Pagina's

maandag, juli 30, 2007

Back on my island, I’m outside breath

I am always happy to arrive
at home. There are my books, my
pencil, my own chair, nothing has changed,
we are safe now. Traveling, it’s nice (and tiring),
but coming home, seeing our friendly neighbourhood,
surfing again to my virtual friends and
sleeping in our own bed … it’s my silent happiness.

Hoewel ik weer ben teruggekeerd, als een nachtraaf op mijn eiland, zal ik doen alsof ik nog een maand op reis ben opdat ik kan lezen en schrijven. Goethe: “Die Zeit ist mein Besitz, mein Acker ist die Zeit.”

[MN. Aber es war auch gemütlich, schön, eindrucksvoll und inspirierend. Die Wetterlage? Nein, das war leider wie Zuhause. Goethe: “Weit und schön ist die Welt, doch o wie dank ich dem Himmel, das ein Gärtchen beschränkt, zierlich mir eigen gehört.” Painting “Back home” by Marcos Milewski.]

woensdag, juli 18, 2007

Goede vrienden,

Over een paar dagen zijn we niet meer onder de rook van het huis. We verlaten huis en eiland en reizen naar de regio Thüringen dat vroeger een koninkrijk was, gelegen in centraal Duitsland: Eisenach-Wartburg, Jena, Erfurt, Weimar.
“Liebes Schattenbild! Ich vermache Dir es zurück, Lotte, und bitte Dich, es zu ehren. Tausend, tausend Küsse habe ich drauf gedrückt, tausend Grüsse ….” (‘Die Leiden des jungen Werther’).

Geschichtsbewußtsein, Erzählungen, Gedichte und die Liebe - Alles gute und bis 30 juli.
(Ik moet op adem komen, maar het beneemt me de adem te gaan.)
[Afbeelding: 1787 “Johann Wolfgang von Goethe” von Johann Wilhelm Tischbein, Weimar.]

dinsdag, juli 17, 2007

The mirror shows me a man alone in his bedroom,
his smile and the sun behind him


Het zijn de simpele regels van vermakelijke lach
over August’s wonderlijke ritme. Na het eten rond zessen
volgt elke avond rond de klok van elven een last supper.

Dan gaat hij te bed. Kleding in plooi geordend, fris en
schoon aan de haak schikt hij zich onder het witte laken, zó,
dat het dienblad op schoot niet wankelt.

Een glas melk, een kopje thee en drie sneetjes brood,
een met kaas, een met rookvlees, een met hagelslag
zonder suiker. Als nachtzoen een plakje peperkoek.

Geen televisie of ander vermaak, alleen dit, ook
in de winter, zelfs zonder degelijke pyama, maar naakt
rechtop in bed, alsof nog eenmaal smullend van een galgenmaal.

[© MN, in Always merry en bright. Afbeelding: “A man lonely reading in his castle” by Jacky Morris.]

maandag, juli 16, 2007

Een mens van het ogenblik
Mijn onuitwisbare, wakkere, ik


We zijn allemaal een gedicht
in onszelf, niet steeds te raden
wie we zijn, hoewel het lichaam

waarin we wonen, ons huis, in gebaar
en gelaat vaak doorzichtiger is
dan we wensen of vermoeden.

We zijn toch niet slechts een cerebraal
gebeuren, al wat we zeggen of voorwenden,
misschien ook al dat binnensmonds blijft,

angstvallig gekleefd aan mijn lippen,
verweeft zich in expressie en kan zelfs
het zwijgen voldoende doen spreken.

