Pagina's

zaterdag, maart 31, 2007

“The miracle of my life”
Overwegingen van ambivalentie bij maakbaarheid, zingeving, toekomst

(Een log voor drie dagen.)

De uiterlijke verfraaiingsmogelijkheden – cosmetische chirurgie - worden door veel collega-ethici, filosofen en ook door in academische ziekenhuizen werkende plastisch chirurgen overwegend negatief bekritiseerd. Verbeter je leven in plaats van je lijf is veelzeggend en exemplarisch. De scepsis ten aanzien van verkrijgbare schoonheid, geluk en zelfvertrouwen komt op mij over als een misschien te conservatief moreel oordeel over zowel het (mankerend) vermogen van de hedendaagse mens te leven met wie h/zij is, als over de specialisten in kwestie die én de grens van geneeskunde overschrijden én ten onrechte de maakbaarheid claimen. Dat de mens ook zelf schepper kan zijn van het zelfbeeld waar dit afhankelijk is van fysieke kenmerken, dat is velen een doorn in het oog. Ik heb een aantal van die programma’s gezien en meen dat het een weldaad is, máár, er zijn ook vragen, er is ook twijfel. Kan er niet teveel?

Het is vrijwel niemand onbekend dat moderne televisieprogramma’s, zoals het Amerikaanse Extreme Makeover en het naar Brits concept Nederlandse Make me beautiful, bij mensen het verlangen oproept naar een toekomst waarin zij zichzelf ervaren als degenen die zij denken te zijn omdat ze daar al vaak levenslang naar uitzien. Wie er naar kijkt, hoort ook elke aflevering dezelfde verzuchting, dezelfde verbazing, dezelfde blijdschap, omdat zij zichzelf zien als het middelpunt van een wonder dat wel in ’t verschiet leek te liggen maar niet echt voor mogelijk werd gehouden. “Eindelijk mijn zelfvertrouwen terug”, “Hier kon ik alleen maar van dromen” en “Dit is het grootste en meest onvergetelijke moment van mijn leven.” “The miracle of my life.” “A new personality.” De metamorfose die de ‘lelijke eendjes’ – gewone mannen en vrouwen - gratis ondergaan, wordt ervaren als een gift, niet alleen omdat ze uitverkoren zijn maar vooral omdat dit hen overkomt.
Wie zou er iets van dit individuele geluk willen afdoen? De beleving zichzelf te zijn, zichzelf waardevol te vinden na jarenlang getob, aannemelijk lijden, over minderwaardigheid en schuwheid, zich weer te durven, te willen tonen, onder de mensen te willen zijn en vertrouwen te hebben in de toekomst. Dit persoonlijk ervaren goed (bonum) is er niet mee gediend het te beschimpen. De cosmetische verandering dient hun welzijn, hun zelfontplooiing en het subjectieve idee van authenticiteit.
Het zijn vaak ontroerende beelden over de eigen wonderen. Die beelden worden altijd versterkt door impressies over voor en na de behandeling. Er kan over worden getwist of die neus nu werkelijk zo ontsierend was als het voor hem of haar leek, maar de resultaten die worden getoond laten weinig of geen twijfel over de esthetische verbetering – ofschoon er voor schoonheid versus lelijkheid geen objectieve maat bestaat. De uiteindelijke presentatie aan de familie vormt onder ovationeel gejuich het hoogtepunt, voor de persoon zelf, voor de familie die op het puntje van de stoel zit, en natuurlijk is het ook het erepodium voor al die experts die met mensenhanden God’s evenbeeld opnieuw hebben gekneed. Voor al deze mensen blijkt ‘every second’ van het wekenlang afzien het volle pond waard. Die op zich korte periode van afzondering en zwoegen, lijkt bepalend voor de rest van hun leven.

De samenleving sluit mensen vanwege uiterlijk ontsierende eigenschappen buiten, minstens in de eigen ervaring van de mensen die hierboven zijn beschreven, herkenbaar ook in de euforie als het wonder is geschied. Alsof ze een nieuw, vers, lichaam hebben gekregen (wat natuurlijk een dwaze gedachte is). Hoe voltrekt zich die uitsluiting, wanneer is dat begonnen? Ligt het aan de fysieke verschijning? Of is het de beleving van de eigen lelijkheid die hen doet uitstralen dat ze ‘zo’ nergens bij willen horen? (Als ik kijk naar de afbeelding hierboven, zie ik een door omstandigheden depressieve vrouw die het in haar moeilijke gang door het leven niet meer de moeite meer waard vond zichzelf te verzorgen, alle wilskracht verloor en waardoor het ook lijkt alsof ze nog dag en nacht huilt. Ze is pardoes uit het dal van berusting getrokken voor dit programma’ en overrompeld door geluk, opgeknapt, en ziet misschien eigenlijk grotendeels zichzelf terug zoals ze was. Vermoedelijk gaat het vanaf nu beter, maar ook blijvend beter? Er moet, dunkt me, nog iets anders zijn dat hier het vraagteken weghaalt. Is alleen deze nieuwe verschijning voldoende om te willen behouden en niet terug te vallen in een soort ‘verloren leven’?)

