
Pas als ik zilvergrijs ben, zal ik willen
gaan nu de herinneringen mij volgen, maar
ik ben nog immer onderweg
al stap ik soms zwaar, Thanatos
komt soms midden in het leven.
Mijn innerlijk zwijgen spreekt, ik ben
de herder en zijn kudde het woord, of de
dichter voor een wachtende akker.
Er is een vriend die ademt en lijdt en
van de toekomst nog wil weten. Hij die zichzelf
bewoont, hij voelt de weemoed maar wil
het wonder horen. Er zal een nieuw begin zijn.
Ook is er een gouden ziel die luistert
en spreekt een taal van al dat leeft, zij is
gelijk Gezelle’s diep gedoken woord van vrede
en verlangen.
We zijn met velen tussen licht en duisternis,
gezien en soms gebroken tot de vriendschap
ons bevrijdt en daarom blijf ik leven.
Nee, ik laat me niet verleiden tot de dood.
[©MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Schilderij van Jaroslaw Kukowski, born on 11 April 1972 in Tczew, Poland.]