Pagina's

maandag, maart 31, 2008


De man van het ogenblik

Er zijn onvoorspelbare momenten dat mijn handschrift recht en leesbaar is, dat ik plots iemand kan aankijken of net een paar regels meer kan lezen dan de krantenkop. Typen lukt redelijk omdat ik de toetsen nog meer blind weet te vinden dan ik vermoedde, maar teruglezen vereist dan weer de loep en dat geef ik dan weer snel op want met een dichtgeknepen linkeroog en de neus op vijf centimeter van het scherm vergt meer energie dan ik heb, maar misschien blijkt het toch de aanhouder die wint.


(Ik ben na vier maanden Klimmendaal dan wel weer thuis, maar ik mis het wel als dagelijks vast baken en ofschoon steeds kritisch, vervulde ik er een eigen en gewaardeerde rol. Ik mis de lotgenoten, hun soms zonderlinge aard en geestigheid, en mijn therapeuten: zij zijn de koningen van de kliniek, niet alleen wat betreft professionaliteit maar vooral in bejegening! Ik mis mijn overzichtelijke eenzame kamer met alles bij de hand, ook mijn heilige Benedictus en het kleine sieraad Maria. Stapels post, cd’s, schitterende foto’s en elke week meer boeken – zoals van Mercier/Bieri, Jan Mankes, Co Westerik, Edward Hopper -, een veilige kamer, maar niet een die de verrukkelijkheid van mijn eiland ooit zou kunnen evenaren.
Een revalidatiecentrum is bij uitstek een wereld van de tijdelijkheid, het is een komen en gaan waardoor het leefklimaat soms ook op slag verandert, onrustig wordt of onbehaaglijk zelfs – maar dan loop of trippel je met de rolstoel door “de gang der kreupelen” naar het eigen kleine gevang. Tekenend voor ‘het ogenblik' is, is dat als mensen weg zijn, ze ook gauw vergeten lijken. Een opvallende eigenaardigheid was ook, dat tussen vijf uur en kwart over vijf iedereen in de huiskamer was. “Hier zitten we dan”, zei ik tegen Adriaan, “als wachtend vee bij de voedertrog.” Het duurde meestal nog wel een minuut of tien voordat de etenskar arriveerde en dan was het niet te begrijpen ingewikkeld om de bakjes en schotel op het juiste blad te krijgen. Daarna volgde het uitdelen van de medicijnen – al die tijd wachtten vermoeide stille gezichten op het laatste moment, één minuutje stilte. Ik vroeg eens wat iedereen nou zoal bidt, maar de meesten haalden licht hun schouders op. "Ik tel tot dertig”, zei Henk, “dat is vaak wel voldoende.” “En jij dan?”, vroeg Rina. Verlegen maar onontkoombaar antwoordde ik: “Heer, geef alle ontmoetingen het meest vrije karakter, hier en overal elders, dat bidden wij u.” (Weg met de vernedering, de onderdrukking et cetera.) Het eten was soms wat flauw, maar het smaakte goed, het roomyoghurttoetje niet het minst.)

Ik wil liefhebben zoals in het leven van nu, mensen ontmoeten, lezen en schrijven, maar het lukt allemaal in mindere mate dan ik wens. Ik wil het boek “Kruizen der aarde” voltooien, mijn gedichten bijeenbrengen en dan nog een veel grootser plan realiseren, namelijk een boek schrijven over Amadeu de Prado, de man die ik maar niet kan vergeten. Ik moet dus ieder ogenblik benutten maar het zijn er zo weinig; ik ben het brein van een ogenblik. Een brein op wielen, het enig uiterlijke invalideteken dat mijn beroerte naliet. (En niemand weet hoeveel tijd nog resteert, maar dat is ook geen reële dagelijkse gedachte.) Dus als ik maar niet teveel wil en geen haast heb, kan ik best gelukkig zijn. Ik moet het hebben van de liefde voor ’t leven, voor de taal en alle gedachten, voor de stilte, de inkeer, de overgave, de saamhorigheid - dat geeft me allemaal meer dan één dag vreugde over duizend euro.