Hoewel het hart niet levenslang is te negeren,
kunnen we ons gedicht leven vol geheimen,
als een zwachtel om diepe wonden.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Inge zou zeggen: Waaide het maar zo hard dat ik weg zou waaien. The body does not lie. Our bodies are the most public signals of our identities and private reminders of who we are.
Afbeelding: “That invisible feeling” van Marcelle Hanselaar, “Getting a grip” by Mikel Glass, “Hope” by Monika Helgesen en het schilderij “Something happens to me” by Herbert Gustav Maichael Schmaltz.]

zaterdag, juli 14, 2007

Strijd en aanbidding

Wat ik een dezer dagen plots bij me opmerkte, is het vreemde misschien dat ik verstijfd kan zijn van angst of tot in mijn tenen kan trillen als een fragiel espenblad wanneer ik gewikkeld lijk in gedachten aan de dood, maar tegelijkertijd gefascineerd kan kijken, en met ontroering, naar de verbeelding van het menselijk lijden. Ik kan, alsof ik met mezelf in overleg ben, eigenlijk alleen tot de slotsom komen, dat ik ten diepste heb ervaren dat het lijden deel is van mij, wetend ook van iedere mens en dat die herkenning mogelijk de bevestiging is van de eenvoudige en tragische vaststelling: ja, zo gaat het in een mensenleven. En ik moet er ook maar niets meer aan toevoegen om niet de indruk te wekken dat ik me vereenzelvig met het lijden, we weten het immers, soms is het een verrukking, het leven, soms is het een dubbeltje op zijn kant.


[MN, in Geluk als minuten gestrooid, zei Buddingh’; Afbeeldingen van links naar rechts: “Do what your Mom says” by Louie Metz, “Hubris” (vernedering) by Volba Dlasich Stranek, een scène van droevigheid door Steven Assael, “Christ ton the crost” by Diego Rodriguez de Silva Y Velasquez, “Dying woman”, sculpture by Ron Mueck, “Frailty is moment of self reflection” by Fischl, “Excursion into philosophy” by Edward Hopper, “The little girl” by William Ropp, en omdat het van mij vandaan komt, een fragment van het eiland als slotfoto Maria en Hippocrates.]

vrijdag, juli 13, 2007

Le poète, il vit

De deuren zijn al lang gesloten, maar
mocht de zomer nog komen, dat het stralend
is en je het lichtste kleed vergeet,
als het water tussen de dijken als een spiegel

zo kalm is, het gras in zachte bries beweegt,
koel en warm tegelijk, alsof de wind diep ademhaalt
en dan zachtjes binnendringt, dan loop ik naar daar
waar wij rusten op onze buik met het hoofd in gebogen

armen. Toen het vogelhoofd nog niet bestond, zag
ik haar lonken met haar romige billen, beminnelijk en mooi,
een ander de venusheuvel als een helm tussen haar
dijen, glinsterend van schoonheid en onschuld.

Mocht de zomer nog komen, dan blijf ik
liggen met mijn ploeger in de aarde, haar schoonheid
wordt me bijna teveel, maar haar billen tonen,
ik kan het niet laten, is het niet gewoon ons leven?

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg, of is het simpelweg l’espoir d'un soir d'été? Het is duidelijk een herinnering aan vervlogen tijden, maar zolang ik leef, kan niets ervan voorbij zijn. Foto van het www, het symbolische beeld van schoonheid op aarde, niet te verwarren met een maat voor schoonheid. Ik bewonder het lichaam, maar eigenschappen gaan verder en zijn me liever.
Maar, om met Cesare Pavese te (weer)spreken, ik ben niet gemaakt om over de heuvels te zwerven, zonder vrouwen, met de handen op de rug.]

