De toekomst duurt lang(Slot) Het is niet altijd gemakkelijk door te dringen tot de ontstaansgronden van thuisloosheid. Complicerend in het voorbeeld van gisteren is bijvoorbeeld, dat Jacob Sleutelberg is opgegroeid in een wellevendig en harmonieus gezin en later tot de ‘yuppen’ werd gerekend, welvarend en succesvol. Zijn bakermat bleek echter geen garantie voor een dramatische ‘val’. Hij verloor have en goed en werd thuisloos, hij moest evenals zijn lotgenoten slapen temidden van het gesnurk en gerochel van mannen en diende op zijn hoede te zijn opdat niet een kleinood ontvreemd zou worden. Maar omgekeerd bleek zijn innerlijke bagage zijn houvast en redding en in die zin is, in zijn geval, de herkomst een belangrijke gunstige determinant gebleken. Er zijn weinig thuislozen die een soortgelijke goede achtergrond hebben als Jacob. De meesten slagen er niet in of geven het op deze ‘rooftocht van nederlagen’ meester te worden. Jacob evenwel berustte niet in zijn algehele verlies, en uiteindelijk zegevierden levensloop en persoonlijkheid. Opvallend in zijn eigen relaas is dat hij door de hulpverleners van de instelling werd herkend als iemand die ‘hier niet thuishoort’. Zijn trouwheid aan zichzelf om niet onder te gaan in deze ‘cultuur van passiviteit en opstapelende ellende’, zijn gevecht er weer bovenop te komen, werd mede vanuit dit gezichtspunt door de hulpverlening gevoed.
Moeilijk blijft de suggestie, dat ‘de oplossing’ te vinden is in de individuele zorg voor zichzelf, in reflectie en anticiperen. We zullen er niet aan twijfelen dat het aankomt op inzicht en een zekere wijsheid, maar is een ‘menselijk geluk’, hoe verschillend dat ook wordt ervaren en gewaardeerd, is de herbergzaamheid afhankelijk van wat wel een ‘gezegend verstand’ wordt genoemd? Vinden we geluk naarmate we wijs zijn? Is ‘reparatie’ in de maatschappelijke opvang, zoals de thuislozenzorg heet, hoofdzakelijk alleen maar mogelijk indien men ontwikkeld is? Duurt daarom de toekomst zo lang?
Rondom dit punt is het appèl dat op hulpverleners wordt gedaan veel groter dan vaak gedacht. Het gaat in de zorg niet om een bed en een kom soep, die komen er wel. Het gaat er om de ‘eigen maat’ – voor vele thuislozen onvindbaar geworden – te helpen ontdekken en samen te zien in welke context een toekomst de beste kansen krijgt. Niemand is immers uitsluitend aangewezen op de eigen vermogens; iedereen kan, zeker in de zorg, idealiter vertrouwen op serieuze, respectvolle en pragmatische hulp, steeds met voldoende ‘reddingslijnen’. Want wie niet in de wieg is gelegd voor reflectie, dient ‘anders’, met meer nabijheid en veel concreter, te worden geholpen. Behalve dat dit in de praktijk ook feitelijk zo gebeurt, minstens wordt geprobeerd – bijvoorbeeld doordat de maatschappelijke opvang beschikt over gevarieerde vormen van begeleid wonen – is de tragiek óók dat nogal eens gemeend wordt dat velen, anders dan Jacob, ‘hier gewoon horen’ en kennelijk ‘thuis’ zijn. Alsof (bijna) allen op elkaar lijken en afzonderlijke identiteiten er niet meer toe doen. Men kan en mag er niet van afzien individuele perspectieven te onderzoeken en de mogelijkheden, al lijken ze aanvankelijk gering maar in een betrouwbare betrekking te ontdekken, daartoe te benutten, - al is het een lange en langzame weg.
[Schilderij ‘Troost’ van Christien Morren. Ik heb dit beeld gekozen omdat het de vraag is hoe er is te troosten. Wat is troost, de troost die de waardigheid respecteert, de troost die een soort tussenbeide komen is maar die heel verschillend van gestalte kan zijn – ik wilde zeggen ‘van vorm’, maar troost komt tot uitdrukking in hoe de een naar de ander is en kan blijven. Over het thema van deze en de vorige twee blogs publiceerde ik in De Uil van Minerva, tijdschrift voor Geschiedenis en Wijsbegeerte van de Cultuur, “De queeste naar thuisloosheid. De toekomst duurt lang”(Vol 18, nr. 4 2002, p. 213-28).]










