander Scott in 1954 Diaries of a dying man samen, dat (pas) nu in vertaling is verschenen – een fascinerende mengeling van persoonlijke, literaire en filosofische ontboezemingen, karakterschetsen, dromen en observaties. In een kleine wereld, slechts zijn slaapkamer met het uitzicht op een stukje tuin, schrijft hij een grote wereld, een wereld die beklijft. Eigenlijk moet je een boek niet aanbevelen, maar er tegenaan lopen, zoals ik deze week. Dat is de verrukking van de dag, ik loop ermee naar 'De Jonge Enkelingh' voor enkele cappuccino's en voel me “alsof ik op een winderige dag op een hoge heuvel sta.”
[Afbeelding: schilderij van Paul Laurenzi.]

zaterdag, mei 19, 2007

Elle était un cadeau d’amour

Nu zij is gestorven, zal de sfeer
in de hemel wel beter worden, met haar
woorden die klapwieken met vleugels.

Al haar voelsprieten paraat voor vreugde en
toch keek ze al verloren om zich heen, licht
verward, alsof ze de adem inhield en wachtte.

Zij is onze werkelijkheid ontvlucht omdat
de ziekte van de dood in ons huist, maar zij sliep
in gerustheid van zorg alsof zij reeds wegstierf in stilte.

Trouw, krachtig en scherp van geest, wel een frêle
gestalte, maar dapper ten einde ligt zij nu onder aarde
bedolven, toegedekt zoals een zaad wordt gezaaid.

[MN, In memoriam Miep Zwart, 28 januari 1925 - 12 mei 2007. Zij is gisteren na een mooie dienst in Rozendaal begraven. Afbeelding: schilderij van Simeon Solomon, “Death, awakening, sleep”.]

vrijdag, mei 18, 2007

Is liefde ook wijsheid?
Waar liefde is, is de geest van aanwezigheid


Wat mensen samenbrengt, noemen we
liefde, en we zeggen dat liefde blind is en geen
vragen stelt, maar élke liefde, zeker als de branden
zijn geblust, kent vragen, twijfels en onrust.

Ik kan zeggen, ik kus je mond en overal, ja,
het is een zegel van tederheid, maar is het de zegel
die ons doet zwijgen? De liefde wil geen gevaren,
in welke greppel van verdriet ook.

Een trouwe mens weet van geen wijken, kan wachten
en verdragen, maar de dichter roept: brengt liefde ook wijsheid
mee en de wind in de rug? Soms, maar toch, hoewel ieder
over wonderen beschikt, is het alle zeilen bijzetten.

De dichter keert terug naar het eiland, hij kent
niet alle paden van het hart, hij tast naar wijsheid en
vindt zich onder de huid van een leeg bed, de liefde
die vragen stelt, leeft, en toch, zo broos als een draad.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Afbeelding: “The meditative Rose” by Salvador Dali.]

donderdag, mei 17, 2007

Le Dieu de ce monde
Comedie de la mort 2004

Je ne veux pas mourir, mais
je veux fumer et je veux ramener
le calme à la maison. J’ai peur d'avoir
une maladie. (Il est un poète triste.)

Denkt u werkelijk dat u hieraan sterven
zult? De arts, un ‘Seigneur d’Obstacles’,
bleef naar me kijken en doodgemoedereerd
stak hij een Gauloise op. A la mort subite!

Nog een arts, een reus met een buik
als een medaille, een man in bonis,
deed alsof er misschien een schroefje in mij loszat.

Halsoverkop naar buiten, in slechts een zuchtje wind
draaide de bizarre botte kunst me in een teleurstelling
van ongelukkigheden.

