Pagina's

vrijdag, januari 12, 2007

De toekomst duurt lang

(Slot) Het is niet altijd gemakkelijk door te dringen tot de ontstaansgronden van thuis­loosheid. Complicerend in het voorbeeld van gisteren is bijvoor­beeld, dat Jacob Sleutelberg is opgegroeid in een wel­levendig en harmonieus gezin en later tot de ‘yuppen’ werd gerekend, wel­varend en succesvol. Zijn bakermat bleek echter geen garantie voor een dramatische ‘val’. Hij verloor have en goed en werd thuisloos, hij moest evenals zijn lot­ge­noten slapen temidden van het gesnurk en gerochel van man­nen en diende op zijn hoede te zijn opdat niet een kleinood ontvreemd zou worden. Maar omge­keerd bleek zijn innerlijke bagage zijn houvast en red­ding en in die zin is, in zijn geval, de herkomst een belangrijke gunstige de­terminant gebleken. Er zijn weinig thuislozen die een soortgelijke goede achter­grond hebben als Jacob. De meesten slagen er niet in of ge­ven het op deze ‘rooftocht van nederlagen’ meester te wor­den. Jacob evenwel berustte niet in zijn algehele verlies, en uit­eindelijk zegevierden levensloop en per­soonlijkheid. Op­vallend in zijn eigen relaas is dat hij door de hulpverleners van de in­stelling werd herkend als iemand die ‘hier niet thuishoort’. Zijn trouwheid aan zichzelf om niet onder te gaan in deze ‘cul­tuur van passiviteit en op­sta­pelende ellende’, zijn ge­vecht er weer bovenop te komen, werd mede vanuit dit gezichts­punt door de hulpverlening gevoed.
Moeilijk blijft de suggestie, dat ‘de oplossing’ te vinden is in de individuele zorg voor zichzelf, in reflectie en anticiperen. We zul­len er niet aan twijfelen dat het aankomt op inzicht en een zekere wijsheid, maar is een ‘menselijk ge­luk’, hoe ver­schil­lend dat ook wordt ervaren en gewaardeerd, is de her­berg­zaamheid afhankelijk van wat wel een ‘gezegend ver­stand’ wordt ge­noemd? Vinden we geluk naarmate we wijs zijn? Is ‘reparatie’ in de maat­schappe­lij­ke opvang, zoals de thuislozenzorg heet, hoofdzakelijk alleen maar mogelijk in­dien men ontwikkeld is? Duurt daarom de toe­komst zo lang?
Rondom dit punt is het appèl dat op hulpverleners wordt ge­daan veel groter dan vaak gedacht. Het gaat in de zorg niet om een bed en een kom soep, die ko­men er wel. Het gaat er om de ‘eigen maat’ – voor vele thuislozen on­vind­baar ge­wor­den – te helpen ont­dekken en samen te zien in welke context een toe­komst de beste kansen krijgt. Niemand is immers uit­sluitend aangewezen op de eigen vermogens; iedereen kan, ze­ker in de zorg, idealiter vertrouwen op se­ri­eu­ze, res­pect­volle en pragmatische hulp, steeds met voldoende ‘red­dings­lij­nen’. Want wie niet in de wieg is ge­legd voor reflectie, dient ‘an­ders’, met meer nabijheid en veel con­creter, te worden ge­holpen. Behalve dat dit in de praktijk ook feitelijk zo ge­beurt, minstens wordt geprobeerd – bijvoor­beeld doordat de maatschap­pe­lijke opvang beschikt over ge­va­rieerde vormen van begeleid wonen – is de tra­giek óók dat nogal eens ge­meend wordt dat velen, anders dan Jacob, ‘hier ge­woon horen’ en kennelijk ‘thuis’ zijn. Alsof (bijna) allen op elkaar lij­ken en af­zonderlijke identiteiten er niet meer toe doen. Men kan en mag er niet van afzien individuele perspectieven te onder­zoe­ken en de mogelijkheden, al lijken ze aanvankelijk gering maar in een betrouwbare betrekking te ontdekken, daar­toe te be­nut­ten, - al is het een lange en langzame weg.
[Schilderij ‘Troost’ van Christien Morren. Ik heb dit beeld gekozen omdat het de vraag is hoe er is te troosten. Wat is troost, de troost die de waardigheid respecteert, de troost die een soort tussenbeide komen is maar die heel verschillend van gestalte kan zijn – ik wilde zeggen ‘van vorm’, maar troost komt tot uitdrukking in hoe de een naar de ander is en kan blijven. Over het thema van deze en de vorige twee blogs publiceerde ik in De Uil van Minerva, tijdschrift voor Geschiedenis en Wijsbegeerte van de Cultuur, “De queeste naar thuisloosheid. De toekomst duurt lang”(Vol 18, nr. 4 2002, p. 213-28).]

