Pagina's

dinsdag, augustus 30, 2011



Dagboek Welke dromen zal ik bevliegen?*

Zondag, 28 augustus
Orithia’s aanwezigheid doet dit etmaal onderscheiden van alle andere, het hele huis ademt naar warme aandacht, naar saamhorigheid en vertrouwen, geeft verzorgende handen en bereidt me een heerlijk maal. We hebben ons, na een voor mij ongewoon lange uitslaap, gebogen over een aantal websites voor een mogelijke vakantie en gekeuveld over het wonen hier en de op tilt staande veranderingen. Ik beloof haar dat ik die vergadering van eind september niet zal verzuimen want men lijkt zich niet te realiseren dat dit gebouw, dat ons ‘thuis’ vormt, voor nogal wat bewoners een onneembare vesting is. Dat is meer dan ergerlijk. Je zult maar niet door de voordeur je eigen thuis kunnen binnentreden. Het is een wonder dat zij mijn schrale liefde zo rijkelijk kan beantwoorden en van mijn droefenis een oase maakt, een oase van blijmoedigheid.
Het volle zonlicht in waterdruppels: een krachtige regenboog in een antracietkleurige lucht boven een windstil, rimpelloos meer. (In de Bijbel zag men de regenboog als een belofte van God, dat Hij na de zondvloed nooit meer zo’n vloed zou sturen om de wereld te verwoesten. We hoeven maar aan de tsunami’s of aan New Orleans te denken en we weten dat God z’n woord niet houdt, ware het niet dat het verschijnsel niets met God of andere mythen te maken heeft – al ruim 300 vóór Christus kwam Aristoteles met natuurkundige verklaringen.) Het hele duivenvolk is in rep en roer. Plotseling vliegen zeven deftige heren in hoge vaart langs het balkon, maken een scherpe bocht naar rechts, gaan feilloos door het geboomte en landen met een plons tegelijk in het meer. De heren doen me denken aan een regel van Bert Schierbeek: “welke dromen bevliegen de vogels dat zij zich lichtvaardig in zoveel lucht begeven?”

Maandag, 29 augustus
Wat een geschenk Orithia zo gelukkig te zien. Eind van de week is ze jarig. Erika en Dagmar komen en al wil ze die geboortedag haar neus voorbij laten gaan, het is heerlijk haar juist dan eens te kunnen verwennen. We zijn beiden verwoede lezers, zo moeilijk is het dus niet. Tijdens het weekend las ze boek van Emma Tennant, “Verbrande dagboeken”, over Ted Hughes, Sylvia Plath en de vrouwen die na haar kwamen.
De zomerdeur naar het balkon blijft voor het eerst dicht. De wind fluit door de roosters. De pijn blijft de kopman die ik gedwee maar zinloos volg. Eerder schreef ik dat me hier dadelijk een takkenbos als uitzicht rest. Aan dat sombere beeld gaat natuurlijk een prachtig kleurenpalet vooraf, ik zal de herfsttooi alle dagen kunnen gadeslaan. Dat wonderlijk mooie seizoen krijgt vast nog genoeg aandacht, - Deo volente. (Het lijkt wel of ik aan de pijn verplicht ben dat er aan toe te voegen, want een lang leven lijkt me niet beschoren, wat ik intens betreur en niet kan billijken nu Orithia en ik zo onbevangen en innig met elkaar leven. In de bijbel staat ergens, ik meen bij Jacobus, dat het leven zoiets is als een damp die even wordt gezien en dan weer verdwijnt.)
Wanneer een groep Nederlandse schrijvers, onder wie Van Dis, Dorrestein, Enquist (Christa Widlund) Van der Heijden, Möring, Mulisch, Nooteboom en Palmen, afreist naar een BookFair in Göteborg, komt pijnlijk bloot te liggen wat een geldverspilling zo’n kostbaar tripje is. Dat is het ergste niet. Evenmin, maar wel volkomen raadselachtig, de zeer geringe belangstelling vanuit het Zweedse publiek alsof die reusachtige stapel vertaalde boeken in ’t geheel niet aan hen is besteed en, ook zo merkwaardig, de boycot van de BookFair door Zweedse uitgevers. Nee, het pijnlijke spitst zich toe op twee feiten: de schrijvers bieden elk een workshop voor hooguit tien toehoorders, vaak beduidend minder, en behoren allemaal tot het ras van Einzelgängers die zich met veel dédain over de ander uitlaten. (Ook wanneer het verderop in het boek over de jurering gaat voor de AKO-literatuurprijs.) Geen spoor van gemeenschappelijkheid, alleen nadrukkelijk van hoogmoed en vernedering. ’t Hart wordt gemeden als de pest, maar schijt met veel vilein uitlatingen over met name het ‘peutertje Palmen’. Er kleeft dan geen greintje beschaving ‘aan de goden’. Intussen ontsnap je niet aan minstens twee obsessies van de zonderlinge Maarten: zijn lichte ontvlambaarheid voor excentrieke vrouwen, i.c. het jonge wicht met de extreem lange smaragd groene nagels, dat hem al visioenen geeft van een te delen bed maar hem op het laatst een bedrieger noemt en de rest van haar glas water in ’t gezicht smijt. Arme Maarten, het was waarlijk niet zijn schuld dat zij zo met hem dweepte want al die tijd broeide zij op hetzelfde plannetje waar zij hem aanzag voor Maarten Biesheuvel. De tweede obsessie loopt als een niet te ontwijken draad door het hele Göteborgverhaal: zijn encyclopedische kennis van klassieke muziek, i.c. zijn daadwerkelijke speurtocht door de hele stad naar enig openbaar teken van de daar ooit gevestigde grote componist Smetana, een klein, driftig manneke dat vanuit Praag vele sporen van verwaarlozing en verdriet achter zich had gelaten en dat spoor bij elke nieuwe vlam in Zweden weer voortzette.
“Wir pflegen unsere Autoren.” …… Allemachtig, wat een pijn weer. Die is er weliswaar aldoor en stevig, maar kan zich plots verhevigen. Ik was zojuist enkele ansichtkaarten aan het schrijven maar dan is het net alsof ik vorige week heb leren schrijven, zo traag en omzichtig komt woord voor woord op papier. Het is pas 21u45, maar ik geef het op.