Het gaat om de innerlijke krachtbronnen die we zwijgend bereiken, en als die stilte er is, door te graven, te graven zoals de ‘vroedvrouw Socrates’, naar het almaar zoekende antwoord naar wie ik kan zijn, hoe het leven ook is. Ik blijf een zoekend zelfgesprek. Meer dan een uur lang lichtjes schommelend in mijn karretje draai ik elk gevonden woord wel drie keer om en vind niets anders dan dit: ‘wil toch niet méér dan mogelijk is.’ Dat moet de geestelijke vonk zijn die ik moet integreren. Misschien komen die boeken er wel niet, ook goed. En daarbij, het eigene is wel van belang – je identiteit – maar of alles dat je wilt ook werkelijk kan en uitmaakt wat van waarde is voor je leven, dat is wat je tot de mens van het ogenblik maakt omdat je kennelijk overal buiten staat. Alleen in een sociaal weefsel is te leven – en de wederkerige verbinding met anderen staat buiten de tijd. In het niet meer geraakt worden door wat er om ons heen gebeurt, verpulvert elke materie.

[© MN, in “Elk mens een verhaal”. Het dateert uit de laatste weken van Klimmendaal, maar het is nog even actueel. Het is wennen, mijn nek is genoeg voor een half dozijn hoofden en ik kan geen sikkepit lezen. Maar terug naar het Engelengeduld van Kerstmis. Painting by Vladimir Moldavsky. Met dank aan de onmisbare redactionele steun van Chrisje.]

donderdag, maart 27, 2008


De vader der filosofen
(En de alertheid van een man die om zich heen kijkt)

Geen vraag was er te stellen en op geen enkele zou er antwoord zijn. De filosoof moest handelen. Normaal voor geen kleintje vervaard en wist hij wel raad met de prooi die hij op het oog had, maar ditmaal zat hij in de strik van een onbekende vijand. Slaan met zijn krachtige vleugels bracht hem schade, snijdend te keer gaan met zijn snavel mocht niet baten en ook zijn grijpklare klauwen lieten hem in de steek. Hij was, hoewel hongerig, sterk en verweerde zich uit alle macht. Er ontstonden onherstelbare mazen in het net, maar het scherpe draad ervan snoerde zich almaar dieper onder zijn veren en bonden zo een strakke niet meer te klieven doodsstrik. Het ogenblik van de wrede dood was onontwijkbaar.
Het was een koude nacht. Alle muizen bleven daar waar ze waren, behaaglijk en veilig. Dat werd de kerkuil toch te gortig. Zou er vis te grijpen zijn? Het was mistig dus hij scheerde laag over het water. Hij vroeg zich wel af of de vis zich met deze koude aan de oppervlakte zou wagen, maar van biologie had hij geen kaas gegeten. Zijn humeur werd er niet beter op en hij dacht er al aan terug te keren maar zag plots wat zonder twijfel een vis moest zijn – wat kunnen toevalligheden toch ongelukkig samenvallen. Precies op het moment dat hij met beide klauwen zijn prooi dacht te grijpen, dook deze als de bliksem naar de diepte, niet wetend dat hem daar een andere dood stond op te wachten, tenzij hij rechtsomkeer had gemaakt. Maar de lotgevallen van vissen doen niet vermoeden dat de meeste op een natuurlijke wijze een ‘sterfbed’ vinden. Het lot van de uil was weinig anders. Toen de vis nipt op tijd wegdook, zag de uil een barricade, hij spreidde zijn vleugels om af te remmen, maar het net was niet meer te mijden. Met een harde smak vloog hij zich vast en het gevecht dat volgde, was onmogelijk te winnen.
De filosofie kent vele vaders, maar het verlies van deze vader is uitzonderlijk treurig, gesneuveld in het harnas van zijn jacht. Gehavend en getekend door strijd keert hij terug naar het stof, het stof dat wij ooit met hem delen want in de dood wordt elk onderscheid teniet gedaan.

[© MN, in “Weer een vader verloren”. De foto is gemaakt door fotograaf Jan Wamelink in het eerste weekend van maart 2008. De foto verscheen op 4 maart in De Gelderlander. Overigens staat daar de foto verticaal afgebeeld, vermoedelijk ook volgens de bedoeling maar dan klopt mijn verhaal niet; met alle respect voor de fotograaf heb ik hem dan toch maar gedraaid. De belangrijkste regel van het onderschrift: “Een kerkuil is in een achtergelaten vistuig verstrikt geraakt en heeft een lange doodsstrijd gestreden en verloren
.”]

vrijdag, maart 21, 2008


Beperkt zijn is ook valide

De dag van de lente, ons symbool
van nieuw leven, zet de deur voor mij
open, goodbye Klimmendaal.