[© MN, in De gelukkige roker verdrijft de tijd. Ik verfraai mijn klachten van duizeligheid vóórdat ik mijn nek brak. Maar artsen zeiden dat het ‘tussen mijn oren’ zat. Niet één nam me serieus en ondertussen ging het sloopwerk in mijn hoofd ongemoeid door. Er zat dus wel iets tussen mijn oren, maar niét ‘de inbeelding’. Schilderij van Beatrice Sevat, “Le penseur nu”.]

woensdag, mei 16, 2007

Een gebrek aan betrokkenheid is fataal
Was het leven maar zo eenduidig als de dood

Niet het thema zelfmoord boeit me in de éérste plaats, maar vooral de reconstructie van het beloop van de hulpverlening die alle achterblijvers vaak zo weinig serieus neemt, dat ze zich buitengesloten voelen terwijl ze de eersten zijn die hun familielid, partner of vriend langdurig en van nabij kennen én lijden onder de gang die zij tot op zeker ogenblik samen zijn gegaan. In veel gevallen keert de patiënt na opname(s) weer terug naar huis en is het wederom de familie die hem of haar opvangt maar in het ongewisse blijft over hoe dat het beste zou kunnen. De houding van professionals blijft verbazen – hoezeer ook het boek waarover ik het nu heb, past in de reeks van de laatste jaren waarin de hulpverlening bijna steevast in de positie komt van tekortschietend in plaats van ‘vermogend’.
Vlak voordat ik over dit boek van Hulzebos en Bakker ging schrijven, las ik elders een verbluffend mooie, toepasselijke, regel: “Als we onszelf zouden kunnen zien zoals anderen ons zien dan zou een hervorming onvermijdelijk zijn – anders zouden we het niet kunnen aanzien.”

Het lezen van de dertien tragische verhalen leidt tot zeker drie conclusies: er is onthutsend weinig verdieping door hulpverleners in de geschiedenis van de cliënt, er is een geringe of slordige communicatie tussen hulpverleners onderling en er is sprake van een vernederende polariteit tussen hulpverlening en familie. Deze drie, die elkaar eigenlijk ook alleen maar kunnen versterken, schetsen een portret van de hulpverlening – maatschappelijk werkers, psychologen, psychiaters – dat sterk lijkt op het imago van politici als ‘onbetrouwbaar’. Veel hulpverleners maken de indruk onbekwaam te zijn (en wanneer ik de vele voorbeelden erbij zou halen, is dit nog maar zacht uitgedrukt).
Zou de hulpverlening langzamerhand immuun zijn geworden voor kritiek van buiten? Het is niet onbegrijpelijk dat men de aanklachten tegen het falen meer dan beu is, het is zelfs nodig er diep door geraakt te worden, maar klaarblijkelijk is de praktijk niet wérkelijk, niet in de letterlijke betekenis, een leerschool, zodat de voortdurende herhaling van naïviteit, onbezonnenheid en arrogantie eens ophoudt of sterk vermindert. Hoe kan het bestaan – aan een citaat kom ik niet onderuit – dat een psychiater in een overdrachtsbrief schrijft ‘desalniettemin’ het gevoel te hebben dat hij aardige resultaten heeft bereikt. “Zo werd cliënte wat meer wereldwijs gemaakt en leerde ze hoe het is om in een bibliotheek een boek te lenen, in de stad te lopen of een oliebol te eten, of hoe vrouwen zich ten opzichte van mannen gedragen. Zaken waar cliënte kennelijk nooit eerder aan toe was gekomen.” Had hij enig oog of besef of benul, het is werkelijk een bron van kwaadheid, van haar levensloop, dan zou hij hebben geweten dat deze zeer jonge vrouw met succes het gymnasium had doorlopen, bepaald ‘wereldwijs’ heette te zijn en uit een gezin komt waarvan de vader leraar is aan een gymnasium.