Dinsdag, 30 augustus
De vertaalrechten voor “Het woeden der gehele wereld” worden verkocht aan Arche-Verlag en dan volgt die schreckliche, raffinierte Geschichte mit Frau Raabe. Maarten wordt overstelpt met cadeaus maar dient ook meegaand te zijn met alles wat Frau Raabe voor de Werbung uit de kast haalt. Zij heeft de volledige regie. Gaan ze naar de Leipziger Buchmesse, dan rijdt er vanuit Hamburg een speciaal taxibusje voor de garderobe van Elisabeth Raabe, de vorstin die Maarten groot maakt. Er gaan miljoenen boeken over de toonbank en de royalties lopen op naar meer dan een miljoen Zwitserse francs. Frau Raabe laat zonder enig excuus weten dat ze het geld niet heeft, zelfs, dat het ook belachelijk veel is wanneer je weet dat een auteur gemiddeld niet meer krijgt dan 12-15000 francs. ’t Hart zit er niet zo mee, er komen toch al duizelingwekkende bedragen bij hem binnen terwijl hij zo zuinig is als een kerkrat, maar bij de Arbeiderspers daalt het kwik ver onder nul want daar kan men fluiten naar de 40%. Intussen heeft de vorstin, die wel in de duurste Volvo rijdt, achter ieders rug om de pocketrechten van het boek verkocht aan Piper-Verlag.
Gisteravond bezwijmde ik bijna van de pijn. De derde Cymbalta kan ik vermoedelijk beter voor het avondeten nemen. Ik mag er vier, maar dan draait het zwerk voor m’n ogen en word ik angstig. Ik heb het uitgeprobeerd, maar maakte alleen kennis met het neveneffect, niet met ook maar enige verzachting. En als die derde vanavond er in z’n eentje niks van bakt, zal ik dan morgen die vierde er ook bij nemen? De gedachte alleen al, gestoeld op ervaring, maakt me zo nerveus dat verbetering kansloos is. “U bent opgegeven.” Betekent dit, naar Maarten, ‘dat mijn zon ter kimme neigt’? Sommige mensen lopen erbij alsof ze denken nooit te zullen sterven. Wat een rust moet dat geven, hoewel de dood zelve dat ook is, rust, eeuwige rust. ‘Ach, ik moet er maar mee leren leven.’ Waarom in the mood for love en dan sterven?
Trouwens, Arche-Verlag is op slimme wijze failliet gegaan, maar al spoedig weer uit de as herrezen. En toen omarmde Frau Raabe Jan Siebelink en begon het ‘pflegen’ weer een frisse, veelbelovende start.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’, met een foto van CelineM, 'In the mood for love’. * Titel naar Bert Schierbeek. Het weer is ongewis, het wisselt van zonneschijn naar zwaar bewolkt. Tevens laatste bericht over Maarten ’t Hart, ‘Dienstreizen van een thuisblijver’, Privé-domein nr. 272, De Arbeiderspers 2011. Het is 14u01, ik ga even slapen.]

zondag, augustus 28, 2011



Dagboek We are on het same mind

Donderdag, 25 augustus
“Je woont eigenlijk in een exclusief ingerichte gevangenis” zei Walter. “Ja, zo heb ik het vaker geduid, ook wel eens héél banaal en onwerkelijk, “…. als een hoer achter het raam zonder het besef dat ze al jaren geen klandizie meer heeft.” Een cynische, genante, inktzwarte zelfschets. Ik zeg wel eens tegen Orithia, “ik ga er vandoor, neem de nachttrein of ik jat je auto, met wat geluk kom ik een heel eind.” Volgens haar kunnen we beter eens omzien naar een korte vakantie, naar Kijkduin of Noordwijk aan Zee, buiten de drukte. Dat is het beste idee. Als de nieuwe cabrio er is en het septemberweer goed genoeg, o Orithia, ‘a lucky shot, we gonna leave this building, on the road, days of sun, sea and happiness, a passable life. We are like-minded.’
Ik heb twee uur geslapen. Aan het oosten is het doodstil en geen blad dat zich verroert. Het lijkt wel of de hele wereld zich gedeisd houdt. Zelfs de vogels zijn minimaal in getal en houden hun snavel. Orithia, - wat hebben wij niet moeten doorstaan om zo dicht te kunnen naderen? Het wordt vast een onvergetelijke zee. Het leven gaat trager.
Mijn hoofd is zo zwaar. Als mijn huid maar niet breekt. Zo spinnen wij ons leven voort.
De afzondering – hoewel nu gelukkig veel minder -, het monologische leven, weegt me niet te zwaar meer, maar het tegen heug en meug gekluisterd zijn achter deze tafels wordt me langzamerhand onleefbaar, trekt me de neerslachtigheid in. Het uitzicht kan ik met dichte ogen uittekenen. Over een paar maanden verandert dit beeld, rest er nog een verzameling takken, maar nog een maandje verder en het is tussen vijf en zes al aardedonker en doodstil.