Veel ervaringen rijker, het verdriet
is verslagen of verdund in de levensstroom,
want zelfs in ziekte kun je gelukkig zijn.

De dichter is niet herboren, maar
weet te leven met wat hij kwijt is –
in de hoop dat dit geen overmoed is.

De dood is hem genadig geweest. Dat
hij moeizaam kan lezen, is twee, maar hij
en het woord blijven onverbreekbaar op één.

Dit alles vóór mijn dood geschreven,
in het verlangen dat het rustig blijft in ’t hoofd
en ik niet ooit verder leef als wrak.

[© MN, in “Elk mens een verhaal”. Ontslag 21 maart 2008, een dag in verwarring, ook innerlijk, veilig thuis in liefde en in boeken maar node enkele vrienden achterlatend. Afbeelding: Malerei von Quint Buchholz.]

vrijdag, maart 14, 2008


Over mijn lippen niets dan verlangen

Het ervaren van gemis, of het erkenning is of liefde of de dood, van er-niet-meer-zijn, is een bron van verdriet, van onbegrip, van verlangen, van wanhoop, soms van gekte want dan is het leven niet meer zoals het hoort te zijn. “Liefe papa ik wil je weer zien papa. Wil je mijn ook zien papa.” Nadja had het briefje met een rode knopspeld in het behang boven haar bed geprikt want haar vader was dood door zichzelf, een aardverschuiving van donker verdriet. Zo was er wel meer aan de muur toevertrouwd. Een paar tekeningen, een foto van haar vader, nog een briefje waarin ze vertelde “Ik heb twee liefe broers en een Mama, ik hou van jullie” en ook wat sprookjesachtige prenten van paarden en feeën en zelfs een foto van een brandende kaars.

Isabelle, haar moeder, ontdekt het briefje alsof het opvalt als een ster tussen de tientallen andere in het behang gehaakte plaatjes en versieringen. Nadja doet haar nachthemdje aan - verschoten en al veel te kort, amper over haar jongemeisjesbillen – en gaat haar tanden poetsen. (‘Mijn hemel, langs welke klippen en afgronden ben ik zelf niet gegaan? Maar Wout leeft in me. Hij is meer dan een herinnering. Soms is hij ook een vraagteken, ik weet het, dan verstrengelen boosheid en verlangen zich. Wil ik eigenlijk niet hetzelfde als Nadja?’) “Hoe lang hangt dat er al?” “Oh, van de week … papa heeft me geschreven dat hij een ster is geworden en dat hij elke avond naar me knipoogt … Ik hoop dat hij het een keer leest, maar ik zie hem nooit”, riep ze huilend.
Elke avond voor het slapen zegt ze ‘Truste papa’ en blaast ze een kusje naar de sterren. Ik vertelde haar dat als je bent overleden en dat je hem daarom ook wel niet kunt zien, misschien wel in onze dromen. Ik streelde haar gezicht en streek door haar haren. “Hier leeft hij Nadja, zoals we aan hem denken.” Ze huilde.
“Neen mama, ook niet in mijn dromen, hij heeft gewoon geen zin bij mij te zijn.” “Dat is niet waar lieverdje.” (‘Hemeltjelief, ik weet ’t ook niet. Was Wout maar gewoon hier.’) “Weet je schat, we laten het briefje gewoon hangen, en als hij dan een keer dicht genoeg bij je raam is en jouw mooie briefje ziet dan komt hij naar je toe, in het kamertje van je dromen. En zal hij je knuffelen, zoals vroeger.”
Nadja bleef maar huilen. Ik nam haar in mijn armen, haar wang tegen mijn borst. Een tranendal van troost en verlangen. Ze werd rustiger en opeens merkte ik dat ze in slaap was gevallen.

Ik keek naar een donkere hemel, geen ster te bekennen, “Wout, als je daar soms ergens bent, schenk haar het gevoel dat je in haar leeft, bezoek ons meissie met de mooiste dromen die je kunt bedenken, ze mist je zo.” ‘Ik ook’, dacht Isabelle, ‘over mijn lippen niets dan verlangen, maar nu de legers van zin en betekenis zich hebben teruggetrokken, wordt het rustiger. Het was een barre, jankende tocht van koestering en vijandschap, van eenzame waanzin, woede en omhelzing. In mij woont ook de dood, maar hij is nog ver van huis.’