Duidelijk is dat reclame en televisieprogramma’s hierover overstelpend en opdrin­gerig zijn en geen enkele twijfel laten over ‘the miracles’ die mogelijk zijn. (Sporadisch hoor of lees je over de pijnlijke tegenvallers op dit vlak.) Het is voorstelbaar dat de confrontatie daarmee mensen, diep ten onrechte, in de hoek drukt van de minderwaardigheid, van het lijden, in het ergste geval in die van het isolement. Veel van deze mensen zullen in wat hen wordt voorgespiegeld zich misschien voor het eerst bewust worden wat nu de oorzaak lijkt van hun persoonlijke ongeluk. Wat mij treft, is wat dit in wezen betekent: veel mensen voelen en weten zich niet zomaar ongelukkig, maar weerloos. Dat is niet te dramatisch voorgesteld, want die ongelukkigheid wordt bewerkt – ‘wij maken weer een nieuwe, krachtige mens van u’ - door wat technologisch allemaal kan en onophoudelijk als een relatief betaalbare keuze wordt opgedrongen. ‘Ik word straks niet langer gemeden, maar gevierd’. Is dat zo? Zij vieren zichzelf. Ze wor­den niet opeens door jan en alleman uitgenodigd, maar komen (weer) tevoorschijn.

Wat kan, dat kunnen mensen niet laten.
Eigenlijk kan er teveel?

Soms rijst even de gedachte dat ik me aansluit bij de vele critici die er al zijn, ook al lijkt het dat die een soort rivier vormen die tegen de berg wil opstromen. Mijn argument is dan, dat het te gemakkelijk is en ‘te kort van blik’ te kiezen voor de emotie van mensen van vandáág – dat sluit al onze zintuigen voor de fundamentele vraag die de mensheid zichzelf met de nieuwe scheppingsmoge­lijkheden serveert, namelijk of we er werkelijk en van harte mee instemmen dat voortschrijdende, dominante, technologie de geschiedenis van het menselijk bestaan mag schrijven. Of ligt het in de aard van mensen altijd te kiezen voor al dat profijtelijk is, in welk opzicht ook? Ligt het in het vermogen van mensen af te zien van werkzame technieken vanwege de gedachte dat het moreel verwerpelijk zou zijn steeds meer zelf de schepper te zijn – terwijl het menselijk samenleven een zee van ellende toont die onbeheersbaar blijkt? Waarom speelt de glamour zo’n stekende rol? Wat is ‘echt’? Is de nodige zelfwaardering werkelijk afhankelijk van uiterlijke kenmerken? We zéggen vaak wel, “het gaat er om wie je bént”, maar dat is niet altijd even aannemelijk. Soms zijn schijn en werkelijkheid niet goed te onderscheiden. Soms lijkt de zelfwaardering op een soort nulpunt bevroren of geconserveerd, totdat een het ánder die om haar geeft (om wie zij is) genoeg is en aan de bel trekt. ‘Verbeter je leven in plaats van je lijf’, het is allerminst een loos gezegde, het is vol hoop en aanmoediging, maar het is denkbaar dat het op deze onconventionele wijze toch mede mogelijk wordt gemaakt.

Ik behoud mijn vragen, maar kies voor de mensen. De keuze kent denk ik wel een zeer gemeen maar ook doorzichtig addertje: de televisieprogramma’s, de marketing, worden gemaakt met het doel de ‘gewone man’ het geluk van zijn leven te willen bieden. Dat is de valsheid, de misleiding. De truc genereert een massaal bereik en naamsbekendheid, maar in de realiteit is het ‘lot uit de loterij’ hoofdzakelijk voor welgestelden. Dat is het mondiale, schrijnende, onfatsoen in de mensheid, dat het lijkt alsof het leven, zo het al geluk brengt, alleen bedoeld is voor de elite, alle overigen zijn er voor de gewoonheid, voor het vuile werk, voor het onvervulde verlangen.
Er kan heel veel. Veel van wat werkelijk nodig is, wordt zo langdurig als mogelijk onbereikbaar gehouden tenzij het werkelijk profijtelijk wordt het pad naar klein geluk wat te verbreden.
[Afbeelding: van www.inlandcosmetic.com]

vrijdag, maart 30, 2007

Die Sonne machts möglich

Es gibt keine Sprache wo
man von die Sonne nicht reden kann,
aber Ländern, wo Sie versengt, ja, es scheint eben
dass Sie dort dass Leben vertreiben will.