donderdag, januari 11, 2007

Het overwinnen van tegenspoed

De vraag of ernstige tegenspoed tot geestelijke onge­zond­heid leidt, voerde de psychiater Hodiamont naar de oud­testamentische figuur Job. Deze Job, een rechtvaardig maar ook welvarend man, overkomt de ene na de andere ramp. Have en goed gaan verloren en hij wordt wanhopig en depressief, tot in zijn ziel ge­tekend door een bijna alles­om­vattend verlies. ‘De mensen van wie ik hield, keren zich af …. als een wind wordt mijn aanzien wegge­vaagd.’ Een toonbeeld van geestelijke ongezondheid, - ware het niet dat Job’s per­soonlijkheid, zijn geestkracht, hem er bovenop brengt. “Hij heeft het vermogen het onverklaarbare te accepteren. Zijn de­pressie heeft daardoor een gunstige prognose, zoals ook de afloop van het verhaal laat zien”, schrijft de zenuw­arts Hodia­mont.
Een figuur uit de moderne tijd toont bijna een duplicaat van de geschiedenis waaraan deze auteur refereert. Het betreft een pe­riode in de levensloop van Ja­cob Sleutelberg, beschreven in De deftige zwerver.
Via de deurwaarder verdwijnt Jacob’s boedel, omdat een ern­stige depressie hem het beheer over zichzelf en zijn leven had ontno­men. Hij, een ‘yup’ van wie niemand een dergelijk dra­ma­tische val zou verwachten, verloor huis en haard en alle vriendschappen. Temidden van zwervers en na heilzaam wer­ken­de medicatie bleek hij zich ten minste in één opzicht van de meeste van zijn lot­genoten te onderscheiden: zijn inner­lij­ke bagage, zijn persoon­lijkheid, die was hij niet kwijtgeraakt. Jacob blijkt evenals Job 2500 jaar geleden uit de vele diepten weer terug te keren, niet omdat hij arrogant is of wel­be­spraakt maar omdat het bij hem hoort zich te verdiepen in de be­weeg­gronden van zijn bestaan.
Welopgevoed zijn in brede zin is niet altijd de katrol waar­langs het leven zich wel weer herstelt, maar het helpt wel. Hoewel oor­zaak en gevolg van de depressie zich in beide gevallen gedeeltelijk omgekeerd voordoen, zegt Ho­diamont over Job: “Ellende en de­pressie zijn eigenlijk maar bijzaak. In we­zen gaat het verhaal over een man wiens spiritualiteit be­proefd en goed ge­von­den wordt.”
Dat geldt ook voor Jacob. Voor beiden geldt tevens, dat zij niet te­loor zijn ge­gaan in de tragiek van berusting of verzet, maar van­uit een eenzaam onder ogen zien van ‘schade en schande’, en trach­ten op te klimmen, van hun oor­spron­kelijke zelf terug naar zich­zelf en anderen. Dat is alle moeite waard. Beiden proefden hun eigen duisternis, het was donker werk, maar zij werden schadeloos gesteld door de troost van, opnieuw, een eigen morgenrood.
Het woord ‘deftig’ heeft in de context van dak- en thuis­lo­zen na­tuur­lijk een bijzonder rake betekenis. Niets is deftig in deze oningevulde en veel­al uitzichtloze bestaans­wijze. In het bestaan van Jacob is het echter zijn red­ding, omdat het de metafoor is voor welopgevoed, intelligent en na­den­kend te zijn. Het is ook de metafoor voor ‘vriendschap voor zichzelf’, voor ‘zorg voor de ziel’. Het zijn eigenschap­pen die opvallen in de wereld van dak­lo­zen, van losers en junks, en die hulpverleners ook onmiddellijk de vier woorden tegen Jacob deden prijsgeven die zowel juist als paradoxaal zijn: ‘jij hoort hier niet’.
Niet al zijn innerlijke bronnen waren ontoegankelijk gewor­den. Zichzelf vra­gen blijven stellen bleek de voorwaarde om zich te kunnen heroriënteren en het ‘goede’, zijn eigen ‘maat’, weer te kunnen bereiken, wat van de mees­te lotgenoten niet gezegd kan worden. Voor velen blijft er minder dan het onvoltooide. Bij velen blijven de plannen te vaag, worden uit­ge­steld en als knopen moeten worden doorgehakt, wordt mis­ge­hakt of gewacht tot de knoop zich vanzelf ontwart. Als Sleu­telberg zich afvraagt of hij voor de eerste keer de soepbus zal ingaan, leunt hij tegen de ach­terzijde van de bus en hoort hij geroezemoes, gescheld en ge­snurk. Hij weifelt. “De schei­ding tus­sen mijn oude leven en een zwerverstoekomst is zo dun als het staal van een oude stads­bus.” Maar tevens toont hij, en dat is zowel het lijden als het ideaal van iedere dak­lo­ze, dat het ontbreken of het beschikken over le­vens­energie net zo bepalend is als het dunne staal van de oude bus: gaat de spi­raal (weer) omhoog of almaar verder om­laag.
[L. Layendecker, P. Hodiamont e.a., Sociale overbodigheid, Essays, KSGV Nijmegen 1998; Jacob Sleutelberg, De deftige zwerver, Podium 1998. Afb. Genezing van herinneringen van Cornelis Monsma.]

