Pagina's

donderdag, mei 31, 2007


When a man sits with a pretty girl
for an hour, it seems like a minute. But
let him sit on a hot stove for a minute – and
it’s longer than any hour. That’s relativity.
Albert Einstein
1879 – 1955

[Let me start slowly. Image: “The little butterfly and Einstein”van Jan Bollaert.]

vrijdag, mei 25, 2007






Geen waan van de dag


Het zal enkele dagen stiller zijn dan gewoonlijk want ik moet nodig tijd maken om te lezen, na te denken, lief te hebben. Het is de enige tijd die ik heb, voor niemand volgt er nog een andere hoewel we er niets van kunnen weten. Het is al heel wat te weten waar we vandaan komen, ik zei wel eens, uit het land van verwondering maar soms neemt de rauwe verbijstering het over, but I cannot live on the darkside, not now. Give me four, five days.






[Beeld: "Stilte" van Margot Homan.]

donderdag, mei 24, 2007

De tweede geboorte lijkt op waaghalzerij

Dagelijks loopt daar de dichter
over het pad met oude eikenbomen,
hoge bomen, reuzenbomen, oude bomen,

standvastige bomen, met moeite door twee mensen
omarmd, dat is het Ossendaalse pad, een pad
van keien en verdroogde paardenstront, zoals er

vele zijn, maar van deze dichter is er één, een man
met een vogelhoofd. Zié, langs een stam dwarrelen drie
Vlaamse gaaien loodrecht met gespreide vleugeltjes naar beneden,

alsof hun propeller het begeven heeft, maar nee, als
de dichter hen met een troostend woord nader komt, vliegen
zij hun eerste vlucht en strijken ooit weer neer waar liefde is.

[© MN, in Observaties op het Ossendaalsepad. Schilderij is van Theo Bijkerk, 1928.]

woensdag, mei 23, 2007

Waar leven is, is strijd

Dansend tussen dag en nacht fladderen
vleermuizen, nergens door belast, evenals
de kleine kat hier naast me, hij zoekt eenvoudig

het behagen van de avondkoelte, en ik,
ik woon op een eiland vol boeken en ideeën
en leef zoals ik me ken, in strijd en aanbidding.

Kom waaiend om mijn hoofd en
blaas het stof uit mijn gedachten, al
is niets ten kwade.

Ik ken mijn hart en weet wie
daar wonen, maar ben soms ongerust over
wat zich nestelt in mijn hoofd.

[MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: schilderij “Wind der in das Zimmer weht” von Ameli Welt.]

dinsdag, mei 22, 2007

Guten Morgen meine Freunde

Al mijmerend over het Ossendaalsepad herinnerde ik me plotseling een leraar Duits van in de jaren zestig, een in alle opzichten onappetij­te­lijke man. Een kleine magere man altijd in hetzelfde smoeze­li­ge en te ruime combinatiepak, een kreukelig overhemd en stropdassen als wurgsnoertjes. Haren achterover in toentertijd ver­maarde glanzende bril­crê­me. Een pokdalig smal gezicht, een hoornen bril die veelal half op de neus hing en opval­lend grote tanden. Altijd een bloot ge­lig gebit, een spu­gende mond. Lange bruin geworden nagels, met vuil eronder, alsof hij te gierig is om zelfs die schoon te maken. Hij rookte Golden Fiction en liet de rook onbe­kommerd langs zijn vingers omhoog krin­ge­len terwijl hij in diezelfde hand een versleten leren tas met zich meesjouwde. Er zat niet meer in dan een leer­boek en een lichtgroen broodtrommeltje, dichtgehouden met het rode elastiek van een wekfles. Zijn gebaren waren stijf, alsof het zijn lichaam was ontzegd zich te bewegen, alsof hij geen eigen ik had. Alsof hij nooit zon heeft gekend.
Dan zei hij Guten Morgen meine Freunde, haalde een paar maal flink z’n neus op waardoor de bril er tevens wat beter op kwam en schreef, nee, kraste op het bord in vette luidruchtige letters wat we behoorden terug te zeggen, Guten Morgen, Herr van Klein.
So, das ist schön … und jetzt gehen wir nach Seite – spugend – Sechsundzwanzig.
[Afbeelding gevonden bij
www.worth.com]

maandag, mei 21, 2007

Liever de bevalligheid dan een wijs woord

“De schoonheid van het lichaam moet de kunstenaar er altijd aan herinneren dat kunst slechts de bloesem is van de levensvrucht.” Dit is het woord van William Soutar, een regel uit het onlangs verschenen Dagboek van een stervende, uitgeverij Vorroux.
William Soutar (1898-1943), was een Schot, een levendige man, een dichter, die aan het eind van zijn dienstperiode in 1918 vage klachten kreeg aan voeten en benen. Het waren de eerste symptomen van een ziekte die hem in een kwart eeuw zou slopen. De laatste veertien jaar van zijn leven was hij aan zijn bed gekluisterd. Hij schreef een prachtig poëtisch oeuvre, journaals en gedurende de laatste vier maanden van zijn leven The Diary of a dying man. Uit al dit werk stelde zijn biograaf Alexander Scott in 1954 Diaries of a dying man samen, dat (pas) nu in vertaling is verschenen – een fascinerende mengeling van persoonlijke, literaire en filosofische ontboezemingen, karakterschetsen, dromen en observaties. In een kleine wereld, slechts zijn slaapkamer met het uitzicht op een stukje tuin, schrijft hij een grote wereld, een wereld die beklijft. Eigenlijk moet je een boek niet aanbevelen, maar er tegenaan lopen, zoals ik deze week. Dat is de verrukking van de dag, ik loop ermee naar 'De Jonge Enkelingh' voor enkele cappuccino's en voel me “alsof ik op een winderige dag op een hoge heuvel sta.”
[Afbeelding: schilderij van Paul Laurenzi.]

zaterdag, mei 19, 2007

Elle était un cadeau d’amour

Nu zij is gestorven, zal de sfeer
in de hemel wel beter worden, met haar
woorden die klapwieken met vleugels.

Al haar voelsprieten paraat voor vreugde en
toch keek ze al verloren om zich heen, licht
verward, alsof ze de adem inhield en wachtte.

Zij is onze werkelijkheid ontvlucht omdat
de ziekte van de dood in ons huist, maar zij sliep
in gerustheid van zorg alsof zij reeds wegstierf in stilte.

Trouw, krachtig en scherp van geest, wel een frêle
gestalte, maar dapper ten einde ligt zij nu onder aarde
bedolven, toegedekt zoals een zaad wordt gezaaid.

