Casper als definitie van geluk
Op de dag dat we ons ‘de rechten van het kind’ herinneren, moeten we niet alleen aandacht schenken aan situaties waarin deze rechten worden geschonden, waar kinderen op ongelooflijk grove wijze worden miskend, mishandeld of misbruikt. Casper, het zoontje van mijn nicht en petekind, van Debby en Arthur, is drie jaar en kraait van plezier. Onbeschadigd en zorgeloos, een onbevangen, stralend gelukkig zieltje. Zo willen we het voor alle kinderen. Een warme, onuitwisbare innerlijke vorming is ingezet.[Foto Arthur Ras.]
Een observatie
Daartegen kant zich deze dag
Toen ik na een jaar oponthoud weer eens per trein naar Den Bosch ging, op de dag dat voor meteorologen de lente begint maar een koude noordoostenwind over de perrons blies, was ik de stille getuige van klein maar tenenkrommend geweld. Een jonge bleek uitziende moeder wist zich geen moment te beheersen naar haar om onduidelijke redenen huilende dochtertje in de kinderwagen.
“Hou op met dat gedrein.” “Stil nu”, snauwde ze van bovenaf. “Stil jij!” Maar dat was tevergeefs. En in het huilen vroeg het meiske: “Mamma boos?”
“Dat weet je best kleine trut. Dat gedram. Denk daar maar eens over na, dreinkop!”
“Ophouden zei ik!” Haar bloed kookt. Zij laat zich gaan, ze beeft en trilt. De uitzinnigheid een dreumes zoiets toe te bijten. Ik liep wat passen verder zodat ik het meisje kon zien; ze bleek een peuter van amper drie jaar wier verdriet genegeerd en geschonden werd – haat is geweld tegen het hart - en dat schaamteloos geboden kreeg over haar gedrag na te denken. Nu reeds kreeg ze de ellende van haar moeder over haar heen, alsof het een menselijke wet is dat te doen, terwijl er altijd wordt gezegd het juist anders te (willen) doen dan je ouders je voordeden. Maar hoe is het voor hen die geen geluk hebben gekend. Is het dan nog te leren en door te geven? Geluk is wel geen doel op zich, maar in de vorm van aandacht en mildheid en toewijding wel een grote behoefte, zoniet de eerste. Ik zag een gezichtje vol tranen en snotterigheid. Haar moeder bleef al die tijd achter de wagen staan, rookte starend ‘ins hinein’ haar sigaret en dronk haar ‘perron-koffie’. Het kind lijkt een ongelukkige last. Waar is haar liefde, haar verantwoordelijkheid, haar zelfbeheersing? Ik voelde me sprakeloos en bedacht dat dit openlijke drama mogelijk slechts een flauwe afspiegeling kon zijn van hoe het er thuis aan toe gaat als het deze vrouw niet naar d’r zin gaat en dat het kleine meiske geen hoop kent op een trooster(es). ‘Mogelijk’, al geeft het ‘dat weet je best kleine trut’ en ‘dreinkop’ een sterk vermoeden dat het niet toevallig om een slecht moment gaat. Niets is hopelozer dan het zonder deze liefde te moeten stellen. Geen vriendschap. Geen respect.
Eeuwige eenzaamheid?
[De dag van de rechten van het kind. Afbeelding: Moeder en kind, Willem Hofhuizen.]
De dag van de rechten van het kind
Het kind dat naar de wereld komt, gevraagd als het in liefde wordt gewenst, daar waar het licht door de vensters schijnt, het kind zich geborgen ‘weet’ en bejegend wordt als beschermwaardige medemens, daar kan een kwetsbaar kind in thuiskomen.
De moeder en de wereld hebben een fascinerend verbond. Hoeveel 'koninkrijken' zijn er niet die daar niets van begrijpen?
Alle andere gedachten zijn van uzelf.
[photo Christian Coingy]
Hoe zullen we het noemen: menselijke waarheid?