Vrijdag, 26 augustus
Ik ben niet zo’n ‘geestelijk eenpittertje’ als Maarten ’t Hart, maar ik geniet van welbewuste uit de aarde gespitte taal, nu van zijn boek ‘Dienstreizen van een thuisblijver, waarin ik eind juni al was begonnen maar dat ik vrijwel meteen verruilde voor ‘Tonio’. Buurtzorg komt nog en Milou, huishoudelijke hulp is er al, 8u40, veel te vroeg. Ik kan maar het best gaan googlen op vakanties.
Een paar uur later. Vermoeiend hoor, al dat geblader door websites en nog nergens direct enthousiast over zijn. Intussen trekken zware massieve wolkpartijen voorbij die geleidelijk overgaan in een egaal grijze lucht met nooit eerder opgemerkte groene vlekken waarin om de minuut wordt geflitst. Er is uniek aaneengesloten onweer, alsof vele duizenden blokkendozen achter elkaar en agressief omver worden gegooid. Twintig minuten later kijk ik naar een uitgestorven stilleven.
Nog wat gelezen in de ‘Verzamelde Gedichten’ van Hans Faverey (Bezige Bij), een dichter van Surinaamse afkomst; hij stierf op 57-jarige leeftijd. Mooie, behoedzame, soms ook moeilijke gedichten. Even later dwong de pijn me te gaan liggen en doordat ik de wekker vergat, sliep ik opnieuw twee uur.
Na de avondmaaltijd – gemengd gehakt met stroganoff, gesneden sperziebonen en gebakken aardappeltjes – nog 70 bladzijden gelezen in Maarten’s dienstreizen. Hij is toch echt een onderhoudend verteller hoor, of het nu gaat over zijn geboorteplaats Maassluis of over de zes jaar biologiestudie, het is méér dan ‘vermakelijke lectuur’ zoals ik laatst tegen mijn broer zei. Met die kwalificatie doe ik hem echt tekort. ’t Hart beschrijft zijn alledaagse besognes door zijn vertellersaard (na een lezing beet een vrouw hem bits toe: “U beschadigt uw roeping als schrijver, dit lijkt wel entertainment”) weliswaar geestig, maar voor mij is elk verhaal van overtuigend literaire snit. Hij is een hoogstaand vakman, al doet hij zich vaak voor als ‘een mindere god’. Zijn vader, die toch al weinig fiducie had in de beroepskeuze van zijn zoon, had al die tijd gehoopt dat Maarten dan minstens een allesomvattende vernietigende aanval zou lanceren op Darwin’s evolutietheorie. Maar Darwin kwam verbijsterend genoeg al die jaren nooit aan de orde. Hij las werkelijk alles wat er maar over was geschreven en kwam tot de conclusie dat de theorie staat als een huis, “Alles wat er sinds “The Origin of Species” aan kennis is bijgekomen, heeft de theorie alleen maar geschraagd, verrijkt en verdiept.”

Zaterdag, 27 augustus
We zijn mensen van vlees en bloed en de liefde is levendiger dan een handschrift, dan een gevonden eenheid of de klank van het verlegen woord. In de liefde herken je alle gedaanten van menselijkheid en geen ervan is ons vreemd. De liefde is niet alleen van de dag, maar drukt ook zijn sporen in de nacht. Gelukkig is de benauwdheid verdreven, zodat er geen verwarring ontstaat over waar die warmte toch vandaan komt.
Terwijl ik verder las over Maarten als mogelijk biograaf van Vestdijk, bezetten de duivels mijn hoofd en viel ik in de cabrio in slaap. Ik werd wakker van kinderstemmen en even later drong het tot me door dat ik in de middagslaap elk besef van tijd kwijtraak. Telkens vraag ik me af waarom de wekker nog niet is afgelopen en dus is er de gedachte dat het heel vroeg in de morgen is. ( Is het lange slapen mijn intuïtieve wapen tegen de lange middag geworden, - maar ‘onder het mom van pijn’, daarvan is geen sprake.) Gelukkig heb ik weer wat regels op papier gekregen, al is het nietswaardig bij al wat mij in boeken onder ogen komt.

[© MN, ‘Les jours de l’âme – am Insel der Sehnsucht’, met een foto van Hannes Cmarits.]

donderdag, augustus 25, 2011


Dagboek Een ziel, een kwetsbare mens onderweg

Dinsdag, 23 augustus
Nevel boven het meertje betekent wederom mooi weertje. Eerst even de maaltijden besteld bij FoodConnect. Dadelijk komt Cora, fijn, ze zijn nu allemaal met vakantie geweest. Zo te voelen wordt het een trage dag, één verkeerde beweging en de dag is stuk. Orithia zal ik vandaag niet zien, hindert niet, ik voel me geliefd, veilig en innig geborgen bij haar. Moet het om méér gaan? Het is al oeverloos, een oceaan.
Kabaalmakende hoogwerkers vanaf vanmorgen half acht, en dan dit benauwde weer. Er broeit iets. Zelfs de Hooglanders laten zich niet zien. Ik probeer wat ansichtkaarten te schrijven.
Ja hoor, in een mum van tijd is het aardedonker. De vogels zoeken een goed heenkomen, de schaduw onder de bladeren. De lucht staat in brand. De kanonnen gaan af. De wind waait de regen woest over het land. Het meertje is niet te onderscheiden van de lucht. Een kwartier later is het muisstil. Dan claxoneren auto’s. Een dwaze vraag: zou Tripoli gevallen zijn?