Ist dass nicht merkwurtig, wir atmen von Ihr
und gleichzeitig führt Sie an zum Tod.
Genau, wir wissen was die Dunkelheit bedeutet, aber
verstehen wir auch die endlose Finsternis,

Ich habe nur ein Bild von mir Heutzutage,
kann mich nicht vorstellen nicht zu sein, gar nicht.
Und dann, dann das rätselhafte Licht
wo die Sonne es selbst sagt, jetzt ist es Tag

und wenn Sie zum schlafen gehen, versunken in der Träumen,
dann ist es Nacht und bin Ich anderswo.
Die Sonne die wir uns schmachten und anbeten,
ist keine Wahrscheinlichkeit, wenn Sie nicht hier ist,

ist Sie dort, in die Wüste zum Beispiel,
es scheint uns so klar von Einfachheit,
die Sonne, der Mohnschein und das Gestirn, oder,
ist dich eine bessere Antwort erdenklich?

[MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Afbeelding: „Und immer wieder geht die Sonne auf“ von De Kludi.]

donderdag, maart 29, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid X

De onmogelijkheid te leven juist te leven …. We ‘zien’ een calamiteit, een situatie die de resultante is van opeengestapelde problemen, van onverwachte en onaangename ontwikkelingen welke zich gelijktijdig of achtereenvolgens op verschillende levensterreinen (huisvesting, werk, relaties, gezondheid) hebben voorgedaan, een situatie waartegen men niet is opgewassen en waarop met een vlucht, met ontreddering wordt gereageerd. Flucht und Vermeidung sind typisch, herinner ik me van Haider uit Duits onderzoek. De klaarblijkelijke aanwezigheid van ernstige problemen, van ellende, en het onvermo0gen er het hoofd tegen te bieden, betekenen het bestaan van belastende omstandigheden en (kunnen) leiden tot een stuurloos, zwervend bestaan, als de uitdrukking van de ervaring van weerloosheid. Het betekent ook een discrepantie tussen wat gewenst wordt en wat gerealiseerd blijkt, en uit het feit dat dit al over langere tijd blijft bestaan, blijkt het onvermogen om de situatie of zichzelf te veranderen. Ernstige tegenspoed belemmert dit. Dit onvermogen, dat bij velen op grond van ervaringen zo’n weerbarstige vorm heeft aangenomen en dat wordt versterkt door het ontbreken of falen van coping-mechanismen, manieren om ermee om te gaan, en het niet beschikken over andere bronnen, zoals opleidingsniveau, financiële middelen en het beroep, dit onvermogen beschouw ik als de eerste grond van ontschuldiging.
De ontschuldiging is niet louter persoonlijk en psychologisch van aard, maar heeft ook een sociaal-culturele component. De zwerver is niet alleen degene geworden die hij niet wilde zijn, maar tevens in elk opzicht de tegenpool van de ‘ideale’ burger. Hij is de personificatie van een soort ellende dat veelal afschuw en medelijden wekt en (doorgaans) weinig compassie, terwijl aanzien, respect en waardering –fraaier nog is bewondering - de waarden zijn waar het om draait, maar onbereikbaar voor wie niet (meer) in zichzelf gelooft en niet in staat is duurzame en bevredigende relaties aan te gaan. Zijn verschijning is strijdig met het ideaal van de zelfontplooiing, met de idolen van de westerse cultuur als een soort van ‘hemelse staat’: autonoom, bekwaam, harmonieus. Verwaarlozing en isolement, als een extreme reactie op een complexe crisis, als de uiterste vormgeving van eenzaamheid, van het gemis van een partner of vrienden, van het tegelijkertijd niet hebben van werk en (dus) geen inkomen van betekenis en zelfs geen huisvesting meer, doen mensen in een sociaal vacuüm belanden, in een labyrint waarin het zoeken naar een uitweg een onmogelijke opgave lijkt te zijn geworden en door velen ook wordt opgegeven. De teloorgang van het sociale leven, van een privé-leven, brengt met zich mee dat er in tweeërlei opzicht, zowel persoonlijk als sociaal, sprake is van een breuk met de moraal. Deze breuk, dit verlies, is weliswaar inherent aan het persoonlijke onvermogen, maar omdat hieraan een sociaal-culturele betekenis wordt toegekend waaraan men hecht, ligt ook hierin een grond voor ontschuldiging en wijst het feit van de beschadigde mens, omgekeerd, naar de verantwoordelijkheid van anderen.
[Afbeelding: schilderij “De ondersteuning” van Lammert Boerma. Dit is mijn 200ste log.]

