Pagina's

zondag, december 10, 2006

De optocht
Dit is nu een schilderij waar ik het liefst op een bankje ervoor ga zitten, stil zijn, kijken, de tijd nemen, de tijd die lijkt stil te staan, nadenken over de mensen die de schilder in zijn werk heeft samengebracht. Het lijkt een bijna anonieme wereld, over mensen die moeilijk zijn thuis te brengen. Ze horen wel bij elkaar, al die mensen, maar of het een feestelijkheid is of droevigheid die zij vieren, ik weet het niet. Vandaag de dag zou die ene trom mogelijk doen denken aan een stille tocht, maar het lijkt een verhaal uit een ver verleden, over afwezige, op elkaar lijkende, eenzame, en ook onwerkelijke mensen. Toch gaat het over ons, het is van een van ons. In rudimentaire gestalten de verbeelding van een stoet mensen, in een prachtige ongebruikelijke kleurzetting, een die velen vermoedelijk te neerslachtig van toon zullen vinden, maar ik zou het doek hier een goede plaats geven.

[“De optocht” van Roland Devolder. 10 december: de dag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, 1948 – 2006.]

zaterdag, december 09, 2006

Het onbenijdenswaardige bestaan V
Zolang lichamelijke en psychische gezondheid op peil blijven, is er – zo denken velen - niets aan de hand en lijkt er levenslang garantie op een onkwetsbaar, glansrijk bestaan. Wanneer de eisen in persoonlijk of maatschappelijk opzicht te complex worden of wanneer de ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid over het geordende leven doorbroken wordt, veelal pas dan verandert dat ‘imago van perfectie’. Grote of onverwachte tegenslag, thuis of op het werk, leidt wel vaak (in tijd meestal te overzien) tot ‘moeite met leven’, maar heeft relatief zelden die fatale afloop zoals thuislozen dat hebben ondervonden.
Het leven van de meeste mensen wordt gekenmerkt door een zekere continuïteit: er zit een lijn in van verleden naar toekomst, het verschaft ons veiligheid en het biedt ons de mogelijkheid naar eigen keuze te handelen. Wie zich verplaatst in de omstandigheden van dak- en thuislozen, weet dat hun levens alleen maar discontinuïteit kennen, oponthoud, geen veiligheid en allerminst vrijheid, maar juist een grote en vreeswekkende mate van afhankelijkheid en kwetsbaarheid. De ernst van het verlies van eigen territoria kan alleen tot ons doordringen in het besef hoe groot en centraal het belang is dat ieder mens eraan hecht. Hoe lang kunnen we het zonder eigen huiselijke sfeer stellen, koffie noch boeken of om het even wat dat voor ons van waarde is binnen handbereik en dagelijks schone kleren? Hoe lang houden we het vol zonder het besef dat er op je wordt gerekend? We zitten hier behaaglijk binnen en denken we dan niet met angst en beven aan hen die noodgedwongen buiten zijn? Op zwerftocht door weer en wind omdat ze zoveel tegen wil en dank verbruid hebben – direct in het oog, soms buiten het zicht van lantaarnpalen, onvindbaar, als verloren schoonheid.
[Afbeelding: scène uit de onvergetelijke film Les amants de Pont-Neuf, 1991, geregisseerd door Leon Carax. Een schitterende, ontroerende en levensechte weergave van het thuislozenbestaan. Niet romantisch, maar rauw neergezet zoals de werkelijkheid van het leven in de marge is. Wantrouwen, eenzaamheid, angst, eigenbelang.]