Woensdag, 24augustus
De ene dag lijkt soms een kopie van de andere: het type weer en de gevolgen ervan, de hoogwerkers, de onzichtbare zon, de werkelijkheid achter het wolkendek. Enno, die al maandenlang trouw elke week even komt, vertelde gisteravond dat Lemniscaat wel oren heeft naar een uitgave van de filosofische essays van wijlen Paul Bauduin, waarvan ik een van de tien referenten was. Ze willen alleen meer biografisch materiaal. Er zijn enkele mensen die daar nu hun best voor gaan doen, maar de aanpak is succesvol geweest.
Ik heb nog enkele essays van RK gelezen en een flink stuk in diens ‘Medereizigers’, over de liefde tussen mensen en dieren (uitg. Augustus). Ontroerend, vooral dat verhaal over Céline en zijn streepjeskat Bébert. Het kan dieren dan wel ontbreken aan bepaalde menselijke capaciteiten, maar als je goed voor ze bent, overtreffen hun kwaliteiten die van de mens, wonderlijk maar moeilijk tegen te spreken, terwijl dieren, bijvoorbeeld, een aan mensen vergelijkbare afgunst kennen waardoor ze zich gemeen en zeer intimiderend kunnen verhouden tot een van hun soortgenoten. Niet dat de menselijke goedhartigheid in de schaduw blijft, maar het is verwondering wekkend, bijna zonderling en fascinerend je open te stellen voor de gedragingen van dieren. Vroeger ben ik een zomerlang in het abattoir van mijn oom geweest en heb daar de onbevangenheid van koeien, paarden, varkens en kippen genadeloos zien neerslaan. Ik zou willen dat ik het voorgoed van mijn netvlies kon wissen; ik zal over mijn nek gaan als ik het nu waag de details te beschrijven. Het gebeurde wel met vakmanschap, maar de liefde en het slachten zijn twee onverenigbare realiteiten. Ik zag trouwens ook hoe de paardenmelkboer die tegenover mijn oma woonde en bij wie ik dikwijls en graag logeerde, met gemak twee van zijn eigen konijnen offerde voor het naderende kerstfeest.
Orithia bracht me de boodschappen en een boeket Rosita’s, zoals Steenbeek, mooie bloemen in lokkend postuur. Dadelijk komt Petra, m’n ergotherapeut. De ligfiets blijft een droom. Ze noemde een aantal anatomische voorwaarden waardoor het voor mij zeer moeilijk te realiseren zal zijn. “Hoe zeg ik het, je hebt te weinig kracht, zowel in je bekken als je benen, je bent te kwetsbaar, maar als we daar zijn voor een andere cabrio, kunnen we wel eens kijken naar een scootmobiel, dat is wel een optie.”
De avond deel ik met Walter, elke keer weer persoonlijk, verbindend, aangenaam.
Ik heb altijd naar eenheid gezocht. Terwijl ik niet meer zocht, bleek ze er al te zijn. Ze moest zelfs de vreselijkste orkaan trotseren om me te bereiken, m’n ogen te openen … en eindelijk konden we elkaar omhelzen. Soms twijfel ik een ogenblik, ‘Orithia, ben jij het?’ ‘Ja lieveke, altijd ja.’

Donderdag, 25 augustus
We hebben een ziel, zelfs een onsterfelijke ziel, zegt de Kerk, dat moet ook wel want anders wist men geen raad met dat hiernamaals. De geheimzinnige ziel en het geheimzinnige hiernamaals, - waar het Laatste Oordeel plaatsvindt en wordt bepaald of voor jou de hemelpoorten wel opengaan. Zoals vele moeders denk ik wees mijn moeder me op het naveltje, die vreemde grot in je buik die helemaal zo vreemd niet is. Het ‘onsterfelijke’ is vreemd en hoe het zieltje, zonder dat iemand het kan waarnemen, aan de dood kan ontsnappen. En waarom niet de dieren, heeft de Schepper hen niet lief? Neem nou het verhaal van Céline en Bébert. Misschien heeft Céline wel eens wat overdreven, maar de feiten weerspreken hem niet. Ik ben ervan overtuigd dat Bébert, en dieren in het algemeen, een geheugen hebben, een wil, allerlei emoties (her)kennen en weten te uiten en ernaar handelen. Al die indrukwekkende, wonderlijke verhalen behoren niet louter tot de categorie ‘zoetsappige kinderverhalen’ en zijn niet slechts toe te schijven aan ‘instinctieve patronen’. Ze zeggen vooral hoe onwetend dat ‘superieure ras’ nog is. ‘Vraagtekens achter ons weten’, zoals Herman de Coninck opmerkte bij een gedicht over de flamingo.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’. Schilderij van Wilna van den Heuvel. Rudy Kousbroek, staat al vermeld en ik kom weer terug op hem. Voorts: ‘De draagkracht van veren’, de mooiste vogelgedichten, uitg. 521 Amsterdam. Hinderlijk is het dat Blogger de opmaakmogelijkheden onmogelijk maakt.]


dinsdag, augustus 23, 2011


Dagboek Leven als ambacht (naar Pavese)

Zaterdag 20 augustus
De lucht straalt warmte uit. Een zacht briesje. Sinds de Hondsdagen is het weer zomers. Ik word gedoucht, reuze inspannend, ook verkwikkend. Er is maar één manier om de pijn te ontvluchten en dat is bezig zijn met waar je hart ligt. Dan nog blijft er genoeg tijd voor starende ogen want alle tijd is continu pijntijd. Ik zou ongetwijfeld anders in elkaar zitten als ik al niet zoveel tijd van mijn leven had doorgebracht met lezen en schrijven. Mijn reis vordert en soms is het alsof de dood me op de hielen zit, andere tijden is er een serene rust. Al met al bezorgt die koppeling me een hoop rusteloosheid. Ik leid een onzeker bestaan.
Dit Tagebuch: ik schrijf lang niet alles op en toch is het te langdradig vrees ik. (Dat van de Duitse tekenaar Ewald Mataré zou ik nog graag lezen). Eros and Thanatos are always, very often, on my mind, - het strelen, het omhelzen, de aanraking.
Kennelijk ook bij Rudy Kousbroek: “Voor ik dood ga wil ik eerst nog even met de helft van de mensheid naar bed.” De aard van Don Juan is hem vreemd (‘find, fuck, forget’ is voor hem en mij absoluut afstotelijk), maar het geeft hem een ontroostbaar gevoel, dat hij ze “nooit meer uit hun broekjes zal zien stappen of hun bh’s achteloos over de rug van zijn stoel zal zien hangen.” Ook over de dood delen we dezelfde gedachte. Hij bestaat al zo lang, en nooit is er iets over uitgelekt, het is licht uit en weg. Toen hier vorige week een lijkwagen voorreed, zei een oude man: “Die komt niet voor mij.” Ik: “Als dat wel zo zou zijn, zou u het niet weten.” En dat hiernamaals, het meest aannemelijke is dat we ons een mensenleven lang vergissen, aan welke religie we ons ook overgeven. Het zieltje gaat er niet als een vlieg vandoor.
Ging Connie Palmen niet naakt op het nog ontklede lijk van Ischa liggen? Ze hadden niet geweten dat toen ze de laatste keer een sterrenregen ondergingen, het echt, onherroepelijk de laatste keer was. Rudy vertelt over bizarre kampervaringen, dat het klaarblijkelijk onder de verschrikkelijkste omstandigheden een oermenselijk verlangen blijft dat Eros en Thanatos nog eenmaal, voor het laatst ten hemel bezongen verenigd zijn, ik denk zoals ‘Gute Nacht Freunde, noch eine letste Zigarette ….’ van Reinhard Mey.
Ik heb anderhalf uur geslapen vanmiddag. Lange uren niet in staat iets te doen. Hoe ik het leer verdragen, weet ik niet want de pijn is vaak een tranenlikker.
Verheug me op bezoek te gaan vanavond – voor ’t eerst – maar ben niet in m’n beste doen.