donderdag, juli 12, 2007

Mijn leven een struikgewas

Al snoeiend effen ik mijn pad
Alle vroegere dagboeken heb ik een aantal jaren geleden ver­nietigd, grondig en nooit meer leesbaar verscheurd. Het kan alleen maar de schaamte zijn die me tot deze heimelijke en nu betreurenswaardige daad bracht. Toen ik die acht in karton gebonden boekjes zag en teruglas in de geschiedenis, leek het alsof ik me­zelf niet wilde herkennen in al die dwaas­heden, butsen en scheuren van mijn leven, waarschijnlijk omdat ik een ‘nieuw le­ven’ begon dat overigens tóch en onvermijdbaar in verband blijft met mijn ver­leden.
Ook mijn huidige dagboekdelen kennen fragmenten die het schaam­rood (kunnen) wekken, maar of ze nu afkomstig zijn uit de ver­beelding of de realiteit, ze ko­men uit één pen, één geest.
Er liggen hier nog wel enkele notities uit 1975-1983, destijds uitgeknipt als boekenlegger, zoals deze: Ik ben als een wind over het land getrokken en liet scheuren en wonden achter mij. Ach­ter de bleke heuvels van mijn verlangen. De onbezonnenheid. Het is verontrus­tend hoe menselijke stormen kunnen huishouden. De wereld hangt soms als een struikgewas over mij heen. Zo dicht, dat ik slechts ruw­weg om mij heen kan zien, zo­als Illyés het beschreef, “waar ik ook grijp, er ont­wik­ke­len zich uit duizenden richtingen draden om mijn vingers – hoe moet ik daar nog iets fraais van maken?”

Ieder mensenleven kent verwante weefsels en is vrijwel nooit zonder domheid en achter ieder spreken zit een we­reld van stil­le gedachten, van dromen en verlangens die lang niet al­tijd sporen met de realiteit ... of met evenwichtigheid of innerlijke beschaving. Waarom zou ik een soort van ‘heiligheid’ veinzen terwijl de ontwikkeling van een mensen­leven telkens weer stuit op steeds weer wisse­lend innerlijk op­onthoud? Anderzijds kan het een verwoestende vergissing blijken. Ik moet denken aan de roman van Ian McEwan, Boetekleed, waarin Robbie Turner een brief schrijft aan een meisje en opbiecht verliefd op haar te zijn. Als de brief af is en nog uit de schrijfmachine steekt, tikt hij er in een op­wel­ling onder: "In mijn dromen kus ik je kut, je lieve natte kut." Hij schrikt zich rot en bloost, trekt het vel uit de machine en tikt de brief opnieuw uit, ditmaal zonder PS. Maar door een vergissing raakt de verkeerde brief in de enveloppe en voor hij kan ingrijpen is de brief op weg naar zijn geliefde. Ik dacht, had hij maar geschreven, ‘Jij Venus, lieve Venus, kom dichterbij.’
[“Adam and Eve expelled from paradise” by Marc Chagall – to remind myself that all things must end?]

woensdag, juli 11, 2007

Idealen zijn als levensadem

“When I was young”… en plots herinner ik me hoe ik ongeveer zoals hier aan zee was en de stem van de zee hoorde, de stem aan mijn horizon die zei dat alles een eind kent terwijl ik er nog geen flauw benul van had, hoewel, het geluk was nog niet van mijn lippen of mijn moeder overleed. Maar hoe wijds toonde zich niet het leven, alsof het eeuwig zou duren, de tijd van de fabels en illusies – laat mij er maar in leven. Een man met dromen, en ik zie nu, een man met vaste en noodzakelijke idealen. Iemand met een romantische gedachtewereld, en zo’n man verwacht meestal teveel, dus omgekeerd ervoer ik vaak de teleurstelling. Ach, stoot niet iedereen vele malen zijn hoofd voor hij zijn weg verlegt?
Zie de stilte van dit jongemanslijf, een stilte even tastbaar als ik in mijn jeugd aan vaders zijde ervoer. Steeds eraan den­ken, nooit erover spreken. Hui­ve­ringwekkend, want ik vond gisteren een korte aantekening uit 1977. “Ik ben het februarikind dat bleef hangen aan het prikkeldraad van zijn Spartaanse vader. Al vroeg was ik een oud kind, de ontluistering van het leven, het is als een muur vol losse stenen.”
[Photo by Pascal Renoux.]

