
Het onbenijdenswaardige bestaan I
Woorden als daklozen, thuislozen of zwervers worden vrijwel meteen geassocieerd met de zelfkant van de samenleving: met tragiek, eenzaamheid, vernedering, heimwee, uitsluiting, verloren of hulpeloosheid en vrijwel nooit met er tegenoverliggende begrippen als vrijheid, eigen keuze, nodig zijn, erkenning, humor of redzaamheid – ofschoon die ene er (soms) uitspringt: humor. Het contrast wordt scherper wanneer we ons realiseren welke betekenissen het woord ‘thuis’ heeft: veiligheid, geborgenheid, warmte, privacy, ‘my home is my castle’ – veel thuislozen koesteren het, soms, als een droom die hen heilig is: “Op zekere dag heb ik weer een huis, a place that opens with a key.” De tragiek is echter voor zeer velen dat op die dag hun omvattende verlies pas echt wordt onderstreept en zij er vaak weer gauw vandaan gaan want de verlatenheid blijft hen parten spelen, de onderliggende verlangens onaangeroerd. Dat onuitgesproken diep gewortelde verdriet gaat mij aan het hart.
Het is vooral de bestaanswanorde die opvalt, die desoriënteert, en meestal zo omvangrijk is dat het moeilijk wordt de in jaren ontstane chaos om te zetten in orde. Was het maar zoals de wanorde op de zolder van een huis – maar het is in de ziel van een mens en in de structuur van diens leven dat is losgeraakt van een groter weefsel en dus weinig samenhang meer kent. Sociale samenhang is echter een bestaansnoodzaak.
[Schilderij “Homeless” by Gerdal Kominik.]
Geen opmerkingen:
Een reactie posten