Pagina's

donderdag, november 16, 2006


Wat ik bracht, tot nu, deugt het?

Hoe dikwijls ik me die vraag niet heb gesteld, deugt het wat ik schrijf? Vaak leef ik in de twijfelachtige spanning dat het mooi is, warm waar nodig want ik heb een afkeer van het kille, abstracte, saaie onpersoonlijke vertoog, dat het misschien poëtisch is hier en daar maar helder, maar dat het toch niks voorstelt, dat het te bont is, te omslachtig en dat ik me verbeeld te kunnen schrijven. ‘Schrijver, ik?’ Vragen die (ook) Jeroen Brouwers zich stelde toen hij in zijn verwaarloosde boshuisje Krekelbos worstelde met Trommels en trompetten, de novelle die na veel gefoeter en geploeter in 1973 verscheen, - en jubelend werd ontvangen. Hij was toen 33. Toen ik 33 was, in 1982, verscheen mijn eerste boek, Beschermd wonen, verramsjt en voorgoed vergeten.
En nu, in Crossing my soul put ik uit deels oude aantekeningen of refereer aan net gelezen teksten, ik steel uit mijn dagboeken of kopieer passages die ik schreef, ik knip, plak en polijst betekenissen en als alle grammatica in orde is, rommel ik aan mijn ritme. Ik roffel net zo lang op de trom tot het mij aanstaat. Laat mij maar zijn die ik me misschien verbeeld, zoals ik hier (in oktober) eerder schreef in ‘een (onvolkomen) psychologisch portret’. Een kunstenaar ben ik niet, een goed levenskunstenaar misschien evenmin, maar een schrijver die puzzelt met zijn gedachten, met zijn bekommernissen, die ben ik zeker. Maar deugt het ook?
Jeroen Brouwers (in 1973, in een voor hem hoogst verwarrende en verdrietige periode want zijn huwelijk raakt op een dood spoor en zijn geliefde met wie hij enige jaren een verstolen relatie had, Nachtschade (soms verschijnt ze als Iris, elders als Aurora en weer ergens anders heet zij Lis) – “de felste liefde van zijn leven met een adembenemend lijf”, Anne, dochter van Jan Walravens - , pleegt zelfmoord): “Ik verbeeld me dat ik kan schrijven. In mijn vormingsjaren is mij zowel op kostscholen als door mijn ouders met roomskatholieke dril bijgebracht mezelf ‘niks’ te vinden, ergo het werk mijner handen nog nikser, daar dit met ijdelheid en hoogmoed tot stand is gebracht.” En steeds stelt hij de gewetensvraag: Deugt het?
Welke fictie behoort tot de feiten? “Nachtschade en ik zijn in 1979 gehuwd en tot 1992 bij elkaar gebleven, onze dochter, geboren in 1980, heet Anne.”
[JB, In het midden van de reis door mijn leven, Atlas 2006. Afbeelding: “The Writing Man” van Eulabio Fabie de Silva]

2 opmerkingen:

Anoniem zei

Dit schilderij spreekt me wel aan. Mooie warme kleuren.
Deugt het wat jij schrijft Marius ?
Eigenaardig dat je daar zou aan twijfelen.
Smaken verschillen en veel schilderijen zie ik niet zo graag, maar dan zullen anderen die wél graag zien. Bij het lezen van jouw weblogstukken denk ik dikwijls: jammer dat er niet méér mensen zijn die zo betekenisvol schrijven.

Anoniem zei

Vanaf het ogenblik dat iemand een pen in handen neemt, komt deze vraag ...

ik lees, las u nog altijd het liefst
wanneer u zichzelf neerschrijft ...

Het is stille zaterdag vandaag.
En ginder?

Uvi