“Aandacht, nabijheid, liefde, toewijding … en daaruit zal een mens opstaan.” Dat is niet een cryptische verwijzing naar de verrijzenis, maar een uit ervaringen van velen geboren inzicht, hoewel ik hier Andries Baart citeer, “het is de kiem van een relatie.” Wanneer een zorgverlener, van welke discipline ook, louter denkt in protocollen en technieken of direct afkoerst op ‘oplossingen’ of er aan de andere kant met zijn hoofd niet bij is, heeft h/zij slechts oog voor een specifiek probleem waarbij de persoon om wie het gaat ongezien of ongemoeid blijft. Dát is het stille en onpersoonlijke geweld waarvoor vrijwel iedereen een feilloze antenne heeft, zich genegeerd voelt, meteen proeft dat zijn of haar verhaal er niet toe doet, niet van waarde lijkt. Dat is de afwezige, asymmetrische houding, haaks op de behoefte en belangen van de ander die primair respect, erkenning, begrip en aandacht verlangt.
“Gerespecteerd te (willen) worden is de meest onuitroeibare eigenschap van het menselijk hart”, zegt Blaise Pascal. Niets is zo beschadigend als het ondervinden van een ‘Wille zur Macht’, dan keer op keer, stelselmatig, vernedering te ondervinden. Daarom schrijft de Israëlische filosoof Margalit, “dat we het goede niet hoeven te bevorderen, maar het slechte, de vernedering, dáár moet onze aandacht op gespitst zijn, die moeten we bestrijden.”
[Zie het (mooiste) essay over Aandacht van Andries Baart (Lemma, 2004). Schilderij “Aandacht” van Herman Tulp.]
Greta: “Hoe vaak ik niet tegen Jules heb gezegd: ‘zullen we maar uit elkaar gaan’, neen, ik houd van hem hoor, maar denk dan, is dit alles, ik wil groots en meeslepend leven.” Ze denkt er vaak over te vluchten maar pakt nooit haar biezen; dat is ook niet werkelijk haar wens, maar het tekent de onvermijdelijke onrust van de mens. Geborgen in liefde, geborgen in de zorg voor twee kinderen, maar toch, is dit het?
Maar wat is ‘groots en meeslepend’? Ervandoor gaan met een jazzmuzikant die het komende weekend optreedt in Berlijn en volgende week in Parijs waar je erachter komt dat hij een vrouw en kinderen heeft, dan troost zoekt bij zijn vriend die je meeneemt naar Kopenhagen tot je na enkele weken ontdekt zwanger te zijn? Hoe zou haar fantasiewereld er uitzien? Groots en meeslepend - maar nog altijd geen antwoord op wat dat dan is. Het doet even denken aan Coetzee die een groot dichter wilde worden met een wild liefdesleven. Het werd anders, groots, maar wel heel anders.
[De afbeelding hierboven: Daydream, van David Schluss.]
Wegwijzer: halverwege november is een aantal postings van begin deze maand door de onzichtbare hand al opgeborgen in het archief. Voor een volledig overzicht klikt u direct op ‘november’. Aarzel niet eens een reactie te schrijven.
Jeroen Brouwers’ reservoir
Wat in foetusstaat verkeerde en al een auteur had
Hij dacht (JB), ík sta “in het midden van de reis door mijn leven” en het verloop van mijn woestijntocht, al mijn ervaringen en inzichten, zal ik nauwkeurig noteren. Dat gebeurde niet in een enkel schrift, maar op talloze, honderden, stukjes papier, vodjes, in schoolschriftjes en kladblokken, maar lange tijd werd niets daarvan weggegooid. Integendeel, het vormde een papiermijn, een oase, te zien als een ‘oerboek’, waaruit hij nog jaren kon putten.
Die archiefdozen of met elastiek bijeengehouden snippers en blaadjes, althans wat er werkelijk van de oerfragmenten bewaard is gebleven en waaruit uiteindelijk een van zijn grootste werken ontstaat zoals Zonopgangen boven zee en De zondvloed worden opnieuw ingezien, zowel door de schrijver zelf als door Johan Vandenbroucke. JB is nu 66, “dus aan het eind van de tweede helft en dit (In het midden van …) is mijn testament.”
Brouwers woonde altijd in stiltegebieden, ook nu nog, zij het “in een aanzienlijk gerieflijker huis” in Zutendaal, in een bos in Vlaanderen. Zijn huis heet ‘Noli me tangere’: raak mij niet aan, blijf uit mijn buurt, laat mij met rust. (In 2005 schreef ik samen met Frans B. ‘Raak me (niet) aan’ voor het fraaie boek over het Utrechtse Catharijnehuis voor dak- en thuislozen – waar het juist om de waardevolle figuurlijke betekenissen gaat van de aanraking.) Maar toen hij in 1973 in het Krekelbos woonde, in de bossen van het Vlaamse Rijmenam, hield alles hem van het werk, “alsof er een noodweer door zijn hoofd tolt’. ‘Het gaat rot met mij. Dus ik ben.” Het zijn z’n loden jaren.
Het eerste mooie hoofdstuk Het Grote Boek, gaat, behalve dat het laat zien wat van alle schrijfsels op desnoods boterhamzakjes, als het maar van papier was en niet een dood herfstbad, van waarde bleek – “het erts waaruit later beter gelukte teksten konden worden gewonnen” -, onder meer over het doorstrepen, het met een dikke viltpenstreep doorhalen van gebeurtenissen, ergernissen, frustraties, inclusief zijn baan bij Manteau waar hij zich bezighield met kortademige ijdele prullen van anderen, het schrappen van alles dat hem beklemde. Het eerste hoofdstuk gaat ten slotte over al wat al lang op kladpapiertjes geschreven stond en een bestemming kreeg in verscheidene boeken, verhalen of tekstcollages: “ik hoefde ze maar aan te kleden en te kammen om er literatuur van te maken.” Het zeer openhartige hoofdstuk is in die zin een inleiding op het derde hoofdstuk: een dummy vol aantekeningen, aanvullingen en veranderingen, een overblijfsel van terzijde gelegde teksten, de uiteindelijke weergave hieruit van In het midden van de reis door mijn leven. Het tussenliggende tweede hoofdstuk is een essay van Johan Vandenbroucke. Het is een analyse van de oerfragmenten waaruit nogmaals blijkt dat ‘alles naar alles verwijst’, zoals JB zelf, ik weet niet mee waar, ooit zei over zijn boeken: het zijn net luciferdoosjes die je almaar in elkaar kunt blijven schuiven. Tot slot volgt dan De Exelse testamenten, een magistrale, ontroerende nagedachtenis aan zijn eerder gestorven geliefde. In een decor van storm, “de wind sloeg daken van huizen en smeet ze op rijdende auto’s”, zich bijtend, zich in het gezicht slaand, onder die stormwind kwam het doodsbericht en meteen ook de razende angst: “om het alleenzijn, de ontheemdheid, de misluktheid, de machteloosheid en de talentloosheid, de vergeefsheid van alle dingen. Maak mij warm met je handen, ik heb het zo koud. Iris, Iris!” Ik ken geen Nederlandstalig schrijver op wiens naam ik liever kom dan JB – hoewel dit te kras is gezegd. Met hoeveel genoegen las ik niet Wolkers, Morriën, van Zomeren, Buddingh’, van der Heijden, de Wispelaere, Warren, maar het Brouweriaanse is wel heel bijzonder, het meest ambachtelijke.
[Uitgave van Atlas, 2006, met vele niet eerder gepubliceerde biografische gegevens, documenten en foto’s.]
Wat ik bracht, tot nu, deugt het?
