
Jeroen Brouwers’ reservoir
Wat in foetusstaat verkeerde en al een auteur had
Hij dacht (JB), ík sta “in het midden van de reis door mijn leven” en het verloop van mijn woestijntocht, al mijn ervaringen en inzichten, zal ik nauwkeurig noteren. Dat gebeurde niet in een enkel schrift, maar op talloze, honderden, stukjes papier, vodjes, in schoolschriftjes en kladblokken, maar lange tijd werd niets daarvan weggegooid. Integendeel, het vormde een papiermijn, een oase, te zien als een ‘oerboek’, waaruit hij nog jaren kon putten.
Die archiefdozen of met elastiek bijeengehouden snippers en blaadjes, althans wat er werkelijk van de oerfragmenten bewaard is gebleven en waaruit uiteindelijk een van zijn grootste werken ontstaat zoals Zonopgangen boven zee en De zondvloed worden opnieuw ingezien, zowel door de schrijver zelf als door Johan Vandenbroucke. JB is nu 66, “dus aan het eind van de tweede helft en dit (In het midden van …) is mijn testament.”
Brouwers woonde altijd in stiltegebieden, ook nu nog, zij het “in een aanzienlijk gerieflijker huis” in Zutendaal, in een bos in Vlaanderen. Zijn huis heet ‘Noli me tangere’: raak mij niet aan, blijf uit mijn buurt, laat mij met rust. (In 2005 schreef ik samen met Frans B. ‘Raak me (niet) aan’ voor het fraaie boek over het Utrechtse Catharijnehuis voor dak- en thuislozen – waar het juist om de waardevolle figuurlijke betekenissen gaat van de aanraking.) Maar toen hij in 1973 in het Krekelbos woonde, in de bossen van het Vlaamse Rijmenam, hield alles hem van het werk, “alsof er een noodweer door zijn hoofd tolt’. ‘Het gaat rot met mij. Dus ik ben.” Het zijn z’n loden jaren.
Het eerste mooie hoofdstuk Het Grote Boek, gaat, behalve dat het laat zien wat van alle schrijfsels op desnoods boterhamzakjes, als het maar van papier was en niet een dood herfstbad, van waarde bleek – “het erts waaruit later beter gelukte teksten konden worden gewonnen” -, onder meer over het doorstrepen, het met een dikke viltpenstreep doorhalen van gebeurtenissen, ergernissen, frustraties, inclusief zijn baan bij Manteau waar hij zich bezighield met kortademige ijdele prullen van anderen, het schrappen van alles dat hem beklemde. Het eerste hoofdstuk gaat ten slotte over al wat al lang op kladpapiertjes geschreven stond en een bestemming kreeg in verscheidene boeken, verhalen of tekstcollages: “ik hoefde ze maar aan te kleden en te kammen om er literatuur van te maken.” Het zeer openhartige hoofdstuk is in die zin een inleiding op het derde hoofdstuk: een dummy vol aantekeningen, aanvullingen en veranderingen, een overblijfsel van terzijde gelegde teksten, de uiteindelijke weergave hieruit van In het midden van de reis door mijn leven. Het tussenliggende tweede hoofdstuk is een essay van Johan Vandenbroucke. Het is een analyse van de oerfragmenten waaruit nogmaals blijkt dat ‘alles naar alles verwijst’, zoals JB zelf, ik weet niet mee waar, ooit zei over zijn boeken: het zijn net luciferdoosjes die je almaar in elkaar kunt blijven schuiven. Tot slot volgt dan De Exelse testamenten, een magistrale, ontroerende nagedachtenis aan zijn eerder gestorven geliefde. In een decor van storm, “de wind sloeg daken van huizen en smeet ze op rijdende auto’s”, zich bijtend, zich in het gezicht slaand, onder die stormwind kwam het doodsbericht en meteen ook de razende angst: “om het alleenzijn, de ontheemdheid, de misluktheid, de machteloosheid en de talentloosheid, de vergeefsheid van alle dingen. Maak mij warm met je handen, ik heb het zo koud. Iris, Iris!”
Ik ken geen Nederlandstalig schrijver op wiens naam ik liever kom dan JB – hoewel dit te kras is gezegd. Met hoeveel genoegen las ik niet Wolkers, Morriën, van Zomeren, Buddingh’, van der Heijden, de Wispelaere, Warren, maar het Brouweriaanse is wel heel bijzonder, het meest ambachtelijke.
[Uitgave van Atlas, 2006, met vele niet eerder gepubliceerde biografische gegevens, documenten en foto’s.]
2 opmerkingen:
Dus....misschien heb je wel lezers, maar niemand die reageert..
Misschien is het concentratiedraadje van de patatgeneratie, waarvan ik het idee heb dat u daar niet toe behoord, al na de eerste 3 volzinnen waarmee je makkelijk een bladzijde in een boek zou kunnen vullen, al dermate gerafeld, zo niet gebroken, dat de moed om een intelligente 'comment' te plaatsen op voorhand al in de schoenen is gezakt.
Groet, een merel roze lezer, (lekker, die hapklare brokjes leesvoer)
Dank je Elma. Mensen onderscheiden zich graag van de ander, maar dat impliceert vaker niet dan wel een waarde-oordeel. Ik ben evengoed en graag een Merel Roze lezer, maar ook toegewijd aan wie ik zelf ben. Ik hoop dat je hier vaker komt en een kladje achterlaat. Groet, M.
Een reactie posten