Partners, ouders, broer of zus of kinderen die een dierbare hebben verloren aan zelfdoding, gaan nadien een eenzame weg. Tevoren werden vaak al hun zorgen, vragen en suggesties in de wind geslagen, genegeerd als niet relevant of met ronduit grievende opmerkingen beantwoord. De liefdevolle strijd die ouders voor hun zoon of dochter voer(d)en, wordt niet serieus genomen, veelvuldig ontkend of verward met misplaatste bemoeizucht. Alle betrokkenen werden buitengesloten vanaf het moment dat ze in aanraking kwamen met de professionele hulpverlening aan zoon of dochter en hebben machteloos moeten toezien hoe het leven van hun dierbare een fatale wending ging nemen.
Loden last bestaat uit dertien korte geschiedenissen met nu en dan een intermezzo waarin heldere uitleg wordt gegeven over ziektebeelden of medicatie. Het is een onthullende inkijk in de psychiatrische praktijk waarin (te) veel professionals uitblinken in een treurig afwezige aanwezigheid. Het is helaas een boek, vrees ik, dat ‘zo terzijde’ en ‘misschien’ eens wordt ingezien, terwijl het in alle agogische opleidingen niet mag ontbreken – want het is van groter belang (te leren) om fricties wég te nemen dan om hoge idealen na te streven. Of preciezer gezegd, men kan in opleidingen wel werken met prachtige communicatiemodellen, maar er blijft veel misgaan, frustreren en het lijden vermeerderen wanneer studenten niet indringend kennisnemen van de gevolgen van een verwijtbaar gebrek aan betrokkenheid.
[Bram Hulzebos en Bram Bakker, Loden last. Het taboe rond zelfmoord, Uitg. Contact. Het citaat aan het begin is van Martin Cohen die over 101 ethische dilemma’s schreef. Afbeelding: schilderij “Friends” by Liz Lemon Swindle. Ik zou Jezus, zoals Swindle – hoezeer haar beeld mij raakt -, niet direct willen zien of voorstellen als redder, maar ik geloof vast en zeker in ‘figuren en standvastige, menselijke, houdingen van redding’.]

dinsdag, mei 15, 2007

Ubi caritas et amor (Deus ibi est)
Daar waar vriendschap is en liefde, daar is God

Ze kwam op donderdag in het hospice en de eerste zondag­morgen werden we al gebeld met de boodschap dat we er goed aan deden snel te ko­men. “Het gaat niet goed met ‘r.” We wa­ren er om tien uur en gin­gen pas ’s avonds om half twaalf weg, toen de situatie nog ongeveer dezelfde was maar ook niet alarmerender was ge­wor­den. Bleek en onaanspreekbaar met aanhoudend hetzelfde zuch­ten van wat op dat moment haar doodsslaap leek. Slapend naar de dood? Een eindzo­mer­se dag, de ganse dag een behaaglijke zon zoals het die hele maand al was. Onze kleine familie was in de voorbije vijftien maanden nog niet eerder voor een vermoedelijk afscheid bij­een geweest. Dit zou het laatste ogenblik kunnen zijn, de meest intieme tijdruimte van de mens.

Het hospice is een mooie wit­te vil­la, een huis van de een­zaam­heid en tegelijk de volle liefde, een huis waar de vergankelijkheid van het leven, door­gaans het ergste dat we vrezen, vanzelf wordt onderstreept. Een huis met een mooie serre waar je uitkijkt over een gras­veld, over de laan heen naar een oude vijver. Daarachter ligt de Koningsberg, een heu­vel­achtig bosgebied. Er kunnen tien patiënten, bewo­ners, terecht en slechts een en­ke­ling gaat van hier (nog) terug naar huis, maar in dat geval meestal een verpleeghuis. “Ze gaan hier allemaal dood”, zei mijn schoon­moe­der na twee maanden, een periode waarin al meer dan veertien mensen waren overleden.
Hoe luidde haar toon? Verbaasd? Ja, maar toch ook wel met treu­righeid, alsof ze voor het eerst ook zichzelf rekende tot de men­sen die spoedig hun dood verwachten. “Wanneer is het mijn beurt?”, dat is de tegenzijde ervan als je zo dicht op het sterven van mensen woont.

Het gebeurt vaak dat familieleden rond het bed van de stervende zitten en waken zodat hij of zij niet in alle eenzaamheid zal heengaan, maar vergezeld wordt door tranen en vreugde. Het is een dienst aan de lijdende evenmens, een vorm van steun, van eer, van tederheid en troost met niet anders dan zacht gefluister. Soms wordt gedacht dat ‘deze de laatste dag is’, maar het kan ook heel anders gaan. Het kan veel langer gaan duren en ook nog wel eens maanden uitgesteld, zoals bij mijn schoonmoeder die niet op de vierde zondag van september stierf, maar (pas) op de derde in december.
Lijkt de dood werkelijk nabij, maar laat deze toch langer dan twee etmalen op zich wachten, dan wordt het moeilijk. Zoals deze week Miep een lange slaaptocht ging naar haar laatste ogenblik. Zij sliep, zij lag stil, ademde zacht, zuchtte soms even diep maar gleed weer terug in het ritme van de kalmte. Er zijn geen flarden van haar woord meer en zelfs onze stem kwam er niet boven uit.