[© MN, in “Altijddurende liefde van de moeder”. Fragment uit een werkelijkheid. De ziel gaat nergens heen, hij verrijst in de harten die voor hem openstaan. Afbeelding: een houtskooltekening van Anna Catharina Geijp.]

vrijdag, maart 07, 2008


Fantasie is méér dan onmisbare individuele compensatie
De mens als verhalend landschap III

Fantasieën hebben meestal iets bevrijdends, ze zijn niet beklemmend. Ze zijn nogal eens geheim, niet omdat ze moreel niet door de beugel zouden kunnen maar anderen in hun beeldvorming over ons wel op het verkeerde been zouden kunnen zetten, bijvoorbeeld door te denken dat we in werkelijkheid heel iemand anders zouden willen zijn dan degene die zij kennen – ze zijn vermoed ik geheim omdat ze zo diep en soms onbereikbaar persoonlijk zijn en grenzen noch wetten kennen. Er kan een verlangen uit spreken, maar dat hoeft helemaal niet samen te vallen met de wil dat verlangen ook te realiseren. Ik kan zijn wie ik eventueel wil zijn zonder dat ooit te willen. Fantasieën kunnen ons troosten of ons verlossen uit de dagelijksheid, ze kunnen ons verstrooien, maar ze kunnen ook de kiem zijn van wat nog moet worden. De kiem van een scheppingsdaad.
Fantasieën hebben een inspirerende kracht. En het woord ‘kracht’ is op zichzelf al van grote betekenis want meestal zijn we sterker, daadkrachtiger, spreken we ons beter uit dan we in werkelijkheid doen en dát zouden we wel vaak willen. Of toch liever blijven wie we zijn? Fantasieën die verwarrend, pijnlijk en bizar kunnen zijn omdat ze voor realiteit worden gehouden, vormen een bron van onmacht, ernstige frustratie, angst, agressie en waanzin, van zorg, mededogen en isolement.
Fantasie is noodzaak en bruggenbouwer. Het kan moeizaam gepieker tegengaan, het kan ongebruikelijke of onvermoede oplossingen helpen vinden en ze verbinden je vaak met de creativiteit van anderen, bijvoorbeeld om een concept meer handen en voeten te geven of omdat het ’t begin is van een duurzame relatie.
Ik schreef eens het aforisme ‘Liefde en lust zijn de vleugels van grote daden’, maar vlak de verbeelding niet uit. Wie zouden we zijn zonder verbeelding? Fantasieën zijn anderzijds helemaal niet geheim want onze hele wereld is gebouwd op basis van fantasie over nut en vormgeving, over macht en solidariteit en op ideeën over wat voor een aangename, leefbare, helende en rechtvaardige omgeving nodig is. Ze zorgen voor het sociale weefsel waarin we wonen. De verbeelding is het begin van samenhang en variatie.
De fantasie kan en mag een verleider zijn, maar is ons idool omdat het brein zonder fantasie, om naar ik meen met Elliott te spreken, is als ‘wasted land, cactusland’.

[© MN, in “De wereld waarin het aan niets en aan alles ontbreekt”. Afbeelding: “Fantasie”van Liesbeth Optendrees.]

vrijdag, februari 29, 2008


De mens als verhalend landschap II
Het menselijk brein en verzoening

Het brein is tot wel meer in staat dan de Griekse vader van de geneeskunde Hippocrates (460 v. Chr.) zei, maar het is wel de essentie: ”Het is niets anders dan alleen het brein dat ervoor zorgt dat we kunnen genieten, lachen, verdriet kunnen hebben en kunnen huilen. En dat we kennis hebben over zaken en dingen kunnen waarnemen." We zouden er zeker nog het vermogen tot aanpassing aan kunnen toevoegen, het kunnen anticiperen en het beschikken over discipline, verbeelding en spiritualiteit. Het brein is een onuitputtelijke bron van schoonheid en expressie, behalve wanneer er sprake is van psychopathologie.