dinsdag, juli 10, 2007

Herinnering en realiteit

Herinneringen zijn onlosmakelijk verbonden met de tijd en het lijkt een trucage te veronderstellen dat een herinnering een emotie is waarin de tijd (waar de herinnering betrek­king op heeft) er niet toe doet. De herinneringen van mij en mijn broers en zussen aan vroeger zijn weliswaar niet identiek en toch is de bron gemeenschappelijk en zal geen van ons zeggen dat de herinnering van de een of van de ander helemáál niet klopt of een valse is omdat de realiteit anders zou zijn. Die ene en voor ieder ge­lijke realiteit wordt door elk van ons onderschreven als ‘zo was het’ maar heeft niettemin (heel) ver­schillend op ons ingewerkt; de nagelaten sporen zijn niet alle dezelfde, maar praten we over de structuur van de op­voedingspraktijk, dan was er daar maar één van. Die ene ondeelbare en niet te ontkennen prak­tijk is in de herin­neringen van ieder van ons herkenbaar, zij het door ge­deeltelijk heel andere emoties gekleurd of omgeven. Hierin echter ligt de erkenning dat feiten verschillend wor­den ervaren, - maar zonder te miskennen dat die feiten op een bepaalde tijd betrekking hebben. Stel dat er een echte na­ko­me­ling was geweest in ons gezin terwijl de meeste gezins­le­den al op zichzelf leefden – die zou later zijn jeugd vol­strekt anders percipiëren, voor ons, intussen véél ouder geworden, van­wege de verwantschap niet onherkenbaar maar wellicht bijna wel on­in­voelbaar vanwege het grote verschil in tijd en context.

Volgens de Griekse wijsgeer Parminedes (450 v Chr) zijn herinneringen iets van het heden, en niet van de tijd die men zich meent te herinneren. Dat geloof ik vast want ze kunnen – ten aanzien van de dezelfde gebeurtenis – ook veranderen.
Voor zover de herinnering kan worden aanvaard als bron van kennis, moet het ver­leden ons op dit moment voor de geest staan, en dus in zekere zin nog altijd bestaan. De Franse filosoof Bergson (19de eeuw) meent, dat in het geheugen het verleden tot in het heden blijft leven. Herinneringen hebben betrekking op afzonderlijke ge­beurtenissen of gelegenheden die uniek zijn en gedateerd kun­nen worden. (Iedere gelegenheid heeft zich slechts een­maal voorgedaan en onmiddellijk een indruk achtergelaten.)
Het brein is complex (en het geheugen wispelturig en se­lec­­tief), daar, in dat ene systeem, gebeurt alles. Er is geen aparte opslagplaats voor herinneringen. Het brein en dus ook het ge­heugen is bezig met het heden. De informatie uit het verleden wordt ingepast, en dus aangepast aan de ver­langens en be­hoef­ten die nu aan de orde zijn. De psycho­loge Susan Engel, auteur van Context is everything. The na­ture of Memory, be­toogt dat autobiografische herin­neringen subjectief zijn, en eerder dan op een waar­heids­getrouwe weergave van wat in het verleden voorviel, gericht zijn op het creëren en instand­houden en aan de buitenwereld vertonen van een identiteit.

[“Two women” by L. Curral. I love this painting, “there they are, both of them alone in the light”, zoals ik mezelf herinner, alleen in het licht en ik herinner me nu, nu ik het schrijf, de versregels van Herman Gorter: Ik ben alleen in het lamplicht/ de dingen kijken met een glad gezicht/ om me in 't licht.]

maandag, juli 09, 2007

De leugen van Tolstoi

III Het oog dat leest (slot)