Mijn dierbare schoonmoeder had al veel narigheid achter de rug, maar ‘kri­tiek’ was het nooit geworden. Ze had zich voortgesleept door de lange een­zame dagen, werd almaar sterker geconfronteerd met afhanke­lijk­heid, met pijn en misselijkheid, met angst. Vooral de emoties rond verlatenheid speelden haar parten. Steeds vaker greep ze naar de telefoon en was ze zo verdrietig hulpeloos, dat een van ons, vaak haar dochter, een half uur la­ter al bij haar was en ook bleef slapen. In de kern was dat de troost die je haar kon bieden. Dat je niet na twee uurtjes weer wegging. Het moet voor haar een onthutsende beleving en ont­dekking zijn geweest niet langer meer onafhankelijk te zijn, een woord dat zij in alle vezels van dat begrip wist waar te maken. Een onafhankelijke dame op leef­tijd.
Veel leeftijdsgenoten woon­den aan de overkant in de verzor­gings­flat, met niemand daar had ze contact. Met de mensen in haar eigen flat tot aan de voordeur. “Maar die stak­kerds, daar hoor ik niet bij” en dat gezegd heb­ben­de sloot ze af met een be­slist “Neen.” Ik hoefde er nooit meer iets over te vragen. Ont­hut­send noemde ik het want ze was toch al 85. ‘Hoe kan ze’, vroeg ik me af, ‘haar plot­selinge kwetsbaarheid onder ogen zien, aanvaarden? Wijs genoeg, maar het is de pijn van de onafhan­kelijk­heid, van de distantie die ze juist zo ‘wijs’ leek te noemen. “Je moet niet afhankelijk worden, dan hoef je ook geen ‘dank je wel’ te zeg­gen.”

Precies dáár zit het scharnier van de liefde. Die ontdek­king is haar niet ontgaan. Of was het puur de fysieke ervaring op anderen aangewezen te zijn? Ma kon gewoon niet ont­snap­pen aan het proces van toenemende zorgbehoevendheid en tegelijk aan een tragisch verloop van haar stokoude dag. Vaak verontschuldigde ze zich voor alle ongemak, maar in het zacht­moedig benadrukken dat ze nie­mand tot last was deed ze geloof ik ook de ontdekking dat ze aan de ander, wie het ook was, merken kon dat geen vraag teveel was. Ze zei dan: “Fijn, dat is lief van je”. De distante houding naar het leven smolt langzaam weg. Het laten varen daarvan was eigenlijk haar meest waardevolle geschenk – ook aan haarzelf.
We buigen ons naar haar toe, strelen haar hand en praten met stille ogen over de liefde van de laatste dag. “Het is goed van hier te gaan en toch bij me te blijven. Het is goed lief, ga.”

Het langzame sterven kan een beproeving zijn. Miep was oud en verward en helemaal aan het eind van haar krachten. Het heette dat ze sliep en ook niet meer wakker zou worden, maar je hand lag toch in haar greep, alsof ze wilde zeggen, ‘verlaat me niet’. Dinsdag ‘zou’ ze sterven, maar het werd zaterdagavond. Haar dochter en zoon waakten, maar werden moe. Ze zaten diep zuchtend aan het bed, keken wel elke minuut naar hun stervende moeder en dan weer naar de regel in het tijdschrift op hun schoot, luisterden naar het soms even ondraaglijke gereutel, staarden over haar heen naar de vele ansichtkaarten op rij en de boeketten pioenrozen of stonden maar weer eens op om door het raam te kijken naar de spreeuwen in het natte grasveld en de bolle knoppen van de vlierstruiken. Ze raakten bijna elk besef van tijd en oriëntatie kwijt, verlieten soms even de kamer om in het grote huis wat rond te lopen maar keerden ook weer spoedig terug, bang dat tijdens hun korte vlucht al dat wachten niet zou worden beloond. Aan een sterfbed zitten is niet gemakkelijk. Je zit bij een ziek, soms geteisterd lichaam, maar óók, in die ene kamer en al die uren, bij een heel leven. Er is alleen maar gefluister. ‘Ik heb zo’n slaap. Zal ik een tosti voor je maken?’ ‘Ja, ik ook, zou wel even naar huis willen om te douchen. Denk je …? Het moét, ik kán niet meer. Blijf jij dan … en bél je?’
Wanneer is voor wie het moment veilig om te gaan?