woensdag, maart 28, 2007

“Lachwekkende liefde”
On the road to the unusual

Joop, een slanke gespierde vijftiger, kaal hoofd, getatoeëerde armen en een verteller die goud waard is, is trainer bij het kickboksen en na afloop drinkt hij met de jongens een colaatje. (Hij is schilder, voorkomend en buitengewoon aardig, en had al eerder tijdens de koffie verteld dat hij deze zomer met zijn dochter en het gezin van zijn zus een week op vakantie gaat.)
“Nou, het was me weer wat gisteravond. Man wat heb ik er nu al schik in om naar Ibiza te gaan zeg. Vroeg een van de jongens, Boy, ‘hoorde ik het goed, ga je naar Ibiza? Wat ga je daar doen?’”
“Vijverdrijven”, zei Joop, “wat dacht je dan” en hij strekte zich in gedachten al koesterend naar achteren.
“Dan heb ik nog wel een mooi luchtbed voor je”, zei Boy, die overdag in een eroticashop werkt. Een opblaaspop, altijd het mondje van verbazing open. Lola. Als hij speciale wensen had, bijvoorbeeld een flinke of een Surinaamse, dan moest hij het maar zeggen. “Nee, geen bruine”, had Joop gezegd, “maar ik moet wel goed kunnen liggen.” Hij keek met een behaaglijke grimas en klapte van plezier eens op zijn bovenbeen. “Zie je het al voor je?”
“Ja, dat kan ik me wel voor de geest halen Joop, maar je haalt het niet in je hoofd het werkelijk te doen. Zie jíj het al voor je, Lola onder de arm, vijverdrijven!?”
“Néé? Geef mij je emailadres en ik stuur je eind juni de foto’s. M’n zwager, oh, die komt niet meer bij man van het lachen, mijn zus zal het wel niet zo waarderen. Ik zeg gewoon de avond ervoor dat ‘het liefde op het eerste gezicht was en dat ik ‘r morgen mee naar het strand neem’, ja, zo zal het gaan. Ja, heus wel.”
“Je bent de grootste mafkees die ik ken, de eerste misschien die zoiets flikt. Lig je op je buik in het water, zó, je droom wordt werkelijkheid.”
“Leuk toch! Ik leg haar ook gewoon naast me op een handdoek, glaasje limonade in haar mond. Daar lig ik dan, vette zonnebril op. Lola ook tevree.”
Het was een kostelijk halfuurtje van de week. Niks geen platheid, maar het eenvoudigste plezier, en iedereen die het meemaakt, zal, fronsend of niet, in een deuk liggen. Ik benijd hem om de aanstekelijke lach, de humor die ik liever heb dan mijn ernst.
[Afbeelding: “Naked man” (enjoying beachlife) by Gary GDFpro, hoewel de signering een andere naam doet vermoeden.]