vrijdag, december 08, 2006

Het onbenijdenswaardige bestaan IV
Het hebben van persoonlijke relaties (niet noodzakelijkerwijs een vaste partner, al is dat voor vrijwel elke dakloze een van de idealen die hij koestert) leert ons niet alleen onze afhankelijkheid ervan, maar ook het verschil met andere relaties, het leert ons hoe relaties te onderhouden en het zegt iets over onze plaats in een sociaal verband, onze gehechtheid eraan.
Het hebben van een huis betekent niet slechts de waarborg van onderdak, maar voorziet ons in een onmisbaar privé-domein dat we zorgvuldig moeten beheren (en verdedigen). Het hebben van een baan of het volgen van een opleiding reguleert ons dagelijks leven, geeft er (naast hobby’s) inhoud aan en perspectief. Het ‘hebben’ van deze territoria vormt onze identiteit, appelleert aan onze verantwoordelijkheid en is in de meeste gevallen ook bepalend voor de zingeving aan ons bestaan. Territoria zijn ons bestaan (een mooi begrip, territoria, zo’n twintig jaar geleden geïntroduceerd en uitgewerkt door Paul Heydendael). Wanneer we voor niemand en nergens meer nodig zijn, valt niet alleen elke ordening weg, maar verdwijnen identiteit, zingeving en toekomst in het niets.
Alles dat met het beschikken over territoria ‘gegeven’ lijkt, verdwijnt als sneeuw voor de zon wanneer men ze verliest. Het verlies stuurt alles in de war. Men is niet alleen de persoonlijke ambitie of betekenisgeving aan het eigen leven kwijt, maar ook de zorg voor dit eigen leven, en de hulpverlening weet er evenmin nog raad mee. “Dat tekent de discontinuïteit en bedreigt in hoge mate de identiteit”, zegt Heydendael. Het meest ernstige is dat er geen anderen meer zijn met wie hij wezenlijk deelt. In dat opzicht is de thuisloze man of vrouw een woestijn in zichzelf.
[Schilderij “Verantwoordelijkheid, verbondenheid en zingeving” van Koen Lemmens.]

Het onbenijdenswaardige bestaan III

Wat bindt mij aan thuislozen? Het is een identiteitsvraag waarbij het gaat om een begrip van ‘wie’ ik ben en waarin – immers, wat mij bindt – zowel ik en de ander een plaats hebben.
Wat mij bindt, is niet zomaar af te doen met ‘het oog op het menselijke’ of met ‘solidair willen zijn met kwetsbare mensen’. Het is deels misschien een raadsel, dat te maken heeft met natuurlijke aanleg, gerichtheid of interesse in de psychologie van het leven. Waarom was het niet de techniek, de kunst, de handel of de politiek? Maar de basale gerichtheid en ontwikkeling zal ook gevoed zijn door biografische ervaringen van de eigen kwetsbaarheid en waarvan (later) is ingezien dat deze evengoed tot de normaliteit van het leven behoort als begrippen die daar schijnbaar tegenover staan, zoals gezondheid, kracht en succes. Neem ik het, door het blijvend op te nemen voor kwetsbare mensen, ook voor mezelf op?
Wat mij aan hen gehouden heeft, is de (h)erkenning van de (innerlijke) strijd om een bondgenootschap tussen ‘ik en de ander’ die zo wezenlijk is voor de ontwikkeling en het behoud van een eigen bestaan dat ik me er niet meer van kan afwenden. Bij veel thuislozen is deze strijd op dramatische wijze in het geding en ik geloof dat wat mij aan hen bindt, is te omschrijven als een niet te herroepen delen in de strijd om de essenties van het bestaan.
[Schilderij “Eenzaamheid” van Salman Al-Basri.]

donderdag, december 07, 2006


Van het donker naar het licht
Alhoewel vaak wordt gezegd, dat we fantasie en werke­lijk­heid niet met elkaar dienen te verwarren, betekent de fan­tasie toch soms de hunkering naar een bepaalde wer­ke­lijkheid. De heimelijkheid van een verlangen wordt daar­om mogelijk wel eens ten onrechte gezien als de onschuld van de fantasie. Dat niet­te­min, als verweer, wordt volgehouden dat het slechts fantasie is, komt door het taboe op openhartigheid over men­se­lijke begeerten. Alles dat wij ons op dit kleine maar overal doordringende vlak verbeelden, is de uitdruk­king van een verlangen; we weten echter - en mis­schien is dat een gelukkig feit - dat vele verlangens niet te vervullen zijn. En zelfs dit, som­mige verlangens laten we het liefst onvervuld, omdat we niet weten of een bepaald ver­lan­gen uiteindelijk toch niet alleen toebehoort aan de geest. Misschien is het een kwestie van in­nerlijke vrijheid, ande­ren zullen denken, het is een kwestie van hygiëne, van in­nerlijke beschaving en dat alle zondige gedachten moeten worden onderdrukt. Het seksuele deel van ons bestaan blijft vaak een en al geheimzinnig­heid. (Maar over de betekenis van de verstrooiing is nog lang niet alles gezegd, en allerminst over het grote belang van de fantasie, de verbeelding.)
[“The living memory” by Marica Tanphaichitr]

