Pagina's

dinsdag, november 30, 2010


Het zijn de kleuren die me aanspreken, maar ik geloof toch dat ik terugkeer naar het rustige, chique (goed, ook wat saaie) zwart, - maar er is ook aarzeling. Dat tv-scherm en het lampenkapje bevallen me niet, maar des te meer dat kleurengamma. Een vriendin uit het Utrechtse heuvelland zegt altijd: “Een mens z’n zin, een mens z’n leven.” Ik ben veel te impulsief bezig, en in het hof des konings luidt het parool: “bij twijfel, niet doen”, dat is een sterk motief. Morgen is het 1 december en doe ik de zwarte mantel weer aan. Dat is mijn standvastigheid. (100 woorden)

[© MN, in de reeks 100 woorden bij een sjabloon van Blogger. Om dat te vieren kies ik mijn 100 woorden tellende Taal bij de gevelsteen van GerdaYD. En de oude instellingen van het zwart moet ik ook weer trachten terug te vinden. Uren later: ik ben NU helemaal niet standvastig, geloof ik – misschien blijft het een poosje zo, vind het best mooi. Eigenlijk dus een overbodige tekst.]

Een foto vertelt uit zichzelf een verhaal, dat is nu juist de schoonheid ervan (46)

Het Sanskriet voor Zonnegroet, zo leert me Wikipedia, ademhalingstechnieken in de yoga, een eerbiedige buiging voor de zon. Surya ia ook wel de zonnegod die een door zeven paarden getrokken hemelwagen bestuurt. Ik moest het wel opzoeken want het intrigeerde me waarom de fotograaf, Matjaz Cater, deze foto de titel gaf van ‘Suryanamaskar’, een subliem moment.
Is het een kraanvogel? Ja, een net opgestegen Tancho-kraanvogel, een symbool van kracht en pure schoonheid als ik de afbeeldingen op google vergelijk, - wat een kennis binnen enkele minuten vandaag de dag, dat is toch verwonderlijk? Maar de foto zelf kan me langer dan een kwartier vasthouden, meenemen op zijn vlucht door het wazige land.
Ik word een kraanvogel.

[© MN, in de reeks ‘foto’s, schilderijen en beelden vertellen een eigen verhaal, dat …’ bij een foto van Matjaz Cater.]

maandag, november 29, 2010


L'amour pour la nature. Ik herinner me weinig of geen details, maar ik kende vroeger een man die met grote passie en geduld dergelijke Indonesische landschappen schilderde, als een daad van schepping. Hij vertelde ook van alles over het klimaat, alle flora, de exotische vogels, de mensen daar, de gewoonten en over de stilte. Het wandelde een middag lang mee met de wisselende penselen in zijn vaste mooi geaderde hand. Voortreffelijk, en alle synoniemen van dit woord zijn me niet genoeg. Hij is vermoedelijk de meester van mijn oog en verrukking over landschappen, want dat komt je niet aanwaaien. (100 woorden)

[© MN, in de reeks 100 woorden, met een foto van Endemania, “Starting the day”. Klik op de foto hoor!]

Een gedicht dat plots ophoudt

Ik ben de man met de vogelkop,
een sombere man sinds die vier schroeven.
Veel gelachen heb ik niet meer

en na die bliksem in de hersens
werd het nog moeilijker, meer pijn en
vooral zo angstig, dan ligt hij te bed met spookbeelden

waarover hij de lippen opeen houdt, die visioenen
hebben een dwarse maat, passen niet in zijn poëzie
want de man is een verwaande dichter,

al krijgt hij nooit een prijs en Komrij’s Godsbeeld
zou hem kleiner maken dan hij zich voorstelt,
‘een geval van psychiatrische verbeelding’, -

wat er zich allemaal niet afspeelt in die vogelkop,
daar lusten de honden geen brood van,
het is maar goed dat de man zwijgt, -

behalve over het kleine geluk, ik houd zo
van veel mensen en terwijl ik niets te bieden heb
word ik als het ware met goud gewassen, de warme steun.

Ik ben de man met de vogelkop en zo ik
geworden ben, valt me niet licht mee te leven.


[© MN, ‘De man en zijn ziel’, met een foto van Remus Tiplea. Er stonden eerst nog een paar regels, ‘dat mijn volle hoofd een handicap is en dat het altijd vloed is’, maar toen hoorde ik een prachtig gedicht van onze Dichter des Vaderlands en daar kwamen ze verdorie ongeveer hetzelfde in voor, in ‘Uit nutteloze noodzaak’, zoiets wil ik toch echt niet.]

Situaties en emoties zijn te ensceneren. Het meest indrukwekkend en openbaar zie je dat bij ‘living statues’, zandsculpturen en andere openbare kunst, beter nog, in alle kunst en elk vertelt een eigen verhaal, dat is juist de bijzondere schoonheid ervan. Elk woord van mij is overbodig, ik kan hooguit fluisteren, ‘ik denk aan de pose van de kwelling’, het ver weg zijn van elke zorg en dat is zelden iets van een moment – niet dat het chronisch moet zijn, maar het sleept je door de tijd. De houding, het nonchalante kleed, licht en kleur accentueren het brein van de kwelling. (100 woorden)

[© MN, in de reeks 100 woorden, bij een foto van CelineM. Misschien zag ik het wel als spiegelbeeld, maar …. een veel oudere man, in februari 62, wel met zulk lang haar; ik ben niet ver van zorg, maar ken de dagelijkse onoplosbare kwelling van schedel tot voetzool. Wat een ander van dat geklaag vindt, kan me niet schelen, dan denk ik, ‘je zult het maar hebben’. Mijn weblog is er voor biografische notities.]