woensdag, januari 10, 2007

De zorg voor de ziel

Het streven van mensen is onvermijdelijk en steeds ge­richt op een voor zich­zelf zo goed mogelijk leven, een leven dat vreugde en voldoening schenkt, - een levenswijze die voor iemand per­soonlijk ook de moeite waard is. Het is een abstracte formulering van misschien de essentie van het menselijk be­staan want die ‘es­sentie’ betekent in de heden­daagse cultuur, die eer­der rijk is aan mate­ri­a­lis­me dan aan spiritualisme, een streven naar rijk­dom, succes, erkenning, relaties, geluk, (maakbare) ge­zondheid, - alle­maal zaken die appelleren aan verstand, naden­kendheid, be­hoed­zaamheid, con­formisme en calculatie. Dit wekt de indruk, dat het kunnen bereiken (en be­houden) van ‘het goede leven’ af­hankelijk is van bepaalde intellectuele ca­paciteiten, van een zekere begaafdheid om na te denken over zichzelf, over de doelen die men zichzelf stelt en te ontdekken welke weg men dient te gaan om deze te realiseren. “De ziel moet in een op­ti­male conditie zijn”, stelt Aristoteles, die een bloeiend leven beschrijft als het hoogste doel van het men­selijk leven en aan­geeft dat dit slechts is te bereiken wanneer men over de juiste kwaliteiten be­schikt.

In onze, in meer of minder opzichten ontaarde cultuur, is vooral een rationele le­vens­houding te herkennen als instrument om het hoogste, het beste te be­rei­ken. “Neen, tijd voor een relatie of ge­zin heb ik niet. Je kunt niet alles heb­ben. Volgend jaar gaan we naar de beurs.” Tegelijkertijd is in dit streven te her­kennen, dat niet de rede, maar de genotzucht en dus de emo­tie – de ge­hecht­heid aan bezit, aan macht en aanzien – het over­wicht heeft, - niet de zorg voor de ziel. Zijn rede en emo­tie hier even krachtig aan­we­zig, maar toch gericht op het (ver­keerde) denkbeeld dat de ander – een gezin, een lief­desrelatie – er niet wezenlijk toe doet? Dient de genotzucht niet ont­mas­kerd te worden als een vals richt­snoer voor het leven voor­aleer iemand werkelijk bij zichzelf en de ander komt? Het zou aanmerkelijk ‘natuurlijker’ zijn niet ze­ven maal 24 uur alert te hoeven zijn, slim en steeds te moeten na­denken over trucs en strategieën. Zo’n leven is wel complex, maar ook onecht. Geen hogere loyaliteit aanvaarden dan de eigen voor­uitgang en ontwikkeling be­te­kent in de visie van de filosoof Charles Taylor dat men het morele ideaal niet werkelijk begrijpt. “Is er met zo ie­mand nog redelijk te praten?”

Een samenleving wordt niet bewoond door alleen maar ont­wik­­kel­de mensen. Er zijn oneindig veel ‘gewone’ mensen, wier be­staan vaak wordt aangeduid als het leven van de ‘ge­wo­ne’ man, voor wie het leven eenvoudig en helder is. Leven ze daarom op­pervlakkig, in de zwakste schijn van een moge­lijk bloeiender leven? Zijn ze daarom dom? Zou hun leven voor hen persoonlijk daarom niet de moeite waard kunnen zijn? Gewone mensen zijn eenvoudige mensen, maar eenvou­dige mensen zijn niet daarom onnozel of, denkend aan de zorg voor de ziel, onzorgvuldig. ‘Goed te kunnen leven’, in de betekenis van Aristoteles, is niet in verband te brengen met de noodzakelijke voor­waar­de zich on­op­houdelijk kritisch vragen te stellen over ‘het leven’. Dat is een onhoudbare, tragische ge­dachte. Het ‘goede’ zou dan slechts voor een stad vol men­sen op deze wereld binnen bereik komen en voor alle anderen min­der dan het onvoltooide. Toch zijn geestkracht en het ver­mogen te re­flec­teren geen overtollige bagage, wat ik morgen zal il­lu­streren aan de hand van een wonderlijke parallel, ont­trok­ken aan twee tijdspolen in de ge­schie­denis. ‘Verstand’ in deze zin kan de bron zijn voor de herinrichting van een leven dat aanvan­kelijk is stukgegaan.
[Aristoteles, Ethica Nicomachea, Groningen, Historische Uitge­verij, 1999. Charles Taylor, p. 42 De malaise van de moderniteit, Kok Agora/Pelckmans, 1994. De afbeelding is, via Gerda, afkomstig van de website van Lianne,
watmaakjijervan]