woensdag, december 06, 2006

Het onbenijdenswaardige bestaan II
Toekomst in troebele waas. Wanorde op zich is nauwelijks een maat. Sommige mensen wonen in een huis waar het een janboel is en toch aangenaam, waar de zichtbare slordigheid niet een uitdrukking is van een eigen ondoordringbare chaos. Bij anderen lijkt de werkkamer op een verzameling achteloos neergesmeten paperassen, terwijl dat niets zegt over de mate van helderheid en doelmatigheid waarmee de ‘bewoner’ zijn of haar werk doet. Sommige wanorde is kennelijk functioneel en authentiek. Bij thuislozen is die niet functioneel, maar ondermijnend geworden. Ik schreef hier al eerder … in de ziel van een mens, daar is dus de wanorde te situeren, als een groot innerlijk letsel waardoor de mens niet meer kan participeren, het gewicht van dit letsel is er te zwaar voor. Zoals het iemand vanwege het gewicht van zijn lichaam onmogelijk kan zijn om bij een ernstig beenletsel meteen weer te gaan lopen.
[Schilderij “Homeless” by Colin Harbut.]

dinsdag, december 05, 2006


Warmhartige aandacht
Niets is zo onverdraaglijk als de verlatenheid, de onmacht, de wanhoop, de verveling, het ontbreken van hartstocht, afleiding, betrokkenheid, beroofd van zinnen, versteend van verdriet.
Ik moet denken aan een regel bij Montaigne: “Geen enkele wind waait gunstig voor de schipper die geen haven van bestemming heeft.” Horatius meent “dat rede en wijsheid onze zorgen wegnemen, niet het huis aan zee met een wijds uitzicht.” Mooie, maar in deze context ‘gezochte wijsheden’. We weten dat niemand zichzelf kan ontvluchten, ook al zoeken mensen soms in verre landen wat ze in hun hart kunnen vinden. We weten wat zorg en begrip verdient, aandacht en troost, dat vooral.
[Schilderij van Hans Leiendecker, De troost.]

maandag, december 04, 2006


Het onbenijdenswaardige bestaan I
Woorden als daklozen, thuislozen of zwervers worden vrijwel meteen geassocieerd met de zelfkant van de samenleving: met tragiek, eenzaamheid, vernedering, heimwee, uitsluiting, verloren of hulpeloosheid en vrijwel nooit met er tegenoverliggende begrippen als vrijheid, eigen keuze, nodig zijn, erkenning, humor of redzaamheid – ofschoon die ene er (soms) uitspringt: humor. Het contrast wordt scherper wanneer we ons realiseren welke betekenissen het woord ‘thuis’ heeft: veiligheid, geborgenheid, warmte, privacy, ‘my home is my castle’ – veel thuislozen koesteren het, soms, als een droom die hen heilig is: “Op zekere dag heb ik weer een huis, a place that opens with a key.” De tragiek is echter voor zeer velen dat op die dag hun omvattende verlies pas echt wordt onderstreept en zij er vaak weer gauw vandaan gaan want de verlatenheid blijft hen parten spelen, de onderliggende verlangens onaangeroerd. Dat onuitgesproken diep gewortelde verdriet gaat mij aan het hart.
Het is vooral de bestaanswanorde die opvalt, die desoriënteert, en meestal zo omvangrijk is dat het moeilijk wordt de in jaren ontstane chaos om te zetten in orde. Was het maar zoals de wanorde op de zolder van een huis – maar het is in de ziel van een mens en in de structuur van diens leven dat is losgeraakt van een groter weefsel en dus weinig samenhang meer kent. Sociale samenhang is echter een bestaansnoodzaak.
[Schilderij “Homeless” by Gerdal Kominik.]
De psychiater en ik
“Dat zware hoofd, die pijnlijke nek, kun je het beschrijven? Een soort loden last?”
“Als je de pijn voelt van een loden last, misschien is het dat. Ik dacht zelf aan een volledig met touwen ingesnoerd zitten, geen kant meer op kunnen.”
“Jij bent vrij, dat kan het toch niet zijn.”
“Het is ook niet het beeld van vastgebonden zijn, maar de pijn die het doet vastgebonden te zijn.”
“En dat continu?”
“Hmm. En misschien ook het weten niet meer verlost te worden.”
“Ik kan je geen andere nek geven, geen nek zonder schroeven, maar je kunt hier wel terecht! Zo lang je wilt.”
[Schilderij “De genade” van Cornelis Monsma.]

zondag, december 03, 2006

God schiep de moeder omdat hij niet overál kan zijn

Elk jaar nadert de wintermorgen
van de diepste stilte,
die van droefenis is gebouwd.