Zondag, 21 augustus
Het was fijn, verrassend aangenaam bij mijn zus en zwager, maar na ruim twee uur brak ik van de pijn. Orithia maakte warme melk voor me. Ben angstig en zeer ellendig in slaap gevallen. Deze morgenstond heeft evenmin goud. Zie, ik woon in een onbetrouwbaar lichaam. Het is zwaar bewolkt, nog droog en het onweer kondigt zich van verre al aan. Plotseling een felle kortstondige regenbui, - maar het blijkt allemaal minutenspel. Al spoedig wasemt de zon door een egale lucht en wordt het zeer warm. In de middag, na m’n slaap, keert de bewolking terug en tijdens het eten om zes uur komt alles er ongenadig uit. Ik heb één essay gelezen, verder niets. Niets. Ik voel me beroerd. M’n bloeddruk was normaal, maar de knollen waren op.

Maandag, 22 augustus
Twaalf uur geslapen. Er hangt een stille, gesluierde warmte in de lucht.
Dat essay is een boeiende en voor mensen van mijn generatie herkenbare observatie, vaststelling. Het gaat over de meest radicale verandering in de tijd, een verandering die zijn weerga in de geschiedenis niet kent en die in de loop van dat decennium definitief zijn beslag krijgt. Kousbroek refereert aan De avonden, een boek waarin een wereld wordt beschreven die op dat moment ook aan het verdwijnen is. De metamorfose waar jongere generaties zich niets bij kunnen voorstellen: de gezichtsuitdrukking, de gezagsverhoudingen in het gezin en overal daarbuiten, de onderwerping, de sekseverschillen, de rol van de godsdienst, de kapsels, de interieurs, de stemmen op de radio en het polygoon journaal om maar enkele opvallende dingen te noemen en waar R. nog verder op ingaat, maar omschrijft als “de dingen die zo volkomen ‘verloren’ zijn dat zelfs het bewustzijn dat er een verandering is geweest verdwenen is.”
Voor wie het qua tijd vrijwel de enige leestijd is, is het een ideaal bedboek. Het zijn over het algemeen korte teksten die binnen een zandlopersuurtje te lezen zijn. Maar ook buiten deze praktische aanwijzing is het een schitterend boek, een ‘Wunderkammer’ van het brein Kousbroek, - even warm aanbevolen als Baltische zielen van Jan Brokken, verschenen bij Atlas.
Bij Orithia , m’n lief gesierd met turkoois, heerlijk macaroni gegeten en dan, ook zo verrukkelijk, Griekse yoghurt met honing. Als ik wil, kan ik zo naar het westen verhuizen, haar buurman vertrekt, maar ik blijf mooi aan het stille oosten. Het deert de liefde niet. We wonen immers in hetzelfde gebouw, ‘Am See der Sehnsucht’ . Wat dat allemaal aanricht in het brein
.

[© MN, ‘Les jours de l’âme’ met een schilderij van Jose Sandoval. 'Het meisjeseiland' van Rudy Kousbroek, Uitgeverij Augustus, 2011. Een magnifiek boek, geïllustreerd en voorafgegaan door een essay van Hans Ree, ‘Liefdevolle klopsignalen’, een titel gelijk het mooiste sieraad, zoals zijn leven het boek: een goudmijn.]