Hoe dikwijls ik me die vraag niet heb gesteld, deugt het wat ik schrijf? Vaak leef ik in de twijfelachtige spanning dat het mooi is, warm waar nodig want ik heb een afkeer van het kille, abstracte, saaie onpersoonlijke vertoog, dat het misschien poëtisch is hier en daar maar helder, maar dat het toch niks voorstelt, dat het te bont is, te omslachtig en dat ik me verbeeld te kunnen schrijven. ‘Schrijver, ik?’ Vragen die (ook) Jeroen Brouwers zich stelde toen hij in zijn verwaarloosde boshuisje Krekelbos worstelde met Trommels en trompetten, de novelle die na veel gefoeter en geploeter in 1973 verscheen, - en jubelend werd ontvangen. Hij was toen 33. Toen ik 33 was, in 1982, verscheen mijn eerste boek, Beschermd wonen, verramsjt en voorgoed vergeten.
En nu, in Crossing my soul put ik uit deels oude aantekeningen of refereer aan net gelezen teksten, ik steel uit mijn dagboeken of kopieer passages die ik schreef, ik knip, plak en polijst betekenissen en als alle grammatica in orde is, rommel ik aan mijn ritme. Ik roffel net zo lang op de trom tot het mij aanstaat. Laat mij maar zijn die ik me misschien verbeeld, zoals ik hier (in oktober) eerder schreef in ‘een (onvolkomen) psychologisch portret’. Een kunstenaar ben ik niet, een goed levenskunstenaar misschien evenmin, maar een schrijver die puzzelt met zijn gedachten, met zijn bekommernissen, die ben ik zeker. Maar deugt het ook?
Jeroen Brouwers (in 1973, in een voor hem hoogst verwarrende en verdrietige periode want zijn huwelijk raakt op een dood spoor en zijn geliefde met wie hij enige jaren een verstolen relatie had, Nachtschade (soms verschijnt ze als Iris, elders als Aurora en weer ergens anders heet zij Lis) – “de felste liefde van zijn leven met een adembenemend lijf”, Anne, dochter van Jan Walravens - , pleegt zelfmoord): “Ik verbeeld me dat ik kan schrijven. In mijn vormingsjaren is mij zowel op kostscholen als door mijn ouders met roomskatholieke dril bijgebracht mezelf ‘niks’ te vinden, ergo het werk mijner handen nog nikser, daar dit met ijdelheid en hoogmoed tot stand is gebracht.” En steeds stelt hij de gewetensvraag: Deugt het?
Welke fictie behoort tot de feiten? “Nachtschade en ik zijn in 1979 gehuwd en tot 1992 bij elkaar gebleven, onze dochter, geboren in 1980, heet Anne.”
[JB, In het midden van de reis door mijn leven, Atlas 2006. Afbeelding: “The Writing Man” van Eulabio Fabie de Silva]
Verscheurde stilte
Elke keer zocht Mette in de grote huiskamer van het kasteel het stilste plekje. Zwijgzaam, een schoon gelaat vol angstige zorg, treurigheid en lijden. Ze ging dáár zitten waar alles te overzien was en staarde voor zich uit alsof ze er niet bij hoorde maar ze was er wel. Haar gestalte sprak alsof ze in de herinnering leeft, alsof ze het leven niet meer begrijpt en toch ergens reikhalzend naar uitziet. Zou in die zo opzettelijk gecreëerde afstand ook het verlangen zijn verborgen begrepen te worden? Gerespecteerd, even waardig als wie ook in de kamer, de kamer van het gesprek, van de lach, van de genegenheid. Soms toverde Mette een vage glimlach in haar mooie, bleke gezicht dat omzoomd is met zilvergrijs haar, maar ik wist niet of het verlegenheid was, alsof ze opeens gewaar werd ontdekt te zijn – maar er is daar ook geen schuilhoek waarin ze kan wonen.