[MN, In memoriam Miep Zwart, 28 januari 1925 - 12 mei 2007. Zij is gisteren na een mooie dienst in Rozendaal begraven. Afbeelding: schilderij van Simeon Solomon, “Death, awakening, sleep”.]

vrijdag, mei 18, 2007

Is liefde ook wijsheid?
Waar liefde is, is de geest van aanwezigheid


Wat mensen samenbrengt, noemen we
liefde, en we zeggen dat liefde blind is en geen
vragen stelt, maar élke liefde, zeker als de branden
zijn geblust, kent vragen, twijfels en onrust.

Ik kan zeggen, ik kus je mond en overal, ja,
het is een zegel van tederheid, maar is het de zegel
die ons doet zwijgen? De liefde wil geen gevaren,
in welke greppel van verdriet ook.

Een trouwe mens weet van geen wijken, kan wachten
en verdragen, maar de dichter roept: brengt liefde ook wijsheid
mee en de wind in de rug? Soms, maar toch, hoewel ieder
over wonderen beschikt, is het alle zeilen bijzetten.

De dichter keert terug naar het eiland, hij kent
niet alle paden van het hart, hij tast naar wijsheid en
vindt zich onder de huid van een leeg bed, de liefde
die vragen stelt, leeft, en toch, zo broos als een draad.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Afbeelding: “The meditative Rose” by Salvador Dali.]

donderdag, mei 17, 2007

Le Dieu de ce monde
Comedie de la mort 2004

Je ne veux pas mourir, mais
je veux fumer et je veux ramener
le calme à la maison. J’ai peur d'avoir
une maladie. (Il est un poète triste.)

Denkt u werkelijk dat u hieraan sterven
zult? De arts, un ‘Seigneur d’Obstacles’,
bleef naar me kijken en doodgemoedereerd
stak hij een Gauloise op. A la mort subite!

Nog een arts, een reus met een buik
als een medaille, een man in bonis,
deed alsof er misschien een schroefje in mij loszat.

Halsoverkop naar buiten, in slechts een zuchtje wind
draaide de bizarre botte kunst me in een teleurstelling
van ongelukkigheden.

[© MN, in De gelukkige roker verdrijft de tijd. Ik verfraai mijn klachten van duizeligheid vóórdat ik mijn nek brak. Maar artsen zeiden dat het ‘tussen mijn oren’ zat. Niet één nam me serieus en ondertussen ging het sloopwerk in mijn hoofd ongemoeid door. Er zat dus wel iets tussen mijn oren, maar niét ‘de inbeelding’. Schilderij van Beatrice Sevat, “Le penseur nu”.]

woensdag, mei 16, 2007

Een gebrek aan betrokkenheid is fataal
Was het leven maar zo eenduidig als de dood

Niet het thema zelfmoord boeit me in de éérste plaats, maar vooral de reconstructie van het beloop van de hulpverlening die alle achterblijvers vaak zo weinig serieus neemt, dat ze zich buitengesloten voelen terwijl ze de eersten zijn die hun familielid, partner of vriend langdurig en van nabij kennen én lijden onder de gang die zij tot op zeker ogenblik samen zijn gegaan. In veel gevallen keert de patiënt na opname(s) weer terug naar huis en is het wederom de familie die hem of haar opvangt maar in het ongewisse blijft over hoe dat het beste zou kunnen. De houding van professionals blijft verbazen – hoezeer ook het boek waarover ik het nu heb, past in de reeks van de laatste jaren waarin de hulpverlening bijna steevast in de positie komt van tekortschietend in plaats van ‘vermogend’.
Vlak voordat ik over dit boek van Hulzebos en Bakker ging schrijven, las ik elders een verbluffend mooie, toepasselijke, regel: “Als we onszelf zouden kunnen zien zoals anderen ons zien dan zou een hervorming onvermijdelijk zijn – anders zouden we het niet kunnen aanzien.”

Het lezen van de dertien tragische verhalen leidt tot zeker drie conclusies: er is onthutsend weinig verdieping door hulpverleners in de geschiedenis van de cliënt, er is een geringe of slordige communicatie tussen hulpverleners onderling en er is sprake van een vernederende polariteit tussen hulpverlening en familie. Deze drie, die elkaar eigenlijk ook alleen maar kunnen versterken, schetsen een portret van de hulpverlening – maatschappelijk werkers, psychologen, psychiaters – dat sterk lijkt op het imago van politici als ‘onbetrouwbaar’. Veel hulpverleners maken de indruk onbekwaam te zijn (en wanneer ik de vele voorbeelden erbij zou halen, is dit nog maar zacht uitgedrukt).
Zou de hulpverlening langzamerhand immuun zijn geworden voor kritiek van buiten? Het is niet onbegrijpelijk dat men de aanklachten tegen het falen meer dan beu is, het is zelfs nodig er diep door geraakt te worden, maar klaarblijkelijk is de praktijk niet wérkelijk, niet in de letterlijke betekenis, een leerschool, zodat de voortdurende herhaling van naïviteit, onbezonnenheid en arrogantie eens ophoudt of sterk vermindert. Hoe kan het bestaan – aan een citaat kom ik niet onderuit – dat een psychiater in een overdrachtsbrief schrijft ‘desalniettemin’ het gevoel te hebben dat hij aardige resultaten heeft bereikt. “Zo werd cliënte wat meer wereldwijs gemaakt en leerde ze hoe het is om in een bibliotheek een boek te lenen, in de stad te lopen of een oliebol te eten, of hoe vrouwen zich ten opzichte van mannen gedragen. Zaken waar cliënte kennelijk nooit eerder aan toe was gekomen.” Had hij enig oog of besef of benul, het is werkelijk een bron van kwaadheid, van haar levensloop, dan zou hij hebben geweten dat deze zeer jonge vrouw met succes het gymnasium had doorlopen, bepaald ‘wereldwijs’ heette te zijn en uit een gezin komt waarvan de vader leraar is aan een gymnasium.