zaterdag, augustus 20, 2011



Dagboek Mijn scherven bijeenrapen en daarmee een vesting bouwen? Naar HC

Donderdag, 18 augustus
Moet dringend wat correspondentie doen, maar stel het uit en ga verder in De wolken. Vanmiddag met de luxe taxi naar psychotherapie. Zaterdagavond ga ik op bezoek bij mijn jongste zus die hier vlakbij woont, ik denk in de villawijk. Grada gevraagd of ze zich ongelukkig voelde met mijn houding naar WMO, ‘want jij hebt vaak met ze van doen en wil je niet in verlegenheid brengen.’ Ze verzekerde mij dat het goed was, dat het maar eens tot hen moet doordringen, dat het van de gekke is dat je telkens over alles zó in gevechtshouding moet staan. Ik heb steeds ijskoude voeten, over de rest zwijg ik maar. Sylvia Kristel gedraagt zich als een gearriveerde diva, houdt van welstand, leeft in erotische weelde. Als iets mislukt, gaat ze zenuwachtig lachen of trekt rare bekken. Zij was een snobistische frivole freule met wie Hugo niet kon praten. Het kon niet anders dan hautain, kil en triest eindigen. Een foto van beiden op p. 263 spreekt boekdelen. “Honderd miljoen sexual acts in de wereld per dag. Eén sexual act burns up tweehonderd calorieën.” (p. 268).
Orithia en ik hebben een innige band gelijk een boeket rozen die nooit meer verwelken kan, en toch zijn ze niet van plastic of ander surrogaat. Gek, ik voel me niet gerust op mijn leven, toch gaat het best, uitgezonderd dit benauwde weer. Ik ga naar beneden, Trip taxi komt zo en Elise verwacht me.
Na de laatste therapiesessie – Elise noemde me ‘sterk gegroeid en weer zelfbepalend’ – Claus gelezen tot aan het kleine slotdeel Gedichten, p. 312. Ik vind het als boek oogstrelend, met een onweerstaanbare sterke inhoud alsof je zelf waarneemt dat hij in de spiegel kijkt. Het is 17u40, ik ga naar mijn Indische maaltijd.
Elise, een sterke, oprechte vrouw, toonde zich licht droevig gestemd, maar tevens trots. Ik bedankte haar voor “hoe je er voor me was en nooit schroomde me te confronteren met welke betekenisgeving ook.” “Jij, voor je vertrouwen en moed, en weet dat we die pijn nooit kunnen opruimen.” “Ja, ik hou de handen aan het stuur, zoals vroeger boven de lakens.” Ze proestte het uit.
Een grillige bliksem scheurt het grijze hemellaken onder welgevulde wolken. De avond daalt op de aarde. In een weemoedig gedonder wacht ik op een nieuwe dageraad.


Vrijdag, 19 augustus
Orithia was gisteravond naar een concert, dus las ik het laatste deel van Claus (1929-2008). Werkelijk schitterend. Een van zijn laatste motto’s gaat over dementie en geeft denk ik zijn hoofdmotieven voor euthanasie. “Alzheimer vernietigt: memorie, cognitive abilities, judgement.” (“De wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus”, De Bezige Bij, 2011). We dronken gelukkig nog even een nacht’borrel’; zo eindigt een gezo(e)nde avond.
Vandaag maar niet lezen, eerst wat andere noodzakelijkheden, zoals ik zei, correspondentie. In de ochtend komt nergens iets van, de huishoudelijke hulp is hier, van negen tot twaalf. Morgen, of misschien al vanavond, begin ik aan een nieuwe pil: Het meisjeseiland van Rudy Kousbroek, die vorig jaar overleed en toch wel als een van de grootste essayisten van Nederland wordt beschouwd, mede doordat geen fenomeen voor hem een onbetreden terrein bleef. Dit boek heet een verzameling van zijn mooiste werk.
Dikke bewolking opent de dag.
Vanmiddag een uur geslapen


‘Het meisjeseiland’, zou het – “want het bestaat echt, in de Indische oceaan, ik ben er zelf geweest” (RK) - door een matriarch geleid worden, zoals in het dierenrijk bij olifanten, bijen, mieren en bonoboapen? Er bestaan geen foto’s van, het bestaat niet, niet dan louter in het brein van mannen en dan steeds versmald tot de liefdesbeoefening, zoals ten tijde van keizer Tiberius op het eiland Capri. Bij Rudy is het pure fantasie, waar hij als twaalfjarige jongen vluchtte van de voetballerkostschool op Sumatra met behulp van een zelfgebouwd hefschroefvliegtuig, een replica uit een van de verhalen van Jules Verne. Maar volgens een vriendin van Rudy gaat het om het bij het Gardameer gelegen eiland San Pancrazio waarover Robert Landmann in 1973 een boek schreef, Ascona – Monte Verità. Een ander modern literair voorbeeld komt van de hand van Milan Kundera, The book of Laughter and Forgetting. (Ik zou eigenlijk even het boek van Houbellebecq moeten inzien, dat boek over Lanzarote, maar mijn hoofd …). Neen, een echt meisjeseiland, alle zogenaamd evocatieve foto’s ten spijt, bestaat niet. In een ver verleden zijn er wel twee voorbeelden van een gynarchie (een door vrouwen geleide staat), namelijk de farao Hapsjepsoet van Egypte en de tsarina Catharina II van Rusland, vrouwen die geen moeite hadden met het uit de weg ruimen of laten martelen van tegenstanders en ‘dissidenten’ (Wikpedia). Naar het schijnt, is het matriarchaat voor de meeste feministes ook heus niet een ideaal. Veel afbeeldingen van het vrouwelijk naakt in de fotografie en schilderkunst, niet direct het expliciete naakt van Lucian Freud (1922-2011), hebben iets magisch en zijn als een uitgestrekt landschap waar je nooit op uitgekeken raakt. Ze geven je de sporen naar dromen en fantasieën die je overtuigen van schoonheid in een vaak lelijke wereld. L’inspiration sacré, daaraan moet ik denken, dus aan Jan Toorop.
Ik schrijf in de rustige zonneschijn. Op precies dezelfde tijd als gisteren ga ik naar mijn rijsttafel. Almhof roomyoghurt toe, gemaakt van alpenmelk. Als ik een paar uur later boven bij Orithia ben, zit ik loge en aanschouw een lucht die ons als een strak gespannen linnen doek omhelst. De kern is van het felst denkbare violet, een diamant die aan weerszijden tot het zachtste is uitgeveegd en eindigt in een dunne lijn, ergens vastgehaakt in al het antraciet er omheen. Zo zacht dat de dag vanzelf eindigt in een kus, goodnight my dear.


[© MN, ‘Les jours de l’âme’, (oder ’das Insel der Seligkeit’). Photo: Red fox at sunset by Lise de Serres.]

maandag, augustus 15, 2011


Armação de Pêra


Mijn lichaam houdt me wel vast, maar ik ben er ook nog. Wat bedoel je? Precies wat ik zeg, dat ik me niet willoos hoef neer te leggen bij wat het lichaam me te verstaan geeft. Als ik maar lang genoeg denk dat alles voorbij is en dat ik als een vlieg in dit doosje hoor te rond te hangen, dan zal er ook werkelijk niets meer gebeuren. Haal je toch niets in je hoofd lieverd. Jawel, juist wel, ik weet alleen nog niet hoe ik ’t zal aanpakken. Ik heb een vrije wil Serpil. Ja, theoretisch. Nee, ook hier en nu, kom, dat is het thema van De nachttrein naar Lissabon.