zondag, november 28, 2010


De herfst en nog een stukje winter zijn al levenslang mijn moeilijkste periode. Na mijn geboortedag, 4 februari, neemt het nauwelijks te omschrijven ‘zware gevoel’ geleidelijk, eigenlijk onmerkbaar af. Mijn tweelingzus Erna nam bij m’n moeder de grootste plaats in. Ik kwam een of twee uur later, het was feitelijk al net de 5de, en was een breekbaar mensje. Altijd ging het verhaal dat niemand mij in de armen durfde te nemen, wat over het algemeen bij tantes en grote nichtjes een onweerstaanbare behoefte is. Nog altijd breekbaar, maar ik houd van het leven, en andersom, geen verdienste maar dankbaarheid. (100 woorden)

[© MN. Photo: “Aautumn has gone” by Herman Cater.]

zaterdag, november 27, 2010


Heuglijks nieuws van deze aard, als levende vrucht van twee geliefden, één hartstocht, is tegelijk een bron van verwondering, vertedering en vertroeteling. Ik heb een zoon en kan het weten. Lyrisch was ik, zijn lieve moeder lag er uitgeteld bij. Je weet dan nog niet wie hij worden zal, maar die hij is geworden, schenkt ons verwondering, voldoening en respect, wetende hoe hij al vele bestormingen des levens heeft doorstaan en met wijsheid weet vooruit te zien. Een jongeman van twee oud-geliefden die elkaar opnieuw verstaan en in hem een van de breuken weer helen, hetgeen een gelukkige verbinding maakt. (100 woorden)

[© MN, De man, een oud-geliefde en hun wijze zoon, in de reeks 100 woorden. 6 Juli 1988, een warme zomerdag, ’s middags rond de klok van drie in het Radboudziekenhuis. Ik geloof niet dat we een meisjesnaam hadden want we wisten dat een jongetje zou worden. Wat een belevenis. Hij was antiborstvoeding. We woonden in een piepklein huis aan de Voorstadslaan. Zijn moeder is vandaag jarig, van harte gefeliciteerd S. Foto van Angela Bacon-Kidwell.]

vrijdag, november 26, 2010


Toen ik dit Zweeds jochie zag, dacht ik terug aan mezelf, ongeveer van dezelfde leeftijd en wonend in Enschede, in de Pijlhovenstraat. Er moet misschien nog een foto van zijn, met een arm in het gips en op de schouder een Ka, de Ka die nu nog mijn postvogel is of met wie ik in gesprek ben. Mijn wijze vogel. In die tijd ging ik vaak mee met meneer Stoel; met zijn Ford Anglia bracht ik sigaretten rond, zoals ik vele jaren later in Rosmalen op zondagmorgen bij Joke, van bakkerij Jet Verbiezen, achter op de groene scooter boodschappen bezorgde. (100 woorden)

[© MN, in de reeks 100 woorden. Photo: “Boy with a bird” by Anders Ludvigson.]

donderdag, november 25, 2010


De adventstijd, de tijd voor kerst, de tijd om in het bijzonder stil te staan bij hen die ons zijn voorgegaan, onze dierbaren. Wij, de nog levenden, en de doden. Maar ook wij en de zeer kwetsbaren, de thuislozen, zoals hier de man op een graf zijn unieke slaapplaats heeft gevonden. Ik heb al levenslang een zwak voor hen en die eigenschap kan ik in mijn biografie ook plaatsen, duiden, maar dat laat ik hier terzijde. Ik heb op een naïeve manier mijn lessen met hen geleerd, maar ‘bekijk’ hen met sympathie en hoop. Is mijn leven niet even kwetsbaar? (100 woorden)

[© MN, in de reeks 100 woorden; photo “Dead comfy” by Kamyar Adl in Oxford.]

woensdag, november 24, 2010


Dit is het mooiste en eenvoudigste gebaar dat wij kunnen maken, dat we ons voornemen en waarop we ons verheugen, zowel in het geven als het ontvangen. De roos, het symbool van liefde, van verzoening, van verbeelding en eenheid. Hier telt in geen enkel opzicht welke grens dan ook. Ik ben er vaak in welk huis mee thuisgekomen en ervoer de vreugde ervan, alleen heb ik nooit begrepen waarom het eigenlijk een oneven aantal moet zijn. Ik kreeg dan de liefste kus. Misschien sluimerden er wel verborgen verwachtingen die alleen bij geduld uit de plooien van de tijd zouden komen. (100 woorden)

[© MN, photo: “Gentle strenght” by Kcanmer.]

dinsdag, november 23, 2010


David versus Goliath

De namiddag, 16:00 uur, brengt van links een bijna te scherp zonbeeld dat hier voor me, zes hoog, een donker gestapelde wolkenpartij negeert en over de toppen van de bomen scheert, een schitterend aanzien van de hemel. Er voegt zich wat lichtroze bij het grijs, een kleur die een paar dagen terug geheel violet werd maar nu geen kans krijgt of wordt opgeslorpt.
Ik lag met pijn en onrust te bed en dacht aan dat stukje ‘Zo werkt Nederland’. Dan raak je met jezelf in gesprek. Je laat je ook wel erg opfokken! Een opgewonden standje. Ja, maar ik schiet in de stress bij zoveel openlijke domheid en brutaliteit. Ik heb de pech, dat stress of chaos de pijn verergert, me toedekt met angst en me dan in een afschuwelijke staat van benauwdheid brengt. Bureaucratie beklemt mensen.

Vannacht, ik sliep nog een keer op het eiland, dacht ik eraan vanmorgen dat boek van Niels Bokhove op te zoeken, ‘Reiziger in scheerapparaten’ maar dat ben ik vergeten. Een prachtig boek over Franz Kafka (1883 – 1924). Macht heeft een totalitair karakter en dat roept weerstand en verzet op, ik herinner me sprekende voorbeelden in dat boek, maar zonder het bij de hand te hebben, kan ik daar niet helder genoeg over schrijven. We kennen de begrippen Kafkaësk en Kafkaïaans: op onaangename wijze getroffen worden door botte tegenwerking die je bijna wanhopig maakt. “Wie ooit uren heeft moeten wachten in de wachtkamers van de overheid of van het ene loket naar het andere is gestuurd zonder ook maar een stukje verder te komen in de ambtelijke mallemolen, of zich benadeeld voelt door een anonieme, maar niet minder effectieve staatsmacht, kan zich het personage uit de roman van Kafka voelen”, schrijft Hein Pragt. Justitie bevindt zich in groot gebouw middenin Utrecht, daaronder een parkeergarage. Om te bezuinigen hebben ze per direct de parkeerkaart van het personeel ingenomen. “Zoek het maar uit mensen.”