Partners, ouders, broer of zus of kinderen die een dierbare hebben verloren aan zelfdoding, gaan nadien een eenzame weg. Tevoren werden vaak al hun zorgen, vragen en suggesties in de wind geslagen, genegeerd als niet relevant of met ronduit grievende opmerkingen beantwoord. De liefdevolle strijd die ouders voor hun zoon of dochter voer(d)en, wordt niet serieus genomen, veelvuldig ontkend of verward met misplaatste bemoeizucht. Alle betrokkenen werden buitengesloten vanaf het moment dat ze in aanraking kwamen met de professionele hulpverlening aan zoon of dochter en hebben machteloos moeten toezien hoe het leven van hun dierbare een fatale wending ging nemen.
Loden last bestaat uit dertien korte geschiedenissen met nu en dan een intermezzo waarin heldere uitleg wordt gegeven over ziektebeelden of medicatie. Het is een onthullende inkijk in de psychiatrische praktijk waarin (te) veel professionals uitblinken in een treurig afwezige aanwezigheid. Het is helaas een boek, vrees ik, dat ‘zo terzijde’ en ‘misschien’ eens wordt ingezien, terwijl het in alle agogische opleidingen niet mag ontbreken – want het is van groter belang (te leren) om fricties wég te nemen dan om hoge idealen na te streven. Of preciezer gezegd, men kan in opleidingen wel werken met prachtige communicatiemodellen, maar er blijft veel misgaan, frustreren en het lijden vermeerderen wanneer studenten niet indringend kennisnemen van de gevolgen van een verwijtbaar gebrek aan betrokkenheid.
[Bram Hulzebos en Bram Bakker, Loden last. Het taboe rond zelfmoord, Uitg. Contact. Het citaat aan het begin is van Martin Cohen die over 101 ethische dilemma’s schreef. Afbeelding: schilderij “Friends” by Liz Lemon Swindle. Ik zou Jezus, zoals Swindle – hoezeer haar beeld mij raakt -, niet direct willen zien of voorstellen als redder, maar ik geloof vast en zeker in ‘figuren en standvastige, menselijke, houdingen van redding’.]

dinsdag, mei 15, 2007

Ubi caritas et amor (Deus ibi est)
Daar waar vriendschap is en liefde, daar is God

Ze kwam op donderdag in het hospice en de eerste zondag­morgen werden we al gebeld met de boodschap dat we er goed aan deden snel te ko­men. “Het gaat niet goed met ‘r.” We wa­ren er om tien uur en gin­gen pas ’s avonds om half twaalf weg, toen de situatie nog ongeveer dezelfde was maar ook niet alarmerender was ge­wor­den. Bleek en onaanspreekbaar met aanhoudend hetzelfde zuch­ten van wat op dat moment haar doodsslaap leek. Slapend naar de dood? Een eindzo­mer­se dag, de ganse dag een behaaglijke zon zoals het die hele maand al was. Onze kleine familie was in de voorbije vijftien maanden nog niet eerder voor een vermoedelijk afscheid bij­een geweest. Dit zou het laatste ogenblik kunnen zijn, de meest intieme tijdruimte van de mens.

Het hospice is een mooie wit­te vil­la, een huis van de een­zaam­heid en tegelijk de volle liefde, een huis waar de vergankelijkheid van het leven, door­gaans het ergste dat we vrezen, vanzelf wordt onderstreept. Een huis met een mooie serre waar je uitkijkt over een gras­veld, over de laan heen naar een oude vijver. Daarachter ligt de Koningsberg, een heu­vel­achtig bosgebied. Er kunnen tien patiënten, bewo­ners, terecht en slechts een en­ke­ling gaat van hier (nog) terug naar huis, maar in dat geval meestal een verpleeghuis. “Ze gaan hier allemaal dood”, zei mijn schoon­moe­der na twee maanden, een periode waarin al meer dan veertien mensen waren overleden.
Hoe luidde haar toon? Verbaasd? Ja, maar toch ook wel met treu­righeid, alsof ze voor het eerst ook zichzelf rekende tot de men­sen die spoedig hun dood verwachten. “Wanneer is het mijn beurt?”, dat is de tegenzijde ervan als je zo dicht op het sterven van mensen woont.

Het gebeurt vaak dat familieleden rond het bed van de stervende zitten en waken zodat hij of zij niet in alle eenzaamheid zal heengaan, maar vergezeld wordt door tranen en vreugde. Het is een dienst aan de lijdende evenmens, een vorm van steun, van eer, van tederheid en troost met niet anders dan zacht gefluister. Soms wordt gedacht dat ‘deze de laatste dag is’, maar het kan ook heel anders gaan. Het kan veel langer gaan duren en ook nog wel eens maanden uitgesteld, zoals bij mijn schoonmoeder die niet op de vierde zondag van september stierf, maar (pas) op de derde in december.
Lijkt de dood werkelijk nabij, maar laat deze toch langer dan twee etmalen op zich wachten, dan wordt het moeilijk. Zoals deze week Miep een lange slaaptocht ging naar haar laatste ogenblik. Zij sliep, zij lag stil, ademde zacht, zuchtte soms even diep maar gleed weer terug in het ritme van de kalmte. Er zijn geen flarden van haar woord meer en zelfs onze stem kwam er niet boven uit.

Mijn dierbare schoonmoeder had al veel narigheid achter de rug, maar ‘kri­tiek’ was het nooit geworden. Ze had zich voortgesleept door de lange een­zame dagen, werd almaar sterker geconfronteerd met afhanke­lijk­heid, met pijn en misselijkheid, met angst. Vooral de emoties rond verlatenheid speelden haar parten. Steeds vaker greep ze naar de telefoon en was ze zo verdrietig hulpeloos, dat een van ons, vaak haar dochter, een half uur la­ter al bij haar was en ook bleef slapen. In de kern was dat de troost die je haar kon bieden. Dat je niet na twee uurtjes weer wegging. Het moet voor haar een onthutsende beleving en ont­dekking zijn geweest niet langer meer onafhankelijk te zijn, een woord dat zij in alle vezels van dat begrip wist waar te maken. Een onafhankelijke dame op leef­tijd.
Veel leeftijdsgenoten woon­den aan de overkant in de verzor­gings­flat, met niemand daar had ze contact. Met de mensen in haar eigen flat tot aan de voordeur. “Maar die stak­kerds, daar hoor ik niet bij” en dat gezegd heb­ben­de sloot ze af met een be­slist “Neen.” Ik hoefde er nooit meer iets over te vragen. Ont­hut­send noemde ik het want ze was toch al 85. ‘Hoe kan ze’, vroeg ik me af, ‘haar plot­selinge kwetsbaarheid onder ogen zien, aanvaarden? Wijs genoeg, maar het is de pijn van de onafhan­kelijk­heid, van de distantie die ze juist zo ‘wijs’ leek te noemen. “Je moet niet afhankelijk worden, dan hoef je ook geen ‘dank je wel’ te zeg­gen.”