Die roman van Pascal Mercier? Ja. Maar waarom die roman erbij gesleept, die gaat toch over die arts, over Amadeu de Padro? Het is toch geen filosofieboek? Serpil keek me fronsend als bij een onoplosbaar raadsel aan met haar blikvangers van ogen, even donker als haar ravenzwarte lange haren. Haar ogen, gloedvolle stralen, geen verblindend licht, maar een zacht, mild licht. Zal ik nu eerst eens koffie halen? Nee dank je, we zitten tot 30 augustus in de Ramadan. Vertel nou over Mercier.


Ja. Die Amadeu is natuurlijk een heel intrigerend en onvergetelijk personage, maar eigenlijk gaat het om die leraar klassieke talen, de verpersoonlijking van de grijze muis, Raimund Gregorius, zoals de roman feitelijk een zoektocht is naar vrijheid. In Gregorius, een man van wie geen sterveling ooit zou denken dat hij de latten zou nemen, even onberispelijk als onveranderlijk, heeft Mercier het tegendeel voortreffelijk uitgebeeld. De man verlaat abrupt alles en iedereen. Heel zijn geordende leven hangt Gregorius aan de kapstok, grijpt zijn jas en, zonder iémand in te lichten, nog diezelfde nacht reist hij van Bern naar Lissabon. De vrije wil Serpil.


Wil jij ook naar Lissabon? Dat is onmogelijk. Ik wil naar de Algarve, naar Armação de Pêra. (Het zou evengoed Lanzerote of Malta of West-Kreta kunnen zijn.) Het is inderdaad de vraag hoe het onmogelijke te doen kantelen, - maar dat is ook niet het feitelijke doel. Ik creëer graag een soort landkaart van verlangens, fantasieën of verdwijnpunten, het imaginaire trekt me weg van al dat me voor even meer dan genoeg is. Er is heel veel dat ik ontzettend mooi vind, maar daarom hoef ik het nog niet te hebben. Door, zoals hier, te fantaseren, overstijgt het de herinnering of het vernieuwt die want ik wil geen nabootsing en de fantasie lijkt wel sterk op een hartenwens, maar behoeft geen vervulling want de vele realistische obstakels zouden alles slechter doen uitpakken zodat ik mezelf zo’n laatste reis niet eens zou willen herinneren.


Maar ik sluit niets uit. Ik geloof dat ik op een rustiger pad ben uitgekomen, een pad met een hart. De specialist heeft me opgegeven, ik niet. Wanneer je er niet zo op gefixeerd bent, kan het zomaar zijn dat iets van het onmogelijke toch blijkt te kunnen kantelen. Hier bij de voordeur van het gebouw staat een rode Easy rider, een elektrische ligfiets en telkens vraag ik me af of die fiets niet het ultieme antwoord zou kunnen zijn op mijn beperkingen en mijn grote behoefte aan mobiliteit. Komende dinsdag wordt de nieuwe cabrio gebracht en ingesteld, en dat is meteen dé gelegenheid er met Petra over te bomen.


Ziedaar, de oude dichter, fietsend langs de groene stranden van de Achterhoek, hij waagt het zelfs naar Aerdt te fietsen, dat zou toch het summum zijn want het fietsen, zie hoe behendig hij al is, het fietsen renoveert zijn spieren. Lot en noodlot zijn niet hetzelfde. Zie, als hij is afgestapt, gaan zijn voetstappen een recht spoor. Kent hij geen huiver meer? Het loslaten van het opeengestapelde ‘voorbij’ is de enige kans op verandering of groei.


Intussen heb ik het tweede deel, zo’n 100 pagina’s, van Nicolas Bouvier ook uit, maar het gekke en vervelende is dat het me helemaal niet kon bekoren. Hij verbleef enkele maanden op Ceylon, het tegenwoordige Sri Lanka, in het stadje Galle bevolkt door hopeloos indolente en bijgelovige mensen, van wie hij enkele op weergaloze wijze portretteert. Er is veel zwarte magie en hekserij. Zelf leeft hij in waanzinnig makende eenzaamheid, in gemis, in een diepe depressie; deze zelfvervreemding, het bestaan als volstrekt zinloos ervarend, de hitte en het geldgebrek, dit alles kan dit zogenaamde vervolg ook godsonmogelijk doen evenaren met De wegen van de wereld. Ik zou het (De schorpioenvis) nog een keer moeten lezen om het werkelijk te begrijpen want ditmaal was ik zeer van slag door het zo heel andere karakter. En nu? Nu ligt er opnieuw een schitterend en gevarieerd boek op mijn leesplank: De wolken van Hugo Claus, een juweel van een (gebonden) uitgave van de Bezige Bij .



[© MN, ‘Fantasy of the day and other musings’. Photo: “Farewell” by Anette Tyler.]


vrijdag, augustus 12, 2011


Een adembenemend boek: een stoutmoedige reis naar oude culturen, verrassende gewoonten en betoverende, soms Dantiaanse landschappen

Dwars door alle pijn heen lees ik mijn boeken of zit ik, schommelend in mijn cabrio, langdurig naar buiten te staren om erover na te denken, onderbroken door noodzakelijke huishoudelijkheden of zelfzorg. Ook al krijg ik rijkelijk toegekende warmhartige steun, aan enig corvee valt niet te ontkomen. Er is niets dat de pijn milder maakt, maar wanneer ik me daar niet al te sappel over maak, me niet laat gijzelen door het beklag dat er zoveel voorbij is terwijl ik er nog zo hevig naar kan verlangen, is het best te doen. De deur staat de hele dag open en het is vooral het harde geraas momenteel van de populieren dat hier binnendringt. Geleidelijk aan leer ik het om rustiger te leven. Ik laat me niet van de wijs brengen over hoe mijn leven is geweest noch door wat de toekomst, die me toch al dikwijls genoeg angst inboezemt, me nog aan mogelijkheden zal gunnen.