In De dood van Iwan Iljitsj beschrijft Tolstoi de klassieke ontkenning van ongeneeslijkheid. “Wat Iwan Iljitsj nog het meest kwelde was de leugen. De leugen, die om een of andere reden door allen aanvaard werd, dat hij alleen ziek was, maar niet zou sterven, dat hij zich alleen rustig moest houden en laten behandelen en dat alles dan wel weer in orde zou komen.” En hij wist zich aan de vooravond van de dood, terwijl de familie hem, maar ook zichzelf (?), ervoor wilde sparen. Dit komt veel voor bij patiënten met een ongeneeslijke ziekte. De verpleegkundige van het hospice vertelt dat veel patiënten veelal wel weten van de realiteit, maar hoopvolle gedachten houden en over het naderende sterven vaak met geen woord willen spreken. Zo zei een patiënt die over zijn sterven nooit wilde praten, op de dag dat hij zou komen te overlijden opeens: “De boom gaat vallen.”
Ook Bep en Jan waren ervan overtuigd dat het informeren van Fien haar onnodig verdrietig en angstig zou maken en dat het beter was haar illusie over herstel ‘heel’ te houden. Fien was weliswaar een vrouw van in de vijftig, maar had een verstandelijk niveau van een twaalfjarig meisje dat angstig vroeg: “Ga ik dood?”, “Dat weten we niet”, maar troost vond in de gedachte aan “Mama die al in de hemel is”. Misschien was dat voor haar het enige dat ze nodig had om te weten. Misschien was het ook net iets te weinig. Want terwijl de familie van Fien meent dat zij beter niet kan weten hoe ernstig haar ziekte is, registreert de film dat zij zich daar toch in een zekere zin van bewust wordt. Terwijl er wordt gebeden, vertelt het gebed haar hoe het met haar is en wordt ze erg verdrietig.

Dat ook de stervensscène is gefilmd, kan worden toegeschreven aan de wens van Fien naar de filmer ‘er steeds te zijn’, in het licht van hun wederzijds geboeid zijn. Het sterven kon daar niet van weggehouden worden; het hoort bij het leven en bij de onuitgesproken belofte aan Fien haar leven te filmen.
Sterven is wel het ergste dat een mens kan overkomen. Het is de ultieme schade die ons ten deel zal vallen, een schade die alle andere vormen van schade letterlijk in het niet doet verdwijnen.
Sterven is tragisch, droevig, verdrietig maar – en dan spreken we vaak van ‘een goede dood’ – tegelijk ook troostvol, dankbaar en bijna gelukkig als dat altijd onverwachte uur aanbreekt en het eindpunt is van een tijdspanne van rust, van aandacht, van vreugde, van eenheid.

Een film is als elke roman een verhaal. Film, literatuur, theater en muziek stimuleren onze verbeelding, het inspireert ons denken, het ontroert ons gevoelsleven. We lezen de tekst van een schrijver of cineast, maar naderen de aard van de zielen die er een rol in vervullen. Zo is in deze film, Op de drempel van het leven, de sociale, psychische en spirituele dimensie van het sterven aan te voelen en te begrijpen. Waar het om zorg gaat, geeft het een beeld van normaliteit. Waar het gaat om verstandelijk gehandicapt zijn, is ontferming van het kwetsbare te zien en te ervaren. Daarin ligt de waarde van het oog van de camera.
[Foto van begraafplaats Père la Chaise par Sylvain Entressangle.]