Precies dáár zit het scharnier van de liefde. Die ontdek­king is haar niet ontgaan. Of was het puur de fysieke ervaring op anderen aangewezen te zijn? Ma kon gewoon niet ont­snap­pen aan het proces van toenemende zorgbehoevendheid en tegelijk aan een tragisch verloop van haar stokoude dag. Vaak verontschuldigde ze zich voor alle ongemak, maar in het zacht­moedig benadrukken dat ze nie­mand tot last was deed ze geloof ik ook de ontdekking dat ze aan de ander, wie het ook was, merken kon dat geen vraag teveel was. Ze zei dan: “Fijn, dat is lief van je”. De distante houding naar het leven smolt langzaam weg. Het laten varen daarvan was eigenlijk haar meest waardevolle geschenk – ook aan haarzelf.
We buigen ons naar haar toe, strelen haar hand en praten met stille ogen over de liefde van de laatste dag. “Het is goed van hier te gaan en toch bij me te blijven. Het is goed lief, ga.”

Het langzame sterven kan een beproeving zijn. Miep was oud en verward en helemaal aan het eind van haar krachten. Het heette dat ze sliep en ook niet meer wakker zou worden, maar je hand lag toch in haar greep, alsof ze wilde zeggen, ‘verlaat me niet’. Dinsdag ‘zou’ ze sterven, maar het werd zaterdagavond. Haar dochter en zoon waakten, maar werden moe. Ze zaten diep zuchtend aan het bed, keken wel elke minuut naar hun stervende moeder en dan weer naar de regel in het tijdschrift op hun schoot, luisterden naar het soms even ondraaglijke gereutel, staarden over haar heen naar de vele ansichtkaarten op rij en de boeketten pioenrozen of stonden maar weer eens op om door het raam te kijken naar de spreeuwen in het natte grasveld en de bolle knoppen van de vlierstruiken. Ze raakten bijna elk besef van tijd en oriëntatie kwijt, verlieten soms even de kamer om in het grote huis wat rond te lopen maar keerden ook weer spoedig terug, bang dat tijdens hun korte vlucht al dat wachten niet zou worden beloond. Aan een sterfbed zitten is niet gemakkelijk. Je zit bij een ziek, soms geteisterd lichaam, maar óók, in die ene kamer en al die uren, bij een heel leven. Er is alleen maar gefluister. ‘Ik heb zo’n slaap. Zal ik een tosti voor je maken?’ ‘Ja, ik ook, zou wel even naar huis willen om te douchen. Denk je …? Het moét, ik kán niet meer. Blijf jij dan … en bél je?’
Wanneer is voor wie het moment veilig om te gaan?

Als allen er zijn, of als er een of twee juist even niet zijn. Soms wacht iemand, volkomen onbeweeglijk alsof het onzeker is of hij slaapt of overleden, tot de uren zijn verstreken en sommigen zijn opgestapt. Soms, maar vaker dan we vermoeden of willen aannemen, gebeurt het dat een kind wacht met het stervensmoment tot zijn moeder naar het toilet is, alsof hij stuurt naar het ogenblik om haar het leed te sparen te moeten zien dat hij haar feitelijk verlaat. Niemand kan een tijd opgeven, het is slechts het tempo en het intieme weten van de mens die er de eigen tijd voor neemt.
Vaak sterven mensen op het meest ongelegen ogenblik. We hadden absoluut nog iets willen zeggen, maar het bleef ongezegd, want ons leven wordt door de dood onderbroken. Niemand verliest graag en toch moeten we het allemaal leren. Het is een heengaan zonder schuld, niet meer te zien of te spreken en toch aanwezig totdat ook wijzelf voorgoed zijn vertrokken. Eens zal het gebeuren.
[Eerder schreef ik erover op 23 december, ‘Het onomkeerbaar eenzaamste moment’. Afbeelding: schilderij van Karin Deneer.]

maandag, mei 14, 2007

Een (vrome) overpeinzing

Clive Staple Lewis, die eens een overtuigde atheïst was maar later een even hevige gelovige werd in Christus, schrijft (in 1940 maar in een nieuwe editie van Ten Have) in Het probleem van het lijden:

“Als wij ’s morgens wakker worden, trachten wij de nieuwe dag aan God te wijden. Maar reeds voordat we klaar zijn met ons te scheren, wordt het onze dag; en Gods aandeel daarin voelen we als een belasting die we moeten betalen uit eigen zak; als een korting op de tijd die eigenlijk, voor ons gevoel, ‘onze eigen tijd’ hoort te zijn.”

Ik lees het als een protest tegen zelfgenoegzaamheid.
“Dingen in de werkelijkheid zijn nu eenmaal niet simpel”, zegt Lewis. “Zo zien ze er wel uit, maar ze zijn het niet. Als we méér willen dan het simpele, dan zou het dom zijn te klagen dat dat ‘méér’ niet simpel is.”

C.S. Lewis – auteur van onder meer ook de zevendelige reeks The Chronicles of Narnia - werd geboren in 1898 en stierf op 22 november 1963, de dag waarop John F. Kennedy werd vermoord en Aldous Huxley overleed. De christelijke schrijver Peter Kreeft heeft een boek geschreven, Between heaven and hell (1982), over de hypothetische ontmoeting tussen deze drie beroemdheden na hun dood in een soort hiernamaals. Hierbij bediscussiëren zij de persoon van Christus.
Er zijn nog twee vermoedelijk heel lezenswaardige boeken van Lewis, namelijk De grote scheiding, waarin hij een busreis beschrijft van een aantal bewoners van de hel. Zij gaan op bezoek in de hemel om te bezien of ze daar liever verblijven; het lijkt me een literair fascinerend verhaal. En dan is er nog het bekende Brieven uit de hel: twee duivels schrijven elkaar brieven over hun pogingen om iemand die pas bekeerd is van zijn geloof af te brengen.
[Afbeelding: schilderij van Randall M. Hasson, “C.S. Lewis The Spirit and the Man” (a painting commissioned by the C.S. Lewis Foundation). Ik schreef deze tekst terwijl hier luid de muziek aan stond van Ferdinand Groos: “Exploratie”, for 3 grand pianos. Zie
www.fjmgroos.nl]

zaterdag, mei 12, 2007

Alles wat overblijft, is as

De eer van de sigaret is even vluchtig
en verstrooiend als de verleiding, de ontvlambare
rookwaar is soms een spiegel van mijn hart, ik weet het,
het is de helling der dwaasheid.

Het is het gif van het moment, geen moreel aanzien,
maar misschien daarom zo subliem, een even
duister maar mooi genot, iedere keer
weer in de adem van de rook.

Het is zoals elke werkelijkheid, hoe schitterend
ook, de sigaret in de hand
duurt maar even, maar wat is er niet
dat kortstondig is, en ongewis?

Vandaag schenden allen die roken
het grootste gebod, sigaretten zijn slecht, maar
misschien is dat de reden dat ze ook zo goed zijn,
alleen de asbak, daaraan erger ik me.

