Pagina's

maandag, april 30, 2007

Een eiland, gelijk een doopvont van stilte

Pas als ik zilvergrijs ben, zal ik willen
gaan nu de herinneringen mij volgen, maar
ik ben nog immer onderweg
al stap ik soms zwaar, Thanatos

komt soms midden in het leven.
Mijn innerlijk zwijgen spreekt, ik ben
de herder en zijn kudde het woord, of de
dichter voor een wachtende akker.

Er is een vriend die ademt en lijdt en
van de toekomst nog wil weten. Hij die zichzelf
bewoont, hij voelt de weemoed maar wil
het wonder horen. Er zal een nieuw begin zijn.

Ook is er een gouden ziel die luistert
en spreekt een taal van al dat leeft, zij is
gelijk Gezelle’s diep gedoken woord van vrede
en verlangen.

We zijn met velen tussen licht en duisternis,
gezien en soms gebroken tot de vriendschap
ons bevrijdt en daarom blijf ik leven.
Nee, ik laat me niet verleiden tot de dood.

[©MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Schilderij van Jaroslaw Kukowski, born on 11 April 1972 in Tczew, Poland.]

zaterdag, april 28, 2007

Luisteren is langzaam zijn

Ik zat van de week, het was windstil, de magnoliabomen waren al helemaal uitgebloeid en het leek wel hartje zomer, op een bankje bij de vijver waar in vroegere winters half Velp ging schaatsen, toen een man opmerkte dat het “in dit weer toch wel lang is vol te houden”. Hij was niet veel groter dan ik, wel veel jonger, had een flink postuur, zwart haar, wenkbrauwen als borstels, donkere ogen en bolle, bleke, wangen. Eveneens gekleed in het zwart, zoals mijn vrouw ook mij kan uittekenen als zij me ooit als vermist zou moeten opgeven. Zwart, feitelijk de ontkenning van alle kleur, is het ‘nee’, in tegenstelling tot het ‘ja’ van het wit. Hij was intussen gaan zitten en keek me aan alsof hij benieuwd was of ik zou antwoorden.
“Wonderlijk hè, dat alles en iedereen zo opgetogen is over de behaaglijkheid van dit weer, dat alles in rep en roer is en gelukkig lijkt. Het is buiten een en al museum.”
Hij knikte, glimlachte. Zijn handen maakten een gebaar alsof hij verrast was. “Ik kan er niet over uit dat de lente door het leven waait, zo zacht en indringend. Maar gelukkig?”
“Komt u uit het duister?”
“Ik woonde lang in Wolfheze. Kent u dat?” Als ik dat zou kennen, dan ken ik het duister. Hij draaide een shagje. “Ja, ik ken het (apz) daar.” Het wilde niet goed lukken, hij frommelde het vloeitje tot een prop, knipte het tussen duim en vinger weg en wilde het nog eens proberen, maar hij nam gretig een Marlboro van me aan. “Mijn ouders zijn veertien jaar geleden verongelukt, een dikke twee jaar later mijn zusje, Eva. Ze was al een tijd ziek, acute leukemie. Maar voor Zilver, het tweelingzusje, hield toen alles op. Ze zorgde voor ons, zoals al die jaren, maar zei geen stom woord meer. Nog geen twee maanden daarna is ze van de Waalbrug gesprongen, ’s avonds, het was al donker.”
Mijn hemel, alles ineens, en hij heeft al een kerkhof vol. Hij nam uit zijn binnenzak een notitieboekje, het stond bol van beduimelde blaadjes met allerlei voor mij onleesbaar gekrabbel zonder kantlijn. “Dit zijn Eva en Zilver.” Hij hield het boekje voor me alsof ik het even zelf in de hand moest nemen, maar hij hield het stevig vast, zijn duim met ver afgekloven nagel over de linkerpagina. Alleen wie hen kende, zou ze kunnen onderscheiden. Het gelaat van twee jonge vrouwen, dicht bijeen en identiek, zelfs de slag in het haar was niet anders, en ook de droefenis niet. “Rechts is Zilver.”
“Alleen gezorgd, nooit bemind?”
Alsof er stof op lag, veegde hij de foto over z’n mouw die niet erg schoon was. Hij hield het boekje zo voor me dat het leek alsof we beiden voor hun graf zaten. “Vind je ze mooi? We waren gek met elkaar, alledrie. Een man van buiten, neen, die was er niet. Na Zilver was er niets meer. Nee, ik zeg overal nee op.”
Alles is zwart geworden. Wit is de bladzijde waarop het verhaal geschreven moet worden, zwart is het eind, waarachter niets meer is. Liefde en tragiek, nu voorgoed bijeen.
“In opstand tegen je lot. Maar is het leven niet een beetje anders aan het worden?”
Hij keek me aan en knikte in een zachte glimlach. “Ik woon weer op mezelf. Gek, ik vertel dit nooit.” Zwart is niet het eind, het is een verlangen. Hij draaide opnieuw een shagje. Het lukte.
“Het is ook niet een verhaal om in te wonen.” We gaven elkaar de hand, stevig, zoals je in een handdruk er twee kunt geven. “Blijf spreken Joseph, dan zul je het er ook lang in volhouden.” Hij stak zijn peuk aan en liep de andere kant op, maar gek, op eenzelfde ogenblik draaiden we ons nog eens naar elkaar om en staken de hand op. Zwart is klein, maar iemand is meer dan hij zich laat kennen.
[Schilderij “Emotional wind” by Victor Safonkin.]

donderdag, april 26, 2007

Zij is de aarde, hij de ploeger

In zijn laatste maanstonde,
ontdaan van al zijn hoofdhaar en
gevoed van volle pijn, kijkt hij rustig
en mild alsof hij alle tijd heeft.

