Kunst heeft altijd een verhaal (4)
De schepping van de verheerlijking“Ga heen, jij malle dichter, met je verheerlijking, het is pure provocatie en banaliteit. Schamen moet je je.”
Meteen is te denken dat het niet méér dan een beeld van lust is, koud zelfs, onvolledig en in sommige ogen banaal, maar zou het ook niet een hommage kunnen zijn aan liefde, aan onuitroeibare begeerte, vrouwelijke schoonheid, menselijk verlangen, zonder onmiddellijk te denken aan de typische geilheid van mannen, spiedend naar wat ‘hen immer fascineert’? En verandert het oordeel als u weet dat deze kostelijke en zo precieze verbeelding van wie we zelf zijn, gehouwen is uit steen door een vrouw? Ik ontken niet mijn ‘deel in dit, in ons bestaan’, maar verloochen evenmin het realisme van eros, van de schoonheid, de bewondering, de verleidelijkheid, de geestigheid in dit vakmanschap. Nee, ik plaats seks niet op een voetstuk, schijn bedriegt. (We ‘moeten’ het niet verwarren met seks en erotiek in het privéleven waar de beleving strikt vertrouwelijk is, maar schilderijen en objecten behoren tot het publieke leven – en het gaat ook niet om de vraag of het midden in de stad moet mogen staan. Het gaat denk ik om de vraag of het ‘weerzinwekkend’ is dit te tonen, als een ‘zondige’ gedachte of intentie, als een element dat we moeten onderdrukken, “terwijl we weten hoe desastreus dat is, dat onderdrukken”, schrijft Miller. Nee, het is geen zonde of schaamte, het hoeft niet te worden beschimpt of bestraft. Lust is wel intens geluk en heeft ook iets van egoïsme, maar staat in de schaduw van onbaatzuchtig
lief te hebben, te delen en te geven, dat schenkt energie, zelfvertrouwen, balans.)
Noemen we dit pornografie, de eeuwigdurende bron waar het om draait en waar bijvoorbeeld Henry Miller, Jacques den Haan en Willem Jan Otten zo prachtig, zo bevragend en taboedoorbrekend over hebben geschreven en die eigenlijk de vaag stelden of obsceniteit wel bestaat, maar geheel en al een eigenschap is van de menselijke geest? Altijd worstelen we met de grens van preutsheid en vrezen we de zwakheid van ons hart. Vrees en wens, zo zijn we en zo zijn we niet. Is het niet de liefde die we in alle grootsheid willen ont-dekken en beleven? Losbandigheid of moedigheid, de hemel of de hel, vertedering of gewelddadigheid aan de moraal? Zetten we een deel van ons in de nacht, in het geheim, terwijl het misschien hetzelfde is waarom kinderen van sprookjes houden? Is het mijn verwerpelijke rariteit de intimiteit te willen tonen, te schenden zelfs, of is het de uitbeelding van onze tijdloze behoefte aan verlokking en verlossing? Zonder blikken of blozen, ik ga er rustig om slapen met de bewegingen van mijn gemoed voor ogen. Is dat niet ook de kunst van het geluk?
[© MN, geschreven tijdens muziek van Eric Satie, “The Early Piano Works”. Sculpture by Francine de Carennac.] (Ik stop voor een aantal dagen vanwege mijn fysieke conditie. I live in troubled times, maar ik stop voordat ik terechtkom, zoals Anthony Mertens zo treffend zegt, 'in een zwenbad vol zelfmedelijden'.)