De lucht is bijna zwart, met vegen geel, beige en toch nog violet. Je kunt je werkelijk verbazen over zoveel schakeringen in de avondschemer, het is 17:10 uur. Schrijven maakt me rustiger.

[© MN, ‘Een nadere bezinning’ met een foto van Frans Kafka. Het is 18:00 uur, de lucht is volmaakt zwart.]
Zo werkt Nederland

Even dacht ik dat de klok twintig of dertig jaar terug stond, maar het is 2010. Bovendien wil ik de werkers van die tijd niet (postuum) beledigen want hoewel er nog hiërarchische verhoudingen bestonden, herinner ik mij dat mensen elkaar over het algemeen met égards bejegenden, dus ik moet het gewoon bij het heden houden.
Uiteraard noem ik geen namen, maar grote dienstverleningsorganisaties, in het mobiele verkeer, in de welzijns- en woonsector et cetera, zijn ondoordringbaar geworden doordat baliemedewerkers klaarblijkelijk vooral de opdracht hebben mensen voor dom te slijten en op afstand te houden. Het woord ‘amateuristisch’ is er niets bij. Al slaat het met snijdende pijn op mezelf terug, dan hebben ze aan mij een duivels moeilijke cliënt. (In het revalidatiecentrum zeiden ze dat ook: “We hebben nog nooit zo’n lastige revalidant gehad.”)

Veel van die baliemedewerkers spelen eigen baas, alsof ze cart blanche hebben of over alle willekeurige bevoegdheden beschikken die ze eventueel nodig hebben. Zelfverzekerd, onverschillig en afgrijselijk hautain, maar in wezen onbenullig en met een tunnelvisie, met een waanzinnige verbeelding en ten diepste vernederend.
Van een woonorganisatie verwacht je de acceptatiepapieren die je dient in te vullen en met de nodige bewijsstukken voorzien moet retourneren. In plaats daarvan krijg je voor de derde keer inschrijfformulieren. Hierover bellen en vriendelijk om het een en ander te verzoeken blijkt zinloos en tevergeefs. Het gaat zoals de baliemedewerker eist want ik ben daar tot heden onbekend.
Ja, ‘onbekend’, en de schilder is al verder dan halverwege.

Ik had nooit een uitvaartverzekering. Vóór mijn handicap dacht ik dat er wel genoeg geld zou zijn en dat de premie te hoog zou zijn (naar mijn zin in relatie tot het denkbeeldige geld). Nu kreeg ik onlangs van een grote organisatie een online-uitnodiging me te verzekeren. Ik herzag mijn ideeën, wilde niemand op kosten jagen en beschouw het als een eigen verantwoordelijkheid. De premie viel mee, 35 euro per maand. Volgende dag een bevestiging, vijf dagen later een acceptatie. Een paar weken later ontving ik de polis. Na medisch advies bleek de premie een stuk hoger en was de polis voorzien van een tweede, ongevraagde dekking die op zich al 17 euro per maand kostte. “Ja, dat doen we automatisch, omdat mensen daar niet aan denken.”
“Ik wel meneer en ik heb uitsluitend om een uitgebreide uitvaartverzekering gevraagd, dus ik vraag u dat te corrigeren.”
“Dat gaat zomaar niet, die tweede dekking zit er automatisch aan vast en is het meest verstandig.”
“Meneer, een acceptatie dient wederzijds te zijn en ik koop niet iets wat ik niet wil.”
“Het beste is ons een brief te schrijven.”
De uitvaart wordt uitgesteld.

Ik kan hier nog talrijke voorbeelden aan toevoegen, maar de boodschap is helder. Ik wilde m’n hart luchten, heb helemaal geen trek in een zwartboek en gelukkig zijn er ook heel goede, attente en betrokken, vriendelijke baliemedewerkers.

[© MN, ‘Een realiteit anno 2010’. Terug in Doetinchem vraag ik de huismeester: “Ik kom hier toch wel te wonen?” “Al moet ik zelf de huur betalen Marius” en hij overhandigde me de acceptatieformulieren. “Ja, dit is mijn thuis, nr. 107.” Een geschikte foto is een hoogst moeilijke opgave dit keer. Je hoort mensen wel eens zeggen, dat ze duizend maal liever met een dier van doen hebben, daar denk ik opeens aan, en als je de context kent, dan snap je dat meestal wel. Ik weet ’t niet, ja, ik zag er een, maar die foto heb ik al voor een nog komend stukje. Daarom deze komische foto van Shingo Uchiyama, “Umm.” (Beschouw dit maar als een intermezzo.)]

maandag, november 22, 2010



Een prachtige herfstdag. Zo’n mooie zondag is fijn voor de mensen. Velen gaan wandelen. Ontspannen zich in het opsnuiven van geuren, gaan als het ware opnieuw ademhalen. Ze doen herinneringen op, praten erover of zwijgen. Ik kijk hier uit over de toppen van de bomen, pal in de zon, zij lopen er onderdoor. Verkeerslawaai zou er niet moeten zijn, maar dat is onvermijdelijk. Hoe ook, het is “de taal van de herfst”, over het midden van november, 24 dagen voor mijn verhuizing, die ons bewust of niet doet mijmeren en naar nieuwe inzichten wijst. Inzicht geeft ons kostbare innerlijke vrijheid. (100 woorden)

[© MN, photo “Autumn sunrise” by Gary McParland.]