Hij ligt in de tuinkamer
als levend opgebaard te slapen en te dromen
van al wat hij heeft ondernomen,
met stille mond bereid te gaan.

Met vlekken op zijn oudgeworden huid,
het sterven is reeds begonnen,
hoort, zijn geest is niet van hier en nog niet van daar.

Nog even blijft hij overnachten
totdat alle vuren zijn gedoofd
en hij de schare met onvermoede pijn achterlaat.

Hij heeft niets meer te bedisselen
en wekt bij niemand nog enige toorn.
moe van wat niet gedaan is en
toch zijn lot bezegeld heeft.

[© MN, Een gebroken gedicht voor mijn vader. Hij stierf op 1 mei 1994, maar zou vandaag, 26 april, 83 jaar zijn geworden. Al het stoffelijke is weggewaaid over zee. Beeld op mijn eiland.
Afbeelding: “Zittende oude man” van Wim Kuyl; het staat achter de Bijenkorf op Het Eiland in Arnhem.]

woensdag, april 25, 2007

Een herinnering van ver,
een oase

Jij, kleine blonde, scherpe geest
altijd in ’t rusteloze hart van de samenleving,
maar eindelijk, na historisch tumult, gearriveerd.

Nu je op ‘hoge hakken’ weggaat
is het alsof je iets van ons afneemt en wij voorgoed
je gastvrijheid, je visie, je haast en je anekdotes kwijt zijn.

Jij bent de ziel die in de bres springt en nooit opgeeft,
jij bent de stem die roept en waakt en zwijgt waar nodig,
maar het denken gaat onverdroten voort.

Jij, felle deerne in zachtzwart fluweel, vanaf heden
zijn het op Rozendaal en de academie
nog herinneringen in wintertijd.

Jij hebt het goud in jezelf gedolven,
te vuur en te zwaard als het ware, niet roekeloos
maar trouw zul je luisteren en spreken, alleen niet hier.


[© MN in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Schilderij “Harmony” by Mihail Aleksandrov. Aleksandrov was born in 1949 in Vilnius, Lithuania and immigrated to the United States in 1980, settling in New York City.]

maandag, april 23, 2007


Morele passages omtrent thuisloosheid XVI

Ja, zij geven soms overlast gespiegeld naar onze normen of zijn zo opvallend afwijkend aanwezig dat we geïrriteerd naar hen omzien, maar zij beschimpen onze orde niet. Zelden is er sprake van een bewuste provocatie en als het gebeurt, bijvoorbeeld door een kraakactie, tonen zij hoe betrekkelijk ‘de orde’ van vandaag is, hoezeer zij voor rechteloos worden gehouden en tegelijkertijd aanspraak maken gerespecteerd te willen worden als burger – maar voor ‘burgers’ gelden specifieke criteria. Soms nemen ze, zoals ooit gebeurde bij het kraken van een pand om tot nachtopvang in zelfbeheer te komen, het recht in eigen hand, maar dat betekent dan verantwoordelijkheid nemen voor het eigen bestaan waar de samenleving dat in nog onvoldoende mate neemt.
Bovendien vervullen veel daklozen nadrukkelijker dan ooit en al zeker vijftien jaar door middel van straatkranten een maatschappelijke rol, en dat is in tweeërlei opzicht van betekenis. Enerzijds de bewustmaking in de samenleving van vele concrete problemen, anderzijds de verbetering van de eigen positie want de krantenverkoop biedt hen een (alternatieve) inkomstenbron. Het heeft een emancipatoir effect. Zij willen dus helemaal niet bruuskeren, maar tot uitdrukking brengen dat zij één zijn met de samenleving. Zij vormen niet slechts een probleemgroepering in een gevestigde samenleving, maar maken deel uit van het georganiseerde sociale leven als zodanig. Met andere woorden, verschijnselen komen niet onafhankelijk voor van de maatschappij waarin zij worden vastgesteld. Alsof er twee werelden zouden bestaan, een die ‘de ware’ is en centraal staat en een die er wel is maar niet bij hoort. Dit is den ik ook de belangrijkste grond voor onze morele verantwoordelijkheid jegens allen die zich ‘anderszins verhouden’ tot wat wij onze samenleving noemen.

En al wat hier tot dusver geschreven staat over thuislozen, dat zijn ze niet. Het zijn geconstrueerde beelden, halve beelden of gesneden beelden van de zogenaamde werkelijkheid. De echte werkelijkheid, dat is ieder van hen zelf, met een eigen geschiedenis, met eigen mogelijkheden en wensen, met emoties en behoeften en verlangens, mensen die gepokt en gemazeld zijn door het leven, gewoon mensen, oog in oog met hun berooidheid, die juist het onmogelijke leven weten te leven.
[Schilderij “Talking to Donatello by Davis Morton.]

zaterdag, april 21, 2007

Twee harten en ’n beetje taal

Op de rand van het dak zit een spreeuw
tevreden voor zich uit te prevelen, terwijl
twee dichters uit genegenheid een taal spreken
van verwondering en wederkerigheid.