dinsdag, januari 09, 2007

Brokeback Mountan. Love is a force of nature
Gebroken in de knop

Een typisch Amerikaans tijdsbeeld, jaren zestig tot ongeveer midden jaren tachtig waar het gaat om een homoseksueel liefdesverhaal, dat zich afspeelt tegen de achtergrond van het indrukwekkende desolate berglandschap, Brokeback Mountain, en het zeer kleinburgerlijke leven in Wyoming en Texas. Als Ennis Del Mar (Heath Ledger) en Jack Twist (Jake Gyllenhaal) in dat wijdse en verlaten landschap maandenlang op elkaar zijn aangewezen omdat ze er een kudde van 1000 schapen hoeden, het is seizoensarbeid, hebben ze er nog geen flauw idee van dat deze periode vanaf dan hun leven blijvend en dramatisch zal beïnvloeden.
Ennis is een jongeman van vier, vijf woorden, Jack is vlotter, een rodeogek, maar respecteert Ennis die daardoor ook wat spraakzamer wordt. Een aanvankelijke onverschilligheid wordt vriendschap.
Er is een plotselinge onstuimigheid die eerst wordt verworpen maar toch onbedwingbaar blijkt in deze eenzame, vreedzame, leeftocht van het herdersdom. Over de liefde wordt niet gesproken, maar ze is er. Beide mannen weten hoe intolerant de samenleving is en hoe gewelddadig de consequenties zullen zijn als het geheim wordt ontdekt. Na het seizoen gaan beiden hun eigen weg. Ennis trouwt met Alma en elke cent omdraaiend krijgen ze twee dochters. Jack laat zich verleiden door Lureen, een rijkeluismeid, knap en hoog in de bol, een kopie van haar vader. Het duurt een jaar of vijf voor Ennis en Jack elkaar weer ontmoeten, maar onmiddellijk is duidelijk dat het vuur tussen beiden niet is gedoofd. Ze besluiten elkaar minstens twee keer per jaar een aantal dagen te zien waar ze vrij zijn van elke mogelijke bespieding, zogenaamd op “fishing trips”. Alma heeft er weet van, is diep geschokt en strijdt in stilte met ‘her husband’s secret life’. Lureeen is te druk met de zaak en de franje van het leven om te beseffen wat er werkelijk speelt. Er zou gekozen moeten (kunnen) worden, maar de barricades zijn te groot. Jack roffelt op Ennis’ hart als op een trom, maar een menselijke liefde kan zich niet vestigen. Beiden lijden een niet te kantelen eenzaamheid.
Vier geloofwaardige karakters in de context van een Texaanse cowboywereld, de machocultuur en dito rolverdeling, waar mannen stoer en zwijgzaam zijn, waar de een fortuinlijk is en de ander zich driemaal in de rondte ploetert om de eindjes aan elkaar geknoopt te krijgen. Er is klaarblijkelijk roddel en achterklap kunnen ontstaan en dat wordt een van hen op tragische wijze fataal.
Door de lange jaren heen blijft de liefde tussen twee mannen intens, oprecht en warm, ontroerend en verdrietig, maar het is een liefde die lijden wordt, of dat misschien vanaf het begin al is maar zich door alles heen wringt. Een identiteit die wordt ontkend maar niet te verloochenen blijkt. Er heerst(e) een stille maar vuile haat naar homoseksualiteit. Mannenliefde verbrijzelt het imago van de man, dat van de man die menselijkheid vertrapt. Lureen ‘wordt wakker’. Te laat.
[“Brokeback Mountain” - met prachtige muziek, soms in tonen die aan Paris Texas herinneren – is gebaseerd op de roman van Annie Proulx. Film/DVD - drie Oscars, 4 Golden Globes en 3 Bafta’s – van regisseur Ang Lee (2005).]

maandag, januari 08, 2007

Kort­zich­tig­heid
Cees Buddingh’ in zijn Dag­boek­notities 1967-1972: “Hoewel ik over het algemeen op de hand van de langha­ri­gen ben, weet ik maar al te goed dat men én langharig kan zijn én kortzichtig. Men kan zelfs zeggen dat iedere groep – sociaal, religieus, artistiek – zijn eigen speciale kort­zich­tigheid heeft.” En verderop: “Iedereen heeft zijn eigen oog­kleppen.” Deze dagboeknotities 1967-1972, gepubliceerd door de Bezige Bij in 1979, vormen een bundeling van Wat je zegt ben je zelf uit 1970 en Verveling bestaat niet uit 1972. Deze laatste titel is overigens ontleend aan een uitspraak van K. Schippers.
[“Short-sighted” by Butterflyman.]

zondag, januari 07, 2007

Wie kiest zijn ongeluk? Who made it happen? Who will repair it?