Op Groot Klimmendaal, dat ik ook vaak aanduidde als modern gesticht en die naam in maar hooguit enkele opzichten verdient, ontmoet ik vooral mensen met niet aangeboren hersenletsel en neem ik waar in hoeveel variaties de gevolgen daarvan zich tijdelijk of deels blijvend openbaren, maar tegelijkertijd dat in vrijwel alle gevallen het de wilskracht is die zorgt voor aanzienlijke revalidatie, ook al gaat dit proces zo traag als een slak. In werkelijkheid ligt dit zelfs nog iets complexer. “Ik zie dat je meer vertrouwen krijgt in jezelf”, zegt Fanny mij. “Jij geeft mij dat vertrouwen Fanny, ik schenk het je terug door mijn best te doen. Het is de wederkerigheid.”
Het meest verdrietige is de onverhelpbare tragiek die zich eveneens voordoet en iemand veelal in een oogwenk heeft overvallen, zoals Lydia die thuis plotseling wankelend door de gang liep, neerviel en tien maanden in coma bleef als gevolg van een stolsel achter de hersenstam. Op foto’s van haar verjaardag een maand daarvóór is te zien dat zij een oogverblindend knappe vrouw was van 21 en nu blijkt ze veranderd in een onherkenbare persoon, waarschijnlijk zonder het vooruitzicht dat haar leven nog ooit anders zal worden. Een deerniswekkend, aangrijpend beeld: Lydia leeft, maar alles is stilgevallen.
Verzoening is een belangrijk begrip in menselijke verhouding, maar ook in je persoonlijke leven. Lydia mist het vermogen zich ook maar met iets te kunnen verzoenen. Voor de ouders ligt dat (theoretisch) anders, maar ook hen ontbreekt het hieraan, ook nu Lydia hier weg moet omdat het geen van de therapeuten - na acht weken – lukt ook maar het geringste contact met haar te mobiliseren. De ouders denken dat dit aan hun te vluchtige inzet ligt en leven in de overtuiging dat Lydia op zekere dag weer zal kunnen spreken. Dan vertrek ik met pijn door de deur naar de stilte.

[© MN, in “Elk mens een verhaal”. Afbeelding: “De mens als mysterie” van Jan Bakker.]

zaterdag, februari 23, 2008


De mens als verhalend landschap I

De menselijke levensloop is als een verhaal, een verhaal dat almaar doorgaat en ooit eindigt in het niets –misschien in één groot boekengraf -, als een stromende rivier die varieert van rustig vaarwater tot onstuimigheid maar die vooral ook uitblinkt in zijn onvoorspelbaarheid, in plotselinge wendingen, in bochten die de charme zijn van het landschap. We zijn niet voortdurend gecharmeerd van het verhaal waarin we leven, maar de gedachte dat het anders kan worden dan het is, is wel de geringste prikkel om dóór te gaan en het niet voor gezien houden als we ons eens slecht geïnspireerd weten.

Aan de rand van de zee, op de brede strook zand waarin je voetafdrukken een poosje blijven staan maar soms ook direct worden weggezogen, de strook waar de zee haar golven kalm of woest overheen slaat en ze dan weer terugneemt, daar stond ik met mijn moeder voorovergebogen te turen naar wat er ná die golfslag aan blinkends achterbleef. Ze droeg een zwart badpak met pastelkleurige bloemen. Vanaf haar middel zaten er stroken stof, drie of meer, zodat het leek alsof ze een rokje aan had. (Naakt heb ik haar nooit gezien. Ik ga hier niet in op het ‘waarom’, dat staat beschreven in ‘De geest van de tijd’.) Vaak droeg ze ook een dun scheerwollen vest. Ze kon heel enthousiast ‘já’ roepen als ze een medaille van parelmoer zag.

Gewoonlijk blijf ik in de beweging waarin ik me bevind. Maar de eerste osteopatische behandeling – het ‘kraken’ van wat vastzit, in mijn geval wervels – bracht me in een andere, nog niet gekende beweging. De pijn verminderde aanmerkelijk en de balans verbeterde, een gevolg dat ook direct te ervaren was in de kwaliteit van het lopen. Ik glunderde. ‘Zie je wel dat het anders kan worden dan het is’, dacht ik. Twee dagen later echter smolt het effect als sneeuw voor de zon. De woesteling van de pijn was weer teruggekeerd. Een kwelling.
Ik houd niet van zwarte romantiek, maar van reële, hoopvolle en karakterrijke verhalen. Die geven energie. Ik zoek naar nieuwe taal. Ik blijf staan als een boom en ben niet van plan te vallen. Een vriendin schreef eens: “Bomen buigen niet, maar ze wuiven.”