Leg in mij een bed van aardbeien
en al wat tussen ons over de tong gaat,
zal ademen naar innigheid want
zonder dat is alles zwak en koud.

Wanneer de koude verdreven zal zijn,
je adem voldoende is voor een uur,
is de vriendschap voor langer, gelijk
aardbeien en een bed onder vuur.

Is dit niet het klare woord in de obsessie
voor koele onafhankelijkheid, in de lichtschijn
immers van het zelfbestuur woont het verlangen
als honger naar vrijgevigheid en aanhankelijkheid.

[MN, met dank voor het 3de couplet van Cath*,
http://kenzokalimantan.web-log.nl,
molenaarsdochter, schrijfster, een hofdichter op haar werk, altijd en ook stil aan het woord,
dat me doet denken aan een paar mooie regels voor haar van Cesare Pavese:
Du erwartest nichts, nur das Wort, das dem Grund entspringt wie die Frucht dem Zweig.
“Twee harten en ’n beetje taal” werd spontaan geschreven naar Cath’s volgorde van diner-gangen en staat hier nu in wat ik maar noem
Twee aangeklede zielen. Afbeelding: “Verwondering” van Elly van Doorn (zie Links).
En zo ontstaan er poems on several occasions, zoals die van Stephen Duck in 1736.]

vrijdag, april 20, 2007

Angsten danken we aan onszelf, niet aan de natuur

Ik ben de man die zijn hoofd moet vasthouden en soms niet meer weet hoe dat moet. Twee jaar geleden kreeg ik van mijn broer een mp3-speler met prachtige muziek en ik had gelukkig al gauw door hoe dit kleinood, waarmee ik voordien al duizend jongeren op het perron had gezien en waarnaar ik keek alsof de tijd mij gevlogen was, bediend moest worden. Eén nummer bleef ik almaar herhalen en met verwondering over de schoonheid van het Allegro Moderato van Beethoven zou ik voor altijd blijven leven. Ik lag daar met een last om me heen alsof ik een herder was die zijn dode schaap in de nek naar een groeve droeg, maar nog niet wist dat het zijn lot was zo’n lange weg te moeten gaan dat hij met zijn last zou vergroeien. Als ik dan even niet meer weet hoe het moet, ga ik een paar uurtjes liggen, doe die met zwart fluweel gestoffeerde oordopjes in en word als stromend water in een tijdloos kabbelend beekje. Het Allegro is voorgoed verbonden met die tijd, met het gebaar waarmee ik het kreeg en hoe ik daar als kleine gekwetste man plotseling buiten het gewone argeloze leven was geraakt maar evengoed omringd werd met vriendschap. Toen wist ik nog niet dat de last voorgoed mijn deel zou zijn en wat ik er allemaal nog mee te stellen zou krijgen, maar als ik mijn ogen sluit en diep in de tonen van de pianist terugluister, dan lijkt het wel alsof het leven geen geheimen meer kan hebben, hoe weinig ik er ook van begrijp.
Ik liep door het stof onder aan de voet van de berg. Soms keek ik over de rand van mijn bril naar boven. Ik greep me vast aan de toppen van struiken en vond een pad. In de verte kon ik niet turen en ontdekte te laat dat ik met een boog weer naar beneden liep. Het is een deel van de angst, dat niets meer gewoon is. Het is een deel van de angst dat je stervende bent en niemand het ziet en het ook helemaal niet waar is. Ik ga dan liggen en zeg mezelf, sluit niet de ogen voor wat je zelf maakt.
“Niet aan de natuur”, zei Blaise Pascal (1623-1662), “maar aan onszelf, de angsten die ons van streek maken omdat ze aan de toestand waarin we ons bevinden de hartstochten verbinden van de toestand waarin we ons niet bevinden.”
[Zie Pascal, Gedachten, p. 295. Ludwig Von Beethoven, Allegro Moderato, Piano Concertos Op. 15,58. Afbeelding: schilderij “Dream” by Jeffrey Maron.]

donderdag, april 19, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid XV
"Waarom leef je eigenlijk, als je er niet om geeft goed te leven?"