Op bladzijde 27 – als hij op de pagina’s daarvoor over cliën­ten met een beroerde voorgeschiedenis al had uitgelegd dat ze verdu­veld goed weten dat het niet in de haak was waarvoor ze kozen en daarom voor een groot deel zelf verantwoordelijk zijn voor hun ellen­de – (op blz. 27) van Beschaving of wat ervan over is staat een dialoog tussen de psychiater Theodore Dalrymple en een man van vijfentwintig om bij hem in het zie­ken­huis bolletjes cocaïne te laten verwij­de­ren. De man had vlak daarvoor zijn vriendin verlaten, een week nadat zij hun kind het leven had geschonken. Dalrymple vroeg of hij nog meer kinderen had.
“Vier”, was zijn antwoord.
“Van hoeveel moeders?”
“Drie.”
“Zie je je kinderen ook?”
De man schudde van neen en Dalrymple fronste zichtbaar zijn wenkbrauwen van afkeuring. Dat ontging de man niet, hij zei meteen: “Ik weet het. U hoeft het me niet vertellen.” Dalrymple hoorde hierin een niet te betwijfelen bekentenis. Hij had al zoveel van deze lieden gesproken. Ze weten alle­maal wat de gevolgen zijn, ze weten allemaal dat ze hun kin­deren veroordelen tot een leven van gewelddadigheid, armoe­de, misbruik en uitzicht­loos­heid.
In bovenstaande zin staat de tegenstelling, die op pagina 30 nog eens wordt onderstreept: “Zonder uitzondering vertellen ze dat ze een dergelijk leven voor hun kinderen niet wensen, (….) maar het ligt voor de hand, bovenal vanwege het voor­beeld van de ouders, dat de keuzen van hun kinderen even be­roerd zullen zijn als die van hen.” Waarom benadrukt de auteur herhaaldelijk de eigen ver­antwoordelijkheid voor de mi­sère, als hij evengoed ook zegt dat zo iemand zijn kinderen veroordeelt tot een leven dat bij de geboorte al naar de don­der is en zegt hij dat het voor de hand ligt dat die kinderen in het bijzonder vanwege het slechte voor­beeld dezelfde misstappen zullen begaan? Wat hij met verve be­weert, ontkracht hij ook weer.
Of het is de slechte socialisatie die andere keuzes on­mo­gelijk maakt of het komt, zoals hij schrijft op bladzijde 252, doordat de drugsverslaving hun blikveld en psy­chische mo­gelijkheden beperkt. De wil of het vermogen anders te doen wordt ondermijnd (dat beschrijft ook Kay Redfield Jamison in De nacht is voorbij). Hoezo dan dat gehamer op vrije keuze en zelfverantwoordelijkheid? Naast de maatschappelijke en sociaal-economische omstandigheden – hij onderschrijft dat op pagina 252 – is het vooral het slecht geïnspireerde voor­beeld dat, “het ligt voor de hand” (schrijft hij), bepalend is voor de ver­keer­de keuzes en dat direct verwijst naar een onvermogen, en niét naar de onwil. Ja, ze weten het, maar het weten omdat ze het al zo vaak gedaan of mee­gemaakt hebben, is niet het­zelf­de als het weten uit een be­zonken inzicht. Groeit er op een kaalgevreten, diep gekwetste ziel nog iets dat doet denken aan vrije keuze, verstandig of niet? Hebben zij de innerlijke ruimte iets te gaan willen?
Dal­rymple weet een aantal kwesties heel raak te analyseren, maar slaat de plank mis door thuislozen en verslaafden de parasieten te noemen van de sa­menleving. Dat het echter aankomt op een be­tere zelfzorg, in­zicht en reflectie, en vooral ook op een liefdevolle en be­trok­ken in plaats van veroordelende benadering, dat staat buiten kijf. Het is makkelijk te beschimpen, te kleineren, niet serieus te nemen, dat drijft mensen in de hoek van het wantrouwen en het miezerige zelfbeeld, dat ze voor niemand nog een knip voor de neus waard zijn.
[Theodore Dalrymple, Beschaving of wat er van over is, Uitg. Nieuw Amsterdam 2005. Afb.: “Shame on me” door Caroline Westerhout.]

zaterdag, januari 06, 2007

Rule no. 1 in een onvergankelijk 'weten'
Veel schrijvers van eeuwen geleden waren scherpzinnig, hadden een meesterhand van schrijven en trokken, zonder het te weten, het gelukkige lot niet in de vergetelheid te raken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de grandioos vertaalde Essays van De Montaigne.
“Ik haat knorrige, sombere levens die de vreugden des levens langs zich heen laten gaan en zich vastklampen en laven aan tegenspoed; het zijn net vliegen die geen houvast vinden op vlakke, gladde, voorwerpen, maar lang blijven zitten op ruwe, oneffen, plaatsen, of bloedzuigers die slechts haken naar kwaad bloed en zich daarmee volzuigen.
Overigens heb ik mij tot regel gesteld dat ik al wat ik durf te doen ook moet durven zeggen, en gedachten die ik niet kan publiceren stuiten mij zonder meer tegen de borst. Het ergste van wat ik doe en denk, lijkt mij niet zo lelijk als wanneer ik zo laf zou zijn daar niet voor uit te komen. Iedereen is terughoudend in zijn bekentenissen, men zou dit moeten zijn in zijn daden: dan wordt het lef om over de schreef te gaan een beetje in evenwicht gebracht en in toom gehouden door de moed dit op te biechten.”
De Montaigne leert me, opnieuw, in het diepst van mijn eigen hart, waar alles geoorloofd, waar alles verborgen is, om daar deugdzaam te zijn. Daar gaat het om!
[Michel de Montaigne (16de eeuw), Essays, p. 1087 ; Afb. : ‘The Four Virtues’ by Master Albert Florence ,1490; de vier kardinale deugden: bezonnenheid, matigheid, moed en rechtvaardigheid.]

