
Verwonderd over de wereld
Er zit niet een regelmaat in, maar nu en dan komen we bij de kringloop, dan eens bij de sjacheraar op de Schaapsdrift en dan eens bij die van de St. Vincentiusvereniging aan de Rozendaalsestraat. Als geld moet rollen, dan goederen ook. Laat ik het er maar niet over hebben waarom we kleding niet dragen tot het op de draad is versleten of de televisie niet blijft staan tot de gloeibuizen zijn gesprongen. Een enkele keer gaan er schoenen mee waar tevoren nog even de poetslap overheen gaat, ik frons dan m’n wenkbrauwen maar ben al blij dat ze naar de kringloop gaan. Er moet nog veel meer naar toe.
Er staan ongeveer twintig mensen te wachten tot de deur opengaat. Nog een minuut of zeven. Drie mannen draaien nog een shagje. De meesten staan zwijgend bij elkaar, tussen ieder een armlengte afstand zodat het duidelijk is dat ieder er voor zichzelf is. Alleen een paar vrouwen met helaas jengelende peuters aan de hand vinden elkaar. Het leven is niet geëgaliseerd, misschien bij de Aldi een beetje, maar niet bij de kringloop, op een enkeling na.
Vlak voordat de deur opengaat, komt er een jonge vrouw door de poort, gevolgd door haar moeder, een graatmagere vrouw die de slagen van het leven wel kent want de rimpels liggen als opgewaaid duinzand in haar gepoederd gezicht, zwart haar, paarse lippenstift en aan elke vinger een ring. Haar dochter, smakkend op haar kauwgum en een bleek, verveeld en ongelukkig gezicht, draagt een verkeerde broek. “Dat je dat ziét”, zegt m’n lief. “Waarom?” De broek zit zo strak om haar billen dat de stof daar dunner is dan langs de benen, de billen als het ware een opgeblazen bol vormen waar geen enkele bekoring meer van uitgaat en omdat ze teveel patat eet, wordt de stof aan de voorzijde zo in het nauw getrokken dat het haar schaamheuvel ongetwijfeld pijnigt. Dat kon je zien. Sommigen denken dat een mannenoog dit boeiend vindt. Ze kon onmogelijk aandacht voor zichzelf hebben want ik zag even later dat ze verdrietige ogen had, en haar gezicht toonde geen verveling, maar leed waarover ze misschien nauwelijks kon spreken.
Een gesluierde Marokkaanse moslima blijkt een zeer geïntegreerde Nederlandse. Ze pakt telkens een rok die niet haar maat is. “Deze is me ook weer te klein, ziet u?” “U hoeft toch niet uw levenlang maatje 36 te houden!”, zeg ik, denkend dat het toch maar een muf boeltje is. Ze gaat hardop pratend door met zoeken en telkens blijkt de rok aan beide kanten een vuistbreedte te smal. “Jammer, want deze is zo mooi”, en ze kijkt met ogen die zeggen ‘ja toch!?’ “Ja, het is een batikstof.” Heb ik hier verstand van? Ze is een aardige vrouw, donkere, warme ogen, haar leven gediend aan man en kinderen. Ze was zelf denk ik weinig in tel en terwijl de tijd niet zorgeloos verstreek, werd haar lijf ongemerkt een beetje een boomstam, een die overal tegen kan. Sommigen vinden dit weerzinwekkend, maar wie zien we eigenlijk als we in de spiegel kijken?
[Painting by Fernando Botero.]
Er zit niet een regelmaat in, maar nu en dan komen we bij de kringloop, dan eens bij de sjacheraar op de Schaapsdrift en dan eens bij die van de St. Vincentiusvereniging aan de Rozendaalsestraat. Als geld moet rollen, dan goederen ook. Laat ik het er maar niet over hebben waarom we kleding niet dragen tot het op de draad is versleten of de televisie niet blijft staan tot de gloeibuizen zijn gesprongen. Een enkele keer gaan er schoenen mee waar tevoren nog even de poetslap overheen gaat, ik frons dan m’n wenkbrauwen maar ben al blij dat ze naar de kringloop gaan. Er moet nog veel meer naar toe.
Er staan ongeveer twintig mensen te wachten tot de deur opengaat. Nog een minuut of zeven. Drie mannen draaien nog een shagje. De meesten staan zwijgend bij elkaar, tussen ieder een armlengte afstand zodat het duidelijk is dat ieder er voor zichzelf is. Alleen een paar vrouwen met helaas jengelende peuters aan de hand vinden elkaar. Het leven is niet geëgaliseerd, misschien bij de Aldi een beetje, maar niet bij de kringloop, op een enkeling na.
Vlak voordat de deur opengaat, komt er een jonge vrouw door de poort, gevolgd door haar moeder, een graatmagere vrouw die de slagen van het leven wel kent want de rimpels liggen als opgewaaid duinzand in haar gepoederd gezicht, zwart haar, paarse lippenstift en aan elke vinger een ring. Haar dochter, smakkend op haar kauwgum en een bleek, verveeld en ongelukkig gezicht, draagt een verkeerde broek. “Dat je dat ziét”, zegt m’n lief. “Waarom?” De broek zit zo strak om haar billen dat de stof daar dunner is dan langs de benen, de billen als het ware een opgeblazen bol vormen waar geen enkele bekoring meer van uitgaat en omdat ze teveel patat eet, wordt de stof aan de voorzijde zo in het nauw getrokken dat het haar schaamheuvel ongetwijfeld pijnigt. Dat kon je zien. Sommigen denken dat een mannenoog dit boeiend vindt. Ze kon onmogelijk aandacht voor zichzelf hebben want ik zag even later dat ze verdrietige ogen had, en haar gezicht toonde geen verveling, maar leed waarover ze misschien nauwelijks kon spreken.
Een gesluierde Marokkaanse moslima blijkt een zeer geïntegreerde Nederlandse. Ze pakt telkens een rok die niet haar maat is. “Deze is me ook weer te klein, ziet u?” “U hoeft toch niet uw levenlang maatje 36 te houden!”, zeg ik, denkend dat het toch maar een muf boeltje is. Ze gaat hardop pratend door met zoeken en telkens blijkt de rok aan beide kanten een vuistbreedte te smal. “Jammer, want deze is zo mooi”, en ze kijkt met ogen die zeggen ‘ja toch!?’ “Ja, het is een batikstof.” Heb ik hier verstand van? Ze is een aardige vrouw, donkere, warme ogen, haar leven gediend aan man en kinderen. Ze was zelf denk ik weinig in tel en terwijl de tijd niet zorgeloos verstreek, werd haar lijf ongemerkt een beetje een boomstam, een die overal tegen kan. Sommigen vinden dit weerzinwekkend, maar wie zien we eigenlijk als we in de spiegel kijken?
[Painting by Fernando Botero.]