Als allen er zijn, of als er een of twee juist even niet zijn. Soms wacht iemand, volkomen onbeweeglijk alsof het onzeker is of hij slaapt of overleden, tot de uren zijn verstreken en sommigen zijn opgestapt. Soms, maar vaker dan we vermoeden of willen aannemen, gebeurt het dat een kind wacht met het stervensmoment tot zijn moeder naar het toilet is, alsof hij stuurt naar het ogenblik om haar het leed te sparen te moeten zien dat hij haar feitelijk verlaat. Niemand kan een tijd opgeven, het is slechts het tempo en het intieme weten van de mens die er de eigen tijd voor neemt.
Vaak sterven mensen op het meest ongelegen ogenblik. We hadden absoluut nog iets willen zeggen, maar het bleef ongezegd, want ons leven wordt door de dood onderbroken. Niemand verliest graag en toch moeten we het allemaal leren. Het is een heengaan zonder schuld, niet meer te zien of te spreken en toch aanwezig totdat ook wijzelf voorgoed zijn vertrokken. Eens zal het gebeuren.
[Eerder schreef ik erover op 23 december, ‘Het onomkeerbaar eenzaamste moment’. Afbeelding: schilderij van Karin Deneer.]

maandag, mei 14, 2007

Een (vrome) overpeinzing

Clive Staple Lewis, die eens een overtuigde atheïst was maar later een even hevige gelovige werd in Christus, schrijft (in 1940 maar in een nieuwe editie van Ten Have) in Het probleem van het lijden:

“Als wij ’s morgens wakker worden, trachten wij de nieuwe dag aan God te wijden. Maar reeds voordat we klaar zijn met ons te scheren, wordt het onze dag; en Gods aandeel daarin voelen we als een belasting die we moeten betalen uit eigen zak; als een korting op de tijd die eigenlijk, voor ons gevoel, ‘onze eigen tijd’ hoort te zijn.”

Ik lees het als een protest tegen zelfgenoegzaamheid.
“Dingen in de werkelijkheid zijn nu eenmaal niet simpel”, zegt Lewis. “Zo zien ze er wel uit, maar ze zijn het niet. Als we méér willen dan het simpele, dan zou het dom zijn te klagen dat dat ‘méér’ niet simpel is.”

C.S. Lewis – auteur van onder meer ook de zevendelige reeks The Chronicles of Narnia - werd geboren in 1898 en stierf op 22 november 1963, de dag waarop John F. Kennedy werd vermoord en Aldous Huxley overleed. De christelijke schrijver Peter Kreeft heeft een boek geschreven, Between heaven and hell (1982), over de hypothetische ontmoeting tussen deze drie beroemdheden na hun dood in een soort hiernamaals. Hierbij bediscussiëren zij de persoon van Christus.
Er zijn nog twee vermoedelijk heel lezenswaardige boeken van Lewis, namelijk De grote scheiding, waarin hij een busreis beschrijft van een aantal bewoners van de hel. Zij gaan op bezoek in de hemel om te bezien of ze daar liever verblijven; het lijkt me een literair fascinerend verhaal. En dan is er nog het bekende Brieven uit de hel: twee duivels schrijven elkaar brieven over hun pogingen om iemand die pas bekeerd is van zijn geloof af te brengen.
[Afbeelding: schilderij van Randall M. Hasson, “C.S. Lewis The Spirit and the Man” (a painting commissioned by the C.S. Lewis Foundation). Ik schreef deze tekst terwijl hier luid de muziek aan stond van Ferdinand Groos: “Exploratie”, for 3 grand pianos. Zie
www.fjmgroos.nl]