[© MN, in “Elke mens een verhaal”. Afbeelding: “Mother and Son" van Bryce Brown.]

zaterdag, februari 16, 2008


Leef dit edele leven!

Het gaat mij aan het hart dat
wat mij niet doodt, mij niet sterker maakt,
maar mijn pen neerleggen doe ik niet.

Het is een teken van innerlijke zwakte,
misschien nog met een randje moed,
de ontwikkelingsgang is traag, eentonig

maar hoopvol. Daarom vooral, hoe pathetisch,
is de tweede regel όnwaar en
van een ondenkbare somberheid.

Vergeet het niet, dacht ik laatst, te leven,
in een adempauze even, terwijl er zoveel is
dat mij naar de stilte sleept en de zachtheid.

[© MN, in “Engelengeduld”. Afbeelding: “Ange gardien” van Nathalie
IJzerman.]

zaterdag, februari 09, 2008


 

Een meditatie.

Broeders en zusters, wij zijn allemaal mensen met zo zijn of haar beperkingen. Het is de kunst deze te leren kennen, te boven te komen of ermee te leren leven. Het enige dat ons daarbij helpt, is dat te willen. (Maar waarvan is dat willen allemaal niet afhankelijk?)

Overigens verscheen in 2006 het prachtige en zeer leesbare "Handboek van de vrijheid. Over de ontdekking van de vrije wil" van de filosoof Peter Bieri, de werkelijke meester achter Pascal Mercier's "Nachttrein naar Lissabon." Het Boeddhisme kent geen godsbeeld. Het gaat om het geloof in jezelf, in een gedisciplineerde levenshouding te doorstaan, lankmoedig en vasthoudend te zijn en te willen groeien. In het Christendom 'bestaat' God, maar God is er niet om 'ons werk op te knappen.' We kunnen Hem wel vragen ons te sterken het goede te blijven doen, daarin tonen we nederigheid en dit kan versterkend zijn. 

Bestaat vrijheid? Het boek van Peter Bieri leest (bijna) als een roman, vol kennis en inzicht. Hij schrijft in een eenvoudige, vloeiende taal over een verschrikkelijk ingewikkeld thema zonder onnodige vreemde woorden en zonder jargon. Aan het einde, als we heel wat facetten van de wil en het handelen ernaar wijzer zijn, schrijft hij: "(...) dat wij onze innerlijke vrijheid vergroten door het inzicht in ons innerlijk leven te verdiepen, zowel wat betreft de innerlijke logica als het ontstaan ervan. "Ik vermoed dat Pascal Mercier, alias van de filosoof Bieri, 'mijn' Amadeu de Prado hier als voorbeeld heeft gecreëerd.

[©MN,"Een staaltje moraal, maar daar zal ik niet te vaak mee aankomen." Afbeelding: a Meditation on Love by Basia.” Geplaatst door Chrisje]

maandag, februari 04, 2008


Een man op zoek naar eenheid

Tweeënvijftig weken later.
De dichter, die licht averij opliep, ademt
en blijft in de beweging waarin hij zich bevindt,

Terwijl er nog gebeurtenissen
op stapel staan die zijn schip straks
in een andere haven doet aankomen.

de dichter weet dat de liefde grillig kan zijn,
onbewoonbaar soms, en toch is zij
het enige waarvan hij leven kan.

Zelfs nu langzaamaan de ouderdom nadert
– is het dwaas dat te zeggen? – kan het roer
nog om, met gemak, als de wil er is.

Schade, wijsheid en liefde, als de eerste
niet het grootst is, verlangt men oud te worden,
hoe anders het leven ook geworden kan zijn.

[© MN, in “Leven is een ambacht”. terwijl ik het schrijf,
herinner ik me de titel van Pavese’s dagboek. “Mijn leven,
mijn ambacht”. Afbeelding: foto in sepia, gemaakt door Chrisje. Blog geplaatst door C.]

donderdag, januari 31, 2008

Dus jij denkt dat je een mens bent?*


“Wat de ouders hebben gebouwd, vreten de kinderen (soms) weer op.“
Dit is een zin die eigenlijk alleen contextueel is te begrijpen.

