Pagina's

donderdag, november 16, 2006


Verscheurde stilte
Elke keer zocht Mette in de grote huiskamer van het kasteel het stilste plekje. Zwijgzaam, een schoon gelaat vol angstige zorg, treurigheid en lijden. Ze ging dáár zitten waar alles te overzien was en staarde voor zich uit alsof ze er niet bij hoorde maar ze was er wel. Haar gestalte sprak alsof ze in de herinnering leeft, alsof ze het leven niet meer begrijpt en toch ergens reikhalzend naar uitziet. Zou in die zo op­zettelijk gecreëerde afstand ook het verlangen zijn verborgen begrepen te worden? Gerespecteerd, even waardig als wie ook in de kamer, de kamer van het gesprek, van de lach, van de genegenheid. Soms toverde Mette een vage glimlach in haar mooie, bleke gezicht dat omzoomd is met zilvergrijs haar, maar ik wist niet of het verlegenheid was, alsof ze opeens gewaar werd ontdekt te zijn – maar er is daar ook geen schuilhoek waarin ze kan wonen.
Tijdens het eten ging het even over kinderen en Ruth vroeg haar of zij kinderen heeft. “Kinderen ...?” Mette her­haalde het woord kinderen alsof ze er over moest nadenken dat zeggen dat ze geen kinderen heeft het gemakke­lijkste antwoord zou (kunnen) zijn. Toen zei ze: “Neen”, maar een ander was al aan het woord en haar neen werd nog slechts in een ooghoek opgemerkt, en genegeerd. Haar neen klonk wel beslist, maar tegelijk ook onzeker als­of ze het juiste antwoord in het midden wilde laten. Mette neemt geen deel aan het gesprek, en als er even niet aan is te ont­snap­pen, zijn haar antwoorden cryptisch, zacht, niet bits of luid, ook geen onontwarbare taal, maar precies wat het woord betekent: duister, verborgen.
Niemand is de redder van de ander. Soms is het beter geen vragen te stellen, terwijl je haar niet wilt ‘laten’ maar niet weet wat wel als goed wordt ervaren. En er zijn zoveel vragen waarop het antwoord niet is te vinden. Ik kan wel denken, ‘kom eens uit je hoofd’, maar ze laat zich kennen als zacht en zwijgt alsof ze haar verhaal is verlo­ren. We liepen samen door de lange laan in het bos van Slangen­burg, zij was niet alleen, en nu ik dit schrijf en met weemoed aan haar denk, ben ik verloren wat ik haar heb verteld.
“Ik hoop dat het je goed gaat als je straks weer thuis bent.”
“Thuis”, fluisterde ze - “je bedoelt de plaats waar ik woon.”
“Ja.” Dit is niet cryptisch, dit is schrijnende eenzaamheid.

Het maakt me eenzaam dit te weten.
[Schilderij van Joke Blaauw, “Roos” – maar een roos met een ander verhaal dan gewoonlijk van een roos.]

Geen opmerkingen: