Pagina's

dinsdag, september 28, 2010


Meditatie XXVII

Het zwart van de hemel is al weer van een paar uur geleden …. het werd licht, eerst nog wat mistig maar de zon brak door en nu zien we een zachte hemel in de gloed van de rijzende zon, een nieuwe dag.

We zitten rechtop, de hielen gekruist onder de dijen, de ogen geloken, de handen opengevouwen, de duim tegen de wijsvinger … zo vormen ze beide weer een kom voor de adem van het leven. Laten we er eens niets over zeggen, afdalen naar de stilte in onszelf en hopen te mogen bereiken wat we daar aantreffen.

Nee, een korte gedachte: dat we ons veilig weten en ons zelfvertrouwen standhoudt, - “want elke dag is als een verblijf in de buik van de haai; als je geluk hebt, valt hij in slaap en kun je ontsnappen”, schrijft Milena Agus. Maar was het niet de pessimistische filosoof Arthur Schopenhauer die schreef, dat als men op de graven zou kloppen en de doden vragen of ze niet liever wilden opstaan, ze allemaal met hun koppen schudden? Ja, Schopenhauer, die vorige week 150 jaar geleden stierf (21 september 1860), en die zeker wist dat “de mensheid heel wat van mij heeft geleerd dat ze nooit vergeten zal, en mijn geschriften zullen nooit teloorgaan”.

[© MN, in de reeks meditaties. Photo: “Sun in morning fog” by Albert Lynn.]

zaterdag, september 25, 2010


Uitzicht over zee

In mijn verbeelding zit ik op een ruime overdekte veranda op een duintop met overzicht op strand en zee, een immens weidse zee die almaar op mij afkomt en toch dáár blijft waar die is, een zee die de indruk geeft hoeveel ik in wezen nog te vertellen heb en die me door zijn vlakheid de kans geeft dat te ordenen.
De ingreep was niet ingewikkeld en is zonder enige bijzonderheid of pijn verlopen; ’t was eigenlijk een soort systeemherstel naar vóór de datum van 9 juni toen alles plotseling stagneerde. Het gebeurde alleen na veel oponthoud want woensdag bleken er zoveel spoedgevallen dat de operatie pas donderdagmorgen in alle vroegte plaatsvond. (En natuurlijk, het is een opluchting dat alles weer normaal en pijnloos gaat en dat die onterende katheter is verdwenen en er nu al geen te verzorgen wonden meer zijn.)

De verpleegkundige zorg in Rijnstate is nog onverminderd goed en weldadig, wel steeds in de bekende rituelen met een overdaad aan vaak luid gesproken informatie alsof de patiënten doof zijn of traag van begrip. Eten en drinken zijn er in een grote variëteit en wordt je dienstbaar geserveerd.
Maar het gebouw is en blijft een gruwel aan indringende herinneringen, zeker die van 2007, - en met uitzicht over zee lijkt het alsof ik verzwolgen word door golven van zeer persoonlijke verhalen, alle behorend tot de wetenschap van het hart, verhalen doordrenkt van tranen, onmacht en pijn, maar gelukkig, hoewel wonend in eenzaamheid, omringd door vriendschappen en zorg.

De entree van het ziekenhuis staat in het midden van een Breugeliaans decor. Aan beide zijkanten mag worden gerookt, een wonderlijk tafereel van simpele door noodlottigheden getroffen zielen, mannen en vrouwen met of zonder infuus, allen als het ware voorlezend uit hun verkreukelde schriftjes vol mededogenwekkende bont en blauwe uit bloedrivieren opduikende anekdotes. Intellectuelen onder hen tref je niet aan, - ik word steevast herkend als ‘zeker artiest’, maar ik hoef niets uit te leggen want een ander eenzaam hart doet al paffend het woord. Pijnlijk getroffen zielen, voor even veilig samenklonterend bij elkaar.

Op een gegeven moment zat ik alleen en dacht aan dat indringende verhaal van Bob, een Hongaarse Jood die zich als wees van de wereld ontwikkelde tot een vermaard hartchirurg, maar die in stille nachtelijke uren nooit de kalmte van zijn hart kende, altijd gekluisterd aan beelden en ervaringen als 15-jarige jongen, wees, ten tijde van de Nazi’s in Boedapest en hun collaborateurs, de Nyilja’s, de pijlen van de stad voor wie geen enkele Jood veilig was. Bob zat bij het verzet en speelde gevaarlijk spel, vooral om de heersers in wreedheden duidelijk te maken dat het gevaar ook hen kon treffen. Ergens komt de historische zin voor, ‘Wie hier binnentreedt, laat alle hoop varen’.
Hier, op dat drukke plein voor Rijnstate, waar dokters soms balancerend op de draad van leven en dood in de weer zijn, bedacht ik me dat het misschien niet zou misstaan als er te lezen stond, ‘Wie hier binnentreedt, vindt de hoop van rijk gerijpt koren’.

[© MN, ‘Mijmeringen op een veranda’. Het verhaal is van Irvin D. Yalom & Robert L. Berger, ‘Ik waarschuw de politie’, Balans 2010; het verhaal is er een uit duizenden, maar het interessante is, dat het blootlegt langs welke mechanismen een mens zich vormt en onder de schaduw van het geheim weet te overleven. Ik ben sinds gisteravond weer thuis en leef in onverminderde pijn. Afbeelding: “Refuge ȧ la mer” by Ben Goossens.]

maandag, september 20, 2010


Waar is mijn eerbaar huis?
Het licht is grijs, een uur of zes, half zeven

Waarheen sleur je me,
genadeloze pijn, naar welke bossen
of grotten vlieg ik af?

Ik, de verdwaalde dichter
van verlaten oevers, word betoverd
door wilde, eenzame bossen.

Ik slaap met het hoofd in eikenbladeren,
het hart in mijn borst verbijstert, nee, niet
naar een bos, daar is geen dal met uitzichten.

Niet naar een bos, daar ga je dood.

[© MN, ‘Ik ben pijn’. Photo: “The time of flowering” by Edmondo.]

woensdag, september 15, 2010


Dante, een man van de liefde en alle andere hete vuren
Zijn verbeeldingskracht en diepe menselijkheid, een kleurengloed van schoonheid


Wacht, er tikt een Vlaamse Gaai tegen het raam,
o heer, baadt al uw gedachten in mildheid
want vergeving is een mooie overwinning.

De “Divina Commedia” van de beroemde Italiaanse, Florentijnse schrijver, dichter, redenaar en filosoof, jager en gevechtsheer, politicus en theatermaker Dante Alighieri doorstaat alle winden en eeuwen. Hij is de dichter van de wereld geworden, - 745 jaar geleden in een welgestelde familie geboren (1265-1321), in een stad van vreugde en verschrikking, in een stad en milieu ook die de spiegel vormde van zijn karakter, “enerzijds realistisch, aards en sensueel, anderzijds rechtschapen, idealistisch en visionair”, schrijft Barbara Reynolds in haar op 92-jarige leeftijd gepubliceerde vuistdikke en boeiende biografie over de denker en de mens Dante.

De Goddelijke Komedie is misschien geen bestseller in de huidige zin van het woord, maar nog altijd veel gelezen en een bron van twist en twijfel, van bewondering, studie en dankbaarheid want na zeven eeuwen is de behoefte aan helende kracht in de mensenwereld eerder toegenomen dan verminderd. In 2008 verscheen zelfs een editie in het Fries, “
De godlike komeedzje”. En in 2004 liet Willem Veltman een fascinerende studie het daglicht zien, “Dantes openbaring”, met 33 schitterende pastels van Juke Hudig. Dante Alighieri reflecteert in zijn Divina Commedia de hele wereld: de mensheid, het hiernamaals, de aarde, de zon, de maan, de planeten en de sterren. Door de jaren heen zijn er over de essentie van Dantes leven en werk duizenden titels verschenen.

De Goddelijke komedie, de Commedia, is een levensgedicht dat uit drie delen bestaat, Inferno, Purgatorio en Paradiso. Het is een allegorie van de bekering tot God waarin zich de hele christelijke gedachtenwereld van de 13de en begin 14de eeuw, maar ook Dante’s persoonlijke ervaringen weerspiegelen. Het is een werk van grote verbeeldingskracht en onovertroffen schoonheid.

Meer nog dan als groot literair werk was de Divina Commedia bedoeld als een krachtig manifest voor een verenigd Europa onder het leiderschap van een wereldlijke keizer.

[© MN, ‘Dante en de deugdzaamheid’ bij een collage van zijn fraaie borstbeeld, sinds kort hier op ’t vaste land. Ik heb een uitgave uit 1988, vertaald door Frederica Bremer met 136 gravures van Gustave Doré. Over dit stukje deed ik de hele dag en het is geenszins naar mijn zin; de pijn verkort en verkromt mijn vertelling en ik mis de energie anderen te bezoeken. Volgende week word ik geopereerd (zie logs begin t/m 13 juli.) Ik heb een nieuwe denkbeeldige specialist, Gloria van de Hooghe, een neurochirurg, maar zij raakt verstrikt in een strijd met de orthopeed-chirurg, de man die mijn bovenste wervels met vier schroeven vastzette.]

maandag, september 13, 2010


Meditatie XXVI

De wind heeft de nacht weggeblazen en het is weer dag – een dag met licht schoner dan de maan.
We zijn in stilte bijeen, zitten rechtop, de ogen geloken, de handen open naar voren, de duim tegen de wijsvinger opdat beide handen een kom lijken te zijn.

De kom van de ene hand is gevuld met al mijn pijn, de kom van de andere is leeg, gedachteloos. Het zou de zwakte kunnen zijn … misschien moet ik anders leren denken, buigzaam als een bloem die zo de storm overleeft, de storm die een sterk gewortelde boom omver blaast.

Hoe moet ik leven? Hoe kun je ouder zijn dan 60 en het nog niet weten?
Kunnen we in deze stilte onze menselijke zwakte erkennen en de lege kom uit de bodem van onze ziel vullen met de kracht om buigzamer te zijn? Lankmoedig? Nederig?

[© MN, in de reeks meditaties, nr. 26. Photo “Dreams about future” by AnzeVrabl.]

donderdag, september 09, 2010


Meditatie XXV

Uit de nacht is de dag weer opgestaan, veelal eerder dan we wakker werden en zagen dat het weer dag was. Zo zijn zowel de nacht als de dag ons in de tijd bewaarde heiligdom. Een mysterie op zich om bij stil te staan.

We zitten rechtop om de stroom van adem, tijd en bewustzijn te voelen. De ogen houden we geloken maar wel gericht op iets in onze omgeving, de handen open als een kom, een voor de dag als toekomst en een voor onze intuïtie die verwijst naar het zwijgend verleden en doorwerkt in het heden.

Laat je hart niet zwijgen maar spreken, laat het niet wegkwijnen van sidderende angst of verdriet, maar laat het aanraakbaar zijn, gezien en ervaren worden … dan kunnen er wonderen gebeuren … “want één hart blijft thuis en één gaat op reis, maar geen van twee vindt het Paradijs”.

[© MN, in de reeks meditaties met een citaat van H. Marsman. Photo: “Lonely” by Milena Galibova.]

dinsdag, september 07, 2010


Zelfliefde

Ja, het is waar, ook nu wil ik voor geen goud ruilen met een ander; het is goed die ik ben, ik met mijn tekortkomingen en kleine gaven wil niet anders zijn dan nu, met de nadruk op zijn. Maar de grootste, zinloze en onbeantwoordbare vraag is waarom ik in hemelsnaam alle dagen zo moet lijden – of ga ik nu van het pad af en heet dit zelfbeklag?
De huisarts en specialisten op het vlak van pijn en revalidatie weten het niet (meer), zeggen dat ik ermee moet leren leven, noemen het een technisch hoogstandje. Natuurlijk heeft die chirurg zich destijds niet afgevraagd wat die vier schroeven betekenen voor de kwaliteit van leven, hij heeft zich willen bewijzen, ‘dit moet me lukken zonder verdere schade’. Had hij zich die vraag moeten stellen? Nee, - en van een moreel dilemma is hij zich zeer waarschijnlijk niet bewust geweest.

Ik ben vaak alleen en soms huil ik van de pijn en van boosheid dat ik voor de klok van acht al naar bed moet omdat ik niet weet hoe mijn hoofd nog te houden. Een hoofd zo zwaar dat het wankelt op mijn romp. En de telefoon die ik niet lang kan vasthouden omdat de pijn onverbiddelijk doortrekt naar mijn schouder en rechterarm. Een boek is gauw te zwaar; waren er maar tien van het kaliber Tamaro als Poema-pocket want lezen hoort bij mijn zelfliefde.

Er zijn zeer vele veel jongere mensen die er ernstiger aan toe zijn en een liggend bestaan leiden of die jonge mensen uit de serie ‘Over mijn lijk’. Wat zeur ik dan!? Waarschijnlijk ontbreekt het me aan veerkracht, een soort vitaliteit en moed om met alle dagen hevige pijn voldoende uit de voeten te kunnen. Er zijn vele zwakke broeders, maar als onkruid ben ik niet ter wereld gekomen. Als dat wel zo is, behoor ik tot de mooiste soort.

Zelfliefde heeft te maken met tevredenheid, aanvaarding, zelfbeeld en zelfwaardering en een zeker plezier, opgewektheid desondanks, met de kunst te leven met onvolkomenheden, met inspiratie, maar dat wordt allemaal onderdrukt door de pijn. En dan is er meteen de motor van de angst en de onveiligheid.
Eéns zal het lijden in de wateren van de vergetelheid worden ondergedompeld en de diepste groef op het doorploegde voorhoofd voorgoed worden gladgestreken.

[© MN, ‘Een zijpad in de wereld en de liefde’. Photo: “But I would” by Martin Stranka.]

maandag, september 06, 2010


De wereld en de liefde VI

Misschien vinden sommigen het een vreemd of gezocht zijpad, maar als het om de liefde gaat, gaat het om waarachtigheid. Sommigen vinden dat zelfs zo sterk dat er geen plaats is voor ‘mitsen en maren’ zoals in het gegeven voorbeeld van Claire, terwijl ik blijf volhouden dat bezonnenheid ook dáár een hoogstaande deugd is. Maar het zijpad dat ik hier wil inslaan, is dat van de taal en de waarachtigheid.

Kan ik, als schrijver van dit weblog, me vrij, waarachtig, uitlaten over de ervaringen van mijn leven? Welnee. Velen zullen zeggen, dat er ‘mitsen en maren’ zijn, ’t is flink schipperen met de taal, ook wanneer het over de liefde gaat. Ik bedoel niét: met modder kunnen gooien, beledigen, vernederen, kwaadspreken. Ik heb het oog op waarachtigheid als levenshouding en van daaruit schrijven over je beleving van dit (eigen) leven. Hoe ‘eigen’ is mijn leven hier eigenlijk?

Ik moet in de context van dit onderwerp met behoedzaamheid schrijven, met respect voor wie dan ook want een misverstand is snel gewekt. Wanneer je geen blad voor de mond neemt, zijn er zó gevaarlijke en zinloze botsingen, juist met degenen voor wie je de waardigheid, de persoonlijke integriteit, voorop stelt.
Maar wacht, misschien is het anders. Niet alles dat op je tong ligt, moet gezegd of geschreven worden, tenzij je geen scrupules kent. De waarachtigheid vraagt niet om impulsiviteit, wel om bezonnenheid, - en wanneer je het respect voor de ander dient, dien je ook de waarachtigheid. Het is daarom niet erg om in het schrijven te wikken en te wegen. Liefde en ook vriendschap vragen juist om zuinigheid, niet om klaar te staan met oordelen, maar met veiligheid zonder hypocriet te worden.

Een moreel dilemma, wat is wijs om te doen of te laten, is niet te beslechten door het meteen, zonder mitsen of maren, met de persoonlijk beleefde waarheid te lijf te gaan want vijandelijkheid is maar al te gemakkelijk te ontketenen. Vaker is het denk ik de kunst om ‘te laten’, tenzij je vindt dat te allen tijde het zelfrespect, het ego, op de eerste plaats staat.
Als een grens is bereikt, vergt het moed om te doen wat onontwijkbaar is. Er is geen pasklaar antwoord.

Het is jammer wanneer u denkt, ‘ja ja, de ethicus’. Die twee zijn niet te scheiden. Ernstige gedachten blijven me bestormen. Ik geloof niet dat ik ‘een boom ben die bij het eerste zuchtje wind sneuvelt’. Het is te eenvoudig bijna onnadenkend bruusk te zijn omdat het je, zo gezegd, om waarachtigheid gaat.
Onwillekeurig, maar eigenlijk geheel buiten dit verband, denk ik terug aan een grote fors gebouwde man, aan Chris. Hij was een dikke zeventiger, woonde hier vier huizen verderop, maar lag met een ongeneeslijke hersentumor in het hospice waar ik hem vaak bezocht. Op zekere avond vroeg ik hem of hij nog een speciale wens had. “Já, een gebraden kippenpootje.” Ik haalde er twee bij het cafetaria in Velp. Nooit eerder heb ik iemand zo onbeschaamd zien smullen, het warme gouden vet stroomde over zijn hele kin. Zijn ogen glinsterden van geluk. Hij zuchtte van heerlijkheid toen ze tot op het bot waren afgekloofd. Hij stond toe dat ik met een warme washand zijn gezicht en handen schoonmaakte en lag als de meest voldane heer in zijn kussens. Over sterven heeft hij geen enkele keer willen spreken, maar vlak voor ik wegging, op de avond van de eerste februari in 2002, zei hij me: “De boom gaat vallen.”