zondag, november 21, 2010



Een eeuwenoud fenomeen: het venster, een baken van licht. In de winter lagen er vroeger opgerolde handdoeken voor, stonden er bloemen op de ruiten. Er hangen gordijnen voor, soms nog vitrage. Sommige hebben nog luiken, gewone zonwering of markiezen. We hangen in het venster uit verveling, op de uitkijk of met verwachtingen. We staren naar buiten om van alles gade te slaan, om na te denken of te dromen. De televisie is het venster op de wereld. Nooit kunnen we zeggen iets niet te weten, het venster behoort tot onze zintuigen en kleurt onze waarneming, precies wat Jolan heeft gedaan. (100 woorden)

[© MN. Het venster, eerste olieverfdoek van Joo, 60 x 40.]

zaterdag, november 20, 2010


Met mijn handen de wereld in

Dat ik schrijver ben geworden is mijn geluk, anders kwam ik nergens, kende niemand mij meer en had ik geen vrienden. Nu wel, en dat, naast de verwondering, vervult mijn ziel. Ik schrijf wat ik (be)leef, dit is mijn leven. Wanneer ik te sterk selecteer, creëer ik een ‘vals beeld’.
Schrijver: met mijn handen de wereld in; het is zo gek nog niet.

De angst waarin ik leef, ken ik al lange tijd en is niet te verbinden aan wat komen gaat. De nek, het wankele hoofd, het voor mij beruchte (denkbeeldige) halssnoer, ijskoude voeten en de pijn in de rechterarm houden me vaak onophoudelijk in een wurggreep. Het is onmogelijk er gedetailleerd over te zijn, dit zijn de fysieke details die me beangstigen – een (te) vroegtijdige, plotselinge dood - en doen zwijgen.
Angst en werkelijkheid zijn niet hetzelfde.

Vorige week gekweld door een ongelooflijke nachtmerrie. Ik ontmoette de man die mij vele, vele jaren geleden vermoordde. Iemand bij de politie heropende de zaak, had mij laten klonen en weer de wereld ingestuurd. Op zeker moment, ik zwierf rond, kwam ik in een vreemd huis waar alles werd gedaan wat God verbiedt. Een soort Sodoma en Gomorra waar ik niet warm of koud van werd. Ik was er met mijn liefste nichtje en zag ook mijn overleden zus.
Ik trof daar een man. Na een poosje zagen we in elkaar wie wij tweeën waren. Hij was verbijsterd, dat zag ik – de moordenaar zou mij thuisbrengen. ‘Ja ja’, en toen ben ik gevlucht en redde mijn leven – bezweet werd ik wakker en de angst greep me bij de keel. Om drie uur ’s nachts zat ik in de woonkamer met een sigaret, daarna nog een. Het was koud.
Om half acht werd ik bezweet wakker.

Ik nam het boek van Jung.
“Ik herinner mij twee zeer leerrijke gevallen.: de een droomde van een dronken vagebond die in een riool lag; de ander van een dronken prostituee die in de goot lag. De eerste was een theoloog, de tweede een dame van een standing, beiden waren verontwaardigd en beledigd, en niet in het minst bereid toe te geven dat men van en uit zichzelf droomt. Ik gaf beiden de welwillende raad zich een uurtje zelfinkeer te gunnen en er rustig over na te denken, in welk opzicht en in hoeverre zij niet veel beter waren dan die dronken broeder in het riool en die geprostitueerde dame in de goot. Met zo’n kanonschot begint meestal het subtiele proces van zelfkennis. “De ander”, van wie wij dromen, is noch onze vriend noch onze buurman. Het is de ander in ons van wie wij zo graag zeggen: “O Heer, ik dank u dat ik niet ben zoals hij.” De droom, dat natuurkind, heeft wel geen moraliserende bedoelingen, maar hij is een bewijs voor de juistheid van het gezegde, dat er geen bomen in de hemel groeien.”

Dromen zijn een natuurlijk product van de onbewuste activiteit van de ziel en Jung is ervan overtuigd er geen mededelingen van enig belang in te zien, dat zou een soort tovenarij zijn. “En dat is maar goed ook”, zegt hij want “anders zou de betekenis bij voorbaat beperkt zijn en hij zou juist zijn goede eigenschap verliezen die hem voor psychologische doeleinden zo bijzonder waardevol maakt: voor het openen van een nieuw gezichtspunt is de droom namelijk zeer geschikt.”

[© MN, ‘Ons onbewuste is een oceaan’,“It s all about broken dreams” by Esther.]

vrijdag, november 19, 2010



Een vrouw als tijdloze thuishaven

Een vrouw is jarig, - zij zijn het
mooiste ontwerp van het leven, vrouwen - maar
toen zij kwam, was ze niet zo gewenst.

Gelukkig met broers, oud-geliefden die haar mooie
dochters schonken, even talentvol als zijzelf,
drie ‘heftige standjes’.

Niets gaat vanzelf, maar ze kent haar breekbaarheid,
ofschoon soms zo overmoedig, net als ik,
bestand tegen stormen en depressies.

Trouw en vol mededogen, zij zingt het leven warm
in het geëigend seizoen, een lieve lefgozer
op hoge hakken die ik poëtisch bemin.

[© MN, met felicitaties en een kus voor C*. Photo: ´Let us sing” by Fernand Hick.]

donderdag, november 18, 2010

Doetinchem

Sommigen wisten het misschien al: het is Doetinchem aan de Oude IJssel waar ik me voor het laatst zal vestigen, hopelijk voor vele jaren. Een kleine stad in de Gelderse Achterhoek waar velen het voor mij herkenbare en geliefde Twents spreken, een nuance in het Tukkers.