dinsdag, maart 27, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid IX

Nederland, maar dat geldt ook voor andere Europese landen, zit stevig onder de cosmetica: er is, op ’t oog, niets aan de hand. Alles is voortreffelijk geregeld, zo is onze welvarendheid toch wel samen te vatten. Onze wereld is ‘in orde’. Van de wieg tot het graf, zowel voor ‘normale’ mensen als voor gehandicapten, óók voor thuislozen. ‘Make-up’ is veelal een dunne laag op een ondergrond die liever niet wordt getoond en zo is het ook met de ‘orde’ – het is een dunne laag over de chaos, de onmenselijkheid, de bureaucratie, de eenzijdigheid, over een wereld van geringe wederkerigheid.
Een bepaald kenmerk van thuisloosheid, de innerlijke rusteloosheid, brengt met zich mee dat een deel van hen zwervend is, een haast consequentieloos bestaan leidt waarin geen idealen lijken weggelegd of voorhanden, en die weinig of geen gebruik maakt van bestaande voorzieningen danwel vanwege de ernst van de meervoudige problematiek niet wordt toegelaten en zo een tragiek in beeld brengt die een zwarte veeg geeft over het bestaan in elke stad en de indruk wekt dat niemand zich om hen bekommeren wil. (Het paradoxale is, dat in de zwerver twee beelden te herkennen zijn: die van iemand die in elk opzicht blut is en tegelijkertijd het meest ‘self-supporting’. Toch kunnen ze slecht voor zich zelf zorgen en dat maakt hen maatschappelijk weer zo opvallend. En veel zwervenden zijn als het ware zelf ‘verantwoordelijk’ voor dit beeld, voor deze ‘misleidende waarheid’, waar zij, tegenover de media, openlijk een ode brengen aan de vrijheid, aan de verlossing uit het maatschappelijk harnas, en toch, niets van deze illusie blijft heel. Het is een zeer begrijpelijke apologie, het is hun ‘zoveelste versie van gebeurtenissen’, met denkbaar steeds weer andere betekenissen, (ook) omdat het perspectief, de manier van vertellen, van hoe je het ziet, in de loop van de tijd verandert. Het belangrijkste is echter, dat de apologie ook een redding is van zijn geestelijke gezondheid. Nee, de thuisloze is niet een ‘onafhankelijke levenswijze natuur’, maar, veelal, een in zichzelf gekeerde persoon die voor velen onbereikbaar is geworden en ook zichzelf niet meer doorgronden kan.) Zwervende thuislozen leven met de minus van hun bestaan. Het zijn kwetsbare en tegelijk taaie mensen want de baas over de beproevingen van het buiten-(gesloten) leven.
Er bestaat voor hen een soort mini-verzorgingsstaat: de ‘oude internaten’, passsantenverblijven of slaaphuizen, centra voor dagopvang, inloophuizen, sociale pensions, begeleid wonenprojecten en dienstencentra. Er bestaat een veelheid aan vormen van solidaire actie en primaire zorg, zoals een busproject, een stoelenproject en medische spreekuren. In al deze voorzieningen treft men vaak een toon aan die duidelijk maakt dat men het opneemt voor de thuisloze, niet vanuit zieligheid, maar vanuit een solidaire instelling en een moreel besef van verantwoordelijkheid. Men keert de thuisloze niet de rug toe of ‘laat hem in zijn sop gaarkoken’, maar treedt hem, idealiter, keer op keer empathisch tegemoet en probeert op realistische wijze aan te sluiten bij zijn mogelijkheden,l en perspectieven te zoeken die zijn gevoel van eigenwaarde geleidelijk weer kunnen opvijzelen. Men heeft zorg voor diens welzijn, men geeft gestalte aan het begrip ‘bekommeren’ en laat het daarin niet afweten.
De keerzijde van de veelsoortige zorg is, dat voor vele zwervenden de bestaande faciliteiten – áls ze er tenminste al welkom zijn en/of er gebruik van willen maken – wel een zekere bestaansbasis vormen, maar (vaak) niét een bron van herstel. Ook al komen zij er dagelijks, het is onvoorspelbaar of en wanneer hun komst van ver buiten de gewone mensenwereld de betekenis krijgt van een wending in hun bestaan. Velen gaan jarenlang door de onmogelijkheid te leven juist te leven.

Er lijkt sprake van een bepaalde morele taal, een taal die als van zelf in zich heeft, dat men binnen de zeer gevarieerde hulpverlening het goede voorheeft met (alle) cliënten, terwijl de praktijk laat zien dat men lang niet altijd in overeenstemming met deze grondslag handelt. Sommigen zijn te smerig, te gek, te asociaal, te agressief, en komen daarom vrijwel nergens binnen. Zo kent ook de zorg nog tal van mazen. Het gevolg van deze (extra) uitsluiting is het opdrukken van schuld waartegen zeker deze mensen geen verweer hebben. Dit roept de gedachte op van een soort ‘laatste oordeel’, van een nadrukkelijk morele houding van afwijzing, van vernedering, en dán is het te gemakkelijk – al ben ik er niet uit – het is niet deze schuldkwestie die hem nog verder marginaliseert, maar het is de onhanteerbare problematiek waarmee wij geen raad weten.
[Afbeelding: schilderij “Vallende man” van Lammert Boerma.]

zondag, maart 25, 2007

Het ongewisse

Het is lente en ook zomertijd
is het weer geworden. In mijn geval
reeds 232 seizoenen.

Het staat bijgeschreven in mijn levensbalk,
en ik lees terug dat acht seizoenen
geleden, daar staat: “hij gaat dood. Of niet?”

De dichter is niet aan de overkant
nu zelfs dit gedicht zijn reis overleeft,
maar eeuwig zal het niet zijn.