De scepticus Diogenes of Sinope (400-325 v. Chr.), zoon van de bankier Icesias, was een zwerver, een straatbewoner wiens levenswijze een permanente provocatie behelsde aan het adres van de gevestigde straatetiquette van destijds, bijvoorbeeld omdat het zijn gewoonte was op straat in plaats van in huis te eten, te urineren, te masturberen et cetera. Diogenes trachtte doelbewust de ethische en esthetische afschuw van zijn stadgenoten op te wekken want hij wilde de leegheid van de heersende morele normen onthullen, en laten zien dat een nulgraad van leven mogelijk was en dat al die kwesties en zaken waaraan de doorsnee burger zijn tijd, zorg, ja zijn hele leven besteedde, vanuit het standpunt van de filosofie als lachwekkend en zinloos moest worden aangemerkt. Het gedrag van Diogenes kwam niet voort uit een houding van lijden en was evenmin een houding waarin geen trots of waardigheid stak, maar vormde daar juist het tegendeel van. Hij wilde opzettelijk in volkomen kaal gedrag zijn verachting voor medeburgers tot uitdrukking brengen. Het was zijn intentie te laten zien, dat hij de enige redelijke en autonome burger was, de enige mens in de ware zin des woord.
Diogenes’ provocaties moeten begrepen worden als een bewuste filosofische keuze, als een intellectuele strategie, als een poging het establishment te bekritiseren. Niettemin is de associatie met dit historische moment, dit antieke scepticisme, niet zo vreemd, waar de hedendaagse zwerver, de undesirable, ook niet vreemd is met de gemoedsstemming van verachting voor de gevestigde morele cultuur. Zij zondigen tegen allerlei ongeschreven regels. Zij vervullen geen enkele traditionele rol. Ze slapen op banken in parken of in portieken, ze hangen doelloos rond op straathoeken, op perrons en in passages, zoeken naar etenswaar in vuilnisbakken en pissen waar het kan. Dus al met al, wat zij doen, is het bruuskeren van de culturele orde. Hun provocerende gedrag herinnert aan het schandalige scepticisme van destijds, en toch is het niet alleen onjuist, maar ook respectloos de daklozen van vandaag uit te beelden als degenen die onze orde verstoren en beschimpen.
[Schilderij “Diogenes Looking for a Man” by J. Tischbein.]

dinsdag, april 17, 2007

In mijn verhaal is te wonen

Te vele malen verwijlde ik aan het eind, zeg jij,
“j’étais trop de fois fatiguée, mais tu m’as
touchée”. Jij en ook het leven zelf raken me onderhuids.
Hoewel het leven gelijk een harde korst broos en breekbaar blijft,

tot nu is er het behagen van begrip, maar
ik vrees de pijn van de koelte, “douce consolation”,
fluisterde je, tot nu de troost en de bemoediging,
je weet me teder toe te dekken.

[MN, Naar een briefwisseling met Lut. Afbeelding: “A balance of shadows” by Gregg Chadwick.]

maandag, april 16, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid XIV
De mensen van het gemiste leven?

Het goede leven is kwetsbaar. Welk ‘verhaal’ over de moraal van de hedendaagse samenleving we ook aanhangen, in de dagelijkse realiteit stuiten we op het niet te negeren sociaal feit van zwervende mensen die zich ogenschijnlijk willens en wetens van iedereen hebben afgekeerd, die veronderstellen dat dit, de afwijzing, wederzijds is maar in hun (paradoxale) verschijning toch een beroep doen op mededogen en aandachtige betrokkenheid.
In de moderne samenleving voltrekt zich vaak precies het omgekeerde: de hulpverlening stagneert, omdat men niet dezelfde taal spreekt, omdat men getuigt van te weinig motivatie en een te geringe blijk geeft van zelfverantwoordelijkheid en zich niet voegt naar het beeld van ‘de autonome burger’. Veel zwervers worden benaderd alsof het klaarblijkelijk hun keuze is ‘zo te leven’. Zo te leven wordt dan geassocieerd met ‘hij wil niet anders (dan met rust gelaten worden)’, en dat ligt dicht bij ‘eigen schuld’. Een vicieuze cirkel waardoor in het leven van velen ook weinig verandert, hun levens stagneren eigenlijk, terwijl het juist de kunst is er weer beweging in te brengen, mogelijkheden te ontdekken en te benutten.
Het is niet vooral een kwestie van schuld, maar van onvermogen bij de betreffende personen, van verzakelijking van de hulpverlening en van onze hekel aan enig paternalisme. De vergelijking met andere zorgcategorieën, zoals ik deed in passage VIII, is, waar het gaat om een veelomvattend verlies, terecht, maar gaat ook weer mank aangezien geen andere categorie dan zwervers zo sterk het risico loopt aan zijn lot te worden overgelaten. Het is denkbaar, dat dit vooral komt doordat van zwervenden verondersteld wordt dat zij (nog) over een vrije wil beschikken, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een demente oudere wiens toestand bovendien wordt geassocieerd met ‘ziekte’.
Vele zwervenden zijn zich bewust van het negatieve stigma dat zij bij ‘normale’ burgers veronderstellen. “Mensen buiten denken dat wij varkens zijn.” Tegelijk kennen velen de kracht ‘van wat hen nog rest’. “Ik denk dat mensen die het nou lekker voor elkaar hebben, dat die bij een derde wereldoorlog het eerst in paniek raken. Die weten niet meer wat ze moeten doen. En je hebt een aantal ratten, dat zijn wij dan, en die zullen dan de sterkste zijn, die weten te overleven in de meest uitzichtloze situatie.” Het is een van die in veel onderzoek opgetekende reacties van (vooral doorgewinterde) daklozen, reacties waarin te horen is hoe sommigen van hen het negatieve zelfbeeld in hun voordeel weten te veranderen en waaruit tevens is op te maken dat die dagelijkse realiteit niet voor ieder een bron is van schaamte, maar ook van macht en superioriteit, ‘de ratten weten (tenminste) te overleven, het zal blijken dat die de sterkste zijn’. Er spreekt, ondanks een toch vaak miserabele toestand, (ook) een zekere trots uit en tegelijk een verachting voor medeburgers, die er aan doet denken dat de zwerver van vandaag een eigentijdse variant zou kunnen van een antieke positie, namelijk die van de scepticus in de oorspronkelijke zin van het woord.
[Afbeelding: watercolour “Homeless” by Jay Johanson.]