De entree is momenteel een waar rommeltje, een en al opbrekingen, omleiding en verkeershinder. Ik zou ‘Het Trommelslag’ zo niet weten te vinden. (Op deze plek stond een boerderij met deze naam. Waarom?) Het begin van de stad wordt gemarkeerd door het min of meer befaamde, controversiële en interactieve beeld ‘De Kies’, dat wisselend de kleur aanneemt van de actuele gemoedstoestand van een helaas geselecteerde groep burgers. (Dat is wel erg elitair: 50 burgers, minder dan 1%! Alsof er een schuilkelder is alleen voor de burgemeester en verwanten.) Ik vind het niettemin een prachtig kunstconcept. Een van de wijken, een ingelijfd gehucht denk ik heet Dichteren, dat was ook mooi geweest, maar het is een weldadige compensatie om in een schrijverswijk te mogen gaan wonen, nota bene in de H. Marsmanstraat. Er wonen veel atheïsten en moslims, ongeveer 40 procent is van katholieke signatuur, maar goed, ik ben geen missionaris. Het is zelfs de vraag of ik werkelijk tot de dichters behoor.
Een ijdele trek is, dat op mijn naambordje staat: Dr. Marius Nuy; titulatuur stelt tegenwoordig niet veel meer voor en ik verbeeld me niets, maar het is een onvervreemdbare titel voor het leven die ik maatschappelijk gezien wel kwijt ben maar waarvoor ik een generatie lang hard heb gewerkt.

Over het appartement kan ik allen maar enthousiast zijn. Elke keer dat ik er nu ben, is het als nieuwe adem, zo ruimtelijk en overzichtelijk en ik vind het bijzonder te ervaren zo welkom te zijn. Verder is alles nu geregeld, de schilder, de huisarts, de vloerbedekking, de verhuizing, de loodgieter, de handy-man, behalve de toekomst, maar die is ons allen onbekend.

[© MN, ‘Nieuwe adem’ met een foto van “De Kies” van kunstenaar Q.S. Serafijn en architect Lars Spuybroek.]

woensdag, november 17, 2010


Een nieuwe schepping, de oude is voorbij
Een andere horizon rijst op

Toen ik het voorjaar daar was en ‘Het Trommelslag’ voor het eerst zag, zei ik, ‘rijd maar door’, vertellend (oordelend) over die naam. Thuis zou ik eens nagaan wat die naam verbindt met de dichter Hendrik Marsman. (Dat komt ook door ‘oude beelden’: hier, in Rozendaal, wilde ik met haar, met wie ik nog altijd goed ben verbonden, oud worden.)
Alle gedichten van Marsman gelezen en niets gevonden. Ik zag alleen dat het een paar dagen later zijn zeventigste sterfdag zou zijn en schreef een gedicht, waarin het me tevens ging om een andere naam, namelijk ‘Tromgeroffel’, zie eventueel 21 juni.

Aangezien deze lieve vriendin daar toch is gaan wonen, kwam ik vanzelf dichterbij en zo trof mij de verrassing van het hele interieur en ook enkele mensen die mij onmiddellijk sympathiek begroetten. Eenmaal dieper in het gebouw, haar woonkamer, vielen al mijn vooroordelen omver, met uitzondering de naam van het 138 appartementen tellende gebouw. ‘Het Trommelslag’ klinkt mij nog altijd vreemd; iedereen blijkt het voorvoegsel ‘het’ ook te hebben uitgeveegd.
Ik zal, er eenmaal wonend, de stichting schrijven en met het gedicht voor Marsman vragen om de naam na zoveel jaar eens te veranderen. Eigenlijk maak ik me geen illusies, maar wanneer er gehoor voor blijkt, zal ik gedicht en illustratie prachtig inlijsten voor in de hal. Maar dit terzijde.

Er rijst een nieuwe horizon op. Medio december verhuis ik, alles wordt gedaan. De huismeester toont zich wonderlijk blij met mijn komst. Ik heb een nieuwe huisarts gevonden. Het lijkt alsof het zich vanzelf aandient hoe ik moet leven.
De komende week gaat de schilder al aan het werk, volgens een heel scenario – weet al waar alles komt te staan en zal dan het nodige fotografisch met jullie delen. Ik heb dagen achter de rug met veel angst en pijn, omdat het van de week drie jaar is geleden dat ik werd overrompeld door dat herseninfarct. Dat is net als wanneer je aan zee bent en het vloed ziet worden, “hè, het was net zo mooi bij eb”, maar het wórdt vloed.
“Wat wil je, alles is nog zo vers”, maar mij leek dat niet, het moest maar eens afgelopen zijn ofschoon de grote narigheid ergens ligt opgeslagen waar het ook zo weer uit tevoorschijn komt. Het dringt tot mij door dat ik dit huis onverwacht voorgoed ga verlaten, een nieuwe schepping tegemoet ga. Ik ken mijn diepe laden vol onzekerheden langzamerhand – waar ik het land aan heb – maar voel me vervuld met verwondering.

[© MN, met een foto van het nieuwe Corpus.]

maandag, november 15, 2010



Meditatie XXXIII
Tranen zijn ook een taal

“There is a sacredness in tears. They are not the mark of weakness, but of power. They speak more eloquently than ten thousand tongues. They are messengers of overwhelming grief ... and unspeakable love.” - Washington Irving –

Het is een nieuwe dag. Op een eerdere dag heb ik dit gelezen en herkende het ten volle, de taal van alle zintuigen, maar ik zag het niet eerder als ‘power’.
Laten we ‘heel de mens’ zijn, niet bevreesd zijn onze kwetsbaarheid te tonen, dat leidt alleen tot een verzameling maskers waarin je jezelf op zeker moment niet meer zult herkennen.

[© MN, in de reeks meditaties. Photo: “Contemplation” by Remus Tiplea.]

zondag, november 14, 2010


Eens komt een zuster en raapt ze alle op

Zoveel woorden als bladeren
liggen verspreid over web en aarde,
als dood en belofte, zij aan zij.

Het zijn de kleuren die ons in herfsttij
ontroeren en herinneren aan sterfelijkheid,
aan tijdelijkheid en verandering.

Ons geheugen telt bladeren als van een boom,
er verdwijnen er door de mazen, maar een geur
kan een fragment plots tevoorschijn doen komen,

even wreed of zacht als toen het er was, alsof
een pianotoets voldoende is het te breken, kan iets
in een enkele minuut ons in vervoering brengen.

De herfst ligt als een tapijt rond het huis, ik zag
alle blad verschieten van kleur, van een blozend
verlangen naar de verschrompeling, het einde nabij.

