Het onverschrokkene. Het vasthoudende. De dynamiek[De aardgeest III]
Als ik teruglees in mijn eigen brieven uit de periode New York, dan bloos ik van verbazing en schaamte. Wat een taal. Wat een woordkeus. Wat een heimelijkheid ook. Destijds geloofde ik waarachtig dat een schrijver alleen zó zou schrijven. Naïef. Dwaas. Ik zocht de innemendheid van de taal, pas later kwam de werkelijkheid. De directheid. Als ik achter mijn schrijfmachine zat, je wilt het niet weten, maar vóór mij hing aan de muur een lijst van woorden die ik hoe dan ook gebruiken wilde. Zeker de woorden die ik omcirkeld had. Wat een onzin!
In Parijs is dat veranderd. Ik las veel Franse boeken en daarin ontdekte ik de soberheid waaraan het bij mij ontbrak. Geleidelijk veranderde de toon in mijn brieven. Niet langer meer de gedwongen stijl van “schrijvers”-brieven. Ook het schilderachtige van Parijs heeft een grote indruk op mij gemaakt. Niet de eerste keer dat ik er was, in 1928, toen raakte het me nauwelijks, integendeel. De tweede maal, volkomen aan de grond en vertwijfeld was ik, toen begon ik het ware Parijs te zien (1933). Ik leefde als een clochard, maar zocht geen toevlucht. Ik ontdekte Parijs zoals ik mezelf ontdekte. Pijnlijk, maar ook bevrijdend.
Ik herinner me oude vervallen muren met op veel plaatsen prachtige wandschilderingen. Als door een steekvlam getroffen. De uitdaging. De impuls. Ik begon te schrijven zoals men schildert.
In mij heeft altijd al iets van een schilder gezeten. Vroeger, in New York, maakte ik aquarellen. De muziek was er het eerst. Ik hield van piano en orgel en ook nu nog vind ik het de schoonste van alle kunsten. Daarna kwam het schilderen en ten slotte het schrijven. Wat dat betreft heb ik veel aan Parijs te danken.
Daar leerde ik de afgrond kennen. De verloedering. De erbarmelijkheid. De leeuwenkuil. Zelfs toen mijn eerste boeken gepubliceerd waren, was ik daaraan nog niet ontsnapt. Nog niet de overwinning. Nog niet de rozentuin. De “Kreeftskeerkring” was haast een fiasco geworden. Bijna in de strikken van een nederlaag. Strijd. Verzet. Ik deed er alles voor de wereld te doen geloven dat ik een goed boek had geschreven. Ik schaam me wat het nu nog te zeggen, maar ik was als een moeder die haar pasgeboren kind niet verliezen wilde, zo beladen was mijn verdediging. Ik ben een Steenbok, een pragmaticus. Op mijn manier een beetje zakenman.
Aan heel wat mensen heb ik toen een brief geschreven. De eerste naar een vorst van een verafgelegen eiland, de naam is me ontschoten. Een van mijn vrienden kende dit heerschap en op een nacht ben ik opgestaan en heb hem geschreven. Komisch, niet!? Later heb ik dat nog eens gedaan, met “Weerzien in Brooklyn”, dat ik in eigen beheer heb uitgegeven. Een beperkte oplage, maar toen er zestig van verkocht waren en er een groot restant dreigde, werd ik woedend. Op een avond had ik het er over met een vriend en, zo aangeschoten als we waren, we vroegen ons af of we de onverkochte exemplaren niet gewoon aan onbekenden zouden opsturen. Een schitterend idee. Met adressen uit het telefoonboek hebben we een paar honderd boeken verzonden. Zo, in het wilde weg. Ik had zelf niet één exemplaar meer en ’t heeft dertig jaar geduurd eer ik er een terugvond.
Het wonderlijke is dat wanneer ik terugdenk aan alle moeilijkheden, of het nu in mijn jeugd in New York was of jaren later in Parijs, ik nooit volstrekt ontmoedigd raakte. Ogen en oren hield ik altijd open. Ik verslond alles wat ik zag. Ik hoorde opmerkelijk precies. Ook nu nog. In mijn jeugd ben ik lange tijd verschrikkelijk arrogant geweest. “Supercillious.” De hoogmoed. De trots. De minachting. De wereld veranderen, dat was mijn droom. Mijn streven. Mijn blindheid. Maar door het schrijven zijn mijn denkbeelden veranderd. En hoe!