zaterdag, juli 07, 2007

Communiceren in bewogenheid
II Symbolen en rituelen

Mensen wonen als het ware in het verhaal van hun geschiedenis, van verworven kennis, ervaringen, opvattingen en wensen. Wezenlijk voor ons bestaan is het vermogen daarover te kunnen vertellen, van gedachten te kunnen wisselen, mededeelbaar te kunnen zijn en begrepen te kunnen worden. Daarin onderscheiden verstandelijk gehandicapten zich niet van anderen. Het taalbegrip en het zich begrijpelijk kunnen uitdrukken is meer of minder beperkt, maar daarom is hun verhaal – zelfs dat van ernstig verstandelijk gehandicapten – niet ‘onleesbaar’.
Veel hulpverleners, beter gezegd de groepsleid(st)ers, evenals directe verwanten die zich om hen bekommeren, hebben een bijzondere en bewonderenswaardige antenne ontwikkeld om woorden te verstaan; voor leken zijn het vaak onbegrijpelijke klanken. Affectiviteit speelt hier een sleutelrol, want het is liefde, geduld en aandacht die gevoelig maken voor de belevingswereld van de ander en die het mogelijk maken om langs andere dan verbale wegen te begrijpen wat een ander wil uitdrukken. Verstandelijk gehandicapten verschillen op dit punt niet van ‘gewone’ mensen, zij het dat bij hen scherper aan het licht komt wat als vanzelfsprekendheid doorgaans buiten beeld blijft.
Behalve dat veel zorgverleners vanuit een grote toewijding hun mensen begrijpen of aanvoelen, is het gebruik van symbolen, van pictogrammen en rituelen een belangrijk en verhelderend hulpmiddel. Ook daarin verschillen verstandelijk gehandicapten niet van mensen in de verbale wereld. Symbolen kunnen heel concreet en alledaags zijn.
Een groepsleidster: “We hebben een album met een kruis op het omslag. Op momenten dat het nodig lijkt, bekijken we samen de foto’s van de overleden huisgenoot, we lezen de condoleancekaartjes en de kleine verhaaltjes die er bij staan, dat herinnert vaak aan vrolijke voorvallen of grapjes en dat biedt troost.”

Fien hoopte graag spoedig weer terug te gaan naar het GVT. Foto’s en tekeningen van huisgenoten symboliseren de verbondenheid en zijn een troost voor afwezigheid zonder te weten dat die voorgoed zal zijn. Het kruisbeeldje is voor haar een vertrouwd symbool van de hemel waar haar moeder is en herinnert aan liedjes en gebeden.
Rituelen geven voortdurend vorm aan ons alledaagse leven, zoals voor Fien het bidden van het Onze vader een vertrouwd ritueel was. Het ontroert haar nu het kennelijk voor haarzelf van betekenis is. Niet het nadrukkelijk praten, maar de aanwezigheid van haar zus en broer symboliseren een-niet-alleen-zijn en veiligheid en een delen van verdriet. Niet het praten over kanker wat heel erg voor haar zou zijn, maar het praten over ‘mama die al in de hemel is en altijd op haar zou wachten’, dat schiep ruimte. De hemel was het paradijs. Zo scheppen symbolen ruimte, innerlijk maar ook heel concreet, om een (voor iedereen) moeilijke weg te gaan. Waar anders wellicht het spreken deze weg helpt effenen, zijn het nu symbolen.
Een belangrijke waarde in de palliatieve zorg is een affectvol nabij zijn teneinde de betrokkene te behoeden voor een dood in ontzettende eenzaamheid. Het besef van deze waarde is in de film goed te herkennen en doet proeven, dat een goede omgang met het levenseinde alles heeft te maken met het geven en ervaren van ruimte. Ruimte is noch gebonden noch afhankelijk van woorden of van uitleg. Symbolen kunnen evenwel ook een valkuil verbergen. Ze kunnen niet alleen ruimte geven maar ook verhullend werken.
De leugen van Tolstoi ….

[ Schilderij: “Woman’s soul” by Gevorg Yeghazaryan.]