vrijdag, januari 05, 2007

Zijn hart tierde

Het ‘Geheim dagboek 2001’ van Hans Warren is een uitgave die de reeks van de reeds verschenen delen onderbreekt omdat dit deel de notities bevat tot en met 16 december, twee, nee, drie dagen voor zijn dood. In 2004 ging de reeks weer verder, deel 16, en dat dagboek gaat dan weer terug naar medio jaren tachtig. Warren, een dagboekanier in hart en ziel, begon eraan in 1942, hij was toen een jon­ge­man van 20 en heeft dus zijn hele bestaan vastgelegd, zelfs dit laatste jaar, 2001, waarin hij als tachtigjarige wordt geconfronteerd met ontluisterende aftakeling en dat ook allemaal op­recht, toegewijd en genadeloos beschrijft; ik geef daar geen voorbeelden van want het is denkbaar dat het alleen maar schrik aanjaagt, weerzin om ‘zoiets’ te lezen omdat ik het uit z’n context haal en juist zo fascinerend is (ook) dagboeken te lezen, zeker die van Hans Warren. (Hij is eigenlijk de uitvinder van dit genre voor de Nederlandse literatuur.)
In 1942 – hij is geboren in Borssele maar woonde de langste tijd van zijn leven in Kloetinge -, begon hij ermee, maar de publicatie startte pas in 1981. Het was een geheim dagboek want: zijn ouders hadden onmiskenbaar sympathie voor de Duitse zijde en de politieke gevoelens van Hans stonden daar lijnrecht tegenover. Voorts was er zijn homoseksualiteit het­geen in die tijd als een schande werd ervaren. Dat zijn ook de twee thema’s van het eerste deel, naast zijn verkenningen in de kunst en zijn grote liefde voor de natuur, speciaal de vogels. Hij leidde een eenzelvig bestaan. In 1946 verscheen zijn poëtisch debuut, Pastorale. Er verschenen daarna ruim 25 gedichtenbundels, de laatste begin 2001, Een stip op de wereldkaart. Voorts verhalen, essays en vele bloemlezingen. Samen met Mario Molegraaf vertaalde hij het werk van de inmiddels zeer gevierde dichter Kavafis en ook het Verzameld Werk van Plato. Hij is zelfs de vertaler van veel werk van De Sade. Verder werkte hij 50 jaar voor de Provinciale Zeeuwse Courant: boekbesprekingen en de kunstkroniek. Een veelzijdig literator dus, die eigenlijk – dat zullen misschien niet velen weten – Hans Menne heette. Hij schreef voorts onder pseudoniemen als Marc Dupont, Arcangelo en Engel Piccardt.
Ondanks zijn homoseksualiteit trouwde hij in 1952 met Mabel MacLauren. Ze kregen drie kinderen. In de jaren vijftig woonden zij in Parijs, een roerige tijd waarin Warren vooral de zelfkant van het homoseksuele milieu opzocht wat tot dramatische taferelen met zijn vrouw leidde. Zij scheidden in 1975. Sedert 1978 was Mario M. zijn levenspartner.
Wie niet al die afzonderlijke delen (meer) wil lezen, kan ook beginnen met de in 2000 verschenen bloemlezing uit zijn dagboeken, Om het behoud der eenzaamheid. Nu, heel kort, het dagboek 2001.
Hij schrijft uitbundig over de rijke collectie etnografische kunstvoorwerpen die hij en zijn levensgezel hebben verzameld (en wat er nog iedere maand aan wordt toegevoegd). Het accent ligt op de Aziatische schatten die Warren boeiden door hun geheimzinnigheid en sereniteit. Voor hem is het huis in Zeeland, Kloetinge, “de navel der aarde waar de hele wereld zich heeft verenigd dankzij de kunstvoorwerpen.” In dit ontroerende document van 350 pagina’s (16 dec 2000 – 16 dec 2001) is het lijden voortdurend en schrijnend ‘aanwezig’, tweeërlei, zowel aan de ziekte (een grote tumor in de lever en nog wat complicaties) als aan zijn samenleven met Mario die veel voor hem doet maar hem ook ongelooflijk blijft vernederen. Het gaat over literatuur, over het gereedmaken van drukproeven, over de kwelling en de noodzaak van het schrijven, over toertochten in de omge­ving, over tientallen uitstapjes naar musea en over ervaringen in restaurants (Mario schrijft voor Lekker, een tijdschrift voor deze branche; ze krijgen daar natuurlijk geld voor maar ze gaan ook meerdere keren per week op eigen kosten dineren, vaak met de duurste wijnen bij wat ongewone maaltijden waarvan de kosten rustig oplopen tot ruim vierhonderd gulden en dan was het nog smerig ook.). De meeste restaurants komen er beroerd van af. “Ik heb zo goed als niets gegeten, alles was schaam­te­loos slecht. Ik vreesde dat Mario weer in de contra­mine zou zijn, maar hij vond het maal ook smerig. Vooral de hoofdgerechten bleken volstrekt ongekund. De kok had mijn ‘oedangs’ niet eens warm weten te krijgen. We waren in een uurtje weer thuis.” Er wordt waanzinnig veel gesmuld, maar dan vooral thuis want Warren schijnt daar fenomenaal goed in te zijn geweest, tegelijkertijd wordt praktisch elke maaltijd weer vergald … het afstotelijke en het schone – en dat geldt eigenlijk de hele dagelijksheid van dit buitengewoon onalledaagse leven.
Het lijden is soms ontluisterend ‘bloot’ en pijnlijk. Hij aarzelt over geen enkel detail. Er zit een enorme spanning tussen fysiek ineenzijgen en de ziel die wordt opgetild, kort en hevig, en dan weer verder op die eenzame weg naar het einde.
[Hans Warren, Geheim dagboek 2001, Bert Bakker (2002). Foto door Vincent Mentzel.]