Het moderne familiehotel waar Adriaan (1956) al 24 jaar als bedrijfsleider werkt, zal te zijner tijd worden voortgezet door de dochter van de huidige bazin. Adriaan kreeg begin december een lichte beroerte; de tekenen ervan zijn betrekkelijk gering en revalideerbaar.
Naar verluidt liet de dochter, die intussen ook al wat touwtjes in handen heeft, onlangs twee gelijksoortige opmerkingen ontvallen.
“Heeft hij een niet iets te scheve mond om hier nog te verschijnen?” “Straks is het mijn hotel en is er voor kreupelen geen plaats.”
Van kreupelheid is geen sprake (hij heeft het lopen vrijwel feilloos onder de knie) en voor wie van niets weet, zal over hooguit twee maanden niets aan Adriaans voorkomen herinneren aan dit nare oponthoud. Hij zal wellicht wel de kunst hebben verstaan het langzaam aan te doen.
Het is een plezierige kerel, heeft humor en kan onbedaarlijk lachen. Salomé, een wicht dat geen scrupules kent en dat zowel fysiek als verstandelijk van licht gewicht is, dat calculerend van aard is, heeft hem diep gekwetst; haar opmerkingen vormen de toon van het einde. Haarscherp wordt omlijnd door wie tot de mensheid behoort en wie niet. Het is niet zomaar naïef, platvloers of onfatsoenlijk, het is een vernederende krenking ergens uit het land van vandaag. Het schuurt de ziel met zo’n stalen spons, eerst die van Adriaan maar ook die van mij. Het lijkt wel of we geen morele taal meer hebben om dit ‘type houding’ neer te sabelen. Alle woorden waarop ik een beroep wil doen, lijken versleten en onverstaanbaar geworden.
Bestaan er nog morele idealen? Het doet me denken aan Amadeu de Prado - wiens leven Gregorius Mundus zo fascinerend wist te reconstrueren - die om vergelijkbare redenen een andere taal wilde ontwikkelen, maar zijn prachtige maar ook complexe motivering kan ik er nu helaas niet op naslaan.
Een roos gelijk een zwaard. Zo is het leven. Schitterend, verleidelijk en verderfelijk.
Salomé, altijd in blouses waaraan je niet kunt zien hoe haar borsten vermoedelijk zijn en elke dag haar voeten gestoken in opvallend aanwezige pumps, heeft gemankeerde, fletse, gedachten, is innerlijk arm en koud, ongenaakbaar achter een geconstrueerd masker. Welk lot zal de indringer zijn van het lichaam waarin zij al ongeveer dertig jaar te gast is, de indringer die haar onomkeerbaar doet beseffen hoe dun de lijn is tussen perfectie en kreupelheid? De ‘gedaante’ van de indringer is helemaal niet van belang, maar wat deze doet dat haar tot deugd zal zijn. Dan pas weten we wie zij werkelijk is.


[ © MN, voor Adriaan geschreven bij volle maan, 25 januari. De titel verwijst naar het boek van Felipe Fernandez-Armesto.
Ik heb als metafoor Salomé genoemd, omdat zij, de dochter van koning Herodes, Johannes de Doper onthoofdde.
Afbeelding: schilderij Salomé van Lammert Boerma. Geplaatst door Chrisje]

zondag, januari 27, 2008


De kunst het bestaan lichter te maken

Op het stille eenzame pad
van het gesticht hobbelt een karretje
Kiest de dichter het hazenpad?

Er is geen regel meer die hem pijnigt, geen mens
die hem iets in de weg legt, maar het lijkt er op
alsof hij op reis wil en toch weerhouden wordt.

Je ideeën lijken soms sterker dan de werkelijkheid
En daar is feitelijk maar één antwoord op,
In hemelsnaam, leef in de tegenwoordigheid.

Nietzsche zegt: er komt nog wat bij: “Amor fati”.
Dat is waar. De nabijheid ervan wisselt met opstand,
maar het brengt gemoedsrust en, zoals liefde, het inspireert.

[©MN in ‘Levenskunst.’ Painting: ‘Presence’ door Michael Gibbons. Geplaatst door Chrisje]