Het zwijgende en aan ieders oog
onttrokken afscheid en het donkere gestommel
dat haar het huis doet verlaten.

Geen laatste woord is
haar gegund, nog warm van de slaap
verlaat zij geschrokken kinderharten.

Die vroege wintermorgen is nooit
verdwenen, altijd trappelt hij van het koudste
en meest duistere onbegrip.

We weten waar in moeders aarde
zij is geborgen, maar hier, dicht bij ons
mensenhart, daar, in die stilte is zij gebleven.

[ IM Mimi Nuy-Sterenberg 3.XII.1972 -“Mother Earth” van Johanna Leipold.]

zaterdag, december 02, 2006

“Ziedaar uw broeder”
Jezus, de Zoon van God, zei: “de Vader en ik zijn Een”. Dat betekent niet dat beiden Dezelfde zijn, maar dat ‘ik ben zoals Hij de mens bedoelt’ – Jezus, de door God gezonden mens, gezonden door wie wij niet kennen - en in het Wees gegroet staat, “heilige Maagd Maria, Moeder van God”, dat waar­schijn­lijk betekent ‘door God, hoewel onnatuurlijk bevrucht, tot moeder geroepen’? Waarom zou of kon Jozef niet de ware vader zijn, terwijl de Kerk alle seksualiteit heiligt als die van één vrouw en één man, omdat alleen die twee het leven kun­nen vermenigvuldigen?
“Nou, dat is nu precies de moderne res­pons”, schrijft Karin Melis in Trouw, “op het tafereel van de man en de vrouw: hier is iets meer aan de hand, daar moet ik het mijne van weten. Iets wat aan de gangbare kaders ont­snapt, moet begrepen worden, met de nadruk op ‘grijpen’.”
En het ‘uitverkoren volk’ dat ons altijd geleerd werd? Is dat het chauvinisme van die tijd, omdat Jezus geboren is in Na­zareth, terwijl Jezus in zijn latere levensstijl een ‘uitver­koren levenswijze’ bedoelde?
[Kloppen tekst en beeld? Ja, het gaat om het geloof dat niet (be)gegrepen kan worden. Geloven doe je met je hart, niet met je verstand. Je moet geraakt worden. Schilderij is van Hans G. Leiendecker.] (Zie ook de notitie vandaag in het zeer lezenswaardige dagboek van Gerard van Eijk: http://www.van-eijk.net/~gerard/dagboek/index.html)

vrijdag, december 01, 2006

Allen even broos
“Dit is een zeldzaam moment. Weet je, al jarenlang zit ik in mijn eentje op een kamer de meest complexe fiscaal-juridische kwesties uit te pluizen. Dat is fascinerend, maar ook de meest saaie, droge, gortdroge kost die er bestaat, het is materie die bovendien met de dag verandert. Als rechter, eens in de zoveel tijd houd ik zitting, moet ik de best steekhoudende argumentatie zien te formuleren.”
“Je bent een geoefend kluizenaar.”
“Precies. Ik weet niet wat gevoelens zijn. Er is een grote sociale onhandigheid. Die kamer, die rationaliteit, beschermt me.”
“Ook tegen eenzaamheid? Wil je die kamer niet liever verlaten?” (De moed verzaakt soms een leven lang.)
“Het is er veilig nu.”
“Zeggen dat je ertegen gewapend bent, is ook een vermogen. Wat is veiligheid? Het goede doet je slecht.”
Een nomade in zijn hart. Wat is kracht, wat is zwakte, het irrationele? Emoties? Is er geen begeerte? Dwingt begeerte je niet tegen het verstandelijke in te gaan?
Is het wijs niet te doen wat je kan verlossen? Is leven sterven?
(Je mist meer in het leven dan je meemaakt.)
[Ervaring kasteel Slangenburg. Schilderij Vladimir Zunuzin, Loneliness.]