Wie zoveel seizoenen telt
als jaren in het jaar,
is een stokoude man.

[MN, in "De wind waait de tijd als zandkorrels weg."
Afbeelding: schilderij “De fiets” van Cor van Geffen.]

zaterdag, maart 24, 2007

Zo klaar van eenvoud naar het schijnt

Er is geen taal die de zon niet kent,
maar wel zijn er landen waar hij brandt
alsof hij alle leven verdrijven wil.

Vreemd, want hij is de enige die we dagelijks
verwachten, van wie we leven, maar kennelijk
voert hij evengoed naar de dood.

Terwijl hij alle dagen overal doorbreekt, ook
al zien we hem niet en we weten wat donker is,
maar een idee wat voorgoed duister is, dat hebben we niet.

Het mysterieuze licht dat wij de dag noemen,
dat zegt de zon zelf want het wordt nacht,
wetend dat wij slapen, dromen en ook weer opstaan.

In onze nachten, ook dan
geen waarschijnlijkheid, maar glijdend naar elders,
over verafgelegen rotsen, zo klaar van eenvoud.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Foto van Enno Nuy,
Aerdt, vlakbij Lobith, Het Gelders Eiland.]

vrijdag, maart 23, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid VIII

Het eigen levensontwerp is in het geding, schreef ik in VII. Bij dementerende ouderen, chronisch psychiatrische patiënten en mensen met een verstandelijke beperking zien we eveneens dat een eigen levensontwerp gehinderd wordt, onvoltooid blijft of onmogelijk is. Hun moeilijkheden, tekorten of beperkingen zijn zodanig, dat het hen niet wordt aangerekend onvoldoende zelfredzaam te zijn. Het onvermogen is (juist) het criterium voor noodzakelijke, continue zorg, bij voorkeur steeds zo lang mogelijk in een zo normaal mogelijke omgeving.
Aangezien bij deze groeperingen sprake is van een ouderdomsverschijnsel, een psychiatrische ziekte of een aangeboren handicap, en niet, zoals in zekere zin bij thuislozen, van een (ogenschijnlijk) slordige of roekeloze levensvoering waardoor op alle levensterreinen problemen ontstaan en die een toestand veroorzaakt die we niet erkennen als ziekte, zijn er voor hen specifieke gezondheidszorgvoorzieningen welke tegemoetkomen in hun zorgbehoevendheid en hen bescherming bieden. De onderlinge (etiologische) verschillen zijn groot, maar belangrijker dan deze zijn de overeenkomsten, ook met thuislozen: de afhankelijke, kwetsbare positie, de permanente behoefte aan begeleiding/zorg, het ontbreken van (zelfgekozen) toekomstperspectieven en de existentiële desoriëntatie.
Hoe de verschillende ‘toestanden’ ook zijn ontstaan, in alle gevallen is te spreken van een snel of traag verlopend kwijtrakingsproces, dat de persoonlijke draagkracht doet verminderen en dat zich weliswaar verschillend manifesteert maar waarop, en dat is cruciaal, géén van de betrokkenen controle heeft. De ‘toestanden’ zijn alle te zwaar tegenover de individuele mogelijkheden tot verweer en bovendien niet van menselijke maat, zoals gewone onvrede die bijvoorbeeld wel is. Ze zijn evenmin manipuleerbaar. De dementerende oudere kan een tijdlang het geheugen met notities ondersteunen, maar op zekere dag zal dit zinloos worden. Ook andere ‘afwijkende’ gedragingen zijn op een gegeven moment niet meer te maskeren. De zwerver is niet gebaat met de toewijzing van een flat en een gebudgetteerd inkomen. Hij keert daardoor niet terug naar ‘die’ hij voorheen was, ook al is zijn huidige toestand niet zijn onherroepelijk laatste. Niemand, geen van al deze betrokkenen, kiest ervoor in situaties te geraken die zo complex zijn dat ze leiden tot (zelf)vervreemding, en bij thuislozen vooral tot uitdrukking komend in verwaarlozing en eenzaamheid, in alcoholmisbruik en in een voortdurend, maar fataal gevecht met maatschappelijke regels. Een verlies aan inzicht en oriëntatie, een verlies aan vaardigheden, een verlies aan contact: het zijn juist deze ontbrekende elementen, samen te vatten als het wegkwijnen van natuurlijke wortels in het bestaan, die een adequaat zelfbestuur, zo bepalend voor de individuele waardigheid, in de weg staan.
Kenmerkend voor alle lotgenoten in zorg is het verlies aan existentiële autonomie, en tegelijkertijd is autonomie voor al dezen, behoudens wellicht in ernstige onomkeerbare beperking, zo’n precair ideaal.