zaterdag, april 14, 2007

Een meditatie
Gefluister in zonlicht


(2de Fragment)

(Hoe schrijf je een zin die fluistert?) “Wie is die man in het zwart met dat lange haar?”
“U bent de buurman van Jeroen, wat leuk. Ik ben mevrouw Boon, Jeroen en Karina woonden lange tijd naast ons.”
Ze is van mijn leeftijd, schat ik, maar ze ziet er ouder uit, ik denk doordat ze zich zo zwaar heeft opgemaakt. Ze ruikt ook, laat ik maar zeggen naar eau de cologne. We staan samen bij zo’n statafel in de tuin, zij een jus d’orange, ik een cola.
“Erg voor de man hiernaast hè? Heeft u zeker wel gehoord, hij was hier maar net binnen, toen belde zijn zoon. Die had zijn broer thuis bewusteloos gevonden en die is met spoed naar het ziekenhuis vervoerd.” Als zij vraagt, geeft zij zelf het antwoord.
“Ja, ik hoorde het zojuist van Jeroen want ik vroeg hem waar Mark nu was. Dat zoiets gebeurt, in een vingerknip kan het leven anders worden mevrouw.”
“Ja, daar vraag je niet om. Maar ja”, en ze nam een laatste trek aan haar sigaret en drukte hem toen gekneld tussen duim en wijsvinger een paar keer op de asbak en vervolgens met alleen de wijsvinger nog eens stevig tegen het keramiek, “maar ja, waar je wel om vraagt, krijg je ook niet.”
“Nee, niet alles is te realiseren, of bedoelt u dat niet?” Ik was even afgeleid want ik keek naar het ruime rimpelige vel van haar handen en de zo donkerrood gelakte nagels. Waarom zijn die zo lang? Moet alles wat niet echt is, opvallen? Of moet alles dat opvalt, verdoezelen wat er echt is? Haar borsten zijn echt, maar ze laat er zo diep naar kijken, niet echt handig aan zo’n statafel.
“Ach neen” en bijna fluisterend, “mijn man is alcoholist, nou, dan weet u het wel.”
“Ja, ja, u wijst op een situatie die hopeloos is, niet te veranderen?”
“Precies. Dat is alleen maar getob. Ik zorg voor die man, maar ik krijg er niets voor terug als ellende. Ja, beloften, maar die zijn bij de volgende zucht al weer vergeten.” Ze stak een sigaret op, Belinda. Ik een Marlboro.
“Droomt u van een ander leven?”
“Dromen? Neen, daar koop ik niks voor. Je moet het ermee doen.”
“Maar als het een situatie is die u vreselijk vindt, dwalen uw gedachten dan niet af naar iets dat aangenaam is?” Dat moet toch haast wel, dacht ik. Ze maakt zich op, ze is aantrekkelijk en goed gekleed, ze weerspiegelt niets uit haar hopeloze werkelijkheid. Of zijn die make-up en die wat pronkerige sieraden als het ware de gordijnen voor een kleine donkere wereld?
“Neen, daar sta ik nooit bij stil. Ik heb het druk met alles in huis, we hebben een grote tuin en tegen de tijd dat ik klaar ben, kijk ik televisie. Mijn man zit altijd op zijn kamer of ligt lazarus op bed. En dromen, ik zei al, daar koop je niks voor.” Haar stem klinkt vriendelijk en toch koud, helemaal vertrouwd met de misère. Wat doet die man dan?
“Nu ja, in zekere zin klopt dat. De werkelijkheid blijft zoals die is mevrouw Boon, tenzij u de verlaat. Maar als het een werkelijkheid is die u niet wilt, maar er tóch in blijft, weet u waarschijnlijk ook welke werkelijkheid u wél wil.” Ze onderbrak me: “Zeg maar Floortje hoor. Maar ik heb geen fantasie, als je dat bedoelt.”
Ja, dacht ik, maar je zei dat het alleen maar getob is. Ik bedoel, tegenover tobben kun je ook mijmeren zetten. Je bestaan lichter maken. Is de fantasie niet vaak een verlossing? Of raak je dan vervreemd? Waar is haar leven?
Zelfs de fractie van een kus zal verloren zijn.
“Leef je van herinneringen?”
“Daar zeg je wat.”
Ik voelde haar droge droefenis als die van mij, during a minute of empathy… loneliness, not expressed dramatically and hopelessly, not in a kind of meditative way. Soms is liefde niet te doen.
[Schilderij: “No suffering” van Mieke Opstelten.]