[© MN, ‘De wereld en de liefde’ met de foto “Alone” by Arif Tanju Korkmaz. Chris overleed de volgende ochtend om half zes, de stralendste zaterdag, 2 februari, de dag van een koninklijk huwelijk. Claire en Hans, zie eventueel 21 augustus. Terwijl ik deze tekst 31 augustus schreef, las ik 4 september een wel heel passend gedicht van Uvi.]

zaterdag, september 04, 2010


Meditatie XXIV
Je hart, je intuïtie

Er is een nieuwe dag – misschien zijn we wel blij dat die van gisteren voorbij is en dat we er een nachtje over hebben kunnen slapen.
Laten we daarom rechtop zitten, ons bewust van het ademen – de ogen geloken, gefocust op één bepaald punt in deze ruimte en van daaruit afdalen naar de stilte. De handen open, gelijk een kom.

Er zijn vele goden en idolen die je adoreren kunt. Er zijn diagnoses waaraan je je kunt vastklampen, maar een andere leidsman dan jezelf is er niet, met die je bent moet je ’t doen want er is niemand die het leven van je overneemt.

Er zijn wel anderen op wie we betrokken kunnen zijn.
Laten we hopen op de wederkerigheid, de verbondenheid en de bescherming, want zonder dat ervaren we de schraalheid, de alles wegschurende verlatenheid, terwijl we het dan onmogelijke leven toch moeten leven.


[© MN, in de reeks meditaties. Photo: “To care” by Loïc Lambour. Het lijkt wel of ik ‘gewoon maar’ het oude pad vervolg ofschoon dit rechtsreeks uit eigen ervaring voortkomt, maar heb ik een andere keus dan te trachten dat te doen? Is er een betere weg dan de oude, vertrouwde?]

woensdag, september 01, 2010


Het huiselijk corvee

Eens in de twee weken gaat Betty met alle nodige middelen door het huis en verschoont mijn bed. Terwijl ik hier zit te nietsnutten alsof mijn wereld stilstaat, maait zij de spinnenwebben weg; - maar de aarde beweegt en ik kijk vol verwondering naar de schoonheid van haar gemakkelijke bewegen.
Op al die andere dagen onderhoud ik haar werk. Het bed wordt keurig dichtgetrokken, het aanrecht en de toilet blijven schoon, de vuilniszak wordt tijdig vervangen, eten op tijd uit de diepvries, de weinige planten krijgen water en de gebruikte doeken en gedragen kleding gaan op een hoop. Maar die hoop bevalt me niet en daarom heb ik, nadat aanrecht en gootsteen met allesreiniger nog eens waren bewerkt, zojuist een paar keer een handwarm sopje gemaakt en ouderwets gewassen. Kan het niet zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan

Het huiselijk corvee valt me niet licht, maar het is onontkoombaar. De schone vaat moet worden opgeruimd om plaats te maken voor de vuile en de tafels moeten met een vochtige doek worden afgenomen willen kringen van koffiebekers en dergelijke zich niet tot schurens gaan vastzetten. Verwaarlozing duidt op apathie en beide vind ik afschrikwekkend. En in wezen, denk ik, het volkomen tegenbeeld van liefde. Liefde voor waar je leeft, al vind ik het hier nóg zo moeilijk. Het is een verantwoordelijkheid voor mezelf.

[© MN, Alledaags leven, met een schilderij van Lammert Boerma, “Wasdag”. A hell of a, job. Een lange broek in een gootsteen, nee, dat gaat niet echt. Intussen zag ik dat de witte rozen van donderdag nu, zaterdag, al bruin worden, ’t stervenskleurtje; nou ja, zolang ik die kleur zelf maar niet aanneem. ‘De wereld en de liefde’ wordt vervolgd, maar het vraagt tijd. Morgen is ’t alweer donderdag.]