De oorspronkelijk gebruikte afbeelding, tekening, van Piet Peere is verwijderd omdat het portret van de man werd herkend als haar vader en de dochter maakte daartegen, terecht - ook meer dan drie jaar later - bezwaar: met oprechte excuses.]

donderdag, maart 22, 2007

Al zei Frank Sinatra ooit, dat “Rock & roll is the most brutal, ugly, desperate, vicious form of expression.” Dat las ik op een grote poster op het stationsperron die me riep met een mooie naakte vrouw met slechts nylonkousen zonder jarretel. Het bleek te gaan om hét Fashionmagazine van nu.
Aan de hand voor haar rechterborst een prachtige ring, dat zag ik later dan die zachtglooiende linkerborst met een tepeltje, zo eenvoudig, zo schoon.
“Zij lokt me, dat is anders dan dat zij wacht.”
“Zij die wacht roept niet, zij wacht op die ene ware, maar er gaan er zoveel voorbij.”
“Is wachten niet bijna hetzelfde als voorbijgaan?”
“Dan noemen we het maar geen wachten meer en ook – dat klinkt zo mooi - niet unerfüllte Sehnsucht.
“Het wachten is haar voorbij, bij tijd en wijle?”
“Ja, het geheim is haar leven want zij staat voor de deur van haar eigen ik.”
“Zij is zich bewust te leven?”
“Ja, te leven, tot in het maximale.”
[ Schilderij ‘Wachtend op de ware’ van Marijke Vonk.]

woensdag, maart 21, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid VII

Schuld(-gevoel) is een eigenaardige, vaak niet reële emotie, aangezien ermee wordt uitgedrukt dat iemand meer had kunnen doen dan in zijn vermogen ligt, terwijl er eigenlijk de eigen nietigheid uit blijkt, maar dát te erkennen is een zwaardere opgave.

Het behoort tot de moraal dat wij ons handelen verantwoorden, niet in de laatste plaats wanneer we niet (kunnen) voldoen aan de norm. Een duidelijk voorbeeld vormt het ziek-zijn. In dat geval worden we een tijdlang van de verplichting tot werk ontheven, maar niet zonder ook tegelijkertijd mee te werken aan een spoedig herstel. In veel gevallen verloopt dit probleemloos en willen we ook zelf zo snel mogelijk weer aan het werk. Moeilijker wordt het wanneer het langer duurt, de klachten aanhouden maar tevens vaag zijn en de betrokkene de indruk wekt er ook weinig zijn best voor te doen om beter te worden. Dan ontstaat het risico dat men voor aansteller wordt gehouden en stuit men in de omgeving op geleidelijk meer weerstanden, zeker wanneer blijkt dat als het maar even kan men gewoon zijn gang gaat en de gestelde norm aan z’n laars lapt. Er is dan sprake van een breuk met de moraal, openlijk en toch in het geniep.
We dienen steeds te rationaliseren waarom we ons inspanning, tijdelijk, opgeven. Dat wordt continu van ons verwacht. Blijft die ‘dialoog met de omgeving’ achterwege, dan maakt men zich schuldig aan onverantwoordelijk handelen en is een veroordeling, in welke vorm dan ook, het onvermijdelijke gevolg. Dat geeft in morele zin ‘goede grond’ aan schuld.
Er zijn ook aanwijzingen van schuld die géén grond hebben in een algemene moraal, maar die (slechts) berusten op kortzichtigheid, op individuele benepen opvattingen over fatsoen, op projectie van iemands onvermogen of (zelfs) op een ‘valse’ algemene moraal, zoals zou kunnen gebeuren wanneer in de media de verwachting wordt gewekt dat alleen thuisblijvende moeders goede moeders zijn.
In het openbaar, buitenshuis, zijn mensen meer kwetsbaar dan in de beslotenheid van het eigen domein, waar luiken, gordijnen of luxaflex de wereld (’s avonds) buiten houden. Die kwetsbaarheid neemt aanzienlijk toe voor degenen die zich letterlijk in een berooide toestand bevinden en nergens terecht kunnen. Voor hen is er de ‘troost’ van het park of portiek, zonder de dimensie van intimiteit, steeds buitenshuis waar veiligheid een illusie is. Buitenshuis, en blootgesteld aan alle mogelijke stressoren, gebukt onder het gewicht van een misère. (Het is de mortificatie van het ‘ik’; het gebrek aan privacy heeft een directe, afbrekende invloed op de identiteit. In de publieke ruimte wordt men als het ware publiek bezit.) Het is als doorfietsen op lekke banden, met als gevolg een onmiddellijke slijtage van vitale onderdelen omdat het rechtstreekse, soepele contact tussen banden en wegdek is verbroken. Het is weliswaar een mechanistische metafoor, maar een die denk ik duidelijk maakt dat van een zich ontwikkelend eigen levensontwerp in de gegeven omstandigheden geen sprake kan zijn. Er is een werkelijkheid waarin eigenlijk niet te leven valt. Ernstige tegenspoed belemmert dit, tegenspoed van lange duur.
Het contrast tussen deze en die andere werkelijkheid, het ‘volle leven’, is zo groot, dat de taal die wij voor hen bedenken een vale kleur heeft vergeleken met alle begrippen die wij gebruiken als wij ná het moment van confrontatie weer overgaan tot de orde van de dag. De deerniswekkende indruk die de zwerver maakt, roept als vanzelf ‘schrik’ over hem af, evenals dat hij, in de volksmond, een stumpert is. Een stumpert op afstand. Is de afstand tussen de burger-zwerver en de burger niet al zo groot dat beiden elkaar negeren, onverschillig zijn en dus ook niet ontvankelijk voor welke taal dan ook? Waarin zou de zwerver nog een uitdaging moeten zien om te veranderen?
[Afbeelding: “Adam en de appel” van Anja Jager.]