vrijdag, april 13, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid XIII

Het mechanistische mensbeeld betekent een voornamelijk technisch, functioneel denken en handelen, waarin geen ruimte is voor persoonlijke ontwikkelingen en ervaringen, terwijl in het narratieve mensbeeld (narratio is het Latijnse woord voor verhaal) alle afzonderlijke elementen slechts te begrijpen zijn in de context van het gehele (levens)verhaal. Voor de gezondheidszorg, vooral voor de geneeskunde, bood het mechanistische mensbeeld een zeer vruchtbaar model voor het verwerven van kennis over het functioneren van het menselijk lichaam en over het optreden van stoornissen daarin, en dat strookt ook met de tendens om het leven in al zijn facetten te beheersen. Daar, in de gezondheidszorg, en ook in z’n algemeenheid ontdekt men het venijn van deze houding die geheel synchroon loopt met andere ‘eigenschappen’ van deze tijd: het individualisme, een tekort aan gemeenschapszin, de zorg die wordt overgeheveld naar de marktsector, de schaalvergroting. De wederkerigheid wordt de prooi van het marktdenken. Burgers worden verweten dat ze het morele jasje van de calculatie hebben aangetrokken, maar ik herinner me een artikel van Mirjam de Rijk die de kern van het probleem toch eerder bij de overheid legde. “Wie calculatie zaait, zal calculatie oogsten.”
Een vertaling van dit mechanistische mensbeeld naar de dagelijkse werkelijkheid, waarin men als het ware al is vervreemd – misschien is het wat overtrokken – van de naaste buur, laat staan niet van de zwerver die zo’n compleet andere culturele orde vertegenwoordigt, vind ik in de omschrijving van het postmodernisme van Herman de Dijn: “De postmoderne mens tracht te leven en te overleven in een wereld zonder idealen, zonder grootse toekomst, teruggeworpen op zichzelf temidden van een in verwarring verkerende cultuur, en strevend naar wat het ook mag zijn dat de markt nu weer als must of look aanprijst.” Aangevoerd door markt en media heerst het kunnen doen wat men wil, het eigen goeddunken, als centrale waarde en dat brengt met zich mee dat men steeds op gepaste afstand blijft van (de meeste) anderen.
Een 38-jarige vrouw liep de afgelopen nacht gillend van radeloosheid door het park. Zij werd aangehouden door de politie die vanuit een verantwoordelijkheidsgevoel vervolgens telefonisch de Riagg inschakelde. Daar antwoordde men niets te kunnen doen aangezien de vrouw geen gevaar zou zijn voor zichzelf of haar omgeving. De politie liet daarop de vrouw aan haar lot over.
Troost of geruststelling, hoe kunnen we deze nog schenken. De betreffende vrouw wordt gezien als een autonoom persoon en de houding van de hulpverlening in deze is te karakteriseren als ‘Ik mag deze persoon niet bevoogden’. Politie en hulpverlening ‘dienen’ te wachten tot er feitelijk iets fout gaat, dat lijkt de strekking van dit soort alarmerende berichten, terwijl enige bemoeienis, ook al lijkt het op bevoogding, in wezen een vorm van weldoen is welke de autonomie (weer) kan doen herstellen. ‘Gezien’ worden in je leed lijkt wel een heel aparte kunst.
[Schilderij van Kim Richardson, “Dwelling”, luik in je hart.]

woensdag, april 11, 2007

Een meditatie
In het maanlicht geborgen


(1ste Fragment)

Ik heb geen licht en luchtigheid, maar losse gedachten, vragen. Ze komen vaak wanneer ik slapen ga. De gordijnen zijn open, anders word je zo’n duister mens. Het maanlicht is stil, stiller en niet zo gloeiend als het zonlicht. (Als de zon schijnt, gloeit de verbeelding. Bij maneschijn kom ik tot bedaren.)
Ik ben een verwonderaar, een vragensteller. Soms vind ik een antwoord dat toereikend is zonder dat het waarheid is, soms hoor ik gezichtspunten van anderen die verhelderend zijn of die ik niet kende. Beeld van binnen, beeld van buiten – steeds is het anders, steeds zijn er verschillen. Het behoud van vragen is de meest verkwikkende eigenschap van mensen.
Kun je geloven en accepteren dat twee mensen ondanks hun wederzijdse liefde toch een kant hebben die je niet kent? Het kan een onschuldig geheim zijn, maar iets dat helemaal van iemand zelf is - wát het ook is, ik geloof niet dat een mens een volmaakt open boek is voor de ander.
Zou het niet dodelijk zijn voor de eigenheid wanneer we toch willen weten wat er op elke bladzijde staat of geschreven wordt? En wat er geschreven staat, stáát dat er ook?
Ik was op een zeer drukke verjaardag en verbaasde me, al zag ik het honderd maal eerder, over de houdingen waarin mensen zich tonen. Zijn ze wat ik zie? Staat er een man met een half open blauwe bloes en daarin gedrapeerd een wat bonte sjaal, misschien van zijde. Een grof gebreid donker vest met hoogopstaande kraag tekent een merkwaardige show, de kraag bedekt nog net zijn oren niet. Zijn ene hand steekt diep in de broekzak van zijn beige pantalon die royaal op zijn schoenen hangt en de andere hand houdt een glas bier vast, schommelend bier waarvan vermoed ik alle smaak verloren gaat want hij voert het hoogste woord en wil dat behouden. Hij kletst de spetters van zijn lippen. Het gaat over de schermutselingen in het voetbal. Zou hij weten of er ook vragen zijn?
[Schilderij van Victor Safonkin, “Universal boredom”, 1998.]