Tijdens het eten ging het even over kinderen en Ruth vroeg haar of zij kinderen heeft. “Kinderen ...?” Mette herhaalde het woord kinderen alsof ze er over moest nadenken dat zeggen dat ze geen kinderen heeft het gemakkelijkste antwoord zou (kunnen) zijn. Toen zei ze: “Neen”, maar een ander was al aan het woord en haar neen werd nog slechts in een ooghoek opgemerkt, en genegeerd. Haar neen klonk wel beslist, maar tegelijk ook onzeker alsof ze het juiste antwoord in het midden wilde laten. Mette neemt geen deel aan het gesprek, en als er even niet aan is te ontsnappen, zijn haar antwoorden cryptisch, zacht, niet bits of luid, ook geen onontwarbare taal, maar precies wat het woord betekent: duister, verborgen.
Niemand is de redder van de ander. Soms is het beter geen vragen te stellen, terwijl je haar niet wilt ‘laten’ maar niet weet wat wel als goed wordt ervaren. En er zijn zoveel vragen waarop het antwoord niet is te vinden. Ik kan wel denken, ‘kom eens uit je hoofd’, maar ze laat zich kennen als zacht en zwijgt alsof ze haar verhaal is verloren. We liepen samen door de lange laan in het bos van Slangenburg, zij was niet alleen, en nu ik dit schrijf en met weemoed aan haar denk, ben ik verloren wat ik haar heb verteld.
“Ik hoop dat het je goed gaat als je straks weer thuis bent.”
“Thuis”, fluisterde ze - “je bedoelt de plaats waar ik woon.”
“Ja.” Dit is niet cryptisch, dit is schrijnende eenzaamheid. Het maakt me eenzaam dit te weten.
[Schilderij van Joke Blaauw, “Roos” – maar een roos met een ander verhaal dan gewoonlijk van een roos.]
Tussen schijn en wezen
Een vrouw gezegend met verstand,
met ernst en aldoor sprankelend blauwe ogen,
die vrouw, haar levenslust, kiest het onbekende, gaat
in tempo het vrije pad en kampement.
Zij telt haar zegeningen van het tekort,
schikt met kinderen lot en geborgenheid, en
bewandelt onvermoeibaar wegen van natuur,
meditatie en vrije expressie -
en wordt toch geraakt door het onverwachte,
het leek onbestaanbaar er niet door getroffen
te kunnen worden, maar wijsheid ontvangt, een hart
verovert wat niet kent. Haar verhaal zal verbazen.
Zij, een schoonheid met gulle lach, plots wordt zij stil,
sprakeloos, zij is ontroerd, zie haar ogen, haar verwondering.
Het is oorverdovend stil, hoor haar muisstille hart, as calm,
as calm as the moon above the woods.
[Voor Romée. Afbeelding: Botticelli, De herfst.]
‘Poëzie van gebroken levens’
Solidariteit is geloven in een menselijke samenleving
Kamiano van de Sint-Egidiusgemeenschap is een restaurant in Antwerpen voor thuislozen en anderen die het moeilijk hebben. (Sant'Egidio is een christelijke lekengemeenschap die in meer dan zestig landen van alle continenten 40.000 leden telt. Die komen samen voor het gebed en knopen vriendschap aan met de armsten van de eigen stad. Op wereldschaal zet Sant’Egidio zich in voor de dialoog tussen godsdiensten en de vreedzame oplossing van conflicten.) Kamiano staat voor respect en waardering voor de uitgeslotenen. Tweemaal per week kunnen de mensen er terecht voor een volledige verse warme maaltijd. Het is een open huis waar mensen in nood vriendschap en luisterbereidheid ondervinden, waar ze respect ervaren en hun waardigheid kunnen weervinden, waar ze zelf bepalen of en wanneer ze hun verhaal doen. Voor de vele vrijwilligers zijn deze mensen geen probleemgevallen waar ze vaak voor doorgaan, maar in de eerste plaats vrienden. “Vriendschap is het hoofdingrediënt van iedere ontmoeting.”