Wat een schitterend boek: De wegen naar de wereld. Ik heb het impressionistische reisboek van Joegoslavië naar Afghanistan (1953-1954) bijna uit en het vervolg, De schorpioenvis, ligt al klaar. De landkaart (klik) hierboven geeft je een bescheiden geografisch idee over de reis die de schrijver Nicolas Bouvier en zijn vriend en tekenaar Thierry Vernet hebben durven ondernemen, van de Balkan, Perzië, Pakistan naar Afghanistan. Ik kan er uren verwonderend van wakker liggen om me de dertig of veertig pagina’s van het laatste uur die avond nog eens voor de geest te halen.

Saai bestaat hier niet, hoogmoed of grootspraak evenmin. Geen dag is hetzelfde. Elke dag is weer een wonder. Het is het summum van avontuur. Wat een observator, wat een geheugen, wat een verteller, tot in detail authentiek, - alsof hij zichzelf helemaal heeft afgepeld om te kunnen zien wat hij zag. Dat wekt de grootste bewondering. Maar evenzeer hun beider levenshouding, ze waren amper 30. Menigeen zou het in die spanning en ontberingen halverwege wel voor gezien hebben gehouden. Als twee stille paarden trokken ze door in de witte damp van de zon, ploeterend, waakzaam en volhardend, vaak bedwelmd door een apollinisch landschap. Hoe fascinerend is de verscheidenheid aan culturen, onmiddellijk anders zijn de gewoonten, de karakters, de kleuren van het landschap. Er is zeker achterdocht en roofzuchtigheid, vooral binnen de honderden km's woestijn, maar de hartelijkheid, de gastvrijheid en behulpzaamheid overtreffen deze 'aard'. Reizen is een niet te evenaren bron van kennis en inzicht en een scholing in levenskunst. Het is bijna ondenkbaar door dit boek niet gegrepen te worden.

De vertaling van dit sprankelende literaire werk lag in handen van Floor Borsboom; het verscheen in 2009 bij uitgeverij Bas Lubberhuizen, maar geen regel geeft het idee dat het zestig jaar geleden is geschreven.

[© MN, Mon livre de coeur. Nicolas Bouvier, De wegen van de wereld”, uitg. Bas Lubberhuizen.]

zaterdag, augustus 06, 2011


Nog zoveel anders dan eenzaamheid

Ik woon in een doosje
met een raam zodat ik de seizoenen
kan zien die God geschapen heeft.

Er zijn hier meer dan tien kasten
waarin honderden doosjes staan,
elk vol met dode letters die woorden heten;

als ik er een uitneem om te lezen
komen ze tot leven in een verhaal,
elk doosje bevat een eigen wereld,

een die mij grijpt en doet vergeten
in een doosje te wonen.

[MN. 'Stil maar boeiend gezelschap. Schilderij van Maartje Frenken.]

maandag, augustus 01, 2011


Het is de reis die je maakt, of breekt

Soms kom je tot de ontdekking, dat het begrip waardigheid niet meer de vlag kan zijn die een en ander dekt, maar juist zorgt voor oponthoud en pijn. Op een gegeven moment voel je aan, dat wat je vasthoudt, een schijnwereld is en op datzelfde ogenblik sta je, onverwijld, met lege handen. Ik koesterde al lang geen illusies meer, zo dwaas was ik niet, maar wel een soort wederkerigheid in emotie, totdat een bepaald gebeuren je doet inzien dat je het allemaal niet goed hebt begrepen. Pas dan word je wakker, even in ontgoocheling maar toen ik doorhad met iemand te spreken gelijk Pontius Pilatus, werd het een verlossing.

Het huis is verkocht. Vandaag, 1 augustus, was de overdracht. Een zomerse dag.

1 Augustus markeert een tijdperk in mijn bestaan. Alles dat mij aan Rozendaal bond of herinnerde, behoort nu definitief tot het verleden. Ik dien de waardigheid door alles, incluis personen, los te laten want wat niet meer bijeen te houden was, vormt immers de basis voor wat vandaag is ondertekend.

Ik was er niet bij. Ik was extra vroeg uit de veren om de overdracht per volmacht te kunnen regelen. Maaike hielp mij als eerste voor ’t geval ik terstond naar Arnhem zou moeten, maar al snel bleek ik ook terecht te kunnen bij een van de lokale notarissen. De sleutel op de post, de doorgeseinde meterstanden naar Essent en wie daar ooit woonde, daar kraait geen haan meer naar (behalve ik).

Tussen parkeerplaats en wegdek ligt een gemetselde regengoot. Ik stapte uit de auto en rechtstreeks in de cabrio. Toen ik eenmaal zat, gleed de rolstoel onmiddellijk naar achteren, schokte enkele keren in de goot en wierp me er achterwaarts uit. Was er een auto aangekomen, dan had hij pardoes mijn vogelkop eraf gereden.

Later vertel ik nog wel over ’t nieuwe boek van Maarten ’t Hart waarin ik was begonnen te lezen na Nolens en Van der Heijden. Nu lees ik de sensatie uit 1963, De wegen van de wereld van Nicolas Bouvier. Het meertje is als een spiegel van donkergroene hoogglanslak, het glinstert zo mooi. In de verte het geronk van een eenmotorig vliegtuig, een typisch zomers deuntje. Daar zit ik dan met een zak vol duiten.

[© MN, Een historische dag. Mijn kleine wereld, met twee foto’s van het zojuist vermelde boek.]