dinsdag, april 10, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid XII

Het onvermogen zichzelf te veranderen en de teloorgang van het sociale leven vormen twee ontschuldigingsgronden die ik beschreef in passage X. Maar er is nog een derde ont­schul­di­gingsgrond en die ligt opgesloten in de maatschappelijke, structurele, betekenis van (sommige) problemen waartegen men op individuele schaal lang niet altijd is opgewassen maar die wel in causaal verband (kunnen) staan met het ontstaan van thuisloosheid, zoals werkeloosheid, arbeidsongeschiktheid en problemen op het terrein van huisvesting. Het zijn problemen die kunnen leiden tot depressie, tot het verlies van zelfrespect, tot drankmisbruik, tot ernstige financiële moeilijkheden, tot huisuitzetting en, zoals eerder opgemerkt, tot een onophoudelijke herhaling van persoonlijke pech. Het brengt velen vergaand uit hun doen. Het zijn problemen die zich kunnen ontwikkelen tot een afwijking. Voor dergelijke processen van elkaar opvolgende positieve en negatieve effecten wordt soms wel de uitdrukking ‘Mattheüs-effect’ gebruikt, naar analogie van de bekende bijbelse zegswijze volgens welke “aan wie heeft, gegeven zal worden, maar van wie niet heeft zelfs datgene wat nog resteert, weggenomen zal worden”. Nu is zo’n effect wellicht herkenbaar in het veelomvattende verlies dat thuislozen karakteriseert, maar het is moreel verwerpelijk en niet realistisch in deze term over thuislozen te spreken, omdat het een onherroepelijkheid van het noodlot suggereert die (bovendien) de realiteit geweld aandoet. Hen wordt niet ‘weggenomen wat nog resteert’, integendeel, de realiteit toont dat ‘wat hen nog resteert’, zo miniem en onbenijdenswaardig als het is, hen in staat stelt te overleven, te volharden in een beschadigd bestaan en, om het even uit welke kracht sommigen putten, het vermogen te hervinden een keerpunt te bereiken. Een hoopgevend en intrigerend ‘bewijs’ hiervan vormt onder meer de straatkrant, alsook de ooit met de Marga Klompé-prijs bekroonde nachtopvang in eigen beheer. Het zijn fenomenen van ‘zelfsturing’, van openlijk blijk geven van het (beschadigde) bestaan.
[Afbeelding: schilderij van Luciano Tasso, “The lure of the credit card, they are using and abusing you”.]

maandag, april 09, 2007

Waiting for better times

In zo’n rokerige kroeg, niet mijn thuis, maar
in een vale damp van melancholie, daar
tref ik mijn dichter, haar stem, een gouden draad
uit het zuiden nog dagelijks in het oor.

In haar ogen zie ik trots en treurigheid
zo dicht bijeen dat zij lijkt gevlucht.
Wie woont er in je ziel, vroeg ik.
Dat is mijn dichter, zei je en ook,

die hoor ik ’s morgens als ik opsta.
Het is niet de weelde van de opwinding,
maar droefenis, misschien berusting. Zij is
wat stil en toch om een woord niet verlegen.

De oude dichter die van liefde
en van pijnen weet, luistert, het woord zo stil
en dicht op haar huid. Hij streelt haar
bekommernis terwijl zij wacht op een andere tijd.

Het is een kreukelig papiertje, ik krabbel en zij neemt het in haar hand.
Is er nog een andere wereld? Het rommelt met weemoed
van haar lippen. Ik schud mijn hoofd van neen, maar hier,
wacht, waar een dichter huist, woont ook geluk.

[© MN in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: schilderij “Waiting” by Mihail Aleksandrov.]

zaterdag, april 07, 2007

De rogge krijgt aren

De dichter is nog niet zo oud
dat hij haar zijn liefde niet bekennen kan,
soms is het een kreet die naar buiten barst,
weten we wat we zeggen? Wat is liefde?

Zij zegt, ‘het blijft altijd even broos’,
maar dat is de aard van de liefde, zegt de
dichter, zie naar de graankorrel, het leven
wordt beschermd door een hard vlies.

De illusies van vroeger ontbreken, zou
dat niet gelukkig zijn? Als liefde niet alleen
wil blijven, dan moet de schil er af. Als een graankorrel?
De dichter knikt, dan komt ze tot leven.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: schilderij “Evidence” by Molly Brose.]

vrijdag, april 06, 2007

Verbazing en verbondenheid

Iémand in de mensengeschiedenis
is voor onze schuld en onschuld gestorven,
een uitverkorene, neen, een opruier en men voerde
de meest beproefde man naar de Schedelplaats.

Het lijden van anderen
steekt mij aan, het onmogelijke te leven
juist te leven, het is de alledaagsheid
van een kruis voor velen.

Er zit een schil om mij heen,
zodat ik de ander niet hoef te horen en die toch
de lijdensweg alleen gaat. Er zijn bekoringen teveel.
Mijn ziel? Waar heb ik die gelaten!

Ik kan mij innerlijk wel verbinden, maar
het lijden verhelpen, nee – als ik maar weet
dat in lijden een verlangen woont
en geen ademnood.