De Kamiano-boetiek biedt tweedehandse kledij aan. En binnenkort is er ook de mogelijkheid van medisch onderzoek, wasgelegenheid en is er een kapper. Alles gebeurt gratis en op basis van vrijwillige inzet, zonder professionele krachten. 'Voor niets hebt gij gekregen, voor niets moet gij geven', is een evangelisch principe dat de Sint-Egidiusgemeenschap hoog in het vaandel draagt.
Het boek Bob wil geen schuldigen aanwijzen voor de hulpeloosheid en verlatenheid van zwervers. “Niet de schuldvraag telt – want die is vaak maar een reden om ons niet verantwoordelijk te voelen – wel ons antwoord op de vraag van een medemens in nood.”
Dirk van der Goten is leraar en een van de vrijwilligers van Kamiano. Hij brengt het verhaal van tien mensen maar is zelf geheel afwezig, totaal onbelangrijk. Even, in de epiloog, is de auteur er zelf in enkele regels, maar verder zijn de verhalen de ongeschreven boeken van de mensen zelf. Mooi? Triest? Mooi is het woord niet, de tristesse, dat is het leven, zoals ook de schoonheid. Het is een indrukwekkend en ontroerend boek, geschreven door een vriend die luisteren kan. (Maar ook schrijven.)[Dirk van der Goten (2004), Het boek Bob. Verhalen uit Kamiano, Lannoo; ISBN 90 209 5877 1, 160 pag., geb., € 16.95. Schilderij: “Zwerfmensen” van Françoise Blommaerts.]
Denkend over de zin van het leven gaat het er om of ons leven een doel heeft, ergens heen gaat en of het iets wil zeggen, een betekenis heeft. Deze twee dimensies, richting en betekenis, verwijzen naar iets dat buiten ons ligt, zoals de zin in het katholieke geloof altijd verwees naar het hiernamaals, zoals woorden naar andere woorden verwijzen en tekens naar iets anders dan tekens.
Wat kan het leven zin geven?
God heeft een zin voor gelovige mensen. Maar wat betekent Hij? Wat zou Hij nastreven? Dat weet alleen God, maar ook Hij verwijst naar elders, naar de Drieëenheid en de schepping: er is slechts zin in de relatie, in de ontmoeting. Er is zin in mijn leven indien het zich in dienst stelt van iets anders: een zaak die ik rechtvaardig vind, een waarheid die ik zoek of verdedig, mensen van wie ik houd, iets wat ik nastreef.
Waar we naar toe gaan, om die vraag gaat het niet, dat weten we maar al te goed: naar ouderdom, naar de dood. Het gaat er om wat we willen. Niet of het leven een zin heeft, maar wat het waard is. Alles zegt ons iets naargelang de liefde die we ervoor voelen. Die bestaat slechts in de relatie.
Leven en dood, en het enige dat deze twee verbindt is het leven zelf. Het leven is geen raadsel dat we moeten oplossen. Het is geen wedloop die we moeten winnen. Het is een avontuur, een risico, een inspanning die de moeite waard is als we ervan houden.
Er is geen absolute zin in dit vergankelijke leven. Het zoeken naar de zin van het leven suggereert dat de zin reeds ergens bestaat en dat we hem slechts hoeven te ontdekken. Maar er is geen verborgen zin, alleen het leven brengt de zin voort. De zin hoeven we niet te zoeken of te vinden; we moeten hem voortbrengen, bedenken, maken. Dat is de functie van het denken, de functie van de liefde, de kunst. Het is goed te moeten nadenken over hoe collectief geluk, gedeeld geluk, kan worden bevorderd. Nadenken en bevorderen: niet alleen erover nadenken maar er ook naar handelen. Dit moeten is te ervaren als opgave, als uitdaging, om het lijden te verminderen en om samen te leven, op de best mogelijke manier.[Schilderij "De ontmoeting" van Wil Lof]