donderdag, januari 04, 2007

Lieveling,

Les chiens de Paris
is (slechts) symbolisch
voor mijn spijt jouw liefde voor dieren
te hebben gekwetst, zomaar
naar aanleiding van je hartewens
greep mij een kleine ergernis
naar de keel, het was de kat
al piesend in mijn geheugen die
mijn toorn wekte en
jou deed vermoeden dat ik hem
het liefst zou willen ombrengen terwijl
jij het dier, om het even van welke soort,
aan niets ter wereld
zult offeren, vandaar dit teken
van berouw.

[“Ice Labrador” door Sandra Persoons. Gevonden in mijn boekenkast,
voor mijn lief, geschreven in 1998 - met een boekje vol aandoenlijke hondenfoto’s.] (100 woorden.)

woensdag, januari 03, 2007

Drie stromen …
In het boek van Buddingh’ gelezen:
‘(...) en Dante heeft gelijk,
er zijn drie soorten eeuwigheid,
die van de hel, die van het vagevuur
en die van de hemel.’ En dan zegt Buddingh’:
‘Klopt, je vindt ze, als minuten,
door het leven van elk mens gestrooid.’
[N.a.v. de drie vuurstromen enkele dagen geleden; Giuseppe Frascheri, “Paolo and Fransesca”.]