[© MN, ‘Herfstkus 2010 in de bekleding van de letter’ met een foto van Paulo Medeiros.]

donderdag, november 11, 2010


Aan de oever van mijn bewustzijn ….

…. is een kostbare gedachte aangespoeld. Ik dacht even aan de titel”Luister naar de stem van je hart” van Susanna Tamaro. Mijn innerlijke rebel die er genoeg van heeft dof en passief te wachten op verandering, ‘neem het heft in handen’. Ik dacht ook aan het woord boeddha dat ‘wakker’ betekent. Verlaat het spoor van pijn, van stilte en verwarring. Ontwaak!
Hoewel ons huis nog niet is verkocht, heb ik een en ander zo kunnen regelen dat ik het wachthuis kan verlaten en nog voor de kerst dit jaar zal zijn verhuisd naar de stad waar ik indirect op 21 juni een gedicht over schreef.

In die stad staat een appartementengebouw dat onder Woonzorg valt, Trommelslag heet en gelegen is aan de H. Marsmanstraat. Toen ik daar was, dacht ik meteen, dat áls ik daar misschien ooit zou komen te wonen, ik het bestuur zou vragen de naam Trommelslag te wijzigen in Tromgeroffel. Daarover gaat dat gedicht, precies zeventig jaar na zijn dood.

Aangezien het huis nog almaar te koop staat – en ik me liet vertellen dat het na meer dan twee jaar in vakkringen een ‘besmet huis’ wordt genoemd oftewel ‘daar is iets mee’ (ja, de zeer drukke weg) – en ik vaak de gedachte, nee sterker, de angst heb gehad dat het voor mij te laat zou worden, ben ik nu diep in vervoering over deze gelukkige wending van het lot.

Het is een heel overzichtelijk appartement aan de oostkant van het gebouw, gelegen op de 6de verdieping met een blijvend schitterend uitzicht over een natuurpark. Ik zag het in het prachtige herfstlicht afgelopen zondag en door de berkenbomen – “wier schemerende skeletten behangen zijn met dunne gouden munten” - zie je momenteel al een reusachtige vijver die in de zomer aan het oog onttrokken zal zijn. Er is géén verkeersgeluid. Vogelgefluit en misschien een zacht briesje zullen mij het meest nabij zijn, evenals een lieve vriendin aan de westzijde, meteen tegenover mij.

Wat Carl Jung ‘de schepping van onze nacht’ noemt, de droom, wordt bewaarheid, - ‘die schepping is vluchtig, verschietend zelfs’, schrijft hij. Máár, of beter gezegd, dat blijkt, want het gaat niet door. Juist die volgende ochtend, dat de huismeester, die er al van wist, en nu preciezer zou worden ingelicht, is er door iemand anders een onomkeerbare keuze gemaakt. Terwijl de man bij voorkeur lager wilde wonen, wilde zijn vrouw de 6de en zo geschiedde.

Ik ben beklemd geraakt, me bewust van een dilemma, juist nu ik me innerlijk zo opgelucht voelde over dat het eens echt meezat, dat 183 het wás hoewel ik nog een lichte aarzeling bespeurde omdat het er volkomen stil zou zijn, plotseling na deze hyperactieve Ringallee waar ik de winter niet wil doorbrengen maar ook niet voor op de vlucht mag of wil, maar wat overheersend was, was dat het echt eens meezat en dat blijkt plotseling doormidden gescheurd. Een moeras. Die huismeester kan er niets aan doen, maar wanneer hij dit zou lezen ... nee, ook dan zal de gemaakte keuze vandaag onherroepelijk zijn. Soms denk ik werkelijk een spoor van teleurstellingen te volgen, of dramatiseer ik dan die aanvankelijk zo gelukkige inval die in een blozende onbevangenheid het diep verborgen deurtje van mijn ziel achter zich dichttrok.

Jung zegt, “( ) … tracht uw houding weer in overeenstemming te brengen met uw diepste wezensgeaardheid.” Geen geringe opgave nu, - toch ontstaat er na anderhalf etmaal een zekere berusting. De winter dus hier!? Na een beroerde nacht ging ik eens na welke delen uit de privé domeinreeks ik nog graag zou willen. Het zijn er zeven. Wil ik me daarmee troosten? Hoe zit het dan met mijn spaarengel? Het woord trekt m’n geheugen open, naar een winter die ik vele jaren geleden ook alleen doorbracht en een affaire had met Magda, dáár is die spaarengel gebleven.
Dagen later ben ik opnieuw in Trommelslag want er zijn nóg drie appartementen vrij, één aan de oostkant en twee aan de westkant.

Ik ben vandaag tweemaal op de 3de verdieping aan de oostkant geweest. Enige zelfs visuele hinder van het dwarsgebouw van drie hoog is te verwaarlozen. Er is volop zicht, over een boom heen (die op de 2de verdieping, waar er ook een vrij blijkt, pal voor je neus staat en in de zomer je het zicht op de rest ontneemt), … dus over een boom heen naar de grote vijver waar in de zomer Schotse Hooglanders tot hun middel in staan. Geen lawaai van wat ook, hetgeen aan de westkant onophoudelijk wel het geval is en 's morgens om vijf al begint.
De westkant kan geen keus voor mij zijn. Het uitzicht is wel mooi, veel siennakleurige bomen. De wolken vormen een landschap apart. Recht voor me is het alsof in de verte de alpentoppen te zien zijn, links zie je geel, grijs, witte randen en hemelsblauw, van daaruit een ribbenkast. Het verandert per minuut, dit mysterie, - want even later is al het wit veranderd in puur oranje. De lucht rechts is net een aquarel.
Het appartement op de 3de etage voelt goed, het past als een tweede huid.