dinsdag, maart 20, 2007

Het Gelders Eiland

Drie ongeknotte wilgenbomen
als gewrichten in een rand van aarde
aan de voet van een ontvolkte kerk, en
al wat niet belangrijk is deze morgen,
zelfs een milde wind,
is als in een droom onttrokken
door een zachtmoedige mist, reeds opgaand
in een nieuwe dageraad.

[© Marius Nuy, in ‘De wind waait de tijd als zandkorrels weg’.
Foto van Enno Nuy, Aerdt, ‘Het Gelders eiland’ – 18 maart 2007.]

maandag, maart 19, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid VI
De tragiek van amoraliteit

In de verstoorde relatie tussen zwerver en samenleving is een koude en verlaten werkelijkheid ‘te verstaan’. Van de samenleving krijgt hij een stigma van sociaal disfunctioneren en hijzelf reageert, onder andere, met een verschijningsvorm die zowel de afstand als het verschil accentueert. De maatschappelijke afzondering gaat als het ware hand in hand met het verlies van sociale rollen. Het venijn hiervan is, dat hoe langer dit proces van marginalisering voortduurt, des te minder wordt de flexibiliteit, zowel bij de zwerver als bij actoren uit de samenleving. De sturing uit de omgeving zal afnemen en het bestaan krijgt onwaardiger trekken.
De publieke identiteit signaleert het feit dat ze zich niet lijken te bekommeren om wat anderen van hen denken. Wat hebben ‘zij en de samenleving’ elkaar nog te bieden? Dit is ‘een staat van amoraliteit’. Het gaat dan niet zozeer om immoreel gedrag, het overtreden van regels, maar om het niet beleven van regels. Het afwijken van gangbare waarden en normen en het zichtbaar behoren tot een sociaal inferieure categorie leidt tot negatieve stereotyperingen. Men wordt weggestuurd, nagekeken, genegeerd of ontweken. Deze maatschappelijke, overtuigende, aantasting versterkt het negatieve zelfbeeld waarnaar zij zich ook gaan gedragen, zo zeer wordt het een deel van henzelf.
De tragiek is, dat het een ontwikkeling is tegen wil en dank, en dat we in hun (amorele) verschijning de uitdrukking zien van een verzameling pijnlijke emoties: eenzaamheid, teleurstelling, woede, verdriet, schaamte, schuld, onmacht, wantrouwen, angst. In een houding van lijden, een houding waarin meestal elke trots en waardigheid ontbreken, kunnen we geen positieve betrokkenheid naar de samenleving verwachten. Het is een breuk met de moraal, maar ongewild en daarom niet te betitelen met ‘eigen schuld’. Dit laat onverlet, dat er bij de betrokken mensen sprake kan zijn van gevoelens van schuld – en van (bijbehorende) schaamte – maar die ‘schuld’ dienen we te onderscheiden van eventuele opgedrukte schuld, van het beschuldigd worden, van het mechanisme dat zelfs tot ‘die schuld’ kan leiden, maar er valse grond voor is.
[Afbeelding: “Craig, a homeless man” by Jay Su.]