[© MN, in De gelukkige roker verdrijft de tijd. Afbeelding: schilderij van Carolyn Schlamm.]

vrijdag, mei 11, 2007

Het vuur van de bureaucratie is dodelijker dan elk ander
Alsof we leven in een abstracte cultuur

Een paar jaar geleden schreef de psychiater Bram Bakker een helder, noodzakelijk en uitdagend betoog over de ‘georganiseerde chaos’ van de psychiatrische hulp. Over de niets opleverende maar alles ophoudende vergadercultuur. Over de verwarrende postcodepsychiatrie als ultieme blijk van bureaucratie. Over de ‘vervreemding’ van de medische wetenschap. Over de onterechte nadruk op verzorging. En niet in de laatste plaats over de gereserveerdheid van psychiaters die al het menselijke vreemd lijken als tegenpool van normale betrokkenheid van psychiaters die wat betreft tegenslag of lijden aan het leven in vrijwel niets verschillen van hun patiënten. “Van alle artsen, toch al niet de gezondste beroepsgroep, scoren de psychiaters het hoogst met verbroken relaties, verslavingen, psychische klachten en dood door eigen toedoen.”
Bakker is als idealist een dissident binnen de professie, zoals Jan Foudraine en Frank van Ree dat in hun tijd waren, maar Bakker onderscheidt zich van deze twee. Hij heeft niet alleen een ander temperament, hij kent ook hun kleine menselijke valstrikken en trekt er lering uit, hij spreidt zijn visie uit als een ‘open deken’ over de geestelijke gezondheidszorg om over zichtbare misverstanden – bijna ‘evidence based’ – met argumenten een debat te openen.
Het is, in mijn ogen, het soort onmisbare reflectie op het eigen ambacht dat, via welke hand dan ook, na enkele decennia weer eens aan het papier wordt toevertrouwd om alle vanzelfsprekendheden rond institutionele en juridische beperkingen open te breken. Ook het ‘valse licht’ op de professie wordt dan niet ontzien. Bakker doet dit alles als een nuchter en gemotiveerd vakman die zich blijft afvragen waarom de zaken gaan zoals ze gaan en terecht, maar ook onvermijdbaar, de vinger legt op de plek die het meeste zeer doet: de taboecultuur – want zoals het (op sommig vlak) gaat, is werkelijk te gek om los te lopen. Niet alleen op het vlak van waanzinnige bureaucratie, maar ook op dat van het vermeende imago. Zoals hij als jochie onder de indruk was van psychiaters alsof het tovenaars waren, zo zal menig volwassen lezer nu toch ontgoocheld raken door opvattingen en houdingen die hij niet voor mogelijk hield. Anderzijds, een psychiater is niets menselijks vreemd en wat is er mis aan een bevlogen vakman – daar wordt alom om geroepen, om het even welk vak – en in dát licht is een flink deel van dit boek een gezonde impuls tot een grondige discussie over betekenisgeving aan uiteenlopende facetten van het medisch specialisme psychiatrie.
Er staat, ook volgens Bakker, veel op het spel. Een eventuele twist binnen de professie over de loyaliteit van de auteur is maar bijzaak en zal kortstondig zijn. Waar het om gaat, is het dramatisch slecht functioneren van de hulpverlening aan mensen in acute psychische nood. Die hulpverlening – het totale weefsel van instellingen en voorschriften – lijkt zo voortreffelijk rijk geregeld, dat het de kwaliteit en toereikendheid van hulpverlening buiten discussie plaatst en houdt en dat het falen wordt toegeschreven aan de mensen die er een beroep op doen. Door veel andere auteurs is er natuurlijk al vaak op gehamerd dát het ook anders ligt, maar meestal terloops in het betoog, en hier, in het boek Te gek om los te lopen, vinden we het in geconcentreerde vorm. Niemand hoeft die beker helemaal leeg te drinken, al op minder dan halverwege wordt helder dat het om de rekening gaat van een attitude, ten diepste wel deugdzaam maar in de dagelijkse praktijk geknecht aan dwaasheden.
[Bram Bakker, Te gek om los te lopen. Misverstanden in de psychiatrie, De Arbeiderspers.
Afbeelding: schilderij “Crucified psychiatrist” by Simon Richardson.]

woensdag, mei 09, 2007

Mager en naakt vind ik het kleed
De vuistslag van God?

Zware donderslagen schudden
me ruw wakker, kwart voor drie, ‘mijn hemel’ en
er volgden er méér in harde slagregen.

Blootsvoets en rillend naar beneden want
ook het eiland is kwetsbaar, het schuine glazen
dak werd genadeloos gegeseld.

“Les éclairs, ils ne sont pas pour toi”, mon ange gardien
ving feilloos elke felle bliksemschicht en legde me
terug onder het dons van een stille nacht.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: schilderij “Rolling thunder” by Shere Chamness.]

dinsdag, mei 08, 2007

Het alledaagse leven
Wie niet hoort, kan niet vertellen

Lees verhalen, hoor muziek, kijk naar films en telkens is te horen wat je aanspreekt, lees je wat je al doende boeit en begrijpt, wat je raakt of zie je wat je gevangen houdt of juist heeft bevrijd. Of kijk om je heen en zie wat er gebeurt, nooit is het stil in mijn hoofd.
De sigarenman in de Hoofdstraat heeft zijn arm in een mitella. Hij raakte eergisteren in een verwoed gevecht met een man die zijn kassa eiste. De dief was radeloos, maar de sigarenman kende geen genade. Neen, ontdaan was hij niet. “Woest”, hij zei het bijna sissend en sloeg € 11.40 aan op de kassa. Hij had mij vast het verhaal gedaan, maar terwijl ik de sigaretten opborg en afrekende, ging zijn telefoon. Ik nam een sigaret uit de zwartwit geruite koker want ik wilde tabak, of zo ongeveer naar Herman de Coninck, tabak bij lucht, om adem te kruiden en pas nadien uit te blazen, als was het elke keer mijn laatste.
Ik liep terug richting Emmastraat. ‘Hij is al vaker het haasje geweest, de sigarenman. Hij is alert op wat er gebeurt, niet eerst bang, maar direct bereid zich te verweren. Hij is een heer, maar onvervaard.’ Vóór mij loopt een slanke vrouw in elegante glanzend zwarte laarzen, zwart nonchalant opgestoken haar, een zwart leren rok, zó gespannen om haar billen dat het haar billen zelf lijken, zwarte blouse en driekwartsmouw met allerlei biesjes. Ze keek geregeld naar rechts om in de etalage even te zien wie zij was. Een zwarte trendy zonnebril, het scharnier van het logo Chanel, die iemand toont alsof ze is geblinddoekt, niet gekend kan worden. Drie rode elementen. Haar lippen, de lange vingernagels die je niet kunnen ontgaan omdat ze haar handen, hoewel dicht bij mijn leeftijd, beweegt als een sieraad, bijvoorbeeld te zien aan hoe ze enkele haren van haar gezicht wegstrijkt, en de hondenriem met daaraan een voorname zwarte hond, een Poedel, een hond met kroeshaar, krullen of koorden of hoe dat ook heet, met een even licht trippelende gang en even waakzaam als de vrouw die ik besluit na te lopen zo ver als ik gaan kan. ‘Ze lijken beide voor het gezelschap, maken een fiere indruk, vormen een harmonische eenheid. Hoor haar stappen. Zie deze gestalte, ik mis haar gezicht en weet niet wie ze is.’ Het gelakte leer van de laars toont in de naad zeker een halve duim breed een sierlijk gevlochten veter. Alles is van de juiste snit, en toch kan het me niet bekoren. Verwonderen wel. Elke ander die hier loopt, is een dwerg. Zij is groot en misschien wel gelukkig gekleed, maar in elk geval de enige die hier wandelt, samen met haar Max of Magic of Macbeth, trouw in leeuwentoilet.
Ach, het is een observatie die onbeduidend is, die voor de een iets zegt over het raffinement van de vrouw, voor de ander over de ogenschijnlijke fascinaties van de man. De man die in het Grandcafé de Jonge Enkelingh een cappuccino drinkt en een verhaal leest over wat een man in hetzelfde café op een ochtend om acht uur ter ore was gekomen. Het ging over een man wiens vrouw hoogzwanger was en vroeg naar bed ging, zodat ‘hij aan haar ook niet veel had’. Hij verveelde zich in de pils en het kratje raakte snel leeg. Hij had hem al meer dan half om toen hij zich realiseerde dat kinderen vaak in de nacht komen. Plots voelde hij zich gekleed in walging en zette een pot koffie. “Zie je, zodoende drink ik alleen ’s morgens. Ja, zolang die kleine er nog niet is dan.” Er gaat een rilling door me heen. Het zijn van die uitzichtloze voornemens, denk ik dan, verhalen die al geschreven zijn voor ze ontstaan. ‘Laat ik maar terugkeren naar mijn eiland, terug naar de kalmte van mijn boeken. Ik ben een man die in verhalen woont.’ Stel je voor, dat er niet geschreven werd of dat alles zou zwijgen.
[Afbeelding: “Nature or nurture” by Chris Buzelli.]

maandag, mei 07, 2007

Een meester in ontroering

Shine betekent uitblinken, maar take the shine out of (someone) wijst op ontluistering. Deze beide extremen komen magnifiek en pijnlijk tot uitdrukking in de film Shine, de reconstructie van de levensloop van een geobsedeerd pianist en, achteraf door mij zo benoemd, de ontroering van rehabilitatie. Dit laatste begrip is immers (ook) een vorm van oppoetsen, van glimmen want het eigen gelaat straalt (weer) van ‘wie hij, in wezen, was’, of wilde worden. Ik moet het stellen met mijn herinnering aan de film. Ik weet niet wie de regisseur is geweest noch hoe de acteurs heten. Wel dat de recensie bij het loket van de bioscoop nou niet zo daverend uitnodigend leek, maar mij trok een enkele zin, ‘de waanzinnigheid van een bestaan’ en de ernaast afgedrukte foto associeerde ik met verlatenheid en gepassioneerdheid. We konden ook naar Secret and lies weet ik nog, maar mijn voorkeur, slechts op intuïtie, mocht het ‘winnen’.

Het verhaal ontrolt zich in een armoedige oorsprong: een armlastig Joods gezin dat door de pater familias bijeen wordt gehouden op straffe van geweld. Een stil gezin omdat de vader met een soms tedere en trotse blik alles zwijgzaam in de gaten houdt en de kinderen zich slechts op gestolen ogenblikken uitleven. Zoon David is het wonderkind, de oogappel en de bron van alle twist. Ofschoon, van twist is eigenlijk geen sprake, alleen van voortdurende onderdrukking waarbij de jongen steevast wordt geprest te zeggen dat hij een bofkont is, zelfs als zijn vader hem vlak daarvoor de uitnodiging van een Amerikaans gezin om daar in de kost te komen gedurende zijn mogelijke beurs in de States, ruw uit handen grist en in de kachel smijt. Alle gezinsleden kijken ontzet toe. Ik ook. Geen droom blijft heel.
The point is, dat David’s vader in zijn jeugd (ook) een veelbelovend musicus leek, maar dat diens vader daar niets van moest hebben en het muziekinstrument, een trompet, zelfs vernietigde. En deze ‘wegversperring’ herhaalt zich thans in een mengelmoes van vastberaden bewondering en lijden, van tuchtiging en koestering. David wordt een schuwe, eenzelvige en verwarde jongen, gedreven om uit te blinken in zijn pianospel, maar bevreesd om vooruit te komen. The point is ook wat liefde is.

Na een voor vader moeilijk te verkroppen nederlaag op een pianoconcours geeft hij de muziekles in handen van een pianoleraar en ontmoet de jongen mensen die fijnzinniger met hem omgaan en krijgt hij uiteindelijk voor de tweede keer de gelegenheid om met een speciale beurs naar het buitenland te gaan, ditmaal naar Londen. Een cruciaal moment. Net wanneer je denkt dat de vermorzeling, die voor liefde moet doorgaan, is voltrokken en de jongen voorgoed willoos heeft gemaakt, steekt de vader een nieuw vuur aan: ‘waag het niet te gaan, je zou de eenheid van dit gezin vernietigen, je zou levenslang geen thuis meer hebben.’ Een liefde die woede wekt. Maar de jongen bezwijkt niet voor een garantie op vaderliefde en kiest op het moment suprème voor zichzelf. De ‘liefde’ is gesneuveld, een ‘andere’ liefde heeft gewonnen.

Verhalen doen denken aan andere, zó simpel én wezenlijk is de kracht van een verhaal. Tal­loze vaders zijn van buiten beminnelijke mensen, maar ‘binnenshuis’ een tiran, - een façade die vele kinderen machteloos en stuk maakt. (De vader in deze film hult zich in een mythe omtrent liefde; zijn zoon boft er maar mee dat hij de piano heel laat.) Ik volgde het gespannen. Talloze moeders waren moeders zonder stem, vrouwen die hun taken vervulden alsof ze reeds waren gestorven. Een dergelijke onderworpenheid is niet meer van deze tijd, maar wel voelbaar alsof een tere huid rond herkenbaarheid wordt blootgelegd en aangeraakt.