Er is geen spoor van behoefte meer de wereld een lesje te leren. Liever de rust. De tevredenheid. Laat de wereld zijn zoals ze is, met al haar kwalen, haar onguurheid en ongemakken. Het leidt tot waanzin toch, te denken daartegen als enkeling ook maar iets te kunnen doen. Tot die orde behoor ik niet meer.
Ergens heb ik de ‘condition humaine’ aanvaard. Neen, niet het compromis, maar wijsheid hoop ik. Inzicht. Natuurlijk zijn er die nu beweren: “Aha, nu hij bejaard is, weet hij zich te schikken, hij accepteert, hij is machteloos. Gebroken is de weerstand.” Bij het grijzen der slapen. Ik geloof dat het onjuist is. Niet het passieve accepteren, maar het bewogene der geest, de grootmoedigheid naar alles in ’t leven, in het bijzonder naar mensen.
Zelfs naar mijn vijanden. Dat is het belangrijkste, want de vijand, hij schuilt in jezelf. Dat is mijn besef. De wakkerheid. Ik ben zelf de vijand. Het is onvermijdelijk de ander te accepteren, hij is alleen en niet mét iemand.
Er is altijd angst, vrees het leven niet ten volle te leven. We vrezen zelfs dat wat goed is, wat blij maakt. Sommigen leven alleen om dood te gaan. Altijd uitstel. Altijd uitvluchten en verontschuldigingen. Wat een sterfte. Wat een tragedie.
Het wonderbaarlijke! Het is nooit geheel afwezig ..., maar onze pogingen het teweeg te brengen, hoe grotesk. Hoe onhandig en lomp.
[Zie bijvoorbeeld Quiet days in Clichy, eerste druk: The Olympia Press, Parijs, waarin Miller over zijn ervaringen vertelt uit de jaren dertig, die hij voor een groot deel met zijn vriend Alfred Perlès in Parijs doorbrengt, en al zitten ze regelmatig aan de grond, ze weten altijd uit het dal omhoog te klimmen. Afb: schilderij “Memories” van Bogdan Zwir.]
6 opmerkingen:
"Ergens heb ik de ‘condition humaine’ aanvaard"
Langzaamaan daagt het licht. Jammer dat ik dat nu pas ontdek. Was ik maar jonger met dezelfde wijsheid van nu. Of is wijsheid te hoog gegrepen? Ik bedoel meer het weten van nu.
Dat zeggen er velen Pascal, was ik maar jonger met de wijsheid van nu, maar het leven vormt zich helaas maar ééns.
De kracht van de jeugd met de wijsheid van de de ouderen.. lijkt me een mooie combinatie.
De plaatselijke kunstenaar zei eens "Eigenlijk zou je alles 2x moeten doen 1x om te leren en 1x om het goed te doen". Grappig, leuk om te onthouden, later citeerde ik hem zei dat ik het van een wijze man had gehoord.
Maar hij wist niet meer dat ik het van hem had..
::Schoot me te binnen de reactie lezende::
Ik leef om zo lang mogelijk te leven. Zo veel mogelijk te vergaren, en mee te maken.
Als ik kon zou ik wel 160 willen worden, maar het vergaan van de naasten, zou een niet te verwerken leegte plaatsen
Ik hecht nog steeds veel belang aan 'de innemendheid van de taal'. Wat een mooie uitdrukking trouwens. Ik begrijp eigenlijk niet goed waarom hij die verguist. Ik houd van zinnen met woorden die heel verrast zijn elkaar tegen te komen.
Gelukkig heeft de jeugd die vermeende wijsheid niet, want dan was het hele elan achter de menselijke innovatie weg. Je moet volledig onwetend dùrven om op ontdekkingsreis te gaan naar wat 'het leven' heet...
Een reactie posten