Is de vrede dan te offeren
aan de koele, uitgewogen wereld, laat
mij aarzelend zeggen dat lijden mij aansteekt
maar wat er brandt, dat ben ik.

Stem van de stilte, spreek, laat
de mensenzoon niet voor weinigen gestorven
zijn, laat mij vuur en aandacht richten
zodat mijn zwijgen zich vullen mag.

Laten we maar thuis zijn op de plaats
waar we wonen en ons verzoenen
met het ritme van de aarde,
sterven zullen we toch.

[© MN om 15.00 uur, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Schilderij “Het offer” van Lammert Boerma.]

donderdag, april 05, 2007

Ga niet argeloos de goede nacht in

Laat het goed zijn niet te weten
of wij heden voor het laatst bijeen zijn,
maar wel het symbool verstaan
van toewijding en niet het verraad van één

die met mij uit dezelfde kom eet.
Dadelijk weer zal ik de maaltijd
bereiden, en nooit is iemand gegeven
méér te weten dan deze keer.

Telkens weer is het de laatste keer. Behoort
het niet tot het geluk van mensen bijeen te zijn en
te vieren, zonder dat op een servet staat geschreven
dat voor één van u de haan drie keer kraaien zal.

[© MN, in Er is geen haan die om ons kraait. Afbeelding: “Last supper” van Salvador Dali.]

woensdag, april 04, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid XI
Een aantekening bij passage X: hoe behouden we de vrijheid

“Zijn verschijning is strijdig met de idolen van de westerse cultuur,” staat in passage X, want sinds het midden van de jaren negentig zeggen we “You can do what you wanna do.” Wij zijn het (dus) zelf die ons bestaan zin moeten geven, niets en niemand anders. ‘Alles kan’, het individu is volledig vrij om te kiezen, ieders ziel is soeverein en voor anderen onaantastbaar. Dit lijkt het beeld van deze tijd, een beeld dat in ook in talkshows, al in die Jerry Springer of Ricky Lake, wordt bevestigd. Zo ‘moeten’ we ons verhouden jegens anderen: ‘dat is zijn of haar zaak, of keuze, dat moet ieder voor zichzelf uitmaken.’ We behoren de waarden van anderen te respecteren, niet te bestrijden. Het is me vaak opgevallen, dat deze waarde, deze moderne vrijheid, in talkshows wordt onderkend, maar dat er tegelijkertijd wordt getwijfeld tussen omhelzing of verwerping van het morele standpunt, vooral als van een te grote ontaarding wordt blijk gegeven. Uit de huiver, uit de publieke verbijstering ook, blijkt op z’n minst dat ‘you can do what you wanna do’ niet een volledig beeld is van deze tijd. Het is wellicht de smakelijkste vrucht van de moderne beschaving (te kunnen doen wat je wilt), maar de ongerustheid erover is groot omdat het ideaal van de zelfontplooiing leidt tot egoïsme, tot oppervlakkigheid, tot genotzucht. De onzekerheid is zó groot dat juist daarom de talkshows zo’n furore maken. Het hele repertoire aan waarden en normen staat, alsof het nog de enige bron is van sociale ondersteuning, publiekelijk ter discussie.
De paradox van deze tijd: de propaganda voor individuele vrijheid tekent een angst voor de ongebondenheid. Ik herinner me nog, en dat moet toch al zo’n tien jaar zijn geleden, dat koningin Beatrix de burgers berispend toesprak over verruwing, over agressie, over het afnemende vertrouwen onder de mensen en ontlopen van verantwoordelijkheden. Zij verwoordde de tekenen van desintegratie, tekenen die critici van de tijdgeest inspireren te zoeken naar een evenwicht tussen eigenbelang en algemeen belang, - want deze (westerse) wereld biedt een ongelooflijke keuzevrijheid maar zadelt mensen tegelijkertijd op met onzekerheid, en met niet meer kunnen kiezen. Er is kennelijk teveel. Het leven naar eigen goeddunken (mogen) organiseren wijst op een narcistische cultuur. Het individualisme waarin de eigen beleving het criterium is, is ten diepste ook het relativisme want ieder moet immers zelf beslissen wat voor hem of haar het beste is. En in zo’n cultuur is het misschien moeilijk de vrijheid te behouden, of, zoals de filosoof De Dijn zegt, ‘te overleven.’
[Een schilderij van Vladimir Moldavsky.]

maandag, april 02, 2007

Een wonder als je aanwezig bent
De dageraad van een dichter

Ik leef hier op mijn eiland
alleen en vaak op de rand van de stilte,
en boven mij de zwellende wolken,
ik zou er willen wonen.

De wolken die ik hier wel zie,
lijken wel land, maar ze laten me vallen
als ik er wonen wil, dat is een wonder,
liever bewaar ik mijn eiland.

Ik leef hier in de adem van de ochtendstond,
zie door mijn raam een vogel
die zijn snavel niet wil houden, maar
boven mij een hemel al rijk van zon.

Een hemel wijd van wind is er ook,
en ik hoor binnenshuis soms de regen,
de oude dichter zoekt het woord en warempel,
het valt dan als druppels op zijn schrift.

[©Marius Nuy, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afb.: “Dawn” by Mihail Aleksandrov.]