dinsdag, januari 02, 2007

Reis in het binnenland
‘Getagged’ heet dat in weblogland. Persoonlijke vragen of ontboezemingen in allerlei genres, van alledaags tot confidenties die in gewone gesprekken zelden gedaan worden. Het gebeurt overal al jaren: in HP/De Tijd, in Opzij, in de NRC, in Volkskrant Magazine, in Linda (ja, van alles komt hier thuis voorbij, en is het niet thuis, dan wel ergens aan de leestafel). ‘Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?’ ‘Wat is uw aandeel in het dagelijks corvee?’’Brazilian of …?’ ‘Heeft u geheimen?’ ‘Wat staat er op de wastafel?’
Ik kreeg ‘het stokje’ van Goentha, met lieve intenties. “Maar”, vroeg ze zich af, “is het een eer of een plaag, dit met de billen bloot?” Ik houd het op het eerste, al maak ik van dat stokje een briefje, een briefje dat ik straks ook doorgeef. Maar het is de eer, omdat je gekend en welkom bent, omdat je zelf ooit overal vrijpostig aanklopte en beantwoord bent. Zo gaat dat in deze moderne dagboekhouderij. Je surft als het ware op de golven van berichten van de ene naar de andere weblog en net als bij spontane ontmoetingen op het plein zeg je iets hartelijks. Je geeft iets, ‘iets’ dat in de kern een vorm van erkenning is. Hoe mooi en ongeveinsd dit ook is, het is niet belangeloos. Het is impliciet een uitnodiging en tegelijk nieuwsgierigheid. De een gaat bij de ander eens kijken zonder dat hij of zij het weet … en op zeker moment komt het aanwaaien, en word je misschien getagged. Of je dan bent 'gearriveerd', weet ik niet. Wie dan niet meedoet, plaatst zich er weer even buiten, hoewel het alom wordt gerespecteerd – maar je kunt je, hoe ook, toch wel blijven onderscheiden. Dat is wat we ook graag willen, we willen niet allemaal op elkaar lijken. (Maar niemand wil de buitenstaander zijn, tegelijk toch de eigen veiligheid bewaren. Er is soms wel een bepaalde innerlijke strijdigheid te overwinnen.)
Zo kom ik helemaal niet aan zo’n lijstje toe. Het is niet dat ik niet weet waar ik zoeken moet, maar …ja, ik ben er verlegen mee. Ik schrijf toch aldoor al brieven? (“Ja, maar we willen nu iets weten dat je ….’) Ik ben een verwonderaar, lees mijn (onvolkomen) psychologisch portret maar (26 oktober) of, een andere kant, de poëzie van de verbeelding op diezelfde dag. Of mijn brief van 16 november, Verscheurde stilte, en Een observatie op 22 november.
Een waterman. (Geen –rat.) Een waarnemer. Een luisteraar.
In Station als museum staat een variatie aan observaties, maar mogelijk wordt alleen de waarneming van ‘billen en borsten’ onthouden. (A sort of dirty mind, misschien wel waar, maar wat houden we dat toch raar buiten het leven.) Wat betekent die openhartigheid over schoonheid? Wat is schoonheid? ‘Jong en dartel’? Hoe kortzichtig (al wordt het doorgaans van mannen gedacht: dat ze betoverd raken door al wat naar erotiek reikt, meteen in vuur.) (De vrouw is fascinerend anders.) De geraffineerde ontboezemingen in het openbaar vormen maar een klein vluchtig deel van de schoonheid, want een diepere ontroering vind ik in landschappen, in vriendschappelijke ontmoetingen, in de liefde, in al waarin passie is te herkennen, in biografieën, in poëzie, in kunst. Waarom? Om ‘hoe het er is en zich toont’, óók in de gebrokenheid en het lijden, en bij mensen om de toewijding naar de ander en naar wat mensen creëren, – dat is wat mij raakt, de authenticiteit, de aanwezigheid, de betrokkenheid, omdat het tegendeel mij eveneens treft, maar dan tot huilens toe: de vernedering, de onverschilligheid, de lompheid, de macht en de (eveneens) gewelddadige onmacht, de sociale overbodigheid, het brute ongecontroleerde egoïsme.
Ik ben een stille, denkende en schrijvende man die met een open bewustzijn in de wereld staat. Dat ik nu ook een man ben wiens hoofd op een pijnlijke manier met vier schroeven is vastgezet, ontsnapt er geen minuut aan, maar het treedt gelukkig langzaam meer naar achteren, al gaat het zo traag als een slak.
1. Ik ben gehecht aan mijn liefde en aan de vriendschappen die er zijn want zonder dat is het leven een kale woestenij. Sommige vrienden zijn een oase op mijn eiland.
2. Wil iedereen mij alsjeblieft het eerste uur van de morgen met rust laten!
3. Vreselijk als ik een wind moet laten, maar niet weet waar die waaien kan.
4. Ik woon in de taal maar kom slechts toe aan een kwart van wat ik lezen wil.
5. Ik wil niet dat de televisie mij ‘onderhoudt’, ik houd van mijn eiland.
6. Waar en hoe ver ook, ik wil altijd weer naar huis en niet blijven slapen, hoe gastvrij het er ook is.
7. Ik vind het jammer veel kanten van het leven alleen te kennen uit films of verhalen. Behalve dat dit het mijne is en ik met niemand ruilen wil, ben ik vermoedelijk tegen andere levens ook niet opgewassen. Hoe weinigen zijn gezegend met een leven waarin de vraag niét voorkomt: hoe moet ik dit eigenlijk doen, leven. En ons hoofd zit vol met oplossingen, met verwarring en getob ook.
Even was ik de bestemming kwijt van deze brief en ging ik door naar 8, 9 en 10, maar die heb ik na een korte overweging verwijderd, ze waren me te ijdel en te vrijmoedig. Ze komen waarschijnlijk beter aangekleed nog eens terug.
Zo ik ben getagged, zo is mijn antwoord geworden. Deze brief is voor wie hier komen, maar zou ik onder speciale, vrije aandacht willen brengen van Wenz en van de Stoere Schrijfster, twee innemende jonge vrouwen. Talloze anderen, zag ik intussen, hebben ‘het’ al gehad. Zou Gerhard van Tagelus het op prijs stellen en ook de warmhartige dichteres Gerda(YD)?
Is het zo goed Goentha? Veel te lang!
[“My soul and I” van Simeon Solomon.]

maandag, januari 01, 2007

2007
Het jaar is opgerold en in het archief gezet. Een nieuw jaar gaat zich afwikkelen, nog maar het eerste streepje is zichtbaar. In welke hoedanigheid en waar u ook bent, waar uw hart naar uitgaat of wat uw voornemens zijn, ik wens iedereen van harte een liefdevol en gezond nieuwjaar. Dat vele van de goede wensen waar u in stilte op hoopt in vervulling mogen gaan of daar weer dichterbij komen. Michel de Montaigne, een rijke, gewone en wijze man, zou zeggen: “Niet alles zoals wij het willen, maar zoals het goed en wijs is.” (100 woorden)
[Schilderij van painter Ipalbus.]