vrijdag, juli 06, 2007

Palliatieve zorg en verstandelijk beperkt

I De troost van liefde

Een jaar of zes geleden wilde het hospice in Rozendaal de palliatieve zorg met een televisiedocumentaire opnieuw onder de aandacht brengen. De cineast Roy Dames, die een tijd vóór het verzoek een zwaar ongeval had gehad (“met de dood in de ogen”) was meer dan geïnteresseerd en zegde toe. Om de kleine leefgemeenschap van stervenden van nabij te kunnen volgen, parkeerde hij zijn caravan drie maanden lang naast het hospice.
Zowel de vraag als de toezegging op dat moment had niets van doen met Fien, een licht verstandelijk gehandicapte vrouw van 57 jaar met ongeneeslijke kanker. Zij werd wel de belangrijke ‘romanfiguur’ in de film, als gevolg van de alchemie tussen Fien en Roy, vanaf het allereerste moment. Het klopte tussen hen. Zij was opgewekt, direct en heel uitnodigend. Als hij er eens even niet was, was het meteen: “Waar was je?”
Fien woonde in een druk gezinsvervangend tehuis. Hoewel thuis sterven algemeen wordt beschouwd als ideaal, werd in haar situatie besloten tot opname in het hospice want de zorg werd te zwaar. Fien wist dat ze ziek was, maar verwachtte en hoopte toch spoedig weer naar huis te kunnen. Haar broer en zus, die dagelijks op bezoek kwamen, wilden haar die illusie niet ontnemen. “Die hoop is voor haar van groot belang. Zij kan het zeker niet aan te horen te krijgen dat ze zal sterven.”
“Wat gaat er allemaal in haar om?” Zelfs haar zus, Bep, die al haar leven lang nauw was betrokken op Fien, wist daar in deze fase niets over te zeggen. “Ik kan er niet in komen.”
Haar broer: “Ze denkt dat ze morgen dit hospitaal kan uitlopen en weer beter is. Waarom zou je zo iemand de hoop ontnemen en zeggen: ‘Je hebt kanker en gaat dood!’ Het is onze keuze om het niet te vertellen, wel moeilijk, maar we volgen ons hart.”
Fien zelf: “Ik ga dood, maar nog lang niet, niet eerder dan ik wil.” Fien toonde zich gelukkig in haar wereldje, genoot van cd’s met levensliedjes en van het bezoek van medebewoners van wie op het nachtkastje en aan de wand foto’s en tekeningen het symbool waren van hun aanwezigheid.
Over de dood werd alleen indirect gesproken, zoals in twee scènes goed geregistreerd.

De pastor (“Meneer pastoor”) komt op bezoek. Niet, zoals hij zegt, omdat Fien doodgaat, maar gewoon om kennis te maken.
Pastor: “Maak je je zorgen?”
Fien: “Ja, ga ik nog niet?”
Pastor: “Dat kan gebeuren als je ziek bent. Ben je bang?”
Fien: “Neen.”
Pastor: “Wie wacht er op jou?”
Fien: “Mama. Maar ze moet nog even wachten.”
Pastor: “Wanneer iemand ziek is dan kunnen we bidden om kracht.” De pastor herinnerde haar aan dit ritueel, en wanneer hij het Onze vader met haar bidt, begint ze te snikken.

Fien had een klein kruisbeeld, wat groter dan van een rozenkrans, en dat wilde ze graag meenemen als ze dood zou gaan.
Broer: “Wat ga je doen met je kruisje?”
Fien: “Neem ik mee in de kist.”
Broer: “Aan wie geef je het dan als je boven komt? Dan kun je tegen mama zeggen: ‘Ik heb jouw kruis.’ En wat neem je nog meer mee?”
Fien: “Mijn twee beren, Ernie en Witje.”

Toen Fien en de pastor samen het Onze vader opzegden, huilde ze en verborg ze haar gezicht in de lakens. Niemand wist wat er in haar omging, maar niemand verliet haar, voor geen minuut. Misschien wist ze wat niemand wilde dat ze zou weten, maar ze kon zich veilig voelen in de liefdevolle blik van de anderen. Er werd niet gesproken, maar er hing een atmosfeer van zichtbare vredigheid.
Fien klaagde niet. “Zij was altijd vrolijk.” Maar de laatste dagen begon ze wat te mopperen en was ze erg moe. Ze sliep veel terwijl Bep en haar broer Jan bij haar bleven. Ze overleed in een liefdevolle omgeving zoals we hopen dat het iedereen zo mag gebeuren. Bep lag met de warmte van haar wang tegen die van Fien.
Mensen wonen als het ware …..

[Samen met mijn vroegere collega dr. Carlo Leget schreef ik hierover een artikel, gepubliceerd in TGE, Tijdschrift voor Gezondheidszorg en Ethiek, jrg. 14, nr. 1, 2004. Afbeelding (art brut of outsider art): “De massa en ik” van Ilona Schmitt.]