In Londen ontwikkelt zich zijn talent, maar David zelf vervreemdt zienderogen. Op het conservatorium wordt hij de bijna volmaakte zonderling. Eén professor blijft ondanks alle scepsis in hem geloven en voert David naar een meesterschap dat zijn vader tevergeefs had willen bereiken: het vermogen de moeilijkste partituur van Rachmaninov te spelen. Een wonderlijk proces, een sensatie om te volgen, een triomf als deze uiterste grens wordt bereikt, maar een droefenis als deze onmiddellijk wordt gevolgd door ineenstorting. Het is een breakdown die van David een chronisch psychiatrische patiënt maakt. Een filmfase met klassieke verschijningen, met ongeloof dat het ooit nog goed zal komen, met chaotische taferelen.
Wat dan volgt, is lastig te reconstrueren. De uitweg die ongezocht wordt gevonden, dankt hij aan de ommekeer die (sommige) anderen van hem hebben. ‘Men’ grinnikt om hem, is gecharmeerd van zijn kinderlijke innemendheid, kijkt hem aan met de onzekerheid over minachting en compassie, - maar met zijn pianotalent betovert hij de omgeving. Wilde maar gepassioneerde improvisaties, ‘Liszt’, ‘Chopin’, ‘Rachmaninov’ overtuigen de toehoorders dat deze ‘gek’ een genie is, dat het ‘verval’ waarvoor men hem aanziet een ‘wonder’ is waarvoor men ontzag dient te hebben. Al blijft dat allemaal wat dubbel aanwezig, het doet bij velen het binnensmonds gemompel over zijn gestoordheid of gestuntel verstommen. Zijn waardigheid is aan de winnende kant en hij steelt het hart van een vrouw. Zij had een voor zichzelf meer profijtelijk keuze kunnen maken, maar offert deze aan David, - die weinig communicabel is en vreemd in de wereld blijft, maar een meester is in ontroering. Ook is het een (slot)deel dat iets teveel heeft van een happy end, ja rozengeur of maneschijn. The point is wederom wat liefde is.
De tragiek is (ook), dat David in wezen hetzelfde lot treft als ooit diens vader. Deze vader blijkt aan het eind een gedesillusioneerde man, zich van alle schuld bewust maar door de ganse familie verlaten. Zijn zoon echter, beschadigd en toch glimmend van geluk, is bijna nog geneigd te zeggen dat hij een bofkont is.
[Afbeelding: Scène uit de film Shine en ik zocht het even op: onder regie van Scott Hicks.]

vrijdag, mei 04, 2007

De glimlach van de vrijheid

In de vlucht van een zachte windvlaag kwam
een wolk, gelijk een zegening, van beige schutblaadjes
van het verse groen, even transparant als geurig en
kwetsbaar, maar lonkend naar een lach.

Midden in de stilte van de dodenwacht voor acht jonge
Britse bevrijders dacht ik dat zij niet beter wisten
dan eerst te strijden en dan te triomferen, maar
in datzelfde lot zijn ook de offers reeds gebracht.

De zon scheen door metershoge bomen in het hart
van een roze azalia en het suizen van de wind
bracht kalmte in de ziel van mensen die een voettocht zijn

gegaan van strijd en aanbidding, zoals met alles in dit leven,
zij aan zij. Ik zag dat de oude man, de trompettist, zelfs de
jongste deed trillen. Zó wordt het geweten.

[© MN. Afbeelding: “Freedom” by Aleksander Gorbunov.]

donderdag, mei 03, 2007

Bist du bei mir, geh' ich mit
Freuden zum Sterben
und zu meiner Ruh'.
Ach, wie vergnügt wär' so mein Ende,
es drückten deine lieben [schönen] Hände
mir die getreuen Augen zu!

[Gottfried Heinrich Stölzel 17de eeuw, Duits componist en tijdgenoot van JS Bach. Deze regels, een aria, hoorde ik laatst, ik noteerde ze en weet me vrij, als dat mag, er een gedicht van te maken dat mij past.]

Is het de droom van het onmogelijke?

Als jij er maar bent, dan kan ik
gaan, zelfs in vreugde sterven, met een gerust
hart, zou dat niet ieders woord kunnen zijn?

Ach, wat zou het mijn einde verzachten,
te weten, dat je lieve mooie handen mij zo
teder en met genade de ogen kunnen sluiten.

Als jij er maar bent, dan ben ik gezien
en alle vrees, alle hoop verandert in een liefdevolle
afvaart, dan luiden de klokken mij huiswaarts.

Ach, zo’n laatste uur dat immers niemand,
ongemerkt, ontkomen kan, zou mij bevrijden
van alle dagen dat je er niet was.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg.
Afbeelding: “The dream” van Picasso.]

dinsdag, mei 01, 2007

Een vondst gelijk een strohalm

Niemand treft schuld …. Ziek worden gebeurt in hoofdzaak door een samenloop van haast oncontroleerbare gebeurtenissen.

Uit eigen ondervinding weet ik dat psychiaters tijdens een consultatie weinig of niets zeggen. Het heeft me verbaasd en het stond me tegen, alsof ik er binnenkwam en hij met de vraag “En, hoe is het?” een kraan opendraaide, met een schuin oog de kleine stationsklok op zijn bureau in de gaten hield en na een minuut of veertig, terwijl tussentijds door mij gestelde vragen met een halve zin werden ontweken om de stroming niet te onderbreken, werd de kraan weer dichtgedraaid. Ik kom nog terug op deze ervaring, maar het deed me denken aan een door mij bewonderd boek over een wonderlijk en uniek alternatief, namelijk de briefwisseling.
Felix was alles meer dan zat, wilde schrijven en had “al veel te lang en veel te veel geluld. Psychiaters zeggen niets. Ik denk”, zo schrijft hij aan psychiater De Hert, “dat ze bang zijn om iets verkeerd te zeggen, onder het motto: ‘Wie niets doet ook niets misdoet’. Wel, om te antwoorden op je brieven zullen de psychiaters wel kleur moeten bekennen. Ze zullen je toch geen blanco blad toesturen zeker?”
Het gaat hier om een boek uit 1997, geschreven door Marc de Hert en Felix Sperans, Bij de psychiater. Waarschijnlijk is het een vergeten boek geworden, weggezet in een overvolle boekenkast, maar het is van waarde, het zou vandaag geschreven kunnen zijn en gelezen kunnen worden. Dat gebeurt natuurlijk niet en daarom vertel ik er wat over.