Terug in Rozendaal. Het maakt me wat nerveus, deze plotselinge hoogstwaarschijnlijke kanteling. Veel objecten van woonzorg zijn kleiner en hebben als sprekend voorbeeld daarvan een vierkant hangbalkon voor een konijnenhok.
De abdij is vlakbij.
Is het keus of vlucht? Ik heb het vaak gehad over ‘de wachtkamer’ en de vicieuze cirkel, maar nu kan ik mijn leefsituatie fundamenteel veranderen. Een week bedenktijd. ‘Ja’!
Het is koud en guur herfstweer. Dit is het weer van het gedicht “De bronzen ruiter” van de grote Russische dichter Alexander Poesjkin, over het beeld in St. Petersburg … “Het is november en het dondert”, ruig weer, de Neva stroomt over en de stad staat blank.

[© MN, ‘Een (aanvankelijk) zielsgelukkig man’, met een regel van Hans Andreus. Carl C. Jung, “De mens op weg naar zelfontdekking.” Oorspronkelijke titel luidt: L’homme à la découverte de son āme, veel mooier toch!? Alexander Poesjkin, 1799 – 1837. 't Zal van beide wel iets hebben, keus en vlucht, maar soms is het goed te vluchten. Hier raakte ik telkens de rand van een depressie. Photo: “Contrasts” by Charlie Packard.]

maandag, november 08, 2010


Meditatie XXXII
‘Herfsttij van de man met een vogelkop’

Tijdens een hard geruis van windvlagen, scherend en soms wel bonzend langs het glazen dak van het eiland waar ik slaap, dacht ik aan mon ange gardien, de engel, de engel die het bevlogen symbool zal zijn van bescherming, van medeleven, van iets dat roept vanuit een verlangen nabij te zijn, troostend, begeleidend. Alleen en in het donkere huis van de nacht speurde ik onrustig rond me en zuchtte zoals de wind dat deed. De regen ranselde de koepel achterin. Tegen het zwakke licht van enkele lantaarns zag ik de donkergrijze lucht waarin zich nog scherpe zwarte stapelwolken aftekenden. Ze zouden de aarde kunnen verpletteren. Is de engel een beeld in mijzelf of een eeuwenoud beeld uit de hemel? Is de engel een boodschapper uit een schijnwerkelijkheid die ongrijpbaar en vluchtig en wenkend rond het huis spookt en mij allerlei ongerustheden voor de geest doet halen, vragen stelt waarop ik geen antwoord weet, dan de vleugels spreidt en weer verdwijnt? ‘Laat mij het onmogelijke leven maar leren leven’, dat is de enige vraag die ik heb en wel behouden zal, deze en alle andere nachten en van daaruit wil ik zijn die ik ben geworden, - ook al zoek ik naar nieuwe wegen.
De nacht mint net als ik het licht en dat is doorgebroken, er is een nieuwe dag, een met onveranderlijk zachte taal.

Laten we hopen alles te zien zoals het is, de naakte werkelijkheid onder ogen te zien, - waarbij ik plots denk aan die regel van Lucebert, ‘alles van waarde is weerloos’. Laten we niet onverschillig of ongenaakbaar zijn, maar in vervoering durven raken over wat van waarde is en elkaar niet in de weg staan maar nabij zijn, helpen bij het vinden van goede wegen, al is het vanuit onzekerheid of twijfel – al voelen we ons van binnen soms, in bange tijd, gestold om allerlei ongerustheden, alsof de tijd even niet verstrijkt, maar we worden ouder en onderkennen dat zorgzaamheid zowel nood als deugd is, levenslang.

[© MN, in de reeks meditaties. Of vinden we zachte taal ‘zweverig’, onverstaanbaar? Afbeelding: “Inkeer in herfsttij” van Joo, olie op linnen, 40 x 40. Dank je Jolan.]

vrijdag, november 05, 2010

Meditatie XXXI

“( ) …. want ook de nacht mint het licht en meer nog het doorbreken”, schreef mijn liefste dichter en terwijl ik dit schrijf, leef ik in de schemering van gisteren toen ik na het wakker worden van mijn middagrust zonder grond huilde maar ik denk om al wat mijn hart verlangt en voorgoed voorbij is. Ik vond houvast in mijn belofte slechts zachtheid te schrijven en in de simpele observatie van die morgen. Het waaide hard in het grijze licht, een zwakke zon herinnerde me aan tederheid en ik zag dat de bomen werden leeggeschud. En toen was er de verwondering want sommige bomen bieden weerstand en willen niet in een tik en een tel worden ontkleed, ze blijven halsstarrig in het groen en dat, dat zou ook het mooiste zijn, maar zo gaat het niet in het leven.
Dood en belofte van nieuw leven liggen zij aan zij.

Een nieuwe dageraad is aangebroken … want ook de nacht mint het licht.
Niet iedereen kan daar zomaar gerust op zijn. Hannelore leefde van de week haar laatste weekend. Monique ondergaat voor de zoveelste keer chemokuren, blijft kranig, en heeft door de Prednisol een bijna onherkenbaar gezicht gekregen. Pauline ligt oud en gebroken in bed, zo licht als een veertje. Elk ogenblik kan ze gevlogen zijn.

…. de ogen geloken, de handen open, maar bijeen als één kom. Het is het gebaar van de waarachtige aandacht, de kom als geschenk, een kom vol troost en tederheid, een kom vol gelukkige dankbaarheid en genade, dat kan nimmer overbodig zijn.

[© MN, in de reeks meditaties, met dank aan Danny. Photo: “Entre el cielo y el suelo” by Darco TT.]

donderdag, november 04, 2010


Not a particular day

“Zó zeg, nog in pyama … je denkt, voor wie zou ik het doen!?”, zei Jacqueline – mijn huisarts – die van de week ongevraagd voor de deur stond. “Ik kom je griepprik brengen.”
“Dat is aardig en attent van je, hoef ik niet naar die sportschool zien te komen. En die pyama, ach, ik treuzel en werk aan een stukje. Ik houd niet een pyamadag ȧ la de verpleeghuizen hoor, zelfverzorging vind ik nog van groot belang, maar ik hoef me nergens voor te haasten.”
“O, en je wilt naar de pijnpoli … in Velp?”
“Ja, maar bij voorkeur niet naar dr. T. … wil je weten hoe dat toentertijd ging?” De prik was al gegeven, en gelukkig, ze was heel geduldig en ging er bij zitten. Ik vertelde haar kort over die ook korte ontmoeting. “(….) en in de deuropening riep hij nog: ‘Bellen hè …!’
Ik keek hem vragend genoeg aan, - ‘Nou, als een van die schroeven door de botten breekt!’ Kan het nog botter? Dat zinnetje hoor ik nóg, het zit voor altijd in m’n oorschelp.” (Ik zei er maar niets van dat ik een week geleden al om die verwijzing heb gevraagd.) Wachttijd verdubbelt. Ik denk tijd te hebben.

