De pen gaat waar het hart niet kan
Dat is een rake zin. Ik zag het plots in mijn boekenkast en dacht, dat is een mooie, rake, zin die ik geschreven zou willen hebben, maar iemand is mij voor geweest. Pak het uit de kast en zie dat het al 27 jaar tot de stillevens behoort die ik zoal heb verzameld. Het frappante is de derde alinea op pagina negen. De zin begint met ‘In de vloer’, maar misschien is dat typisch Vlaams.
“In de vloer, op de tafel, op de stoelen, in een ligzetel, overal liggen tijdschriften en weekbladen. Paris-Presse en Playboy, De Vlaamse Gids en de Nieuwe Rotterdamse Courant. En ik herinner me meteen weer, wat Vinkenoog eens over hem schreef: hij is bang dat iemand iets reeds zou geschreven hebben, wat hij op het moment zelf wenst te schrijven.”
En verderop blijkt, dat hij ook steeds de nieuwste tijdschriften bij zich heeft om te kijken of niemand hem voor is geweest. Het is een korte, wat verdwaasde maar ook geestige impressie van iets dat anders in het krantengraf was verdwenen: een stukje van Louis Paul Boon over Hugo Claus, dat hij schreef in Vooruit, op 15 maart 1962. (Claus woont dan nog, met Elly Overzier, in een oud patriciërshuis in Gent, maar tachtig pagina’s en zes jaar later lees ik dat hij op een brede, sterke, boerderij uit 1730 woont, te Nukerke. “Dat is dáár in Oost-Vlaanderen waar het landschap eindelijk de moeite waard wordt”, schrijft Jan Wintraecken. Maar Claus vertrok er weer en zwierf verder, tot hij terugkeerde in het aloude Gent.)
[Hugo Claus, De pen gaat waar het hart niet kan, een bundel interviews en teksten samengesteld door Gerard de Ley, Loeb & van der Velden. Schilderij “The promised unity” by Brad Noble. Gaat daarover, in al zijn varianten, niet vaak de pen? Over het onvolkomene? Het utopische? Het verbodene? Ach, de pen kent alleen maar de grens van de hand die hem vasthoudt.]
(Off topic: ik ben op reis, onder meer naar Dirksland en Zierikzee en overnacht in Schuddebeurs. Ik heb dus een paar dagen geen gelegenheid tot wat ik gewoon ben te doen, misschien maar eens goed ook.)
Dat is een rake zin. Ik zag het plots in mijn boekenkast en dacht, dat is een mooie, rake, zin die ik geschreven zou willen hebben, maar iemand is mij voor geweest. Pak het uit de kast en zie dat het al 27 jaar tot de stillevens behoort die ik zoal heb verzameld. Het frappante is de derde alinea op pagina negen. De zin begint met ‘In de vloer’, maar misschien is dat typisch Vlaams.
“In de vloer, op de tafel, op de stoelen, in een ligzetel, overal liggen tijdschriften en weekbladen. Paris-Presse en Playboy, De Vlaamse Gids en de Nieuwe Rotterdamse Courant. En ik herinner me meteen weer, wat Vinkenoog eens over hem schreef: hij is bang dat iemand iets reeds zou geschreven hebben, wat hij op het moment zelf wenst te schrijven.”
En verderop blijkt, dat hij ook steeds de nieuwste tijdschriften bij zich heeft om te kijken of niemand hem voor is geweest. Het is een korte, wat verdwaasde maar ook geestige impressie van iets dat anders in het krantengraf was verdwenen: een stukje van Louis Paul Boon over Hugo Claus, dat hij schreef in Vooruit, op 15 maart 1962. (Claus woont dan nog, met Elly Overzier, in een oud patriciërshuis in Gent, maar tachtig pagina’s en zes jaar later lees ik dat hij op een brede, sterke, boerderij uit 1730 woont, te Nukerke. “Dat is dáár in Oost-Vlaanderen waar het landschap eindelijk de moeite waard wordt”, schrijft Jan Wintraecken. Maar Claus vertrok er weer en zwierf verder, tot hij terugkeerde in het aloude Gent.)
[Hugo Claus, De pen gaat waar het hart niet kan, een bundel interviews en teksten samengesteld door Gerard de Ley, Loeb & van der Velden. Schilderij “The promised unity” by Brad Noble. Gaat daarover, in al zijn varianten, niet vaak de pen? Over het onvolkomene? Het utopische? Het verbodene? Ach, de pen kent alleen maar de grens van de hand die hem vasthoudt.]
(Off topic: ik ben op reis, onder meer naar Dirksland en Zierikzee en overnacht in Schuddebeurs. Ik heb dus een paar dagen geen gelegenheid tot wat ik gewoon ben te doen, misschien maar eens goed ook.)