Bij de psychiater is een opmerkelijke triade: de psychiater (Marc), de patiënt (Felix) en diens vrouw (Miriam). Veel psychiaters zullen wel vertrouwd zijn met brieven van hun patiënten, met onder de deur geschoven briefjes, met tekeningen of andere ‘fysieke’ gebaren, maar zelden voltrekt een behandeling zich uitsluitend via correspondentie – uiteindelijk onder het motto, ‘het wordt tijd dat psychiaters eens bij ons te rade komen’.
Felix, 54 jaar, trachtte in de herfst van 1996, na dertig jaar tasten en lijden in de psychiatrie, een psychiater te vinden die bereid zou zijn een schriftelijke therapie te beginnen, zonder direct menselijk contact. Na enkele tevergeefse pogingen een psychiater hiertoe te overreden, startte in november van dat jaar een onzekere, maar navolgbare tocht met Marc de Hert die Felix slechts enkele minuten had gesproken, maar na diens kennismakingsbrief weinig of geen aarzelingen kende. Deze zelfde brief wekt (ook) de verbazing waarom vele collegae van De Hert de brief terzijde hebben gelegd of beantwoordden met smoesjes of ander ongeloof. Het is een vorm van ontmaskering.

De levensgeschiedenis wordt getekend door een verbijsterende reeks verwoestingen en misleidingen, maar evenzeer valt op met hoeveel nuance daarop door Felix wordt gereflecteerd. En de wereld van de psychiatrie blijkt een overwegend duister landschap. Waarheen hij ook reist en wie hij hier ook ontmoet, steeds raakt hij gevangen in dezelfde medische onmacht, welke door Felix, op een enkele uitzondering na, vooral wordt beleefd als geveinsde interesse, als valstrikken van de eerste orde. Hier ligt zijn verleden en De Hert voegt er later aan toe, zij het met heldere uitleg, ‘zoek er daarom ook uw toekomst’.
De twijfels van de psychiater over de betekenis van de brieven zijn reëel, maar de uitdaging om de dialoog tussen een psychiater en zijn patiënt te kunnen weghalen uit de sfeer van misverstanden of andere schemerhoeken, zet De Hert aan tafel en dwingt hem na te denken over de reikwijdte van psychiatrische inzichten en verbindingen te zoeken naar Felix. Het blootleggen van motivaties, het uitleggen van verschijnselen, van gedragingen en handelwijzen zonder weg te dwalen in abstracties en het geven van praktische adviezen: het is een kunst die De Hert en die het hem mogelijk maakt Felix door middel van brieven oprecht te informeren, zodoende een geschonden vertrouwen geleidelijk te herstellen en daardoor een blijvende kwetsbaarheid draaglijk te maken. En ook het landschap van de psychiatrie verandert erdoor: elke uitleg is licht in zichzelf.

Miriam’s (eerste) brief over het dagelijks leven verheldert de omvang van de ziekte van haar man en openbaart tevens een grenzeloze liefde, nergens naïef, maar op elke bladzijde oprecht en wijs, zichzelf niet wegcijferend maar ten volle standvastig, terwijl zij honderduit wordt geplaagd door twijfels en door een martelend besef dat haar man nergens van geniet, sterker, lijdt aan een constante weerzin tegen het leven, aan een chronisch gebrek aan energie en zin. Deze liefde komt Felix ontroerend en letterlijk onder ogen en leert hem inzien dat hij er zich aan kan optrekken.
De invloed van de huisgenoten op de patiënt en zijn ziekte is in het verleden zwaar onderschat, bedolven zelfs onder schuld. De belangrijkheid én de ondraaglijkheid van deze rol erkennen, inzicht bieden in negatieve symptomen en in de moeilijkheden die deze voor de omgeving, en zeker voor de partner, teweegbrengen, leiden tot een accepteren van raadgevingen: begrip tonen en gedoseerd stimuleren. Psychiater De Hert steekt niet onder stoelen of banken hoe gemakkelijk dit wordt gezegd, maar biedt troost en aanmoediging en voluit respect voor haar lankmoedige en intelligente (levens)houding,

In een tweede brief beschrijft Felix enkele psychotische ervaringen. Het zijn herinneringen die hem ook nu nog behoorlijk verwarren en hij hoopt te vernemen wat de betekenis van al deze waanzin kan zijn. De Hert gaat in op het begrip psychose en op de twee bekendste symptomen, hallucinaties en wanen, teneinde voor zijn uitleg verderop een kader te bieden. In de psychiatrie zweeg men over de inhoud van ervaringen, aangezien erover spreken de frequentie en de duur alleen maar zou verhogen, zo werd gevreesd en daarom zocht men terstond de toevlucht tot medicatie.
Vandaag hecht men belang aan vorm en inhoud en leidt spreken tot een beter begrip en natuurlijk, de medicatie vormt nog altijd de hoeksteen; me dunkt, dat het zoekende van de psychiater Felix’ wensen al een eindweegs worden gehonoreerd. Dit laatste, zo blijkt juit een brief die volgt, geldt ook voor Miriam, - en ook zij wordt aangemoedigd door te gaan met het stellen van vragen, bijvoorbeeld over medicatieperikelen of, hetgeen haar het meest verontrust, wanneer zij met wie te maken heeft, wanneer Felix en wanneer zijn ziekte?

Zo zijn ook de volgende twaalf brieven te beschrijven. Alle trekken een spoor van heldere, respectvolle en toegankelijke uitleg en betekenen een bejegening waar patiënten werkelijk van kunnen opknappen. Littekens verdwijnen niet, maar de weerbaarheid kan worden vergroot. In het geval van Felix is dat bereikt door hem en zijn partner serieus te nemen, door geen vraag te negeren door te willen bieden waar beiden om vroegen: inzicht. De waarde, de kracht van inzicht – en dus ook van dit boek - is dat het steun biedt en dat het de stress van het niet-weten en er niet mee kunnen leven vermindert. Deze beide waarden, steun bieden en stress verminderen, hebben een wonderlijke maar onontbeerlijke werking op de innerlijke kracht, op de wil om te willen leren leven met de beperkingen die gegeven blijven.
Wat nog zijn laatste strohalm leek, werd een werkelijk houvast. In deze triade lag het grootste belang uiteraard bij Felix en Miriam, maar alledrie hebben gewonnen: aan eerherstel, aan motivatie, aan waardigheid en aan kwaliteit van zorg.
Het boek, verschenen bij EPO in Berchem, 205 pagina’s, leest men in pakweg drie avonden, zo boeiend ook is het geschreven, - het is een hommage aan al het gedachtengoed van rehabilitatie.
[Schilderij van Joe Geshick, The Healer. “The Healer represents a special kind of person who has been given a gift of knowledge and wisdom by God. This gift comes through dreams and it enables them to heal the sick and to help guide other people with words of wisdom through their journey in life.”]