Ik werkte aan een deprimerend stukje over ‘senseless time when pain leading the field’, maar dat prullemandiseer ik, luisterend naar een andere stem. “Stop. Stop this language of self-pity” en “Yes, we know a lot of your miserable life, tell us something new, give us some tense, a lovestory or whatever. This is making us powerless, it leads to a sort of helpless rage.”

Het is al weer na het midden van de week. Opnieuw getreuzel. Ik kijk hoe de eik, de catalpa’s en de kersenboom zich leegschudden en verbaas me erover dat een hele rij van bomen verderop nog helemaal groen zijn, alsof ze hebben besloten hun mantel aan te houden.

[© MN, ‘Zomaar een dag.’ Photo: “Autumn handle” by Jonpainter.]

woensdag, november 03, 2010


Ik sluit mijn ogen en zie meer duisternis

De taal is al teveel als een wonde, gebreken ontdekt slechts het oog van de liefdeloze. Er mag deze week alleen maar zachtheid staan, ik bedoel zachte taal als een fleece die ons behaaglijkheid schenkt want het is een koude week rond Allerzielen. Een week vol persoonlijke herinneringen, gedachten en gebaren – een kaars aansteken, een roos in het vaasje voor Erna – en stilte uit eerbied en innerlijke aandacht voor overledenen die ons aan het hart gaan, over wie we nog vol vers verdriet zijn zoals gisteren om Hannelore.
De dood haalt niet de bedreigdheid van het leven naar voren, maar juist de kostbaarheid ervan. Bedenk eens wie we zijn en hoe we handelen als iemand terminaal ziek is, - de manier waarop we een kopje thee halen of een kussen beter schikken of de hand strelen. Er is dan niets dat belangrijker is in ons leven, daarin, in dat simpele handelen of dat enkele woord, vatten we heel onze relatie samen, de diepte en de volheid ervan, de zorg, de troost en de waarheid. Dán, eigenlijk in bange tijd, waarin de tijd maar niet verstrijkt omdat je gestold bent van zorg en angst. De taal als een fleece, een wollen sjaal, omhuld door de diepe nacht, - juist wanneer grote regenwolken van verdriet de ogen van onze geest verduisteren. In de kracht van de overgave aan het moment komen goede dingen tot stand.

[© MN. ‘De herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil’, Douwe Draaisma. Afbeelding: ‘Roses are dying’ by MN.]

maandag, november 01, 2010


De onsterfelijke gedachte koning is gestorven
Harry Mulisch (1927 – 2010)


‘En ‘s avonds klonk er pianospel door het open raam.
De kamer was dan verlicht; een heel zacht rose licht. Ik bleef altijd staan en luisterde, urenlang. Totdat de muziek eensklaps ophield en het licht uitging.’ (De kamer, 1947)

Harry Mulisch zag ik voor het laatst in enkele talkshows rond het overlijden van Hans van Mierlo, hij maakte een breekbare indruk, mild en beminnelijk. Een innemende man, die zich het woord liet afnemen door Marcel van Dam. Hij onderstreepte als het ware de ouderdom, het niet ontkomend ouder worden, terwijl je op bovenstaande foto nu niet onmiddellijk een 80-jarige man vermoedt, wel een vitale persoonlijkheid.
Norman Mailer, Marguerite Duras, Francoise Sagan, Hugo Claus, W.F. Hermans, Gerard Reve, Jan Wolkers, Hans Warren, Louis Ferron, Cees Buddingh’, Rudy Kousbroek, Boudewijn Büch, Simon Vinkenoog, Martin Bril, Willem Brakman, Jean-Paul Franssens, Christine D’haen, J.J. Voskuil, Herman Franke, August Willemsen, John Updike, Fritzi Harmsen van Beek, Herman de Coninck, Patricia de Martelaere, Ryszard Kapuscinski, Tiziano Terzani- allemaal overleden schrijvers/dichters waar Harry Mulisch op een of andere manier ver boven leek te staan, een geheimzinnig zwijgzame en gereserveerde man, glimlachend over al wat over hem te berde werd gebracht of hem als te ontzenuwen statement voor de voeten werd geworpen. Hij leek een niet te onttronen, onbenaderbare onsterfelijke koning, slechts ‘een beeld van buiten’. Een unieke persoonlijkheid.

Een buitengewoon groot en veelzijdig schrijver, geboren uit een Joodse vrouw en een Oostenrijks-Hongaarse legerofficier die collaboreerde met de Duitsers waardoor hij opmerkte: “Ik ben de Tweede Wereldoorlog.”, maar vooral toch Bezige Bij-auteur van weergaloze romans, novellen, toneelstukken, gedichten, reportages, studies en autobiografisch werk. Ik herinner me vooral “Archibald Strohalm” waarin de jongen Archibald jammerlijk faalt in een alomvattende filosofie, “Het stenen bruidsbed”, “Bericht aan de rattenkoning” over de Provo-rellen en de twee grote meesterwerken, Boek Aller Tijden, “De ontdekking van de hemel” en “De aanslag”. Beide laatste werken zijn benijdenswaardige wereldsuccessen. Natuurlijk was hij geen koning, maar een doodgewone, wel intrigerend mens met bijzondere gaven, een waarachtig ambachtsman en een aimabele man.

[© MN. ‘Mulisch, de waarachtigheid’.]